CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting bp Steegstraat ong Melderslo

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Steegstraat ongenummerd, Melderslo.13.274 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Vastgesteld

23

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van dit wijzigingsplan. 3.2.7 M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied worden drie woningen gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien in dit geval sprake is van drie woningen is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit me.r.

is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling 1 2

HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland) Staatsblad 2011, nr. 102

Vastgesteld

24

moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Deze toelichting kan beschouwd worden als een vormvrije m.e.r. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De bouw van twee woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteit (bouw van twee woningen) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ niet worden overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit onderhavige toelichting blijkt dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Kortom, voor de ontwikkeling van de drie woningen bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen.

3.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 3.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren.

Vastgesteld

25

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. 3.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Provinciale Omgevingsverordening Limburg Conform de POL2014-kaart ‘Regionaal water’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden en valt het plangebied onder het ‘Waterbeheer bebouwd gebied.

Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een ‘boringsvrije zone’. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met de oprichting van de woningen zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Bodemgesteldheid en grondwater Het plangebied bevindt zich op een hoogte van circa 22,6 meter boven NAP. De bodem is opgebouwd uit veldpodzolgrond bestaande uit lemig fijn zand. Ter plaatse geldt grondwatertrap V waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand minder dan 40 cm beneden maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 120 cm benden maaiveld ligt. De bodemdoorlatendheid (k-waarde meting) bedraagt 0,45 tot 0,75 m/dag. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater/riolering Het afvalwater (van de loods) is thans aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 3.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingplan heeft tot doel het kunnen oprichten van drie woningen aan de achterzijde van de bestaande loods aan de Sint Odastraat 23.

Om de woningen te kunnen realiseren wordt een gedeelte van de bestaande loods en bijbehorende erfverharding verwijderd. Het oppervlak van de te slopen loods bedraagt 365 m2 en het oppervlak erfverharding dat verwijderd wordt bedraagt circa 750 m2. De nieuw te bouwen woningen hebben een dakoppervlak van circa 110 m2. In totaal bedraagt het nieuwe dakoppervlak dus 330 m2. Daarnaast zal bij elke woning circa 100 m2 aan erfverharding gerealiseerd worden, in totaal dus 300 m2. Het oorspronkelijke verhard oppervlak (dak + erf) bedraagt dus 1115 m2. Het nieuwe verhard oppervlak (dak + erf) bedraagt dus 630 m2. Dit betekent dat het verhard oppervlak met ongeveer 485 m2 zal afnemen. Dit oppervlak zal in de nieuwe situatie als tuin aangelegd worden (verdeeld over de drie woningen).

Vastgesteld

26

Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zullen voor de woningen aansluitingen gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. Hiervoor zal te zijner tijd een aanvraag gedaan worden via de gemeentelijke website. De belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater van slechts drie nieuwe woningen zal gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk voor het bestaande riool. Het hemelwater wat valt op de nieuwe verharding wordt conform het beleid afgekoppeld van het rioleringsstelsel. Deze hemelwaterafkoppeling zal plaatsvinden door het aanleggen van infiltratiekoffers. Infiltratie door middel van infiltratiekoffers Door het aanleggen van ondergrondse infiltratiekoffers bij de woning krijgt het hemelwater de mogelijkheid te infiltreren. De nieuw te bouwen woningen hebben een dakoppervlak van circa 110 m2. In totaal bedraagt het nieuwe dakoppervlak dus 330 m2. Daarnaast zal bij elke woning circa 100 m2 aan erfverharding gerealiseerd worden, in totaal dus 300 m2. De erfverharding zal worden aangelegd onder afschot, waardoor het regenwater dat valt op de erfverharding automatisch uitloopt op de omliggende gronden/tuin en daar infiltreert.

