04d.4 Bijlage 4 Quickscan ecologie
Tekst van het document
RAPPORT Quickscan ecologie LambWeston Meijer Toetsing in het kader van de Wnb Klant:
LambWeston Meijer
Referentie: BH1580WATRP2006031522 Status:
S0/P01.01
Datum:
2 november 2021
Open
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Amerikalaan 110 6199 AE MAASTRICHT AIRPORT Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 78 48 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Quickscan ecologie LambWeston Meijer Ondertitel: QS LambWeston Meijer Referentie: BH1580WATRP2006031522 Status: P01.01/S0 Datum: 2 november 2021 Projectnaam: Vergunningtraject uitbreiding BHV Projectnummer: BH1580 Auteur(s): Linda Wortel Opgesteld door: Linda Wortel Gecontroleerd door: Arne Kijk in de Vegte Datum: 10 juni 2020/ AKidV Goedgekeurd door: Rinus Hoogeslag Datum: 2 november 2021/ RH
Classificatie Open
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
i
Open
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doel van dit rapport
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Beknopt kader natuurwet en regelgeving
2
3
Beschrijving van het plangebied en het voornemen
4
3.1
Algemene beschrijving van het plangebied
4
3.2
Beschrijving van het voornemen
5
4
Wet natuurbescherming – Gebiedsbescherming
9
4.1
Natura 2000-gebieden
9
4.2
Effectbeschrijving gebiedsbescherming
10
5
Wet natuurbescherming – Soortenbescherming
11
5.1
Werkwijze
11
5.2
Planten
11
5.3
Grondgebonden zoogdieren en vleermuizen
11
5.4
Amfibieën en reptielen
12
5.5
Vissen
13
5.6
Broedvogels
13
5.7
Ongewervelden
14
5.8
Conclusie effectbeoordeling beschermde soorten
14
6
Wet natuurbescherming – houtopstanden
15
7
Natuurnetwerk Nederland
16
8
Eindconclusies Wnb en NNN
17
Geraadpleegde bronnen
18
Bijlagen Bijlage 1: Situatie toekomst plan
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
ii
Open
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
iii
Open
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
LambWeston/Meijer vof heeft de afgelopen jaren diverse verbeteringen doorgevoerd op haar productielocatie in Broekhuizenvorst. Vanwege strengere regels voor (voedsel)veiligheid en de verduurzaming die vanuit de markt wordt gevraagd, heeft LambWeston Meijer Broekhuizenvorst plannen voor verdere ontwikkeling van de productielocatie. Hierdoor kan LambWeston Meijer Broekhuizenvorst het productieproces veiliger, duurzamer en efficiënter laten verlopen.
1.2
Doel van dit rapport
Dit rapport geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Hierbij wordt gekeken naar de onderdelen Soortenbescherming (flora & fauna), Gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) en Houtopstanden van de Wet natuurbescherming (Wnb) en naar Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor wat betreft Soortenbescherming wordt aan de hand van gegevens beschikbaar in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en een veldbezoek beoordeeld wat de geschiktheid van de aanwezige habitats is voor beschermde soorten en in hoeverre beschermde soorten daadwerkelijk te verwachten zijn. Voor wat betreft Gebiedsbescherming wordt aan de hand van de zogenoemde Effectenindicator 1 nagegaan of en in hoeverre enige relatie te verwachten is tussen de voorgenomen ingreep en de onder de Wet natuurbescherming geformuleerde instandhoudingsdoelen; een zogenoemde Voortoets. Verder wordt gekeken of er effecten zijn op Natuurnetwerk Nederland en of er bomen worden gekapt die relevant zijn in het kader van onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het kader van de hier relevante natuurwet- en regelgeving gegeven. Hoofdstuk 3 geeft een algemene indruk van het plangebied en beschrijft de voorgenomen ontwikkelingen. In het vierde hoofdstuk worden de storingsfactoren getoetst die relevant zijn voor de voorgenomen ingreep en aanwezige beschermde Natura 2000-gebieden. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de aanwezigheid van beschermde soorten en de effecten van de voorgenomen ingreep op deze soorten beoordeeld. Hoofdstuk 6 behandelt de effecten op het onderdeel Houtopstanden in de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 7 behandelt de effecten op Natuurnetwerk Nederland. Tot slot worden in hoofdstuk 8 de conclusies samengevat en aanbevelingen gedaan.
