CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Bp Broekweg ong. Horst Toelichting vastgesteld

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Broekweg ongenummerd, Horst.19.922 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan “Broekweg ong., Horst” NL.IMRO.1507.HOBROEKWEGONG-BPV1

Document:

Bestemmingsplan “Broekweg ong., Horst”

IDN:

NL.IMRO.1507.HOBROEKWEGONG-BPV1

Status:

Vastgesteld

Datum:

21 september 2021

Aanvrager:

De heer A.L. Koppens

Auteur:

Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. N.A.H. van den Ekker

Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5

1.4

Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1

Algemeen ......................................................................................................................................................6

2.2

Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6

2.3

Functionele structuur ...................................................................................................................................7

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7

BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1

Inleiding .........................................................................................................................................................9

3.2

Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9

3.3

Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 12

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 17

3.5

Conclusie.................................................................................................................................................... 21

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 22 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 22

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 23

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 24 5.1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 24

5.2

Milieuaspecten........................................................................................................................................... 24

5.3

Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 34

5.4

Kabels en leidingen................................................................................................................................... 36

5.5

Natuur ......................................................................................................................................................... 36

5.6

Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 40

5.7

Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 42

5.8

Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 42

5.9

Spuitzones ................................................................................................................................................. 43

Vastgesteld

1

6.

7.

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 44 6.1

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 44

6.2

Handhaving................................................................................................................................................ 44

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 46

6.4

Procedure................................................................................................................................................... 46

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 47 7.1

Planstukken ............................................................................................................................................... 47

7.2

Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 47

7.3

Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 48

Bijlagen Bijlage 1: Geurberekening Broekweg ong. Horst Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 3: AERIUS-berekening bouwfase Separate bijlagen ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (HMB Groep)

Vastgesteld

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Bij de gemeente Horst aan de Maas is door de heer A.L. Koppens een verzoek ingediend voor het oprichten van een nieuwe levensloopbestendige woning ten oosten van zijn huidige woning, welke is gelegen aan de Broekweg 20 te Horst. Dit perceel staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie R, nummer 859.

Afbeelding 1. Ligging locatie Broekweg 20 in Horst (rood omcirkeld)

De locatie waar de nieuwe woning is beoogd maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “’Peelkernen” en is daarin voor aan de voorzijde bestemd als ‘Tuin’ en verder bestemd als ‘Wonen’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bebouwing. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden. Hoofdgebouwen mogen alleen worden opgericht binnen een bouwvlak en per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. Op de locatie is één bouwvlak aanwezig die reeds is bebouwd met een woning. Het is dan ook niet mogelijk om op deze locatie een nieuwe woning op te richten. In de gemeente Horst aan de Maas blijkt behoefte aan woningen die geschikt zijn voor onder andere senioren. Onderhavig initiatief heeft betrekking op het oprichten van een levensloopvriendelijke c.q. seniorenwoning in de kern van Horst.

Vastgesteld

3

Ondanks dat het op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is om op deze locatie een nieuwe levensloopbestendige woning op te richten biedt het gemeentelijke beleid mogelijkheden tot het realiseren van nieuwe woningen in de kern. Onder voorwaarden heeft de gemeente daarom in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van een nieuwe woning op de betreffende locatie. Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt aan de betreffende locatie een bouwvlak toegekend, waardoor de bouw- en gebruiksmogelijkheid voor een nieuwe woning ontstaat.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Ten zuidoosten van het centrum van Horst, tegen de A73 aan, is de buurt “Berkelsbroek” gelegen. In deze buurt, aan de Broekweg 20, is de gezinswoning van de heer en mevrouw Koppens gelegen. Ten oosten van deze woning willen de heer en mevrouw Koppens een nieuwe woning oprichten. Het perceel waarop de huidige woning staat en waarop de nieuwe woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie R nummer 859. De oostelijke zijde van dit perceel wordt in onderhavig bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”.

Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzingen Broekweg en omgeving – beoogde locatie voor nieuwe woning rood aangeduid

In de omgeving van het plangebied zijn de woonwijken “Stuksbeemden” (in het noorden) en “Kapellerhof” (in het zuidwesten) gelegen. Het plangebied wordt aan de noordelijke zijde begrensd door een afrit van de A73. Aan de overzijde van de A73 is het buitengebied van Horst gelegen. In het oosten grenst het plangebied aan een hobbytuin / moestuin. In het zuiden grenst het plangebied aan de Broekweg waaraan aan de overzijde woningen zijn gelegen. In het westen grenst het plangebied aan de woning Broekweg 20.

Vastgesteld

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Peelkernen” (vastgesteld d.d. 10 november 2009) en is voor een klein deel bestemd als ‘Tuin’ en voor het grootste deel bestemd als ‘Wonen’. Binnen het plangebied zijn ook de gebiedsaanduiding ‘Veiligheidszone – snelweg’ en ‘Vrijwaringszone – snelweg’ opgenomen en de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’.

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan – beoogde locatie voor nieuwe woning aangeduid

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bebouwing, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en erven. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor woningen in de categorieën: vrijstaande, geschakelde, twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde woningen. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. Het initiatief tot oprichting van de nieuwe woning past niet in het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is dan wel bestemd als ‘Wonen‘ echter voor hoofdgebouwen geldt dat deze alleen opgericht mogen worden binnen een bouwvlak. Op de locatie is één bouwvlak aanwezig die reeds is bebouwd met een woning. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. Het is dan ook niet mogelijk om op deze locatie een nieuwe woning op te richten.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de bouw van een woning wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Vastgesteld

5

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen ten zuidoosten van het centrum van Horst, direct ten westen van de A73. Horst maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern Horst is de grootste kern binnen de gemeente Horst aan de Maas, meer dan 13.000 inwoners bevolken deze kern.

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen aan de Broekweg 20, in de bebouwde kom van Horst. De Broekweg loopt ten westen van het plangebied over in de Van Douverenstraat. De Van Douverenstraat loopt verder in westelijke richting en leidt zo naar het centrum van Horst. Ten oosten van het plangebied, tegen de A73 aan, begint de Broekweg. De Broekweg loopt vanaf de A73 in zuidelijke richting waarna de weg, ter hoogte van de Venloseweg, ten einde komt. De A73 vormt de grens tussen de kern en het buitengebied. Aan noordelijke zijde van de Broekweg en van Douverenstraat is sprake van een transparant bebouwingslint bestaande uit verspreid gelegen woningen op ruime percelen. Dit bebouwingslint wordt begeleid door wegbeplanting en bomenrijen langs de weg. De woningen die zijn gelegen aan de Broekweg kenmerken zich als vrijstaande woningen op ruime percelen.

Afbeelding 4. Impressie woning Broekweg 20

Afbeelding 5. Impressie plangebied

In het zuidelijke deel van de Van Douverenstraat is sprake van planmatige woningbouw. De structuur is gedifferentieerd met verschillende clusters, deze structuur en type wijk wordt ook wel “bloemkoolwijk” genoemd. Het gebied is relatief dicht bebouwd en bestaat uit kronkelende en geknikte bouwstroken met smalle straatprofielen en beperkte openbare ruimte. Momenteel wordt het plangebied gebruikt als tuin behorende bij de woning Broekweg 20, dit betreft de gezinswoning van de initiatiefnemer. Het noordelijke gedeelte van het plangebied is bebouwd met een loods. De rest van het plangebied is thans onverhard en bestaat uit een grasveld.

Vastgesteld

6

2.3 Functionele structuur In de bebouwde kom van Horst en in de omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. In de omgeving zijn dan ook diverse woonwijken gelegen. De woningvoorraad in de omgeving bestaat grotendeels uit eengezinswoningen, van het type rijtjeswoningen, twee-onder-één-kap, geschakeld, of vrijstaand. Verder weg van het plangebied is in zuidelijke richting het bedrijventerrein “Hoogveld” gelegen. Op dit bedrijventerrein zijn allerlei vormen van bedrijvigheid gelegen. Ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de A73, is het buitengebied van Horst gelegen. In dit buitengebied zijn (intensieve) veehouderijen en glastuinbouwbedrijven gelegen. De onbebouwde percelen zijn in gebruik als landbouwgrond.

