04c Motivatie
Tekst van het document
Afbeelding 7. Uitsnede kaart beleid Cultuurlandschappen met plangebied rood omcirkeld
De gemeente Horst aan de Maas telt momenteel 83 objecten die ingeschreven staan in het register van rijksmonumenten en er zijn 146 objecten aangewezen als gemeentelijk monument. Het beleid heeft als doel om te komen tot een goede representatie van het gebouwde erfgoed in de lijst met beschermde objecten.
25
In veel van onze dorpen zijn straten of wijken die heel bijzonder zijn. Omdat er meerdere monumenten staan of omdat het straatbeeld een mooi voorbeeld is van een bepaalde periode. Zoals bijvoorbeeld de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Dit vormen 'ensembles' of 'beschermde dorpsgezichten'. In ensembles met een hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezige kwaliteiten worden vastgelegd in beknopte omschrijvingen per ensemble, waarbij vooral de hoofdlijn wordt benoemd. Aan deze hoofdlijnen zal worden getoetst. De toetsing zal bij gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde ambtelijk worden uitgevoerd door de inhoudelijk deskundige namens het bevoegd gezag. Bij complexere ingrepen wordt de gemeentelijke adviescommissie gevraagd om te adviseren.
Afbeelding 8. Uitsnede kaart beleid Stedenbouwkundige ensembles met plangebied rood omcirkeld Op de kaart beleid Stedenbouwkundige ensembles is te zien dat het plangebied binnen een ensemble met hoge waarde ligt, hier geldt de beleidszone 5. Daarnaast is het pand aan de Molenberg 1 volgens de digitale erfgoedkaart van de gemeente Horst aangewezen als karakteristiek. Er is bij deze wijziging van het omgevingsplan echter geen sprake van bouwactiviteiten of andere wijzigingen. Cultuurhistorische waarden van het karakteristieke pand en/ of het stedenbouwkundige ensemble worden derhalve niet aangetast. Om de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden te borgen worden aan het plangebied, overeenkomstig het erfgoedbeleid, de functies ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Ensemble 2’ toegekend. De erfgoedwaarden worden daarmee planologisch-juridisch geborgd. (Bouw)activiteiten in strijd met betreffende erfgoedwaarden zijn dan niet zomaar toegestaan.
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Verkeer Er is bij deze wijziging van het omgevingsplan geen sprake van een wijziging in c.q. toename van de verkeersgeneratie. Er is en blijft immers één woning bestaan op deze locatie. De functiewijziging heeft daarom geen verkeerskundige consequenties. De huidige woning is gelegen aan en bereikbaar via de Molenberg. Dit blijft zoals in de huidige situatie in stand. Via de huidige, eigen oprit is de woning goed toegankelijk. Ook hier wijzigt niets aan.
26
5.13.2 Parkeren Op basis van de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas dient er bij een woning (gelegen in de rest bebouwde kom) 2,0 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op eigen terrein is in de huidige situatie reeds voorzien in deze parkeerplaatsen.
5.14 Duurzaamheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid). In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen". Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b.
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. In het kader van onderhavig initiatief is geen sprake van bouwwerkzaamheden, het betreft slechts het repareren van een fout in het tijdelijk omgevingsplan. Het aspect duurzaamheid is daardoor niet van toepassing voor dit initiatief.
5.15 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd.
27
5.15.1 Endotoxinen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Uit onderzoeken is gebleken dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen.
Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. De meeste gevonden gezondheidseffecten kunnen niet aan één specifieke diersoort worden gerelateerd. Het gaat vaak om een opeenstapeling van bedrijven met pluimvee, varkens, rundvee, geiten, nertsen, schapen en paarden. In de directe nabijheid van het plangebied (500 meter) zijn geen veehouderijen aanwezig. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Bovendien gaat het om het herstellen van een fout en vinden er dus geen fysieke wijzigingen aan de situatie plaats. Het aspect endotoxinen vormt dus geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan. 5.15.2 Geitenhouderij Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij.
Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 5.15.3 Spuitzones Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een agrarisch perceel en een gevoelig object in acht moet worden genomen. De volgende percelen liggen rondom het plangebied: ▪ Perceel 887 aan de Broekhuizerweg is in gebruik als particuliere tuin; ▪ Perceel 1315 is onderdeel van het natuurgebied Maaspark Ooijen-Wanssum; ▪ Perceel 1063 is in gebruik als particuliere tuin. Omdat dit herstelplan geen nieuwe milieugevoelige functies toestaat, de wegbestemde functies vallen immers nog onder het overgangsrecht, wordt afgezien van het opnemen van een spuitvrije zone.
28
6 JURIDISCHE PLANVORM
6.1
Algemeen
Het voorliggende TAM-omgevingsplan bestaat uit de regels, plankaart en deze motivering. De plankaart en regels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
6.2
Planregels
Thans geldt voor het noordelijke deel van het plangebied het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”. Voor dit TAM-omgevingsplan wordt het gehele plangebied hersteld met als basis het bestemmingsplan “Maaskernen”. Mede op basis van de transponeringstabel van de VNG zijn de regels vervolgens omgezet naar regels passend binnen de kaders van de Omgevingswet. Hoofdstuk 1 bevat onder meer de begripsbepalingen, het toepassingsbereik en de meet- en rekenbepalingen. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de functies en activiteiten die op de plankaart aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied of delen daarvan van toepassing zijn.
29
7
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
7.1
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen/afwijken van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In deze paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Bij deze wijziging van het omgevingsplan is geen sprake van bouwplannen of andere fysieke wijzigingen. Het betreft louter de reparatie van een foutieve aanwijzing in het omgevingsplan. Participatie of omgevingsdialoog is daarom hier niet van toepassing.
7.2
Procedure
Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.
30
8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. In dit geval is gemeente zelf initiatiefnemer van de wijziging van het omgevingsplan. Het kostenverhaal is hier voor de eigenaar van het plangebied niet van toepassing. Gelet op het vorengaande is de functiewijziging financieel uitvoerbaar.
31