1 De effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van de activiteit en plannen kunnen worden verkend 2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
.
BH1580WATRP2006031522
1
Open
2
Beknopt kader natuurwet en regelgeving
De juridische kaders die volgen uit de Wet natuurbescherming en het beleid rond Natuurnetwerk Nederland vormen het toetsingskader. Wat betreft de Wet natuurbescherming zijn de onderdelen Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de wet), Soortenbescherming (Hoofdstuk 3 van de wet) en Houtopstanden (hoofdstuk 4 van de wet) van belang in het licht van de voorgenomen activiteit. Gebiedsbescherming Het onderdeel Gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Voor elk van de aangewezen gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, nader uitgewerkt in een beheerplan, die gelden als toetsingskader. Uitgaande van de instandhoudingsdoelstellingen dient nagegaan te worden of sprake is van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Hierbij is ook zogenoemde externe werking van belang. Dat wil zeggen dat ook beschouwd moet worden in hoeverre storingsfactoren buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten hebben op in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. Soortenbescherming Het onderdeel Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna, ook buiten Natura 2000-gebieden.
Op hoofdlijnen is sprake van een drietal beschermingsregimes: één voor soorten van de Habitatrichtlijn, één voor soorten van de Vogelrichtlijn en één voor nationaal beschermde soorten. In de wet zijn ten aanzien van deze soorten verbodsbepalingen opgenomen als ook gronden waarop ontheffing kan worden verleend. Deze kunnen per regime verschillen, waarbij beide eerstgenoemden de meest strikte bescherming genieten. Bepaald dient te worden of sprake kan zijn van overtreding van geformuleerde verbodsbepalingen, of alternatieven voorhanden zijn, of sprake is van een wettelijke grondslag dan wel een wettelijk doel en in hoeverre sprake is van negatieve effecten op de staat van instandhouding van betrokken soorten. Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming) geldt verder een algemene zorgplicht conform artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat een ieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. Houtopstanden Ook houtopstanden zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 4 van de wet).
Wanneer meer dan 10 are opgaande begroeiing, dan wel laanbeplanting van ten minste 20 bomen moet verdwijnen buiten bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, dient hiervan melding te worden gemaakt bij Bevoegd Gezag. Uitgezonderd zijn onder meer (maar niet uitsluitend) naaldbomen bedoeld voor kerstbomenteelt of uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting. De verloren gegane bomen dienen binnen drie jaar, op bosbouwkundig verantwoorde wijze elders te worden teruggebracht (herplantplicht). Natuurnetwerk Nederland Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde “nee, tenzij”-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
2
Open
door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het “Natuurbeheerplan” van de betreffende provincie, de Index Natuur en Landschap en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden voor zover de onder het Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden ook in een Natura 2000-gebied liggen. In geval van Natuurnetwerk Nederland hoeft in Limburg geen rekening gehouden te worden met externe werking.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
3
Open
3
Beschrijving van het plangebied en het voornemen
3.1
Algemene beschrijving van het plangebied
De productielocatie van Lamb Weston / Meyer vof is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas aan de Blitterswijckseweg 1 te Broekhuizenvorst. Het plangebied bestaat uit een bedrijfsterrein met verschillende gebouwen, silo’s en hallen en opslagplaatsen op het terrein en ten zuiden van het huidige bedrijfsterrein een braakliggend terrein. Aan de zuidkant wordt de huidige grens gemarkeerd door een grondwal met laurierhaag. Dit om de gebouwen aan het zicht te onttrekken. Voor een uitbreiding aan de zuidkant heeft LambWeston Meijer het naastliggende perceel aangekocht dat ook onderdeel uitmaakt van het plangebied (zie figuur 3-1). Dit perceel is recent opgehoogd en bestaat uit open grond (zand/leem) met enkele kruiden. De ophoging is uitgevoerd in het kader van het gebiedsontwikkelingsproject Ooijen Wanssum dat grenst aan de zuidkant van dit uitbreidingsperceel.
Figuur 3-1: Het plangebied.