Afbeelding 6 en 7. Impressie Broekweg

In westelijke richting, tegen de binnenring van het centrum aan, bevinden zich nog enkele andere functies waaronder een kledingwinkel, basisschool en een jongerencentrum. De centrumfuncties van Horst liggen circa 600 meter ten westen van het plangebied, aan het Wilhelminaplein / de Steenstraat / de Kerkstraat. In het centrum bevinden zich het gemeentehuis en de Sint-Lambertuskerk. In het centrum bevinden zich ook allerlei vormen van horeca. Daarnaast liggen in het centrum diverse supermarken en andere winkels.

2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Het dorp Horst is in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 NC) ontstaan op de hogere zandgronden tussen de Peel en de Groote Molenbeek. De oorspronkelijke naam was Berkele. In de 11de eeuw was er in Berkele al een kapel. Rondom deze kapel vestigden zich winkeliers en handelaren. Van de gehuchten Berkele, Hegelsum, Meldersloo, Meterik, Middelijk, Oostenrijk en Schadijk was Berkele door zijn centrale ligging het belangrijkste. Door het ontstaan van het kasteel Huys ter Horst (circa 1300) neemt de centrale nederzetting Berkele waarschijnlijk de naam Horst aan. Horst en de andere dorpen van de gemeente Horst aan de Maas behoorden tot het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Staatse troepen bezet, waarna het in 1713 werd overgedragen aan de Pruisische bondgenoot. Zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814).

Vastgesteld

7

In het verleden werd de omgeving van het plangebied ‘Slooierbroek’ genoemd. Volgens divers historisch kaartmateriaal was het plangebied, alsmede de omgeving ervan, tot medio vorige eeuw onbebouwd, er was uitsluitend bebouwing aan de Berkelstraat aanwezig. Medio jaren ’60 van de vorige eeuw is bebouwing opgericht aan de Broekweg. De Broekweg en de Van Douverenstraat zijn duidelijk herkenbaar als bebouwingslint naar het buitengebied van Horst. Eind jaren ’70 is begonnen met de aanleg van een provinciale weg, de voorloper van de A73. In de jaren ’80 van de vorige eeuw zijn in de omgeving van de Broekweg steeds meer woonpercelen en wegen aangelegd, die zijn uitgegroeid tot een complete woonwijken.

Afbeelding 8. Historische kaart 1959

Vastgesteld

Afbeelding 9. Historische kaart 1997

8

3. BELEID 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;

Vastgesteld

9

▪ ▪

Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ De bereikbaarheid verbeteren; ▪ Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebiedsof projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op onderhavig initiatief. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving.

Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen.

Vastgesteld

10

Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat de realisatie van één woning binnen het plangebied geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Het realiseren van één nieuwe woning aan de Broekweg kent een dermate kleinschalig karakter dat deze geen nadelige invloed heeft op de gestelde doelen van het Rijk. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De SVIR (zie hiervoor) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken. Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het Waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend / beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt.

Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Met de realisatie van één woning op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, de realisatie van een woning binnen het plangebied is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3).

Vastgesteld

11

Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het realiseren van één woning in de bebouwde kom van Horst evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal.

Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.

Vastgesteld

12

Afbeelding 10. Zonering POL 2014 met plangebied rood omcirkeld.

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones

Bebouwd gebied

Zone Stedelijk centrum

Overig gebied

Landelijk gebied

bebouwd

Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied

Vastgesteld

Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

13

Het plangebied is gelegen in de zone ‘Overig bebouwd gebied’. Dit betreffen gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen, deels met stedelijk karakter, deels met landelijk karakter. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Transformatie regionale woningvoorraad; ▪ Bereikbaarheid; ▪ Balans voorzieningen en detailhandel; ▪ Stedelijk groen en water; ▪ Kwaliteit leefomgeving. Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en NoordLimburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte.

