CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toellichting

Gemeenteraad 23 februari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Julianastraat Meerlo.10.452 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Julianastraat Meerlo Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld

Bestemmingsplan Julianastraat Meerlo Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld

Rapportnummer:

P00387

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1507.MRJULIANASTR-BPV1

Datum:

2 februari 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Horst a/d Maas

Projectteam BRO:

SSh

Concept:

23 april 2020

Ontwerp:

27 juli 2020

Vaststelling:

2 februari 2021

Bron foto kaft:

BRO

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de woningbouw aan de Julianastraat te Meerlo.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1Leeswijzer

3 4

2.GEBIEDS- EN PLANBESCHRIJVING 2.1Gebiedsbeschrijving 2.2 Planbeschrijving 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

4 5 5 6

3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid

7 7

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.4 Wet milieubeheer 3.2Provinciaal beleid

7 8 8 9 10

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3Regionaal beleid

10 12 12

3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 3.4Gemeentelijk beleid

12 13

3.4.1 Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Brugveld Zuid III Meerlo’

13 15 15

4.SECTORALE ASPECTEN 4.1Inleiding 4.2Milieuaspecten

17 17 17

4.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 4.2.2 Geluid 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Geur 4.2.5 Bedrijven en milieuzonering 4.2.6 Externe veiligheid 4.2.7 Milieueffectrapportage 4.3Archeologie en cultuurhistorie

17 17 18 19 19 19 21 23

4.3.1 Archeologie 4.3.2 Cultuurhistorie

Inhoudsopgave

23 23

1

4.4Natuur en flora en fauna 4.5Waterparagraaf 4.6Verkeer en parkeren

23 25 26

4.6.1 Verkeer en ontsluiting 4.6.2 Parkeren 4.7Kabels en leidingen 4.8Economische aspecten

26 27 27 27

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Inleiding 5.2Plansystematiek 5.3Bestemmingen

28 28 28 30

6.Procedure 6.1Procedure 6.2Vooroverleg en inspraak 6.3Zienswijzen

31 31 31 31

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING De gemeente Host aan de Maas is voornemens om maximaal 34 woningen te realiseren aan de Julianastraat, op de hoek met het eerste deel van de verbindingsweg tussen de Julianastraat en De Leeuwerik. Het plangebied valt binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Brugveld Zuid III Meerlo’, zoals door de gemeenteraad van Horst aan de Maas is vastgesteld op 22 september 2011. Binnen het plangebied zijn volgens het vigerend bestemmingsplan maximaal 20 woningen toegestaan, echter uitsluitend in de vorm van twee-aaneen gebouwde of aaneengebouwde woningen. De beoogde ontwikkeling is dus strijdig met het vigerend bestemmingsplan, aangezien er 14 woningen worden toegevoegd waarvan 12 gestapelde woningen. In het voorliggend bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijke geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting, waarin onder andere een verantwoording van de inpasbaarheid van de nieuwe woningen op het betreffende perceel wordt gegeven vergezelt het plan.

Topografische kaart met ligging plangebied (rood omcirkeld) en omgeving (bron: www.topotijdreis.nl)

Hoofdstuk 1

3

1.1 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de procedure aan de orde.

Hoofdstuk 1

4

2.

GEBIEDS- EN PLANBESCHRIJVING 2.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen aan de zuidrand van Meerlo, aan de oostzijde van de kern. Aan de noorden oostzijde van het plangebied zijn voornamelijk woningen gelegen. Aan de zuidzijde van het plangebied is de sporthal ‘Brugeind’ gelegen.

Luchtfoto ligging plangebied (rood omcirkeld) en directe omgeving

2.2 Planbeschrijving Het initiatief bestaat uit de bouw van maximaal 34 woningen, waaronder 12 gestapelde woningen. Het bouwplan bestaat deels uit levensloopbestendige woningen en huurwoningen bedoeld voor het middensegment.

Hoofdstuk 2

5

Uitsnede verkavelingstekening toekomstige bebouwing

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de kern Meerlo in het stedelijk bebouwd gebied. In de omgeving zijn voornamelijk bebouwde woonpercelen gelegen. Het plangebied is juridisch-planologisch tevens reeds aangewezen voor woningbouw. Echter wordt met de beoogde ontwikkeling voorzien in 14 extra woningen, waaronder 12 gestapelde woningen. Het totaalplan omvat dus 34 woningen binnen het plangebied. De woningen passen qua vorm, massa, bouwtypologie en qua goot-en bouwhoogte goed in het straatbeeld. Voor het overige zijn er geen storende milieu-of verkeersaspecten die van invloed zijn op de bestaande of de nieuwe woningen. Zowel stedenbouwkundig als ruimtelijk gezien is de bouw van de woningen dan ook niet bezwaarlijk.