Normen: - Bui T=10 (50 mm): benodigde capaciteit 330 x 50 / 1000 = 16,5 m3 - Bui T=100 (100 mm): benodigde capaciteit 330 x 100 / 1000= 33 m3 Conform het beleid dienen de infiltratiekoffers gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 100 jaar voorkomt en waarbij 100 mm valt. Dit betekent dat voor elke woning de minimale opvangcapaciteit 11 m3 bedraagt. De gemiddelde hoogste grondwaterstand binnen het plangebied blijkt te liggen tussen 80 en 120 centimeter beneden maaiveld (kaart GHG). Derhalve wordt gerekend met een gemiddelde stand van 100 centimeter beneden maaiveld. Voor de opvangcapaciteit van een grindkoffer wordt uitgegaan van 50% grind en 50% water. Derhalve dient de infiltratiekoffer in totaal een volume van 22 m3 per woning te hebben. Daar is op eigen terrein ruim voldoende oppervlakte voor. De exacte locatie van de infiltratiekoffers zal door de uiteindelijk koper van de woning bepaald worden. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

3.4 Ecologie De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 3.4.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen ter plaatse en het effect van de nieuwe woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie (bijlage 4) uitgevoerd. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkelingen en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen.

Vastgesteld

27

Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten tijdens het veldbezoek aangetroffen dieren zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. De thans aanwezige bomen aan de zijde van de Steegstraat zullen in overleg met de gemeente in het najaar van 2020 verplant worden. Ten aanzien van de bladkorf aan de zijde van de Steegstraat zullen ook afspraken gemaakt worden om deze een plaats te geven. Beide zaken vormen onderhavig initiatief verder geen beperking. Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.4.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Maasduinen, ligt op 6,5 kilometer van het plangebied. Gezien deze grote onderlinge afstand zijn negatieve effecten op het Natura2000-gebied uit te sluiten. Uit de Aerius berekening (bijlage 5) blijkt tevens dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden door onderhavig initiatief.

3.5 Archeologie en cultuurhistorie 3.5.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart bevindt er zich in de directe omgeving rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen. Met de oprichting van drie woningen gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren. 3.5.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.

Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een onbekende archeologische verwachting.

Vastgesteld

28

Afbeelding 10. Uitsnede archeologische beleidskaart

In gebieden met een onbekende archeologische verwachting hoeft pas archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 500 m2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1.250 m2, dat is meer dan de ondergrens van 500 m2. Derhalve is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Op basis van het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden in het plangebied niet worden verwacht. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Archeologie vormt daarmee geen beperkende factor voor dit initiatief.

3.6 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er sprake van één dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Het betreft de nabijgelegen hoogspanningslijn. De invloed van deze hoogspanningslijn op het plangebied is reeds in paragraaf 3.2.6 toegelicht en beargumenteerd. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

Vastgesteld

29

3.7 Verkeer en parkeren De nieuwe woningen zullen worden ontsloten via de Steegstraat. Door de oprichting van drie woningen zal er geen significante toename zijn van het aantal verkeersbewegingen op de Steegstraat en omringende wegen. Parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Per woning worden minimaal twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Het initiatief sluit dan ook aan bij de Nota parkeernormen Horst aan de Maas 2019.

Vastgesteld

30

4 PLANBESCHRIJVING

4.1 Het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken om drie nieuwe woningen op te richten op de locatie Steegstraat ong., op de percelen kadastraal bekend als gemeente Horst B 4792 (Ged.) en B 8565, gezamenlijk groot 2585 m2. Oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1250 m2.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Initiatiefnemer wenst drie nieuwe woningen op te richten aan de Steegstraat in Melderslo. De nieuwe woningen betreffen allen vrijstaande woningen, gelegen aan de achterzijde van de loods aan de Sint Odastraat 23. Definitieve bouwtekeningen voor de nieuwe woningen zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan worden dan ook nog niet specifieke woningen geregeld, maar worden drie bouwrechten aan de locatie toegekend. Elk bouwrecht kan worden ingevuld met een vrijstaande woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels en het gestelde in paragraaf 3.1.3 (met name de onderbouwing bij ‘Ad. 3’). Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woningen is momenteel dan ook nog niets bekend. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woningen zowel qua vorm, geleding als gevel(uitstraling) passend zijn in het heersende straatbeeld en de woningen ook kwalitatief passen in de omgeving. Elk bouwvlak mag worden bebouwd met één vrijstaande woning. De maximale goot- en nokhoogte bedraagt 5 respectievelijk 8 meter. Het is daarnaast mogelijk 150 m² aan bijgebouwen bij de woning op te richten met een maximale goot- en nokhoogte van 3,5 respectievelijk 6 meter.

