04c.9 Bijlage 9 BP Toelichting Archeologisch Programma van Eisen v
Tekst van het document
Programma van Eisen Format conform KNA versie 4.1 (28-05-2018) Definitieve versie Locatie
Mikadoterrein - Horst
Projectnaam
Mikadoterrein te Horst / AM21449
Plaats binnen archeologisch proces 0 IVO-P Proefsleuvenonderzoek Opsteller
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
Auteur
F. van den Blink
7-6-2022
paraaf
Archeoloog MA Aeres Milieu Noordhoven 4 6042 NW Roermond 0475-320000 Fieke.vd.Blink@aeres-milieu.nl Senior KNA Archeoloog, controle/goedkeuring
drs. N.J.W. van der Feest
7-6-2022
Senior KNA Archeoloog (KNAactorregistratienr.:94672675 Aeres Milieu Noordhoven 4 6042 NW Roermond 0475-320000 Nico.vd.Feest@aeres-milieu.nl
Opdrachtgever
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
paraaf
datum
paraaf
BRO t.a.v. mevr. S. Sharifi Industriestraat 94 5931 PK Tegelen sadaf.sharifi@bro.nl Goedkeuring bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail X Gemeente
Gemeente Horst aan de Maas
0 Provincie
Postbus 6005
0 Rijk
5960 AA Horst
0 Overig
Tel: 077 – 477 9777 Adviseur namens bevoegde overheid Dhr. C.W. Koot (Vestigia) C.koot@vestigia.nl
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
Kennisgeving
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten
Depothouder/eigenaar
Depotbeheerder: Sjeng Kusters
datum
paraaf
Raadhuisplein 20, Heerlen 043 389 7049 sjj.kusters@prvlimburg.nl
2
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied
4
HOOFDSTUK 2 Aanleiding en motivering van het onderzoek
5
2.1 Aanleiding en motivering HOOFDSTUK 3 Eerder uitgevoerd onderzoek
7
HOOFDSTUK 4 Archeologische verwachting
8
4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) 4.4 Structuren en sporen 4.5 Anorganische artefacten 4.6 Organische artefacten 4.7 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten 4.8 Motivatie 4.9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen 4.10 Gaafheid en conservering HOOFDSTUK 5 Doelstelling en vraagstelling
13
5.1 Doelstelling 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders 5.3 Vraagstelling 5.4 Onderzoeksvragen HOOFDSTUK 6 Methoden en technieken
14
6.1 Methoden en technieken 6.2 Strategie 6.3 Omgang kwetsbaar vondstmateriaal 6.4 Structuren en grondsporen, scheepswrak of vliegtuig 6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek 6.6 Anorganische artefacten 6.7 Organische artefacten 6.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten 6.9 Overige resten 6.10 Dateringstechieken 6.11 Beperkingen HOOFDSTUK 7 Uitwerking
19
7.1 Structuren, grondsporen, scheepswrak of vliegtuig vondstspreidingen 7.2 Analyse aardwetenschappelijke gegevens 7.3 Anorganische artefacten 7.4 Organische artefacten 7.5 Archeozoölogische en -botanische resten 3
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
7.6 Beeldrapportage
HOOFDSTUK 8 (De)selectie en conservering
22
8.1 Selectie materiaal voor uitwerking 8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering 8.3 Selectie materiaal voor conservering HOOFDSTUK 9 Deponering
23
9.1 Eisen betreffende depot 9.2 Te leveren product HOOFDSTUK 10 Randvoorwaarden en aanvullende eisen
24
10.1 Personele randvoorwaarden 10.2 Overlegmomenten 10.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie 10.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen HOOFDSTUK 11 Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE
25
11.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk 11.2 Belangrijke wijzigingen 11.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk 11.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering Literatuur
27
Bijlagen 1 Topografische kaart 2 Voorstel puttenplan IVO-P 3 Lijst van verwachte aantallen 4 Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen
4
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 1 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED Projectnaam
Mikadoterrein te Horst
Provincie
Limburg
Gemeente
Horst aan de Maas
Plaats
Horst
Toponiem
Mikadoterrein
Kadastrale registratie
Horst, sectie B, nrs. 7715, 7716, 7717, 8264 en 8299
x,y–coördinaten
Centrum 201.567; 385.598 NW:
201.471; 385.593
NO:
201.612; 385.673
ZW:
201.500; 385.489
ZO:
201.635; 385.561
CMA/AMK-status
n.v.t.
Archis-monumentnummer
n.v.t.
Archis-waarnemingsnummer
n.v.t.
Aanleiding onderzoek
Bestemmingsplanwijziging
Oppervlakte plangebied
Circa 2,3 ha
Oppervlakte onderzoeksgebied
Noord: circa 1,1 ha Zuid: circa 1,2 ha
Huidig grondgebruik
Bebouwd, erf en tuin
5
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 2 AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK 2.1 Aanleiding en motivering De aanleiding voor het uit laten voeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen sloop van de huidige bebouwing op het terrein en de nieuwbouw van appartementen en dagvoorzieningen. De diepte van de toekomstige verstoring is niet bekend, maar zal naar verwachting tot tenminste 1,0 meter beneden maaiveld reiken. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas in de zone Categorie 3 (Hoge archeologische verwachting). Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Middels deze kaart heeft de gemeente aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is.1 Op de locatie is reeds onderzoek uitgevoerd in 2019, waarbij door Aeres Milieu een bureau- en verkennend booronderzoek door middel van boringen is uitgevoerd.2 Uit dit onderzoek bleek dat in het gehele plangebied een AC profiel aanwezig is. De oorspronkelijke bodem is opgenomen in de opgebrachte bovengrond. In de zuidelijke boringen 9 t/m 13 is sprake van een Apb-horizont. Het betreft hier een oude akkerlaag waar sporen houtskool in voorkomen. Er is voor het zuidelijk deel van het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd (figuur 1).
In het overige deel van het plangebied dient enkel vervolgonderzoek plaats te vinden indien het huidige onderzoek daar aanleiding toe geeft. Dit dient plaats te vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Advies gemeente Horst aan de Maas (extern archeologisch adviseur) “Mede dankzij het afgebeelde boorprofiel kan ik tevens de boorstaten in Bijlage 8 goed beoordelen. De afgebeelde boorkern in figuur 7 is afkomstig uit het noordelijk deel, waarover in het rapport wordt geconcludeerd dat de bodemopbouw is verstoord en een eventueel proefsleuvenonderzoek niet direct noodzakelijk is. Uit bijlage 8 maak ik op dat die bodemverstoring geldt voor boringen 1 en 2. Wat figuur 7 laat zien is onmiskenbaar het profiel van een dikke enkeerdbodem, waarin de A- en B-horizont van de oorspronkelijke podzolbodem zijn verdwenen. Maar in het gele zand onder het plaggendek kunnen eventueel aanwezige archeologische grondsporen goed bewaard zijn gebleven. Ik concludeer daarom dat ook in het noordelijk deel van het plangebied archeologische vindplaatsen kunnen zijn gelegen, net zoals in het zuidelijk deel.”3 Aanvullend heeft de archeologisch adviseur het volgende aangegeven: “De initiatiefnemen kan het proefsleuvenonderzoek ruimtelijk in tweeën opdelen, maar in het PvE laten we dan opnemen dat de gegevens in één standaardrapport worden gepresenteerd.