De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regio specifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 3.3.3. De realisatie van een nieuwe woning past binnen de provinciale richtlijnen die zijn gesteld voor het overig bebouwd gebied. Kortom, het initiatief past binnen de beleidsregels zoals geschetst in het POL2014. 3.3.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:100; ▪ Ligging in de boringsvrije zone Venloschol. Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland.

Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast.

Vastgesteld

14

Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Horst. Voor het bebouwd gebied is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:100. Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 1% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 3,65 – 3,66 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. Echter de kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast kleiner is dan 1% per jaar, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter boven NAP verboden: a. Een boorput te hebben; b. De grond te roeren; c. Een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 24 m boven NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 19 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval niet aan de orde.

Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. 3.3.3

Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg

In april 2016 hebben de bestuurders van de gemeente Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray, Peel en Maas en de provincie Limburg de Regionale Structuurvisie 2016- 2020 vastgesteld. Met de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg hebben de acht regiogemeenten voor het eerst een gezamenlijke visie en koers vastgelegd op het gebied van wonen. Op 20 oktober 2020 is de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 in werking getreden. De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 vormt een herijking van de Regionale Structuurvisie wonen uit 2016. Naast een vernieuwde gezamenlijke regionale visie op het thema wonen maken de acht regiogemeenten opnieuw regionale afspraken welke vervolgens door worden gevoerd in het lokaal te voeren beleid. Een belangrijke onderlegger voor woonbeleid vormt de bevolkingsontwikkeling en de huishoudensontwikkeling. In totaal zijn acht pijlers geïdentificeerd op basis van de verwachte bevolkingsontwikkeling. De acht pijlers vormen de koers die de regiogemeenten de komende jaren willen gaan varen. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Kwalitatief vraagstuk- mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Om richting te geven aan de benodigde aantallen maakt de regio gebruik van huishoudensprognoses. Prognoses geven richting aan de toekomst. Een goede onderbouwing van de woningbehoefte blijft leidend, daarom kiest de regio ervoor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. De regio heeft uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen (ook Ruimte voor Ruimte plannen worden hieraan getoetst)

Vastgesteld

15

2. Liefde voor de bestaande voorraad De regio bekijkt nadrukkelijk of sprake is van de juiste kwaliteit woning op de juiste plek voor de juiste doelgroep. Toekomstbestendigheid en in sommige gevallen flexibiliteit staan hierbij voorop. Voor woningen in de bestaande voorraad (in de wijken, maar ook in het buitengebied) onderzoekt de regio of het instellen van een fonds kan helpen in de transformatieopgave. Hierbij maakt de regio zoveel mogelijk gebruik van goede praktijkvoorbeelden en kan het van belang zijn om de samenwerking met (uiteenlopende) marktpartijen te intensiveren. 3. Kwalitatief vraagstuk op de lange termijn: wat doen we na de huishoudenspiek? De regio verkent samen met de provincie de mogelijkheden ten aanzien van het ontwikkelen van instrumentarium om op termijn woningen uit de bestaande voorraad te halen. Enerzijds omdat ze niet meer nodig zijn (na het bereiken van de huishoudenspiek) en anderzijds om ook na de huishoudenspiek ruimte te maken voor de toevoeging van kwalitatief goede woningen. Daarnaast zet de regio in op het faciliteren en stimuleren van tijdelijke en experimentele woonvormen waarmee kan worden ingespeeld op de periode na de huishoudenspiek. 4. Huisvesting voor specifieke doelgroepen Bijzondere aandacht is nodig voor de huisvesting van specifieke doelgroepen.