Qua maatvoering is ten eerste aangesloten bij de gemeentelijke standaarden. Daarnaast komt deze maatvoering overeen met bestaande woningen in de directe omgeving. De nieuwe woningen betreffen vrijstaande woningen als opvulling van het stedenbouwkundige gat dat ontstaat na gedeeltelijke sloop van de thans aanwezige bedrijfsloods tussen de woningen Sint Odastraat 25 / 27 en Steegstraat 1. De omgeving kenmerkt zich door wijkse bebouwing, bestaande uit allerlei woningtypen. Aan de Steegstraat zijn in zuidoostelijke richting diverse vrijstaande als ook twee-onder-een-kapwoningen te vinden. Aan de Sint Odastraat is het straatbeeld wat diverser doordat de woningen afgewisseld worden met vormen van horeca, recreatie en bedrijvigheid. Resterende gronden worden ingericht als tuin. De wegbeplanting aan de Steegstraat blijft door de oprichting van de nieuwe woningen zo veel mogelijk in stand. Aan de voorzijde van de loods aan de Sint Odastraat wordt getracht het straatbeeld te verfraaien met groene aanplant.

Vastgesteld

31

4.3 Inpassing Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden slechts bouwmogelijkheden gecreëerd voor drie nieuwe vrijstaande woningen in de kern van Melderslo. Hierbij wordt er van uitgegaan dat bij de concrete bouwplannen tevens rekening wordt gehouden met een landschappelijke inpassing.

Vastgesteld

32

5 UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen wat onder een bouwplan valt. Onderhavig bestemmingsplan regelt het kunnen realiseren van drie nieuwe woningen (zijnde een hoofdgebouw). Volgens artikel 6.2.1 onder sub b van het Bro wordt een bouwplan voor een of meer hoofdgebouwen aangewezen als een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 eerste lid van de Wro. In artikel 6.12 tweede lid onder sub a staat dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Doordat in het onderhavige geval het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, stelt de gemeenteraad geen exploitatieplan vast. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan worden gedekt door het heffen van leges.

Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en

Vastgesteld

33

▪ ▪

gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De provincie Limburg heeft aangegeven dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Indien dit plan op deze wijze wordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. Het Waterschap Limburg heeft aangegeven dat de zaak is beoordeeld en akkoord bevonden is. Het ontwerpplan heeft vanaf 23-09-2020 voor een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Vastgesteld

34

6 WIJZE VAN BESTEMMEN

6.1 Algemeen Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ toelichting ▪ planregels ▪ verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: ▪ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; ▪ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; ▪ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas voldoet het bestemmingsplan qua systematiek aan het thans vigerende bestemmingsplan.

6.2 Verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn in de vorm van een vlak weergegeven. Deze aanduiding is digitaal altijd aan te klikken en zal dan oplichten, waardoor duidelijk is wat de grens van het aanduidingsvlak is. Op www.ruimtelijkeplannen.nl is hiervoor ‘het verrekijkertje’ voor de opgesomde aanduiding aan te klikken. Het vlak zal dan rood oplichten. Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Anders gezegd, de papieren kaart heeft hierin geen betekenis meer. Voor alle drie de bouwpercelen is de woonbestemming gehandhaafd dan wel is de bedrijfsbestemming omgevormd naar een woonbestemming. Daarnaast zijn drie separate bouwvlakken toegekend. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Het is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak één hoofdgebouw (zijnde de woning) te realiseren.

6.3 Regels De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: ▪ Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.

Vastgesteld

35

▪ ▪ ▪

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan.

De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.

6.4 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.

In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of

Vastgesteld

36

2.

3.

4.

5.

zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”.

Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden.

Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt.

Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.

Vastgesteld

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9577924/1