CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Stationsomgeving Horst-Sevenum Toelichting

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Stationsomgeving Horst-Sevenum.11.635 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wel is het omliggende terrein, met name de weilanden, akkers en houtwal ten noorden en oosten van het onderzoeksgebied, onderdeel van het leefgebied van de steenuil. Het territorium van de steenuil ten zuiden van het plangebied zal mogelijk iets overlappen met het plangebied, maar niet met het onderzoeksgebied. De aanwezigheid van de steenuilen vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

32

Door de herinrichting van de weg en de uitbreiding van de parkeerplaatsen, kan het binnen het plangebied drukker worden met verkeersbewegingen. Er bevindt zich echter geen verblijfplaats van de steenuilen dichtbij deze weg. Tevens wordt het plangebied niet gebruikt als essentieel leefgebied, waardoor verstoring vanwege de mogelijk grotere verkeersdrukte geen significant negatief effect kan hebben op de aanwezige steenuilen. Gezien het voorstaande zullen de voorgenomen plannen geen nadelige effecten hebben op de steenuilen. Anders dan de algemene zorgplicht bestaan er derhalve vanuit de Wet natuurbescherming geen verplichtingen ten aanzien van deze soort. Er zijn geen andere jaarrond beschermde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels.

Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Binnen het plangebied is, op de vrijgegeven bebouwing na, geen bebouwing aanwezig waarin vleermuizen kunnen verblijven. Om deze reden is het plangebied ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. In de bomenrij die zich ten noorden van het stationshuis bevindt is een boom aangetroffen met een holte die mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen.

Om na te gaan of deze holte geschikt is, is er een boomholtecheck uitgevoerd tijdens het nader onderzoek naar steenuilen. Hieruit is gebleken dat geen vleermuizen aanwezig zijn in deze holte. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten, zolang de bomenrij ten zuiden van het plangebied aan de Industrieweg behouden

33

blijft. Daarnaast worden er nieuwe bomenrijen aangeplant in het plangebied bij de realisatie van de nieuwe parkeerplaatsen en de aanleg van de nieuwe weg, waardoor het foerageergebied ten oosten van de stationsomgeving gemakkelijker te bereiken is voor vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de Peelloop behouden blijft en de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Mocht de Peelloop aangetast worden door het planvoornemen dan dient er een inventarisatie naar beschermde vissoorten plaats te vinden. Ongewervelden of overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. 4.5.4. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht.

De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.5.5.

Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; • om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; • nader onderzoek naar de steenuil is uitgevoerd, en daaruit is gebleken binnen het onderzoeksgebied geen vaste verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied aanwezig is; • voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

34

4.6. Archeologie en cultuurhistorie 4.6.1. Archeologie Algemeen Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Per 1 juli 2016 zijn de bepalingen van de Wamz 2007 gedeeltelijk overgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen op te nemen op de verbeelding en ze te beschermen middels regels. De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de 'Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas' vastgesteld. Het gemeentelijk grondgebied wordt hier opgedeeld in verschillende categorieën. Per categorie maakt het gemeentelijk archeologiebeleid inzichtelijk of, en zo ja waar en wanneer archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen, en welke onderzoekseisen en ontheffingen daarbij gelden.

Uitsnede Archeologische Maatregelenkaart (westelijk gedeelte plangebied)

Beoordeling plan In het geldende bestemmingsplan geldt voor onderhavige locatie een archeologische verwachtingswaarde. In dit kader is een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek archeologie uitgevoerd, met als doel inzicht te verkrijgen in de archeologische resten die in het plangebied verwacht worden en een inzicht te krijgen in de bodem ter plaatse. In het plangebied worden mogelijk archeologische resten bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek voor gebieden met een relatief intacte bodemopbouw. Daarbij moet niet alleen aandacht worden besteed aan resten van landbouwende gemeenschappen, met name bewoning die teruggaat tot het begin van de nieuwe tijd. Gezien de aanwezigheid van een esdek en (lokaal) een ophogingspakket, hoeft een dergelijk onderzoek pas plaats te vinden bij geplande bodemingrepen vanaf een bepaalde diepte, waarbij aanbevolen wordt een bufferzone van 30 cm aan te houden, die het potentiële archeologisch niveau beschermt tegen de geplande ingrepen

35

en werkzaamheden. In delen van het plangebied zonder relatief intacte bodemopbouw is geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.

Aanbevelingenkaart

Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat op de oranje gearceerde locaties nader onderzoek nodig is indien bodemingrepen dieper dan 30 cm worden uitgevoerd. De dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ zijn op deze locaties daarom ongewijzigd en als zodanig van kracht. De geel aangeduide locaties zijn gevrijwaard van de hiervoor genoemde dubbelbestemmingen en daarom verwijderd. Wat betreft archeologie is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

36

4.6.2. Cultuurhistorie Algemeen Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van provinciaal kaartmateriaal en historische geografie is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Uitsnede topografische kaart ca. 1882

De spoorweg Eindhoven - Venlo werd in 1866 gerealiseerd en was daarmee lange tijd de enige verbinding van uit Limburg met de rest van Nederland. Zoals op bovenstaande topografische kaart uit ca. 1882 is af te lezen is deze spoorweg een duidelijk zichtbare lijn in het landschap. Het huidige station en de Stationsstraat was in die tijd reeds al aanwezig. Wat betreft bebouwing is het (voormalig in gebruik zijnde) stationsgebouw een Rijksmonument. Dit gebouw is in 1864 opgericht. Met dit bestemmingsplannen worden geen wijzigingen aangebracht aan dit gebouw. De planologische situatie blijft ongewijzigd. Gelet op het voorgaande is het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor dit projectvoornemen.