Hoofdstuk 2

6

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 13 maart 2012, staan de plannen van de rijksoverheid ten aanzien van aspecten op het gebied van ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening.

Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;  een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid en heeft daarom uit bovenstaande drie doelen slechts dertien nationale belangen naar voren laten komen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De dertien belangen van het Rijk zijn:  een excellent ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren;  ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie;

Hoofdstuk 3

7

          

ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; efficiënt gebruik van de ondergrond; een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; ruimte voor waterveiligheid en duurzame zoetwatervoorzieningen en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Conclusie Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Voor het overige is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de SVIR direct in het geding zijn. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kunstfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorzieningen, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kunstfundament en het IJsselmeergebied. Conclusie Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de voorgenomen ontwikkeling in het geding.

De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een

Hoofdstuk 3

8

‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie Voorliggend initiatief betreft de realisering van maximaal 34 woningen, waaronder 12 gestapelde woningen.

In het vigerend bestemmingsplan is de bouw van 20 woningen reeds toegestaan, mits het gaat om twee-aaneen gebouwde of aaneengebouwde woningen. In het voorliggende geval is dus sprake van een toevoeging van slechts 14 woningen. In de kern Meerlo, waartoe het plangebied, behoort is de behoefte aan levensloopbestendige woningen en huurwoningen groot. Het project voorziet in de aanwezige behoefte aan het segment waartoe de woningen behoren. Binnen de kern Meerlo is er dus sprake van de behoefte aan deze woningen. Bovendien is in het vigerend bestemmingsplan reeds de mogelijkheid opgenomen tot realisatie van 20 woningen. Gelet op voortschrijdende inzichten is de verkaveling uit het vigerend bestemmingsplan momenteel niet meer wenselijk voor het plangebied en is de verkaveling aangepast n.a.v. de behoefte binnen de kern Meerlo. 3.1.4 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgesteld dat de m.e.r.beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onder-

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

9

deel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De afweging met betrekking tot de m.e.r.- (beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.2.7. Gelet op de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloeden op de omgeving, derhalve hoeft er ook geen vormvrije m.e.r. beoordeling doorlopen te worden.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema's benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. Voor woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkels geldt dat er daarvan in Limburg genoeg zijn, in toenemende mate zelfs te veel. Maar tegelijkertijd liggen er op al deze gebieden nog grote kwalitatieve opgaven. Blijvende vernieuwing en innovatie zijn dan ook van groot belang. De uitdaging is om een omslag te maken 'van kwantiteit naar kwaliteit' en meer schaarste te creëren. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Op basis van een goede visie en een actueel overzicht van de voorraad worden per regio afspraken gemaakt. Deze afspraken gaan over het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, het schrappen van plannen en ideeën maar ook van harde plancapaciteit of nog uitgeefbare terreinen waar achteraf minder behoefte aan blijkt te bestaan en mogelijk ook de aanpak van leegstand.

Er is onder voorwaarden ruimte voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad. Op het gebied van wonen is de provinciale ambitie een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. De Limburgse woningmarkt biedt voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. De woningvoorraad biedt voldoende mogelijkheden voor doorstromingen, is toekomstbestendig en kan flexibel inspelen op (veranderende) woonwensen.

Hoofdstuk 3

10

Uitsnede POL-kaart 'Zonering Limburg' met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

Het plangebied is gelegen binnen de zone ‘’overig bebouwd gebied’’. In deze gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen moeten stedelijke ontwikkelingen een plek krijgen en wordt ingezet op transformatie van de regionale woningvoorraad. De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. In kwalitatief opzicht gaat het om het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad. De Limburgse woningmarkt is gediend met een ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Dat begrip omvat meerdere aspecten:    

duurzaamheid (energieprestatie en- gebruik gedurende de hele levenscyclus van vastgoed, duurzaamheid en energie tijdens de bouw en sloop en hergebruik van materialen); flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies; levensloopbestendigheid (gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers); als ruimtelijke basis: de locatie van woning(en), wat een focus inhoudt op plaatsen waar de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat ook op langere termijn aanwezig zijn.