Het gebiedsontwikkelingsproject is onder andere gericht op het reactiveren van de 10 kilometer lange Oude Maasarm tussen Ooijen en Wanssum. Deze aftakking van de Maas, was vroeger als zijrivier actief, maar is in de loop der tijd nagenoeg droog komen te liggen. Behalve bij hoogwater, dan speelt de Oude Maasarm een belangrijke rol. De ophoging van het uitbreidingsperceel is onderdeel van de aanleg van een (steilrand)dijk langs de Oude Maasarm. Op de dijk is in overleg met LambWeston / Meijer een brede bosstrook aangeplant om zo het bedrijfsterrein aan het zicht te onttrekken, ook na uitbreiding van het bedrijfsterrein (zie figuur 3-2). Het bedrijfsterrein en de uitbreiding liggen door deze ontwikkelingen tegen de NNN, die nog in een pionierssituatie verkeert.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
4
Open
Figuur 3-2: Het ontwerp van gebiedsontwikkeling Ooien-Wanssum met de bosstrook ten zuiden van het plangebied (bron: PIPgebiedsontwikkeling Ooijen – Wanssum).
3.2
Beschrijving van het voornemen
Om het productieproces in en om de productielocatie veiliger, duurzamer en efficiënter te laten verlopen heeft LambWeston Meijer plannen voor verdere ontwikkeling van de productielocatie Broekhuizenvorst. De gewenste uitbreiding van LambWeston Meijer Broekhuizenvorst is besproken met het projectbureau OoijenWanssum en op basis hiervan is er ontwikkelingsruimte voor LambWeston Meijer Broekhuizenvorst gereserveerd in het initiatievenloket. De ontwikkelingen bestaan uit de volgende onderdelen: • Uitbreiding van het bedrijfsterrein; • Realisatie van sprinklertank; • Plaatsing opslagtanks reststromen; • Uitbreiding technische ruimte; • Realisatie fietsenstalling; • Realisatie palletopslag en daarvoor verwijderen van grondwal en laurierhaag; • Realisatie extra productieruimte: • Uitbreiding hoofdgebouw. In bijlage 1 is te zien waar deze onderdelen plaatsvinden. In figuren 3-3 tot 3-7 is een impressie gegeven van de locaties waar de verschillende onderdelen plaats vinden. Ten tijde van het opstellen van dit document was nog niet bekend, welk materieel, welke planning en welke doorlooptijd gehanteerd zou worden. Hiermee is rekening gehouden in deze Quickscan.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
5
Open
Figuur 3-3: Locatie uitbreiding hoofdgebouw.
Figuur 3-4: Locatie overkapping productieruimte.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
6
Open
Figuur 3-5: Locatie grondwal met laurierhaag op huidige grens bedrijfsterrein.
Figuur 3-6: Locatie uitbreidingsperceel voor o.a. nieuwe sprinklertank.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
7
Open
Figuur 3-7: Locatie aanbouw technische ruimte.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
8
Open
4
Wet natuurbescherming – Gebiedsbescherming
4.1
Natura 2000-gebieden
Op een afstand van circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen. Het aanzicht van het Natura 2000-gebied wordt in hoofdzaak bepaald door oude rivierterrassen van de Maas en opgestoven rivierduinen. Extra reliëf (in de vorm van stuifduinen) is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd dat al dan niet bedekt is met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit het Maasdal, vormen het karakteristieke landschap van de Maasduinen. Hierop ontstond in de loop van de tijd heide. In het begin van de vorige eeuw zijn er op grote delen van deze heide eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied in ruimtelijk opzicht niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal van de Maas in stand gebleven. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn (provincie Limburg, 2019). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 4,5 kilometer afstand van het plangebied.
De Effectenindicator zoals aangereikt door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2020) geeft een negentiental mogelijke effecten, de zogenoemde storingsfactoren, waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden ten aanzien van in Natura 2000-gebieden beschermde waarden. Op basis van deze storingsfactoren worden de effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving beoordeeld. De afstand van de Natura 2000gebieden en hun waarden tot het plangebied is dusdanig groot dat voor de meeste storingsfactoren op voorhand kan worden uitgesloten dat deze gaan optreden als gevolg van de voorgenomen activiteit. Dit als gevolg van het gegeven dat de tijdelijke emissies van bijvoorbeeld geluid, licht en trillingen, als gevolg van tussenliggend landgebruik als woonkernen, in combinatie met de afstand ter plaatse, van geen enkele Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Bovendien grijpt de voorgenomen activiteit niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Effecten ten gevolge van vrijwel alle in de Effectenindicator opgenomen storingsfactoren zijn dan ook op voorhand uitgesloten.