Dat scheelt ook in kosten, omdat dan geen twee rapporten en twee proefsleufonderzoeken behoeven te worden opgeleverd. Maar bij het eerste proefsleuvenonderzoek zal dan wel worden gevraagd om in een tussentijds evaluatierapport elke vindplaats te definiëren en te waarderen conform de KNA” 4 De gemeente Horst aan de Maas wenst dat onderhavig proefsleuvenonderzoek vooralsnog alleen in het zuidelijk deel zal worden uitgevoerd. 5 De oppervlakte hiervan bedraagt circa 1,2 hectare. In het geval dat er een vindplaats wordt aangesneden, dient de bevoegde overheid op de hoogte te worden gesteld. In overleg met de bevoegde overheid kan het proefsleuvenonderzoek aansluitend plaatsvinden in het noordelijke deel. De resultaten zullen in één standaardrapport worden uitgewerkt.
Vestigia 2015, Kaartbijlage, Archeologische Maatregelenkaart gemeente Horst aan de Maas (Vestigia rapport V1188). 2 Aeres Milieu projectnumer AM19365. 3 Reactie Dhr. K. Koot (Vestigia), extern adviseur gemeente Horst aan de Maas, d.d. 04-10-. 4 Reactie Dhr. K. Koot (Vestigia), extern adviseur gemeente Horst aan de Maas, d.d. 28.10-2021 (Vestigia kenmerk V21-37090 / 1285-355 / CWK). 5 Reactie gemeente Horst aan de Maas zoals geciteerd in de e-mail van dhr. R. Griffioen (BRO), d.d. 28-102021. 1
6
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
Figuur 1. Topografische ligging van het plangebied inclusief boringen verkennend booronderzoek.
7
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 3 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK
Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen Uitvoerder Aeres Milieu Uitvoeringsperiode Mei 2019 Rapportage D. Hagens, L. Kruithof en N.J.W. Van der Feest, 2019. Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen. Mikadoterrein te Horst (gemeente Horst aan de Maas). Vondsten/monsters/documentatie Aeres Milieu, Noordhoven 4 te Roermond
8
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 4 ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING6 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die de Roerdalslenk en het Kempenblok begrenzen. Het plangebied ligt op het oostelijk deel van de Peelhorst, een tektonisch stijgingsgebied. Op de Peelhorst komen zand- en grindbodems voor die zijn afgedekt met een dun pakket dekzand van de Formatie van Boxtel.7 Het dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; circa 115.000 – 11.700 jaar geleden), aan het eind van het Pleistoceen. Het huidige landschap is in die periode voor een groot deel gevormd. Er ontstond een steeds kouder en droger klimaat.8 In deze periode (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) breidde het landijs zich sterk uit in Europa. Gedurende het grootste deel van het Weichselien was de bodem bevroren. Tijdens perioden dat er sprake was van dooi, werd door sneeuwsmelt- en regenwater veel sediment verspoeld, waarbij fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd en dalen ontstonden. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn zeer divers in textuur. Ze bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. 9 Deze afzettingen zijn in het plangebied in de diepere ondergrond aanwezig.
In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 – 15.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie grotendeels verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving optrad. De rivierafzettingen en de fluvioperiglaciale afzettingen raakten bedekt met dekzand. 10 Dit dekzand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm) en arm aan grind. Het dekzand wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen. Het dekzand werd in verschillende fasen en omstandigheden afgezet, zo is het oude dekzand lemig en het jonge dekzand niet. Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en vochtiger. Door het warmere klimaat smolten de in het Weichselien gevormde ijskappen en steeg de relatieve zeespiegel snel. Het landschap in de regio is door geologische processen weinig meer veranderd. Het dekzand werd door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken sneden zich in. Hierbij volgden ze de natuurlijke laagten, zoals de eerder gevormde dalen. Als gevolg van ontbossingen door menselijke activiteiten heeft vanaf het neolithicum opnieuw verstuiving plaatsgevonden van het dekzand.
Systematische ontbossingen vanaf de (late) middeleeuwen heeft grootschalige verstuivingen veroorzaakt. Hierdoor ontstonden landduinen. Deze stuifzanden worden tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend en worden gekenmerkt als reliëfrijke zones in het landschap. Op circa 2,0 km ten zuidoosten van het plangebied en verder westelijk en noordwestelijk zijn dergelijke lage landduinen aanwezig. Volgens de Geomorfologische kaart 11 ligt het plangebied op een dekzandrug (code 10B53). Het uiterste zuidwestelijke deel van het plangebied is niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied, maar waarschijnlijk bevindt zich hier ook de genoemde dekzandrug. Direct ten oosten van deze dekzandrug bevindt zich een beekdal (code 22R42). Het betreft het beekdal van de Groote Molenbeek. Rondom dit beekdal en de dekzandruggen liggen zones bestaande uit dekzandwelvingen (code 3L51). Direct ten westen ligt het beekdal van de Kabroekse Beek. Op het kaartbeeld van het AHN312 is er weinig reliëfverschil te zien tussen de dekzandrug en de dekzandwelvingen. De beekdalen van de Groote Molenbeek (ten noorden en oosten van het plangebied) en ook die van de Kabroekse Beek (ten westen van het plangebied) zijn als laaggelegen zones te herkennen.
Overgenomen uit Hagens/ Kruithof/ Hagens 2021 Rensink e.a. 2016, 69. 8 Berendsen 2008, 183; Stouthamer, Cohen en Hoek 2015, 205. 9 Berendsen 2008, 189. 10 Berendsen 2004, 190. 11 Alterra 2019, Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. 12 Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008-2019). AHN2 en AHN3 (Geraadpleegd via www.arcgis.com, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data). 6 7
9
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
Volgens de bodemkaart worden in het oostelijk deel van het plangebied hoge zwarte enkeergronden in lemig fijn zand (code zEZ23) verwacht. Het westelijke deel is niet gekarteerd. Ter plaatse wordt, mede gezien de ligging op een dekzandrug, hetzelfde bodemtype verwacht.13 Enkeerdgronden zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf circa 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast Plaggen werden met mest van het vee vermengd en op de akkers aangebracht om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De bouwvoor is donker gekleurd en circa 20-30 cm dik (Aap-horizont). Hieronder ligt het oudere niveau van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur is. Onder het plaggendek ligt de oorspronkelijke bodem, waarschijnlijk een podzolgrond. De podzolgrond bestaat uit een A-horizont, waaronder een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is. Hieronder ligt de bruine B-horizont (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont. Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont in meer of mindere mate intact. Vaak zijn deze horizonten door verploeging met de onderste helft van het plaggendek vermengd geraakt. Op de bodemkaart staan de gemiddelde grondwaterstanden aangegeven.