Afweging De voorgenomen woningbouwontwikkeling vindt plaats in bebouwd gebied binnen de zone ‘Overig bebouwd gebied’, waarbinnen ruimte is voor stedelijke ontwikkelingen zoals onderhavig initiatief. Middels

Hoofdstuk 3

11

onderhavig plan wordt binnen de contouren van het bestaande woongebied een andere invulling gegeven aan het programma. Het toevoegen van 14 woningen aan de reeds toegestane 20 woningen past binnen de richtlijnen die zijn opgesteld voor het ‘’overig bebouwd gebied’’ en leidt niet tot scheve verhoudingen binnen de gemengde woon/werkgebieden. Met het plan wordt derhalve aangesloten bij de uitgangspunten uit het POL2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied ligt binnen de boringvrije zone Venloschol. In deze zone is het verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput te hebben, de grond te roeren, een gesloten bodemenergiesysteem te hebben of werken op of in de bodem uit te voeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien er geen sprake is van een van deze ingrepen beneden 5 meter boven NAP, vormt de ligging in de boringvrije zone Venloschol geen belemmering. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw.

Artikel 2.4.2 stelt het volgende: ‘’Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.’’ Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen te bevatten. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de ‘Structuurvisie Wonen Noord-Limburg’. In paragraaf 3.3.1 wordt hier nader op ingegaan. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er kortom geen belemmeringen.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 20 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De regionale structuurvisie Wonen Noord- Limburg heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 4 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter.

Hoofdstuk 3

12

In de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is een gezonde woningmarkt in balans. Het aantal plannen voor nieuwbouw moet in gezonde verhouding staan tot de kwantitatieve behoefte. De transformatieopgave manifesteert zich in het stedelijk gebied en in de kleine kernen. De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is uitgewerkt in lokaal woonbeleid. Afweging In het voorliggende geval gaat het om een ontwikkeling van maximaal 34 woningen, waarvan 12 gestapelde woningen, binnen het gebied waarop de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg van toepassing is. Binnen het plangebied is het reeds toegestaan om 20 woningen te bouwen, het gaat dus om een toevoeging van 14 woningen ten opzichte van de huidige juridisch-planologische situatie. De toevoeging van de woningen zorgt voor een optimalisering van het huidige woongebied, aangezien woningen worden ontwikkeld waar in de gemeente veel vraag naar is. Er is daarmee sprake van een beperkte toename van het aantal woningen, waarmee de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie “Horst aan de Maas” vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: 1. de structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; 2. de gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; 3. de structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.

Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden.

Hoofdstuk 3

13

In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de nabijheid van het plangebied. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van deze gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de ‘rode contouren’. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied.

Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3.

De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014- juli 2015. Deze evaluatie heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. Afweging Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Wonen’ en ‘Woongebied’. De percelen vallen binnen de grondexploitatie van de Julianastraat. Voor de beoogde ontwikkeling is de kwaliteitsafdracht voor projectmatige bouw van toepassing. De kwaliteitsafdracht is reeds meegenomen in de grondexploitatie van het totale plan.

Hoofdstuk 3

14

3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, zijn als volgt: 1. een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde; 2. een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn; 3. aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2016-2021):  Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige inwoners van de gemeente Horst aan de Maas. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw.  Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw besteedt gemeente in haar programma wonen extra aandacht aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren.  Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en dat zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven.

 In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomstbestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.  Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden.  Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. Afweging masterplan De nieuwbouwmogelijkheid sluit aan op de vraag van toekomstige bewoners/inwoners naar levensloopbestendige woningen en huurwoningen in het middensegment. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats op een locatie die reeds is bestemd voor wonen, en is het plangebied reeds meegenomen in de prestatieafspraken die de gemeente Horst aan de Maas heeft gemaakt met Wonen Limburg. Het plan voldoet derhalve aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het “Masterplan Wonen Horst aan de Maas”. 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Brugveld Zuid III Meerlo’ Op 22 september 2011 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas het bestemmingsplan ’Burgveld Zuid III Meerlo’ vastgesteld.

Binnen dit bestemmingsplan zijn binnen de bestemming ‘Woongebied’ maximaal 20 woningen toegestaan, echter uitsluitend in de vorm van twee-aaneen gebouwde of aaneengebouwde woningen. De beoogde ontwikkeling is dus strijdig met het vigerend bestemmingsplan, aangezien er ter plaatse van de bestemming ‘Woongebied’ 14 woningen worden toegevoegd waarvan 12 gestapelde woningen.

Hoofdstuk 3

15

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Burgveld Zuid III Meerlo'

Hoofdstuk 3

16

4. SECTORALE ASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten (bodem- en grondwaterkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit, geur, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, milieueffectrapportage, waterparagraaf, kabels en leidingen, natuurbeschermingswet, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie en duurzaamheid).