Als gevolg van het gebruik van zwaar materieel en vervoersbewegingen voor aanvoer van bouwmateriaal waarbij stikstof vrij komt is het op voorhand niet uit te sluiten dat omliggende Natura 2000gebieden een toename van stikstofdepositie ondervinden. Hierdoor is de enige storingsfactor waarvan op voorhand niet duidelijk is of deze relevant is: Verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht. Met het gegeven dat voor alle andere storingsfactoren op voorhand uitgesloten is dat effecten op kunnen treden op natuurwaarden ten aanzien waarvan instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd, komt alleen deze storingsfactor in de effectbeschrijving aan de orde.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
9
Open
Figuur 4-1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Maasduinen (bron: Provincie Limburg, 2020)
4.2
Effectbeschrijving gebiedsbescherming
Stikstofdepositie Uitvoeringsfase Door de inzet van groot materieel kan sprake zijn van extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Bij toenames van meer dan 0,00 mol stikstof per hectare per jaar kunnen (significant) negatieve effecten op aangewezen habitattypen en/of leefgebieden van soorten (door de uitvoeringswerkzaamheden van de aanpassing en uitbreiding) niet op voorhand worden uitgesloten. Het is daarom noodzakelijk een berekening van de stikstofdepositie in AERIUS Calculator uit te voeren voor de uitvoeringsfase, om te beoordelen of er sprake is van extra stikstofdepositie door de uitbreidingswerkzaamheden. Bij een toename van de depositie vanaf 0,01 mol/ha/jaar is een ecologische effectbeoordeling stikstof en mogelijk een vergunning in het kader van de Wnb noodzakelijk. Gebruiksfase Hoewel van een uitbreiding wordt gesproken zal in de gebruiksfase geen wijziging in de productie plaatsvinden en dus geen wijziging in de stikstofemmissie. De uiteindelijke situatie leidt niet tot externe effecten in de vorm van depositie van stikstof, zodat een vergunningplicht voor de gebruiksfase niet aan de orde is ten aanzien van beschermde gebieden.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
10
Open
5
Wet natuurbescherming – Soortenbescherming
5.1
Werkwijze
Inventarisatie van beschermde soorten Op basis van een terreinbezoek en controle van verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is binnen de range van 1 januari 2010 t/m 2 juni 2020 bepaald welke beschermde flora en fauna (mogelijk) in het plangebied voorkomt. Het oriënterend veldbezoek is uitgevoerd op 3 juni 2020 door L.H. Wortel, ecoloog in dienst bij Royal HaskoningDHV. Tijdens het veldbezoek is gericht gekeken naar de aanwezigheid van natuurwaarden (lees: habitats die geschikt zijn voor beschermde soorten). Tijdens het veldbezoek was het zonnig en rond de 20 graden Celsius. Vaststelling van mogelijke effecten op beschermde soorten Om vast te stellen of de uitbreidingsfase van het project effect heeft op beschermde flora en fauna, is een beknopte analyse gemaakt van het project in relatie tot de habitat/ biotoop- eisen van de beschermde soorten uit het gebied. Er wordt bepaald of het waarschijnlijk is dat het project in het licht van de Wnb ten aanzien van beschermde soorten doorgang kan vinden. Hierbij wordt rekening gehouden met de onder de Wnb vastgestelde criteria. Daarnaast zijn voorstellen gedaan om eventuele effecten te mitigeren die anders zouden kunnen leiden tot het overtreden van verbodsbepalingen.
5.2
Planten
Voorkomen beschermde planten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF (NDFF, 2020) komen geen waarnemingen van beschermde plantensoorten naar voren. Ook tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten of habitats van beschermde plantensoorten waargenomen. Op de lijst van beschermde planten staan vooral soorten van extensief beheerde en onbemeste akkers en soorten van kalkrijke standplaatsen. Daarnaast staan er soorten van zeer schrale, zwak zure standplaatsen op de lijst. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig op het bedrijfsterrein, op de grondwal en de omliggende pionierssituatie van het uitbreidingsperceel en de NNN. Tijdens het veldbezoek van 3 juni 2020 is de haag en grondwal en het bedrijfsterrein onderzocht op voorkomen van beschermde planten, deze zijn echter niet aangetroffen. Het plangebied en de directe omgeving daarvan voorziet op grond van de geraadpleegde verspreidingsgegevens en het veldbezoek niet in groeiplaatsen van onder de Wnb beschermde vaatplanten. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van beschermde vaatplanten is derhalve uitgesloten.