In het plangebied is vermoedelijk sprake van een diepe grondwaterstand, grondwatertrap VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 centimeter beneden maaiveld. Organische resten zullen daarom enkel in diepere watervoerende sporen (zoals waterputten) kunnen worden aangetroffen. Archeologische waarden Op de leidende Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. 14 Er is één archeologische monument bekend in de omgeving van het plangebied. Monumentnummer 16.275 Op 60 meter ten westen van het plangebied ligt een monument van hoge archeologische waarde. Het betreft de historische dorpskern van Horst. Binnen de begrenzingen van dit monument kunnen resten worden aangetroffen, gerelateerd aan de bewoningsgeschiedenis van Horst vanaf tenminste de hoge middeleeuwen.
13 Alterra 2009, kaartblad 52 Oost. 14 Vestigia 2015, Kaartbijlage, Archeologische Maatregelenkaart gemeente Horst aan de Maas (Vestigia rapport V1188).
10
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
In de directe omgeving zijn diverse meldingen bekend in Archis3: Zaakidentificatie 3251091100
Afstand 300 meter ten zuidwesten van het plangebied 345 meter ten zuidwesten van het plangebied 545 meter ten zuidwesten van het plangebied Circa 500 meter ten zuidwesten van het plangebied
Soort onderzoek
4043969100
145 meter ten zuiden van het plangebied
Bureau- en booronderzoek door Econsultancy in 2017
2042117100
Direct ten noordoosten van het plangebied 70 meter ten oosten van het plangebied 375 meter ten zuidoosten van het plangebied 160 meter ten oosten van het plangebied
Veldkartering door RAAP in 1989
2784110100
3251083100/ 3290360100 2850060100
2003156100
2778855100
2320896100
2861766100
2049708100
2187554100/ 2231909100/ 2245939100
650 meter ten zuidoosten van het plangebied 660 meter ten westen van het plangebied 800 meter ten zuidwesten van het plangebied
Omschrijving Tijdens een archeologische inspectie zijn drie fragmenten van een voorraadpot met uitgeknepen voet van ZuidLimburg aardewerk (1e helft 13e eeuw) gevonden. Vondst van een middeleeuwse lanspunt aan de Loevestraat
Vondst van een fundering van mergelsteen.
Proefsleuvenonderzoek door de RCE in 1993
Ter plaatse van de huidige Sint Lambertuskerk werd door Renaud in 1947 een opgraving uitgevoerd ter plaatse van de resten van de tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoeste voorganger: "Het resultaat van de opgraving was dat er een kleine, eenbeukige kerk met recht gesloten koor is teruggevonden van ca. 22 m lengte. De fundamenten van ijzeroersteen werden hier en daar onderbroken door de funderingen van de pilaren der Gothische kerk en op sommige plaatsen waren zij zelfs geheel uitgebroken.” “De oudste periode van het oersteenkerkje bestond derhalve uit een rechthoekig zaalkerkje van ongeveer 13,75 x 7,60 m." In de oorspronkelijke publicatie van Renaud komen enige andere aspecten van het onderzoek aan bod, zoals de mogelijke aanwezigheid van een houten voorganger, en de begravingen (waaronder van priesters, en kind). "De weinige scherven uit de oudere lagenzijn van het zg. Pingsdorfer type". Dit brengt Renaud ertoe de bouw van de oudste oersteenkerk in de 11e eeuw te plaatsen Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en het ontbreken van archeologische indicatoren, kon worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is op basis van het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden.
Het betreft een veldkartering, inventarisatie en waardering binnen het tracé van de door te trekken A73, traject VenrayVenlo. Resultaten zijn vooralsnog niet bekend. Er staan geen resultaten in Archis of Dans Easy vermeld.
Vondst van een Flint-Ovalbeil uit het midden- of latneolithicum op de grens van de dekzandrug met het beekdal. Booronderzoek door RAAP in 2011
Per locatie (2 locaties totaal) zijn telkens vier boringen verricht. Uit het veldonderzoek bleek dat de bodem op beide locaties diep verstoord is tot in de natuurlijke C-horizont. Archeologische indicatoren zijn op geen van beide locaties aangetroffen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten meer verwacht worden. Derhalve werd geen vervolgonderzoek aanbevolen. In het beekdal van de Groote Molenbeek is een bijl uit het neolithicum gevonden.
Booronderzoek door Sweco/ Grontmij in 2004
Er staan geen resultaten in Archis of Dans Easy vermeld.
Booronderzoek door Becker en Van de Graaf in 2008
In het esdek werden vooral archeologische indicatoren aangetroffen uit met name in de 19e en 20e eeuw (brokjes van vermoedelijk verbrande leem van onbekende ouderdom). Ook werden fragmenten van rode baksteen, een fragment
11
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
van roodbakkend geglazuurd aardewerk uit de nieuwe tijd en een scherf vroegmiddeleeuws aardewerk aangetroffen (wandfragment Wölbwandtopf uit de Merovingische periode). Tijdens het vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven werden structuren en sporen uit de middeleeuwen (10e tot 12e eeuw) aangetroffen die als deel van een boerderij geïnterpreteerd kunnen worden.
Bebouwing binnen het plangebied Op kaarten uit het begin van de 19e en 20e eeuw is te zien dat het plangebied onbebouwd is. De bebouwing concentreert zich aan de Gastendonkstraat ten westen van het plangebied. Het plangebied is in gebruik als bouwland en ligt binnen het bouwlandgebied ‘het Risseler Veld’. Dit bouwlandgebied is vernoemd naar de noordelijker gelegen historische hoeve ‘Hof De Risselt’ aan de Gastendonkenstraat. Het bouwland ligt hoog op de dekzandrug. In de loop van de 20e eeuw wordt ten zuiden van het plangebied een nieuwe begraafplaats aangelegd. Deze behoor tot de Sint Lambertuskerk in het centrum van Horst. De bestaande bebouwing in het plangebied wordt in 1995 gerealiseerd. 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Er zijn nog geen vindplaatsen bekend in het plangebied. In het zuidelijk deel van het plangebied is tijdens het verkennend booronderzoek een historisch akkerpakket boven op de natuurlijke ondergrond, de C-horizont, aangetroffen. In het noordelijke deel is dit akkerpakket niet aangetroffen. Hier ligt de bovengrond direct op de natuurlijke ondergrond. Archeologische resten uit de periode na het mesolithicum tot en met de vroege middeleeuwen worden verwacht in de top van het pleistocene dekzand, waarbij zij bewaard kunnen zijn gebleven onder een oud bouwlanddek.
Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen al direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. Deze resten zullen verband houden met vroeger landgebruik in het plangebied (greppels, akkerlagen). 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Er zijn in het plangebied nog geen vindplaatsen aangetroffen. Het plangebied is circa 2,5 ha groot. Het onderzoeksgebied beslaat het zuidelijke gedeelte van het plangebied en is circa 8.300 m². momenteel is het plangebied bebouwd en in gebruik als erf en tuin. De begrenzing van een eventuele vindplaats dient middels het proefsleuven onderzoek te worden vastgesteld.
4.4 Structuren en sporen Nederzettingsresten kunnen voorkomen als concentraties van vondstmateriaal (aardewerk, bouwsteen, natuursteen) of als vullingen van afvalkuilen, paalkuilen, waterputten, e.d. Daarnaast kunnen ook begravingen worden aangetroffen of sporen behorend tot agrarische activiteiten, zoals perceleringsgreppels, erfscheidingen, etc. 4.5 Anorganische artefacten Naar verwachting zullen met name anorganische artefacten worden aangetroffen tijdens het onderzoek. Het kan hierbij gaan om resten van aardewerk, metaal, bouwkeramiek, glas, natuursteen en mogelijk ook (bewerkte) vuursteen. De datering van de vondsten kan variëren van de steentijd tot de (late) middeleeuwen en nieuwe tijd. 4.6 Organische artefacten De verwachting op het aantreffen van organische vondsten is relatief laag vanwege de lage grondwaterstand (GWT VI) waardoor binnen 80 cm-mv geen organische resten worden verwacht. Enkel in waterverzadigde contexten, zoals bijvoorbeeld een waterput, een diepe greppel of gracht, kunnen organische artefacten worden gevonden. Te denken valt hierbij aan voorwerpen van hout, vlechtwerk, textiel, been en leer. 4.7 Archeozoölogische en botanische resten Bij het aantreffen van een waterverzadigde context kunnen eveneens archeozoölogische en botanische resten worden aangetroffen. Het is ook mogelijk dierbegravingen aan te treffen van bijvoorbeeld runderen of paarden.
Buiten de waterverzadigde context is de verwachting dat de botanische resten enkel in verkoolde toestand bewaard zijn gebleven. Hierbij kan het gaan om houtskool of zaden en pollen. 12
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
4.8 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen Vanaf het maaiveld kunnen vondsten en sporen aangetroffen worden uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Onder de akkerlaag, dus in de natuurlijke bodem kunnen oudere sporen en/of vondsten worden aangetroffen van de periode van na het mesolithicum tot en met vroege middeleeuwen. De akkerlaag wordt verwacht op een diepte van circa 55 centimeter beneden maaiveld. 4.9 Gaafheid en conservering Op basis van het uitgevoerd booronderzoek kan worden gesteld dat de bodem bestaat uit een moderne bouwvoor met hieronder een historische akkerlaag. De dikte van beide pakketten is gemiddeld 70 tot 110 centimeter. De akkerlaag en moderne bouwvoor hebben vermoedelijk een gunstige conserverende en beschermende werking op eventuele archeologische resten in de bodem.
13
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 5 DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING 5.1 Doelstelling Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Aangezien de te verwachten vondsten en sporen uit alle perioden kunnen dateren, heeft het onderzoek betrekking op de onderzoeksthema’s van de NOaA 2.0 gerelateerd aan deze perioden en de archeoregio van het Brabants-Limburgs zandgebied. 5.3 Vraagstelling De onderzoeksvragen gaan over de aard, omvang en fysieke kwaliteit van de mogelijk aan te treffen sporen en vondsten. Daarnaast kunnen deze sporen en vondsten in relatie worden gebracht met de bewoningsgeschiedenis van het gebied, eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving en met historische kennis over dit gebied. 5.4 Onderzoeksvragen Voor zover mogelijk dient antwoord te worden gegeven op de volgende vragen: Algemeen: • • • • • • • • • • • •
•
Bevinden zich in het plangebied nog archeologisch relevante sporen of vondsten in de breedste zin van het woord (dus ook (sub)recente resten ouder dan 50 jaar)? Zijn er archeologische resten in situ bewaard gebleven, vanaf welke diepte en dient hier in de toekomst rekening mee te worden gehouden bij ontwikkelingen in het plangebied en de directe omgeving? Wat is de aard, datering, omvang en begrenzing (horizontaal en verticaal) van archeologische resten, grondsporen en structuren? Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondst categorieën behoren zij? Is er sprake van een duidelijke stratigrafie, wellicht met ophogingslagen en loopniveaus en/of wegdekken? Indien hier restanten van aanwezig zijn, hoe kunnen deze dan geïnterpreteerd worden m.b.t. functie en datering? Wat is de gaafheid en conservering van grondsporen, structuren en vondstconcentraties? Wat is de landschappelijke ligging van de site(s).
Meer in het bijzonder, wat is de geologische, geomorfologische en bodemkundige context? Is er sprake van (sub)recente verstoring en postdepositionele processen? Wat is de relatie tussen het gebruik en de geschiedenis van de onderzoekslocatie en de historische, historisch-landschappelijke en overige cultuurhistorische aspecten van zijn omgeving? Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk? Indien er geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijv. alleen losse vondsten zonder enige context) oplevert, welke verklaring kan hieraan worden gegeven? Is er bijvoorbeeld sprake van aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoringen van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van bodemprocessen of beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van werk- en/of weersomstandigheden? Hoe kan de vindplaats gewaardeerd worden op basis van de fysieke en archeologisch inhoudelijke kwaliteit? Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde conform de waarderingstabel uit de KNA 4.0.
14
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
Specifiek: • Is het plaggendek stratigrafisch onder te verdelen en vanaf wanneer is het plaggendek opgeworpen op basis van de daarin aangetroffen vondsten?
HOOFDSTUK 6 METHODEN EN TECHNIEKEN 6.1 Methoden en technieken Algemeen: • Het onderzoek dient conform de in de vigerende KNA 4.1 (Centraal College van Deskundigen 2018) verwoorde richtlijnen te worden uitgevoerd. • Eén week voor aanvang van het veldwerk worden de gemeente Horst aan de Maas en de archeologisch adviseur van de gemeente op de hoogte gesteld van de aanvangsdatum. • Er wordt gestart met het proefsleuvenonderzoek in het zuidelijk deel van het plangebied. Bij het aantreffen van een vindplaats vindt er overleg plaats met de bevoegde overheid. In dit overleg wordt besloten over een doorstart van het proefsleuvenonderzoek naar het noordelijk deel van het plangebied. • Bij de aanleg van- en het verdiepen tot het vlak zal gebruik gemaakt worden van een metaaldetector. De metaaldetector wordt ook gebruikt bij het couperen van sporen. Daarnaast wordt ook de stort afgezocht. • De aanleg van het ‘vlak’ dient te gebeuren met een gladde, gesloten bak onder toezicht van een archeoloog. • Graven dient te gebeuren op aangeven van de archeoloog. • Het onderzoek staat fulltime onder leiding van een senior KNA archeoloog die archeologische gegevens conform de KNA documenteert. De gemeente Horst aan de Maas stelt dat een senior archeoloog gedurende het hele veldwerk aanwezig is.
• Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. • Puinlagen en recente verstoringen worden laagsgewijze afgegraven tot het niveau van ongestoorde vlakken. • Tijdens het onderzoek wordt profiel- en vlakinformatie altijd gecombineerd. Dit houdt in dat profielen niet achteraf worden schoongemaakt, d.w.z. nadat het vlak reeds is onderzocht. • Het plaggendek wordt systematisch doorzocht op vondstmateriaal. Vondsten worden ook hier per onderscheidbare laag verzameld. • Alle sporen zullen worden voorzien van unieke volgnummers en geregistreerd worden op een daartoe geëigend formulier. • Vondsten zullen worden geregistreerd op een daartoe geëigend formulier en voorzien van een vondstnummer. • Alle vondsten worden verzameld per stratigrafische laag in vakken van 4x4 m, per spoor, en binnen een spoor per spoorvulling, ook binnen een spoor wordt gelet op de stratigrafie van het spoor. • Vondsten in de bouwvoor worden, alleen wanneer daar een bijzondere reden voor is, in vakken van 4x4 m verzameld.
• Bijzondere vondsten, zoals metaalvondsten - ook die in de bouwvoor -, in intacte bodemhorizonten worden altijd ingemeten en met een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Hoogtematen zullen worden genomen van de vlakken, het maaiveld en alle sporen in de proefsleuven. • Het gebruikte meetsysteem wordt gekoppeld aan het Rijksdriehoeksstelsel. • Om tot een goede waardering van de vindplaats (en beantwoording van de vraagstellingen uit het PvE te komen), dient een representatief deel of tenminste 10 % van de grondsporen tijdens het IVO-P te worden gecoupeerd om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Tevens behoren alle twijfelachtige sporen en/of verkleuringen ten alle tijden worden gecoupeerd. Sporen behorende tot een duidelijk te onderscheiden structuur behoeven niet te worden gecoupeerd. De diepte van deze sporen kan steekproefsgewijs worden vastgesteld m.b.v. een zandguts. Bij een geringe spoordichtheid worden alle geïsoleerde sporen, behalve recente sporen en verstoringen (van na 1950) gecoupeerd. • Grotere sporen worden in secties of door middel van kwadranten onderzocht. • Bij het laagsgewijs verdiepen met de graafmachine dient men ook alert te zijn op archeologische mobilia (vuursteen, houtskool en/of crematieresten). Indien vuursteen, spikkels houtskool of crematieresten worden getraceerd, dan de locatie als bult laten staan.
15
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
• •
•
•
•
• •
Locatie vervolgens met schep schavenderwijs verdiepen en vondstmateriaal zoals vuursteen, (brokkken) natuursteen, verbrand bot en verkoolde hazelnoten als puntvondst inmeten. Indien er aanwijzingen zijn voor spoorvervaging (uitloging) zal een dieper controlevlak aangelegd moeten worden. Bij het aantreffen van vuursteen uit het betreffende spoor, alle grond verzamelen en uitzeven op 2 mm maaswijdte. Er wordt altijd een vlaktekening gemaakt, ook wanneer geen grondsporen of structuurresten zichtbaar zijn. Deze vlaktekening is altijd in het veld aanwezig (ook bij digitaal intekenen). Alle sporen, verstoringen en bodemverkleuringen worden ingetekend en beschreven op de vlaktekeningen. Het puttenplan geeft een overzicht van alle werkputten en het gehanteerde meetsysteem. Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden monsters genomen voor 14C of dendrochronologische dateringen en voor botanisch onderzoek uit kansrijke sporen. Bij het aantreffen van sporen van uitzonderlijke aard wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. Indien archeozoölogische resten worden aangetroffen worden deze volledig geborgen en wordt niet volstaan met het nemen van een monster. Wanneer de sporen daartoe geschikt zijn, moeten alle sporen van één en dezelfde structuur bemonsterd worden ten behoeve het verzamelen van macroresten.
Voor deze systematische monstername dient een specialist in het veld geraadpleegd te worden. Sloten en greppels dienen zodanig gecoupeerd en leeg geschaafd te worden dat de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden, bij voorkeur couperen langs de putwand zodat de relatie met de bodemopbouw kan worden gedocumenteerd. Tevens dient gelet te worden op het voorkomen van sporen in of onder de sloten en greppels (bijvoorbeeld door delen van de greppels in de lengterichting te couperen). Indien sloten en greppels tot een erf behoren, dienen op regelmatige afstand monsters uit coupes genomen te worden, teneinde informatie over activiteitencentra op de erven te verzamelen. Bij het aantreffen van waterputten/beerputten dient de aard ervan te worden vastgesteld d.m.v. boringen. De opgeboorde grond dient per vulling als een archeobotanisch monster te worden verzameld. Bij het aantreffen van vermoedelijke graven dient een segment te worden uitgenomen om de aard van het spoor en de datering vast te stellen. Daarna dient het, vanwege de kwetsbare aard, direct (tijdens het IVO-P) te worden opgegraven.
6.2 Strategie Rekening houdend met de locatie en bijbehorende (ondergrondse) infrastructuur, is een puttenplan gemaakt (bijlage 2). In het veld kan gemotiveerd van dit plan worden afgeweken. De locatiekeuze van de aan te leggen sleuf is aan de verantwoordelijke senior KNA archeoloog ter plaatse. Het gehele plangebied bedraagt circa 2,3 ha. De archeologisch adviseur van de gemeente heeft aangegeven dat hiervan 5% d.m.v. proefsleuven dient te worden onderzocht, dat komt neer op 1.150 m2. In het puttenplan wordt uitgegaan van 15 werkputten: 8 werkputten liggen in het zuidelijk deel (600 m²), 7 werkputten in het noordelijk deel (540 m²). Drie werkputten hebben een afmeting van 4 bij 10 meter, vier werkputten een afmeting van 4 bij 15 meter, zeven werkputten een afmeting van 4 bij 25 meter en één werkput heeft een afmeting van 4 bij 20 meter. Als tijdens de aanleg van de proefsleuven in het zuidelijk deel een mogelijke vindplaats wordt aangesneden vindt er overleg plaats tussen de opdrachtnemer, de bevoegde overheid en de opdrachtgever over een eventuele doorstart van het proefsleuvenonderzoek in het noordelijk deel van het plangebied. Daarnaast kan een oppervlak van 400 m2 extra worden onderzocht als dit noodzakelijk blijkt om tot een goede waardestelling te kunnen komen.