37

4.7. Verkeer en infrastructuur Voor de aspecten verkeer en infrastructuur wordt hierbij kortheidshalve verwezen naar paragraaf 3.3.1 (Regionale Mobiliteitsvisie RMO Noord-Limburg), paragraaf 3.4.2 (Gemeentelijk Verkeers& Vervoersplan) en paragraaf 2.2 (projectbeschrijving).

38

HOOFDSTUK 5. UITVOERBAARHEID 5.1. Economische en financiële haalbaarheid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst. Ook kan er sprake zijn van zogenaamde “kruimelgevallen”. Het komt er hierbij op neer dat de door de gemeente te maken kosten beperkt zijn en de kosten verhaald kunnen worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën. In dit geval is sprake van een gemeentelijk project in samenwerking met andere partijen. Met deze anderen partijen is een overeenkomst getekend en is het kostenverhaal verzekerd.

5.2. Handhaving De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast een visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijze hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt, volgt daadwerkelijk handhavend optreden (repressieve inzet).

39

De uit deze visie voortvloeiende doelstellingen en handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen.

beleidsuitgangspunten

van

het

Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij ervan uitgegaan dat men, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie.

5.3. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht juncto artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is overleg nodig met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van de stationsomgeving Horst. Het bestemmingsplan is als voorontwerp toegestuurd naar RRPM, provincie Limburg en waterschap Limburg. Initiatiefnemer heeft contact gehad met de bewoners en omwonenden. Middels een digitale informatieavond op 11 maart 2021 zijn omwonenden op de hoogte gebracht van deze ontwikkeling. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen met ingang van 22 juli 2021. De periode waarbinnen zienswijzen konden worden ingediend eindigde op 2 september en is verlengd tot 16 september 2021. In totaal zijn een viertal zienswijzen ingediend op het ontwerp bestemmingsplan. Voor een samenvatting van de zienswijzen en het gemeentelijk standpunt naar aanleiding hiervan, wordt verwezen naar het als bijlage bij het vaststellingsbesluit opgenomen 'Zienswijzenrapport'.

Naar aanleiding van een zienswijze is een aanpassing doorgevoerd in het definitief ontwerp (bijlage 1 bij deze toelichting) m.b.t. de instandhouding van het bestaande fietspad tussen Losweg en Stationsstraat.

40

HOOFDSTUK 6. JURIDISCHE TOELICHTING Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding zijn niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, vervolgens op de verbeelding. Daarna wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Tot slot wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten.

6.1. Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de ROstandaarden, RO-standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Ook moet van het plan een analoge versie worden vastgesteld. Van een bestemmingsplan is er dus altijd een digitale en een analoge (papieren) (verschijnings)vorm. Deze zijn beide rechtsgeldig. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Onder vorige wetten werden bijna geen bepalingen gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. Dit, terwijl leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan van groot gewicht zijn. Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien.

SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de

41

bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten.

6.2. Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn in de vorm van een vlak weergegeven. Deze aanduiding is digitaal altijd aan te klikken en zal dan oplichten, waardoor duidelijk is wat de grens van het aanduidingsvlak is. Op www.ruimtelijkeplannen.nl is hiervoor ‘het verrekijkertje’ voor de opgesomde aanduiding aan te klikken. Het vlak zal dan rood oplichten. In de regels wordt hiervoor de formulering “ter plaatse van de aanduiding ‘…’” gebruikt. Hiermee wordt dus het aanduidingsvlak bedoeld en niet de plek van het weergegeven symbool of de afkorting. Op de papieren kaart zijn functieaanduidingen en bouwaanduidingen begrensd door een ‘haaientandlijn’ en worden maatvoeringsaanduidingen weergegeven door een onderbroken lijn. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Anders gezegd, de papieren kaart heeft hierin geen betekenis meer.

6.3. Toelichting op de regels De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: - Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. - Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. - Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. - Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan.

42

De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van omgevingsvergunnings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een in het bestemmingsplan nader uiteengezette procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend. Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden. Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven.

De belangrijkste omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden zijn overzichtelijk opgenomen in Artikel 15 Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van de planregels.

43

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

44

Definitief ontwerp, MTD Landschapsarchitecten Milieu- en civieltechnisch onderzoek, Tritium Advies Akoestisch onderzoek wegreconstructie, Tritium Advies Quickscan flora & fauna, Tritium Advies Nader onderzoek steenuil, Tritium Advies Stikstofdepositie onderzoek, Tritium Advies Archeologisch bureau- en booronderzoek, RAAP

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025598/1