4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Aangezien het plangebied reeds is bestemd voor ‘Woongebied’ is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. 4.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dien te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Afweging Het plangebied is circa 64 meter ten westen van de Hoofdstraat gelegen, dit is binnen de onderzoekszone van de Hoofdstraat.

Formeel gezien dient er dan op basis van de Wgh een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Om de functie ‘Wonen’ toe te laten binnen het plangebied is reeds in het kader van het vigerend bestemmingsplan afgewogen dat er geen sprake zal zijn van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden. Derhalve bestaat er geen noodzaak tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek. Voor het overige ligt het plangebied binnen de zones van 30 km/uur-wegen. Voor 30 km/uur-wegen geldt dat in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4

17

4.2.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Het voorliggende project betreft de optimalisering van een woongebied ter grootte maximaal 34 woningen, waar in de huidige situatie maximaal 20 woningen zijn toegestaan. Dit leidt niet tot een zodanige verkeersaantrekkende werking dat de NIBM-grens wordt overschreden. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. De ontwikkeling is derhalve niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 4

18

4.2.4 Geur In de Wet geurhinder en veehouderij zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waarin vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde ‘omgekeerde werking’). In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gelegen die in hun functioneren zouden kunnen worden belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling of waarvan de geurcontour tot in het plangebied reikt en die van invloed zouden kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Cornelissen P.A.E. en Cornelissen Peelen P.C.J.mts) is namelijk gelegen op een afstand van circa 190 meter ten westen van het plangebied. Bovendien is het plangebied reeds bestemd voor wonen, en zijn er in de nabije omgeving voornamelijk woningen gelegen. Nader onderzoek naar geurhinder als gevolg van agrarische bedrijvigheid is derhalve niet noodzakelijk. 4.2.5 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar.

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. De toekomstige woningen hebben geen milieubelastende activiteiten. Een uitwaartse zonering hoeft niet te worden bepaald. Voor wat betreft inwaartse zonering is reeds bij de vaststelling van het vigerend bestemmingsplan “Burgveld – Zuid III’ rekening gehouden met de richtafstanden van de omliggende bedrijven ten opzichte van de huidige woonbestemming. Gelet op de ligging nabij de Sporthal ’t Brugeind is in het vigerend bestemmingsplan geconcludeerd dat de bouw van de woningen niet belemmerd worden door de activiteiten in de sporthal of de bijbehorende horecagelegenheid.

4.2.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoofdstuk 4

19

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 34 woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

Uitsnede risicokaart van Interprovinciaal Overleg (IPO) met aanduiding globale ligging plangebied (blauw omlijnd)

Risicovolle bedrijvigheid Op basis van de risicokaart van het IPO zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Op een afstand van circa 190 meter ten westen van het plangebied is het agrarische bedrijf Cornelissen P.A.E. en Cornelissen Peelen P.C.J.mts gelegen met bovengrondse propaantank. Hier is sprake van een risicocontour 10-6 van 25 meter. Het plangebied is ver buiten deze risicocontour gelegen.

Hoofdstuk 4

20

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor De afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnd gelegen spoortraject bedraagt circa 1600 meter. Het betreft de spoorlijn Nijmegen-Venlo. Over deze spoorlijn vindt geen risicovol transport plaats. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen over het spoor is gelegen. Transport gevaarlijke stoffen over het water De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde rivier waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden (de Maas) bedraagt circa 3,3 kilometer. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen over de Maas is gelegen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen (buis)leidingen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting, buisleiding, spoorweg of vaarweg. Vanuit externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.2.7 Milieueffectrapportage Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt er binnen een woongebied maximaal 11 woningen toegevoegd aan de bestaande plancapaciteit. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.

Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

2

Staatsblad 2011, nr. 102

Hoofdstuk 4

21

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. De omvang van een project mag niet (meer) het enige criterium zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Conclusie Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied, dan wel negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden.

Er zijn geen beschermde Natura 2000-gebieden grenzend aan het plangebied gelegen. Ten aanzien van mogelijke effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Maasduinen wordt verwezen naar het gestelde in paragraaf 4.5. Er is geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit deze toelichting dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu.