De beslissing om deze optionele vierkante meters te ontgraven zal vooraf worden overlegd tussen de verantwoordelijke senior KNA archeoloog en de bevoegde overheid (of diens adviseur). De opdrachtgever zal vervolgens op te hoogte worden gesteld. De sloop van de ondergrondse delen dient plaats te vinden onder protocol opgraven variant proefsleuven. Op aanwijzing van de archeoloog zal (laagsgewijs) worden ontgraven. Tijdens het onderzoek is de archeoloog leidend bij het uitgraven van de sleuven. Eventueel aangetroffen vondsten en grondsporen zullen worden gedocumenteerd voor zover deze zich binnen het te verstoren oppervlak bevinden. De vondsten zullen worden verzameld. Er wordt 10% van de aanwezige sporen gecoupeerd of zoveel als nodig is om tot een goede waardestelling te komen. Indien er sprake is van een zeer lage sporen dichtheid (maximaal twee per werkput)is dan worden alle sporen gecoupeerd en afgewerkt.
16
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
Indien sporen of structuren aangetroffen worden, die zich buiten de bouwput voortzetten, wordt de opgravingsput ter plekke uitgebreid, voor zover dat zinvol en noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. Bij bijzondere en/of in situ behoudenswaardige vondsten dient overleg plaats te vinden met de bevoegde overheid, diens adviseur en de opdrachtgever over de te volgen strategie, vóórdat deze verwijderd mogen worden. Richtlijn bij het onderzoek is de Veldhandleiding Archeologie. Het veldwerk vindt plaats conform de vigerende versie van de KNA (4.1). Bij alle aan te leggen proefsleuven moet met de vondst van vuursteenconcentraties rekening worden gehouden, hetgeen als volgt kan. Indien meer dan 2 fragmenten antropogeen bewerkt vuursteen per 4 m² (2 x 2 meter) in het vlak worden vastgesteld, zonder dat een grondspoor kan worden herkend, kan een vuursteenconcentratie aanwezig zijn. In dit geval zal worden overgegaan tot het handmatig schavend verdiepen van het opgravingsvlak, vanaf de basis van het plaggendek tot in het gele zand van de C-horizont. Vondstmateriaal zoals vuursteen, natuursteen, potscherven en verkoolde hazelnoten worden als puntvondst ingemeten. Er wordt tot 4 m achter de laatste vondst handmatig geschaafd.
Vervolgens wordt haaks op de vondstverspreiding een smalle sleuf van 1,0 m breedte gegraven en handmatig schavend verdiept met dezelfde wijze van vondstverzameling, zodat de omvang van deze vondststrooiing kan worden bepaald. 6.3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters • Bij bijzondere of kwetsbare vondsten zullen materiaalspecialisten ingeschakeld worden voor de berging. Mochten deze niet beschikbaar zijn, zullen dergelijke vondsten en-bloc worden gelicht. • Kwetsbare vondsten en monsters worden dusdanig geborgen, dat degradatie van het vondstmateriaal/ monstermateriaal tot een minimum beperkt blijft, in ieder geval tot het moment van eventuele deselectie of overdracht aan het specialistisch laboratorium dat zorg draagt voor de uitwerking en/of conservering ervan. • Conform KNA 4.1 worden kwetsbare en voor degradatie gevoelige vondsten binnen 1 week aan een daartoe erkend specialist aangeleverd. 6.4 Structuren en grondsporen • Alle sporen worden gedocumenteerd door ze te fotograferen en te tekenen (vlakfoto’s en vlaktekening). Dit gebeurt op schaal 1:50. Coupes en profielen zullen ook worden gefotografeerd en getekend. Dit dient te gebeuren op schaal 1:20. • Van de aangetroffen structuren worden, indien dit niet de constructie in gevaar brengt, monsters worden genomen van de gebruikte bouwmaterialen (bakstenen, hout, mortel etc.).
• Grondsporen worden gecoupeerd voor zover nodig om de onderzoeksvragen te beantwoorden (bijv. aard, datering, conservering, gaafheid). Indien het aantal sporen gering is (circa 1 of 2 per put), zullen alle sporen worden gecoupeerd en afgewerkt. Uitzondering hierop vormen zeer grote sporen als water- of beerputten. Hiervan zal getracht worden de diepte vast te stellen d.m.v. een boring. • Indien graven worden aangetroffen, worden deze gedocumenteerd en geborgen. Alle gelijkaardige sporen worden tijdens het proefsleuvenonderzoek gecoupeerd of afgewerkt. • Van aanwezige lagen zullen representatieve aandelen monster en vondsmateriaal worden verzameld. Daarnaast zal ook de vorm, omvang en dikte van deze lagen worden bepaald. • Resten uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog worden behandeld als archeologische resten.
17
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek Van iedere werkput dient een goede bodemkundige beschrijving te worden opgesteld om inzicht te krijgen in de landschappelijke en bodemkundige context van het onderzoeksgebied (o.a. benaming van horizonten, textuur en bodemtype, zie KNA 4.1 - voor verdere specificaties OS05). Hiervoor dienen in de in geomorfologisch/bodemkundig meest informatieve zijde (of, als dit overal gelijk is, in de lange zijde) van de werkput, minimaal 2 profielopnames van één meter breed gemaakt te worden, waarvan één profiel in de vorm van een kijkgat wordt aangelegd. Deze dienen te worden gefotografeerd, getekend en beschreven. De beschrijving van de profielen kan worden opgesteld door de veldarcheoloog, tenzij er sprake is van een zodanig complex profiel dat de veldarcheoloog hiervoor ontoereikende kennis heeft (uitgezonderd antropogene lagen). In dat geval dient de beschrijving plaats te vinden door een fysisch geograaf. De tekening van de profielen dient op schaal 1:20 te gebeuren; hierop moeten tevens de NAP-hoogtes en de grens met het opgravingsvlak worden aangegeven. Bij een veranderlijke bodemopbouw, of bij spoorconcentraties waar de relatie met de bodemopbouw van belang is, vindt uitgebreide profieldocumentatie plaats van de relevante profieldelen.