5.3
Grondgebonden zoogdieren en vleermuizen
Voorkomen beschermde zoogdieren In de verspreidingsgegevens van de NDFF (NDFF, 2020) komen geen waarnemingen voor van grondgebonden zoogdieren in het plangebied of de omgeving. Wel blijkt uit kennis vanuit de gemeente dat in het bosje ten oosten van het fabrieksterrein een das leeft. Op het bedrijfsterrein zijn geen potentiele habitats voor grondgebonden zoogdieren aanwezig. Tijdens het veldbezoek is de grondwal met laurierhaag en het uitbreidingsgebied geïnspecteerd op holen en andere sporen van zoogdieren. Deze zijn niet waargenomen. In de verspreidingsgegevens van de NDFF (NDFF, 2020) komen eveneens geen waarnemingen voor van vleermuizen in het plangebied of de omgeving. In de omgeving komen waarschijnlijk wel vleermuizen voor maar binnen het plangebied komt geen essentieel foerageergebied voor en gaat dus ook niet verloren. De uitbreiding van de gebouwen wordt in de meeste gevallen zo uitgevoerd dat de bestaande gebouwen niet worden aangetast of gesloopt. Alleen bij de uitbreiding van de technische ruimte aan de noordkant zal de 2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
11
Open
gevel worden gesloopt. Tijdens het veldbezoek is deze gevel onderzocht op eventuele spleten geschikt voor vleermuizen. Een deel van de gevel bestaat uit golfplaten. De holten achter de golfplaten waren echter afgedicht waardoor geen vleermuizen achter de platen kunnen komen. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen leven in een zelf gegraven burcht, die decennia lang in gebruik kan zijn bij opeenvolgende generaties. De burchten worden keer op keer opgeschoond en uitgebreid, waardoor een enorm stelsel van gangen en kamers kan ontstaan. Effectbeoordeling das De das leeft volgens zeggen in het bosje ten oosten van het plangebied. Dit bosje zal behouden blijven bij uitbreiding van het fabrieksterrein. Wel zal om het huidige fabrieksterrein en het uitbreidingsdeel een hek komen. Om het huidige voornamelijk verharde fabrieksterrein staat al een hek. Het fabrieksterrein is daardoor ongeschikt als leefgebied voor de das.
Het uitbreidingsgebied is als gevolg van het gebiedsontwikkelingsproject Ooijen -Wanssum recent opgehoogd en bestaat nog uit braak terrein. Ook dit braakliggende terrein is ongeschikt als onderdeel van het leefgebied van de das. De laurierhaag die gekapt zal worden heeft nu geen functie voor de das behalve als geleiding naar andere gebieden. Het omheinen van deze delen zal daardoor geen negatief effect op de das veroorzaken. In de omgeving is voldoende geschikt foerageergebied en het omheinde deel is niet zo groot dat de das het als een barriere richting verder gelegen foerageergebied kan ervaren. In het kader van het gebiedsontwikkelproject Wassum-Ooijen en de uitbreiding van het fabrieksterrein is ten zuiden van het nieuwe fabrieksterrein een soortenrijke struweelhaag aangeplant (onder andere ter vervanging van de laurierhaag) zodat de fabriek ook na de uitbreiding aan het zicht onttrokken wordt. Wanneer deze struweelhaag in circa 2 jaar volgroeid is vormt deze een aanvulling op het leefgebied van de das. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van natuur rond de hoogwatergeul ten zuiden van het fabrieksterrein. In de aanlegfase zal zou de das mogelijk verstoord kunnen raken door de werkzaamheden. De huidige bedrijvigheid op het fabrieksterrein is echter een contante factor waaraan de das duidelijk gewend is geraakt.
De tijdelijke toename van bedrijvigheid door de aanlegwerkzaamheden zijn echter niet zo groot dat dit alsnog de das zou kunnen verstoren. Ten westen van het plangebied ligt een bosje waar de das leeft. De ontwikkelingen in het plangebied veroorzaken geen negatieve effecten op het leefgebied van de das rond het plangebied. Het plangebied en de directe omgeving daarvan voorziet op grond van de geraadpleegde verspreidingsgegevens en het veldbezoek verder niet in geschikte habitats van andere onder de Wnb beschermde zoogdieren. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van beschermde zoogdieren is derhalve uitgesloten.