Hieronder vallen woonwagenbewoners, internationale werknemers, woonurgenten, zorgdoelgroepen, ouderen, starters, economische dak- en thuislozen en vergunningshouders. 5. Thuis in je huis, straat, buurt en wijk De regiogemeenten zijn ervan bewust dat zij samen met inwoners, woningcorporaties, onderwijs, maatschappelijke instellingen (zoals zorg- en welzijnsorganisaties) en bedrijven aan de lat staan om de leefbaarheid te bewaken. Het gezamenlijke doel is om de leefbaarheid te behouden of waar nodig te versterken. Samenwerking en het maken en samen uitvoering geven aan (prestatie-) afspraken is daarbij van groot belang en daar zit ook de kracht. 6. Sociale huursector en toewijzingsbeleid corporaties Sturen op de sociale huurmarkt is vooral een samenspel tussen woningcorporaties, huurdersbelangenverenigingen en gemeenten. Op gemeenteniveau wordt gekeken of de voorraad sociale huurwoningen voldoende is, of dat moet worden toegevoegd. 7. Middenhuur De regio constateert dat er een opgave ligt om het aantal middenhuur woningen te vergroten. Daarom onderzoekt de regio de mogelijkheden om regionale ‘mandjes’ te maken, waarbij de mogelijkheden om te bouwen op aantrekkelijke locaties worden gekoppeld aan het bouwen op minder voor de hand liggende locaties.

Om de bouw van middenhuurwoningen te kunnen stimuleren, wordt door de provincie gekeken om hiervoor het Stimuleringsregeling Wonen mede in te richten (bijvoorbeeld door leningen, garantstellingen en subsidies) als onderdeel van de nieuwe Limburgse Agenda Wonen. 8. Leefbaarheid kleine kernen Door een sterke vergrijzing in kleine kernen kan de leefbaarheid onder druk komen te staan. Woningbouw kan nooit alleen de oplossing zijn voor leefbaarheidsvraagstukken. Op kleine schaal woningbouw toevoegen blijft mogelijk. De toevoeging van woningen is vooral gericht op het bevorderen van de doorstroming. Onderhavig initiatief sluit aan bij pijler 1, ‘Kwalitatief vraagstuk- mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling’. Binnen deze pijler zijn uitgangspunten opgesteld voor de kwalitatieve richtlijn die leidend is. De uitgangspunten zijn: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Koppelkansen (het realiseren van een woning gebruiken voor het aanpakken van andere opgaven zoals leegstand); ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;

Vastgesteld

16

▪ ▪

De regie streeft sociaal duurzame woonconcepten na; De regio zoekt aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn.

De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van één levensloopbestendige c.q. seniorenwoningen. De woning is beoogd ten oosten van de huidige woning van initiatiefnemer en voorziet in de eigen behoefte. Met het oprichten van de levensloopbestendige woning komt de huidige gezinswoning van de initiatiefnemer vrij wat de doorstroming bevorderd. Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van pijler 1 en is hiermee niet strijdig met de visie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1

Structuurvisie Horst aan de Maas

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit spraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Onder dit deelgebied vallen de kernen binnen de gemeente Horst aan de Maas met een bovenlokaal voorzieningenniveau. Binnen gebiedstype 6A geldt een meedenkende grondhouding (ja, mits) bij het oprichten van nieuwe (solitaire) woningen. Bij een meedenkende grondhouding is sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van belang zijn.

Een initiatief kan pas rekenen op planologische medewerking op het moment dat een passende kwaliteitsverbetering gegarandeerd is. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Horst aan de Broekweg 20. Aan de Broekweg en in de directe omgeving heeft al veel woningbouw plaatsgevonden. Het plangebied maakt onderdeel uit van de woonwijk “Berkelsbroek” en is gelegen bij de woonwijken “Stuksbeemden” en “Kapellerhof”. Het initiatief voor een nieuwe woning past functioneel gezien goed binnen de omgeving, waar de woonfunctie overheerst. Tevens past het initiatief binnen het bestaande bebouwingslint van woningen aan de Broekweg / Van Douverenstraat.