De profielen worden beschreven en getekend op basis van archeologica, textuur, kleur, structuur en lithostratigrafie. Indien sprake is van bijzondere fenomenen als veen- of oude cultuurlagen, dan worden deze selectief (d.w.z. in relatie tot de onderzoeksvragen) bemonsterd voor pollenanalyse en/of slijpplaatonderzoek. Hiertoe wordt zo nodig aanvullend in het veld een specialist geraadpleegd. 6.6 Anorganische artefacten • Alle vondsten zullen worden geborgen conform Specificatie PS06 Richtlijnen voor (de)selectie van vondsten, KNA 4.1, met uitzondering van uitzonderlijk grote hoeveelheden. In dergelijke gevallen zal alleen een representatief aandeel worden verzameld (in overleg met het bevoegde overheid/diens adviseur archeologie). • Indien er sprake is van vondsten van groot belang of vondsten welke aanvullende kosten met zich meebrengen zal hierover eerst overleg gepleegd worden met de initiatiefnemer en de bevoegde overheid. • (fragmenten van) kookpotten (ongeglazuurd) uit een gesloten context zullen met handschoenen aan in het veld worden verpakt met aluminiumfolie. Dit om eventueel residu-onderzoek mogelijk te maken. • Conform KNA 4.1 worden kwetsbare en voor degradatie gevoelige vondsten binnen 1 week aan een daartoe erkend specialist aangeleverd. • Monsters worden uitsluitend genomen voor zover ze bijdragen aan beantwoording van de vraagstelling.
Datering en aard zijn hierbij de belangrijkste nadrukken. • Indien er sprake is van uitzonderlijk rijke vondstcontexten welke niet direct geborgen kunnen worden, dienen deze te worden afgedekt door betonplaten zonder hijsogen (géén Stelcon). • Slakconcentraties (of sintelconcentraties) worden bemonsterd middels een bodemmonster van de betreffende context. 6.7 Organische artefacten • Organische vondsten zullen worden geborgen conform Specificatie PS06 Richtlijnen voor (de)selectie van vondsten, KNA 4.1. In het veld zullen ze een tijdelijke verpakking krijgen om verslechtering van de conditie te minimaliseren. Dergelijke vondsten worden dagelijks afgevoerd naar beter controleerbare omstandigheden.
18
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
6.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten Ten behoeve van paleo-ecologisch onderzoek zullen sporen en lagen worden bemonsterd conform de leidraad KNA Eerste hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal, zowel door middel van algemene bodemmonsters als door middel van slaan van pollenbakken. 6.9 Overige resten Overige resten worden behandeld als de hierboven genoemde artefacten. Als er sprake is van een bijzondere vondst, worden opdrachtgever en bevoegde overheid gewaarschuwd. In gezamenlijk overleg tussen deze partijen zal vervolgens worden bepaald hoe met deze vondst dient te worden omgegaan. 6.10 Dateringstechnieken Datering van sporen en structuren zal primair geschieden op basis van determinatie van het vondstmateriaal. Wanneer in een spoor geen dateerbaar anorganisch vondstmateriaal aanwezig is zal een grondmonster van 1 tot 3 liter worden genomen voor verzameling van een eventueel 14C-monster. 6.11 Beperkingen • Onvoorziene omstandigheden (vertraging, vorst, zwaar weer, lekkages, instorten profielen, ed.) waardoor niet aan de eisen gesteld in dit PVE kan worden voldaan dienen tijdens het veldwerk gemeld te worden bij de opdrachtgever, de bevoegde overheid en diens adviseur.
• Indien blijkt dat bij het aantreffen van graven of uitzonderlijk rijke contexten deze niet voor het einde van de dag geborgen kunnen worden, dienen deze afdoende beschermd te worden (stelcon volstaat hiervoor niet, wenselijker is het gebruik van betonplaten zonder bevestigingsogen). • Indien munitie of andere niet gesprongen explosieven worden aangetroffen zal melding worden gedaan aan de betrokken instanties en alarmdiensten. Eveneens zal met de OCE-deskundigen worden overlegd. De werkzaamheden worden bij aantreffen stilgelegd. • In geval van grondwateroverlast of overlast van hemelwater dienen grondwaterbemaling of pompen aanwezig te zijn. Hiervoor dient door de opdrachtgever zorggedragen te worden. • In geval van waarneembare verontreiniging zullen de werkzaamheden worden stilgelegd.
19
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 7 UITWERKING EN CONSERVERING 7.1 Evaluatierapport • Na het veldwerk en na de technische uitwerking wordt door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies- een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie OS12. • In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek), voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. Voorgesteld wordt welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd) hoeven te worden. Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering. • Indien er na het proefsleuvenonderzoek in het zuidelijk deel niet direct een doorstart naar het noordelijk deel plaatsvindt, dient er een tussentijd evaluatierapport met de resultaten uit het zuidelijk deel te worden opgesteld. • Het evaluatierapport wordt binnen 6 weken na het veldwerk digitaal bij de opdrachtgever ingediend. Deze dient het evaluatierapport ter beoordeling voor te leggen aan de bevoegde overheid.
• Het evaluatierapport wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling van dit Programma van Eisen. • Na vaststelling van het evaluatierapport door de bevoegde overheid geeft de vergunningaanvrager opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport. • Na goedkeuring van het evaluatierapport vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats, waarbij materiaalen andere specialisten worden ingeschakeld, eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt, objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden verder gewaardeerd en geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database. 7.2 Structuren, grondsporen, scheepwrak of vliegtuig, vondstspreidingen Uitwerking van de aangetroffen sporen en structuren dient conform de eisen in de KNA, versie 4.1 en bijbehorende protocollen te worden uitgevoerd. Sporen worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau dat noodzakelijk is om bovengenoemde onderzoeksvragen en eventueel aanvullend gestelde vragen te beantwoorden. De beschrijving van de sporen dient zoveel mogelijk in te gaan op de aard, karakter, datering, gaafheid en conservering van de aangetroffen vindplaatsen.
Alle gekarakteriseerde vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand en worden afgebeeld op een allesporenkaart of op (bij een complexe stratigrafie) op gecombineerde vlaktekeningen. Typochronologische analyse en determinatie van structuren en sites vindt plaats binnen het kader van de archeoregio. Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart (ASK) voorzien van het landelijke coördinatengrid. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. Tenslotte zal nog een overzichtskaart worden gemaakt van de landschappelijke situatie met de sporen daarop geprojecteerd. In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van bodemopbouw, sporen, vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst, voorzien van deugdelijke argumentatie, referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen, foto’s en tekeningen. In de synthese worden complexen en perioden onderscheiden en in een breder (ten minste regionaal) kader geplaatst.
20
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
7.3 Analyse aardewetenschappelijke gegevens Fysisch-geografische analyse (beschrijving bodemopbouw, analyse van gaafheid) vindt zoveel mogelijk plaats binnen de technische uitwerking. In de analyse dient in ieder geval de (paleo)landschappelijke context voor de aangetroffen activiteiten en functies beredeneerd te worden (locatiekeuzeanalyse) en de wisselwerking tussen antropogeen landgebruik en de vorming van het landschap. Hierbij dient ook de relatie met de aangetroffen archeologische resten te worden behandeld. 7.4 Anorganische artefacten Alle geselecteerde anorganische artefacten worden per spoor, laag en vondstnummer beschreven en gedetermineerd in een digitaal gegevensverband, conform het Archeologisch Basis Register (ABR) of andere in de beroepsgroep geldende richtlijnen (bijv. Deventer Classificatiesysteem voor post/middeleeuws aardewerk en glas), indien hierdoor meer details te vergaren zijn. De beschrijving wordt voorafgegaan door motivatie t.a.v. selectie van materiaal. Al het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen (tenzij niet toegestaan in verband met de conservering). Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. Deze specialist beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft.