5.4
Amfibieën en reptielen
Voorkomen amfibieën en reptielen Geraadpleegde verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) wijzen niet op het voorkomen van beschermde amfibieën of reptielen in het plangebied. Door afwezigheid van water in het plangebied komen er in het plangebied ook geen geschikte voortplantingsplekken voor amfibieën voor. Ook als landhabitat voor beschermde amfibiesoorten is het plangebied grotendeels ongeschikt omdat het bedrijfsterrein vrijwel geheel verhard is. Daarnaast ontbreekt het in het plangebied aan open bossen, ruige bermen en heidevelden en is er daarom in het plangebied geen geschikt leefgebied voor beschermde reptielen aanwezig. Voorkomen van reptielen in het plangebied is uitgesloten.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
12
Open
Binnen het plangebied zijn geen geschikte biotopen voor beschermde amfibieën of reptielen aanwezig. Het voorkomen van beschermde amfibieën en reptielen is uitgesloten. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van beschermde amfibieën en reptielen is derhalve uitgesloten.
5.5
Vissen
Voorkomen beschermde vissen In het plangebied ontbreken watergangen. Aanwezigheid van beschermde vissoorten in het plangebied is uitgesloten. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen is uitgesloten.
5.6
Broedvogels
Voorkomen broedvogels De geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF (NDFF, 2020) wijzen op enkele losse waarnemingen van broedvogels in het plangebied en meerdere rond het plangebied. Binnen het plangebied zijn waarnemingen bekend van grasmus, tuinfluiter in de laurierhaag en zwarte roodstaart en holenduif ter hoogte van de gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn huismus en houtduif op het terrein waargenomen, maar zijn geen potentiële nestplaatsen voor deze soorten waargenomen. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten tijdens het veldbezoek waargenomen. Buiten het plangebied zijn meerdere broedvogels waargenomen waaronder ook soorten met jaarrond beschermde nesten zoals bosuil, kerkuil en steenuil. Tevens is ook de veldleeuwerik een weide- of akkervogel buiten het plangebied waargenomen. Er komen geen jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied voor. Er komen algemeen voorkomende broedvogels voor binnen het plangebied. De nesten van deze broedvogels zijn tijdens het broedseizoen beschermd. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling broedvogels Binnen het plangebied komen verschillende soorten broedvogels voor. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen in het plangebied. De voorgenomen activiteit heeft echter een zeer beperkte impact op de omgeving.
Op het bedrijfsterrein wordt dagelijks gewerkt met groot materieel en er wordt ook ‘s nachts verlichting op het terrein gebruikt in verband met de veiligheid. De verstoring die de tijdelijke werkzaamheden eventueel zouden veroorzaken vallen samen met de al aanwezige verstoring door de dagelijkse werkzaamheden op het terrein. De tijdelijke werkzaamheden op het feitelijke bedrijfsterrein zullen daarom geen effect hebben op broedvogels op of rond het bedrijfsterrein. In de laurierhaag op de grondwal aan de zuidkant van het huidige terrein komen zeer waarschijnlijk broedvogels voor. Wanneer deze haag en grondwal binnen het broedseizoen worden verwijderd is het niet uit te sluiten dat verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden. Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: Buiten het broedseizoen te werken (broedseizoen loopt globaal van half maart tot begin augustus), of; Voorafgaand aan het broedseizoen de haag te kappen. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden.
Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Indien dit niet mogelijk
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
13
Open
is, wordt geadviseerd om bovengenoemde maatregelen te treffen en het terrein kort voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende vogels.
5.7
Ongewervelden
Voorkomen beschermde ongewervelden Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) komen geen waarnemingen van beschermde ongewervelden naar voren. Omdat in het plangebied alleen een laurierhaag met weinig ondergroei en een braakterrein met enkele algemene pioniersplanten bestaat is het redelijkerwijs uitgesloten dat er beschermde ongewervelden voorkomen in het plangebied. Geschikte waardplanten ontbreken. Er komen geen beschermde ongewervelden binnen het plangebied voor. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van beschermde ongewervelden is uitgesloten.