Afbeelding 11. Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met het plangebied rood omlijnd

Vastgesteld

17

In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. In deze bijlage wordt een onderscheid gemaakt in vier manieren om woningen toe te voegen, te weten “nieuwe woningen”, “splitsen van woningen”, “herontwikkelen van behoudenswaardig vastgoed bij een reeds bestaande woning” en “herontwikkelen van al het andere behoudenswaardig vastgoed”. Van de eerste categorie is in dit geval sprake. Om te stimuleren dat woningen eerst binnen de kern worden gerealiseerd is het noodzakelijk dat de gevraagde kwaliteitsbijdrage gunstiger is dan de kwaliteitsbijdrage in het buitengebied. Bij het toevoegen van een nieuwe woningen is de kwaliteitsbijdrage vastgesteld op € 40.000,-. Door deze kwaliteitsbijdrage kan echter niet gestuurd worden op de gewenste samenstelling van de woningvoorraad. Daarom heeft de gemeente Horst aan de Maas de structuurvisie wat dat betreft herzien in september 2019. Indien voldaan wordt aan het Lokaal Afwegingskader en dus een woning wordt toegevoegd waaraan op basis van het gemeentelijk woonbeleid behoefte is, behoeft de kwaliteitsbijdrage van € 40.000,= niet voldaan te worden. Dit wordt bepaald middels een puntensysteem. Er zijn zowel ruimtelijke als volkshuisvestelijke criteria waarop punten gescoord kunnen worden.

Indien een initiatief 8 of meer punten scoort binnen het Lokaal Afwegingskader dan is er sprake van een juiste woning op een juiste plek. Tabel 2.Lokaal Afwegingskader

Omschrijving

Mogelijke score 2

Score bouwplan 2

bestaand

3

0

De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Horst, aan de Broekweg. Aan de Broekweg en Van Douverenstraat is sprake van een bestaand bebouwingslint bestaande uit woningen. De nieuwe woning zal dan ook aansluiten bij dit bebouwingslint en zal komen te liggen ten oosten van de woning Broekweg 20. Gesteld kan worden dat met het oprichten van de nieuwe woning op deze locatie sprake is van inbreiding. Niet van toepassing.

Hergebruik monumentaal vastgoed Herontwikkelingslocatie Levensloopbestendige woning

8

0

Niet van toepassing.

4 2

0 2

Huurwoning kleine kern Huurwoning groeikern Kleine huisvesting

5 2 2

0 0 2

Flexibel Gevarieerde wijkopbouw

1 2

0 0

Niet van toepassing. De woning wordt levensloopbestendig ingericht, de woning zal dan ook ideaal zijn voor bewoning door ouderen. Dit is verankerd is de regels door de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’. Niet van toepassing. Niet van toepassing. Doordat de woning betrekking heeft op een levensloopbestendige c.q. senioren woning is sprake van een kleine huisvesting. De woning zal dan ook een gebruiksoppervlakte beslaan van maximaal 120 m2, dit is mede verankerd in de regels. Niet van toepassing. Niet van toepassing.

Inbreiding

Hergebruik vastgoed

Vastgesteld

Motivatie

18

Duurzaamheid Totaal punten

2

2

De woning wordt duurzaam en zeer energiezuinig uitgevoerd.

8

Aan de hand van deze motivatie is aangetoond dat het initiatief 8 punten behaald heeft. Een afdracht in het kader van de structuurvisie is in dit geval niet aan de orde. 3.4.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas

Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde Een woningbouwprogramma dat toereikend is in aantal en gedifferentieerd is in eigendom, type en prijs. Dit gedifferentieerde woningbouwprogramma sluit aan bij de vraag en de financiële mogelijkheden van starters, kleine huishoudens, gezinnen en senioren en bevordert de doorstroming. 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn Een woningaanbod, dat veilig en toegankelijk is en in de nabijheid van voorzieningen. Een dergelijk aanbod maakt zorg op maat mogelijk en biedt mogelijkheden voor ontmoeting en sociale activiteiten, zodat alle inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en in de samenleving kunnen functioneren. 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin Een aantrekkelijke en behaaglijke woonomgeving waarborgen door beheer en waar nodig herstructurering, in samenhang met het woningbouwprogramma op inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Daarmee wordt de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit versterkt en ontstaat er een gedifferentieerd woningaanbod.

Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen: ▪ Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. ▪ Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. ▪ Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. ▪ In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden. ▪ Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. ▪ Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. Volgens de bevolkingsprognoses groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.295.

Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen.

Vastgesteld

19

Een aantrekkelijk woningbouwprogramma betekent ook: ▪ Flexibiliteit in het woningontwerp, waardoor bewoners tot uitbreiding of aanpassing van de woning kunnen komen; ▪ Consumentgericht bouwen, waarbij de bewoner inspraak heeft bij het ontwerp, de indeling en uitrusting; ▪ Particulier opdrachtgeverschap, waarbij de bewoner bepaalt wat en hoe er gebouwd wordt. Voor het woningbouwprogramma zijn de volgende afspraken gemaakt: ▪ In alle kernen is voor de lange en de korte termijn een passend woningaanbod aanwezig, ook met betrekking tot (sociale en markt) huurwoningen. Per kern is een ambitie opgenomen voor vergroting van het aantal huurwoningen in 2021. ▪ Er wordt gebouwd voor de concrete behoefte, deze wordt samen met de dorpen bepaald. ▪ Er wordt ingezet op innovatieve concepten. ▪ Inbreidingslocaties en herontwikkeling vrijkomend vastgoed gaan voor nieuwe uitbreidingslocaties woningbouw. Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.295. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor de kern Horst is de woningbouwopgave voor de periode 2015-2025 om 495 woningen te bouwen.

Voor de periode 2015-2035 zijn in totaal 675 woningen nodig. In Horst voorziet de woningbouwlocatie ‘De Afhang’ in een groot deel van deze behoefte met 300 woningen. Daarnaast voorzien de locaties Hof te Berkel, Vondersestraat en Herstaat/ P2 samen in een deel van deze opgave met 70 woningen. In totaal voorzien de woningbouwlocaties in een capaciteit van 370 woningen. Dit betekent dat er nog ruimte is voor 125 nieuwe woningen in Horst. Het initiatief betreft het oprichten van één nieuwe woning aan de Broekweg, gelegen in de bebouwde kom van Horst. De voorliggende locatie is weliswaar niet aangewezen als woningbouwlocatie in het Masterplan Wonen, maar het voorliggende plan draagt wel bij aan het invullen van de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Horst. Het initiatief voorziet in de groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen. Het plan voldoet dan ook aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. 3.4.3 Reserve bovenwijkse voorzieningen De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 7 maart 2017 de Nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 vastgesteld. Met de nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 worden op basis van de huidige inzichten bovenwijkse voorzieningen in kaart gebracht die conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor kostenverhaal in aanmerking komen.

Dit zijn voorzieningen van infrastructurele aard die in de periode tot en met ongeveer 2027 voorzien zijn en die meer dan een wijk bedienen. Anderzijds wordt op basis van de gebiedsontwikkelingen die in de periode 2027 voorzien zijn berekend wat de afdracht aan de reserve dient te zijn om deze bovenwijkse voorzieningen voor zover ze toe te rekenen zijn aan die gebiedsontwikkeling, te bekostigen. De afdracht bovenwijkse voorzieningen is voor onderhavig initiatief vastgesteld op € 9.000,-.

Vastgesteld

20

3.5 Conclusie Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de realisatie van de nieuwe woning. Het oprichten van één woning is geen stedelijke ontwikkeling. De woning wordt opgericht in de bebouwde kom van Horst en wordt aangesloten bij de functie en ruimtelijke karakteristiek van de omgeving. Met het initiatief wordt gebouwd op basis van concrete behoefte (een levensloopbestendige woning). Op basis van de structuurvisie is sprake van de juiste woning op de juiste plek, daarom is een kwaliteitsverbetering niet benodigd.