Hoofdstuk 4

22

4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘’archeologie’’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:  de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘’archeologie’’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Volgens de gemeentelijke Archeologische maatregelenkaart ligt het plangebied binnen gebied van categorie 7 (bebouwde kom – onbekende verwachting). Gezien de lage archeologische verwachting bestaan er gelet op het aspect archeologie geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.3.2 Cultuurhistorie Wat betreft cultuurhistorie zijn er geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen in de nabijheid van het plangebied. Bovendien zijn er geen aangewezen karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig in het plangebied en zijn directe omgeving, waarop het bestemmingsplan van invloed zou kunnen zijn.

Cultuurhistorische waarden worden door het initiatief dan ook niet aangetast.

4.4 Natuur en flora en fauna Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige EHS. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs (significant) negatieve effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie tevens zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, ge-

Hoofdstuk 4

23

naamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Binnen Limburg is dit ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen goud-, zilver- en bronsgroene zones. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden, en/of de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven, of als er passende inrichtingsmaatregelen worden getroffen. Op een afstand van circa 4 kilometer ligt het Natura-2000 gebied De Maasduinen. Gelet op de grote afstand tot het Natura-2000 gebied en de aard van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op omringende Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. In de verdere planvorming hoeft hier dan ook geen rekening mee gehouden te worden. Het plangebied ligt geheel buiten de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Door de ontwikkelingen worden er geen wezenlijke kenmerken en waarden aangetast van de provinciale groenstructuur. De planvorming heeft verder geen invloed op planologische beschermde gebieden.

Soortbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit “bijlage A en B” van de Wet natuurbescherming.

Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de “Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten” van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (“categorie 1-4 soorten”) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (“categorie 5-soorten”). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld.

Hoofdstuk 4

24

Stikstof Indien een plan mogelijk effect heeft op een stikstofgevoelige habitat is een onderzoek naar de neerslag van stikstof noodzakelijk. Gelet op recente ontwikkelingen omtrent de wetgeving inzake stikstof is een dergelijk onderzoek op dit moment eigenlijk altijd noodzakelijk. Echter, 4 april jongstleden heeft het Rijk de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ beschikbaar gesteld. Uit de handreiking blijkt dat onder bepaalde omstandigheden de stikstofdepositie minder bedraagt dan de geldende norm. Hiervoor is dan ook geen stikstofberekening nodig. Deze omstandigheden zijn:  als sprake is van maximaal 50 laagbouwwoningen;  als wordt gebouwd op zandgrond;  én op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied. In het kader van onderhavige bestemmingsplan wordt voldaan aan deze voorwaarden, waardoor het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening feitelijk niet noodzakelijk is. Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd.

Voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, wel rekening te worden gehouden met het broedseizoen (ook verlate broedgevallen), het richten van verlichting in verband met vleermuizen en zorgvuldig handelen ten aanzien van soorten als egel, bruine kikker, gewone pad en hazelworm. De gunstige staat van in stand houding van geen enkele soort zal verder in het geding komen bij uitvoering de beoogde ontwikkeling. Derhalve bestaan er gelet op gebiedsbescherming en flora en fauna geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving hiervan, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water

Hoofdstuk 4

25

die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater Het plangebied ligt volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Op basis van POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Boringen dieper dan 5 meter boven NAP zijn verboden in deze zone, tenzij men een ontheffing heeft. Binnen het plangebied zullen geen dergelijke diepe grondwaterboringen plaatsvinden. Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen primair oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Ook zijn er volgens de Legger van Waterschap Limburg geen te beschermen waterstaatswerken in het plangebied of zijn omgeving gelegen. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient conform het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017 – 2021 te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt in eerste instantie niet afgevoerd via het riool. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd.

De gemeente hanteert vooralsnog een bergingseis van 30 mm voor een voorziening met een overloopvoorziening en 50 mm voor een voorziening zonder overloopvoorziening. De gemeente is verantwoordelijk voor de verwerking en infiltratie van het hemelwater van het openbare terrein. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt slechts een kader gecreëerd voor het gewenste bouwplan. De exacte uitwerking van de infiltratievoorzieningen zal plaatsvinden ni het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Wateradvies Omdat het plangebied groter is dan 2.000 m2 is vooroverleg met het Waterschap Limburg noodzakelijk. Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Verkeer en ontsluiting De woningen worden ontsloten op de Leeuwerik en de Julianastraat. Deze straten kunnen de geringe toename als gevolg van het optimaliseren van het plangebied met een toevoeging van 11 woningen goed verwerken. Door het plangebied heen zal een nieuwe straat komen te liggen die de Leeuwerik met de Julianastraat verbindt. Deze weg dient als ontsluiting van de in het middengebied gelegen woningen. Op eigen terrein zal worden voorzien in voldoende ruimte voor parkeerplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9708608/2