5.8
Conclusie effectbeoordeling beschermde soorten
Wanneer buiten het broedseizoen wordt gewerkt wordt een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb voorkomen. Dit betekent dat de voorgenomen activiteit buiten de periode van 15 maart tot begin augustus uitgevoerd zal moeten worden of dat de werkzaamheden voor het broedseizoen gestart moeten worden waardoor broedvogels een andere broedplek zoeken en er geen verstoring optreedt.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
14
Open
6
Wet natuurbescherming – houtopstanden
Om het bedrijfsterrein uit te kunnen breiden dient de grondwal met laurierhaag verwijdert te worden. De totale oppervlakte van de te kappen haag is minder dan 10 are en bestaat uit een niet inheemse struik, de laurierkers. Tevens kan de haag gezien worden als erfbeplanting van het bedrijfsterrein. Beplanting op erven en tuinen zijn vrijgesteld van bescherming. Dit betekent dat deze kap niet onder de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden valt. Het doen van een kapmelding is daardoor niet noodzakelijk. Om te voorkomen dat na de kap van de laurierhaag het bedrijfsterrein alsnog van veraf te zien zou zijn, is een bosstrook op de nieuwe dijk aangeplant.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
15
Open
7
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt naast een deel van de NNN die nog ontwikkeld moet worden in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen- Wassum. In figuur 7-1 is de ligging van het plangebied op de beheertypenkaart van de provincie Limburg weergegeven. Het dichtstbijzijnde deel van de NNN dat al ontwikkeld is en waarden heeft is een bosgebiedje op circa 400 meter afstand, dat het beheertype N01.03: Rivier- en moeraslandschap heeft gekregen (grijsblauwe vlak).
Figuur 7-1: ligging plangebied ten opzichte van de NNN (roze = Nog om te vormen naar natuur)(bron: Provincie Limburg, 2020)
Effecten op wezenlijke waarden en kenmerken NNN Omdat het plangebied en het planvoornemen niet in planologische beschermde natuurwaarden liggen zoals aangeduid in de provinciale atlas van de provincie Limburg en het naastgelegen Natuurnetwerk Nederland zijn natuurwaarden nog moet ontwikkelen, is het optreden van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN als gevolg van de tijdelijke uitbreidingswerkzaamheden uitgesloten.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
16
Open
8
Eindconclusies Wnb en NNN
Conclusie en aanbevelingen beschermde gebieden Natura 2000 Als gevolg van stikstofdepositie zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van onder meer Natura-2000 gebied Maasduinen (en eventueel andere Natura 2000-gebieden) niet uit te sluiten. Een AERIUS-berekening (voor de uitvoeringsfase) is noodzakelijk om effecten te kunnen duiden. Overige storingsfactoren leiden niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Conclusie beschermde soorten Wnb Ten aanzien van beschermde soorten in het kader van de Wnb zijn er geen overtredingen van verbodsbepalingen te verwachten mits: buiten het broedseizoen wordt gewerkt (broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot begin augustus) of voor het broedseizoen wordt begonnen zodat broedvogels tijdig een andere broedlocatie kunnen kiezen en zo niet verstoord worden. Een aanvraag voor een ontheffing in het kader van de Wnb is dan niet noodzakelijk. Conclusie Houtopstanden De te kappen laurierhaag is minder van 10 are groot en betreft een erfbeplanting met een niet inheemse stuiksoort. Hierdoor valt de haag niet onder de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Het doen van een kapmelding is daardoor niet noodzakelijk. Conclusie NNN Het plangebied ligt buiten een NNN-gebied waarvan de wezenlijke waarden en kenmerken nog in ontwikkeling zijn.
Het optreden van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN als gevolg van de tijdelijke uitbreidingswerkzaamheden is uitgesloten.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
17
Open
Geraadpleegde bronnen
NDFF. Nationale Databank Flora en Fauna. reeks van 1-1-2015 t/m 2-06-2020, geraadpleegd op 2 juni 2020; Verschillende verspreidingsatlassen soorten (zoogdieren, reptielen) (https://www.verspreidingsatlas.nl/) Laatst geraadpleegd op 03-06-2020. Provincie Limburg, 2019. Kernrapport Natura2000-plan Maasduinen (145). Ontwerp, Juni 2019. Provincie Limburg, 2020. Beheertypenkaart provincie Limburg. Interactieve atlas (https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default) LambWeston Meijer, 2020. Principeverzoek toekomstplannen LWM Broekhuizenvorst.
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
18
Open
Bijlage 1: Situatie toekomst plan
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
19
Open
2 november 2021
QS LAMBWESTON MEIJER
BH1580WATRP2006031522
20