Vastgesteld

21

4. PLANBESCHRIJVING De heer en mevrouw Koppens wensen een nieuwe woning op te richten aan de Broekweg ongenummerd in Horst. De locatie betreft in de huidige situatie de tuin behorende bij hun gezinswoning Broekweg 20. Aangezien de kinderen het huis uit zijn en gezien de leeftijd van de initiatiefnemers is deze gezinswoning te ruim geworden, hierom willen de initiatiefnemers graag een kleinere woning oprichten. De initiatiefnemers willen graag in deze fijne buurt blijven wonen waardoor het idee is ontstaan om een nieuwe woning op te richten naast hun huidige woning. Ten oosten van de huidige woning willen de initiatiefnemers een levensloopbestendige c.q. seniorenwoning bouwen voor zichzelf. De loods die aanwezig is op de locatie willen de initiatiefnemers graag als bijgebouw bij de nieuwe woning behouden. De huidige woning komt in dit geval vrij voor nieuwe bewoners, wat de doorstroming in de kern van Horst bevordert.

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning binnen het plangebied; ▪ Er mag uitsluitend een levensloopbestendige woning worden gerealiseerd; ▪ De woning heeft gebruiksoppervlakte van maximaal 120 m2; ▪ De bestaande loods blijft gehandhaafd bij de nieuwe woning; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Peelkernen” zoals dat thans voor de kern van Horst geldt; ▪ Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van één levensloopbestendige woning, naast de woning Broekweg 20. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied nog steeds bestemd is als ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Aan het plangebied is echter een bouwvlak toegekend met de aanduiding ‘vrijstaand’ en de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 1’, zodat de bouw van één vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt.

Daarnaast is de maatvoeringsaanduiding ‘oppervlakte: 185 m2’ opgenomen zodat de huidige loods kan worden gebruikt als bijgebouw bij de nieuwe woning. Er mag uitsluitend een levensloopbestendige woning worden gerealiseerd, daarom is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’ toegekend. Een levensloopbestendige woning betreft een kleine en lage woning daarom zijn de maatvoeringen maximum goothoogte: 4,5 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 7 m’ opgenomen. Het plangebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduidingen ‘Veiligheidszone – snelweg’, ‘Vrijwaringszone – snelweg’ en ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’. Tevens is binnen het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen.

Vastgesteld

22

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De locatie sluit aan op het bebouwingslint van de Broekweg en Van Douverenstraat en sluit aan bij de andere woonwijken in de omgeving. In de omgeving overheerst de woonfunctie en de woningen bestaan uit allerlei woningtypen. Het initiatief past dan ook functioneel gezien goed bij de omgeving. De woning zal levensloopbestendig worden ingericht, dit wil zeggen dat in de woning voorzieningen worden aangebracht die het mogelijk maken de woning een leven lang te bewonen. De woning is daarmee ook ideaal voor senioren. De nieuwe woning wordt in vergelijking met de gezinswoning dichter bij de weg gebouwd. Dit is echter niet bezwaarlijk aangezien de voorgevelrooilijn van de woningen aan de overzijde van de weg ook verschillend zijn. Daarnaast blijft de afstand tussen de weg en de woning ruim waardoor dit eveneens niet bezwaarlijk is. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet een specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een vrijstaande levensloopbestendige woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woning is momenteel dan ook nog niets bekend.

Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) passend is in het heersende straatbeeld en de woning ook kwalitatief past in de omgeving. Het bouwvlak mag worden bebouwd met één levensloopbestendige woning. De maximale goothoogte bedraagt 4,5 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 7 meter. Met het opnemen van de maatvoeringsaanduiding ‘oppervlakte 185 m2’ kan de loods blijven staan en is het niet mogelijk om nieuwe bijgebouwen bij de woning op te richten. Qua maatvoering is ten eerste aangesloten bij de gemeentelijke standaarden. Daarnaast komt deze maatvoering overeen met bestaande woningen in de directe omgeving.

Vastgesteld

23

5. SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding Voordat de woning binnen het plangebied kan worden gerealiseerd dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1

M.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10454757/1