Van metaalvondsten, waarvan de aard niet duidelijk is, wordt een röntgenfoto gemaakt. Voor de evaluatiefase worden alle vondsten op basisniveau geanalyseerd en geteld (minimaal op niveau van vondstcategorie). Een senior specialist materialen zal het vondstmateriaal analyseren en determineren. Hij/zij doet vervolgens een uitwerkingsvoorstel welke wordt opgenomen in het evaluatierapport (Welke vondsten analyseren, bijzondere contexten, vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak oppervlakkig bekijken of juist niet?) De uitwerking zal eveneens door een senior KNA-specialist materialen worden uitgevoerd. Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd, sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht, kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd. De informatie uit de deelrapportages wordt meegewogen in het beantwoorden van de onderzoeksvragen en het opstellen van de synthese. 7.5 Organische artefacten Al het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen (tenzij niet toegestaan in verband met de conservering).
Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden slechts oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Een archeoloog (senior KNA-specialist materialen) zal het vondstmateriaal analyseren en determineren middels een quickscan ten behoeve van de evaluatie. Deze specialist of een senior KNA archeoloog beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. In de evaluatiefase dienen de monsters te worden gescand zodat duidelijk is of deze de gestelde onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. De uitwerking zal door een senior KNA-specialist materialen worden uitgevoerd. Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd, sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht, kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd.
21
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
7.6 Archeozoölogische en -botanische resten Monsters voor botanische macroresten en palynologische resten worden na het veldwerk, op grond van de kwetsbaarheid, direct overgedragen aan de betreffende specialist voor de bepaling van de kwaliteit en het archeologisch potentieel. In de evaluatiefase dienen de monsters te worden gescand zodat duidelijk is of deze de gestelde onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. Hout wordt eveneens op grond van de kwetsbaarheid, al tijdens het veldwerk of daar onmiddellijk na overgedragen aan de betreffende specialist. Het hout wordt al in de evaluatiefase volledig beschreven en gedetermineerd. Er worden keuzes gemaakt voor dendrochronologisch onderzoek en eventueel te conserveren stukken. De uitwerking zal eveneens door een senior specialist materialen worden uitgevoerd. Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd, sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht, kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd.
7.7 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) Tijdens de uitwerking worden tekeningen, kaarten, materiaalfoto's en objecttekeningen gemaakt ten einde de vraagstelling te beantwoorden, argumentatie te onderbouwen en advisering te verantwoorden. In het rapport dienen minimaal de volgende kaarten/foto’s opgenomen te worden: • Ligging van het plangebied • Planvorming: Aangelegde/onderzochte werkputten • Overzichtskaart(en) met goed leesbare aanduiding van sporen, structuren en grootschalige verstoringen (indien noodzakelijk ook detailkaarten). • Kaarten, vlak-, profiel- en coupetekeningen worden van een legenda voorzien, verwijzend naar gehanteerde kleur of arcering of andere code (bijvoorbeeld nummers van lagen). • Op alle tekeningen van een horizontaal vlak worden op regelmatige plaatsen NAP-hoogten gezet. • In profieltekeningen moeten x, y, z-waarden in RD-coördinaten en NAP worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen. • In profieltekeningen worden de niveaus van de aangelegde vlakken aangegeven. • Met gekleurde (contour)lijnen, pijlen en tekst worden foto’s van profielen, complexe structuren e.d. verduidelijkt.
• Tekeningen van (in principe) alle (gecombineerde) vlakken, profielen, structuren, belangrijke individuele sporen (vlak en coupe), overzichtstekeningen, analytische en interpretatieve tekeningen en kaarten, foto’s en graphics worden voor publicatie gereed gemaakt; evenals foto’s en tekeningen van relevante objecten. • In het rapport dient een vondstenlijst met verwijzing naar de vondstcontext (spoornummer) te worden opgenomen. • In het rapport dient een determinatielijst per vondstcategorie met verwijzing naar de vondstcontext (spoornummer) te worden opgenomen. • In het rapport dient kaartmateriaal te zijn opgenomen met verspreiding van vondstmateriaal gerelateerd aan sporen. • Alle afbeeldingen worden weergegeven op een conventionele, goed leesbare schaal.
22
Programma van Eisen Mikadoterrein te Horst / IVO-P
HOOFDSTUK 8 (DE)SELECTIE EN CONSERVERING 8.1 Selectie materiaal voor uitwerking Hoewel het opstellen van een evaluatierapport niet noodzakelijk is in protocol 4003 van de KNA 4.1, wordt het met dit PvE expliciet gevraagd voor dit gefaseerde proefsleuvenonderzoek. Bij kleine hoeveelheden vondstmateriaal kan meteen een concept eindrapport worden opgesteld, uiteraard in overleg met bevoegde overheid en opdrachtgever. Een evaluatierapport bevat een uitwerkingsvoorstel en een waardering van de aangesneden vindplaatsen conform de KNA.. Dit uitwerkingsvoorstel dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Dit evaluatierapport heeft als doel de uitwerking van het onderzoek te plannen en een definitieve begroting aan de opdrachtgever voor te leggen. Het is daarvoor van belang dat vondsten, monsters en sporen zijn beoordeeld op hun potentie voor het beantwoorden aan de in het PvE gestelde vragen. Op basis van deze beoordeling wordt besloten welke vondsten, grondsporen en monsters worden uitgewerkt. Welke artefacten daadwerkelijk in aanmerking komen voor uitwerking, conservering en/of restauratie wordt in overleg met de bevoegde overheid, diens adviseur en de opdrachtgever bepaald. Ook kunnen afspraken worden gemaakt over de omgang met bijzondere of niet in het PvE of ontwerp voorziene, en daarmee doorgaans niet begrote, vondsten.
In het evaluatierapport kan bovendien een globaal antwoord op de vraagstelling opgenomen worden; niet alleen een indicatie of het mogelijk is de onderzoeksvragen te beantwoorden, maar alvast de eerste indruk en hoeverre dit afwijkt van de verwachting voorafgaand aan het onderzoek. In het evaluatierapport worden ook foto´s van belangrijke vondsten opgenomen, alsook kaartmateriaal om het onderzoek te duiden. Na oplevering van het evaluatierapport vindt overleg plaats tussen de archeologische aannemer, de opdrachtgever, de bevoegde overheid en de depotbeheerder. 8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Vondstmateriaal aangetroffen tijdens de werkzaamheden is krachtens de wet eigendom van de provincie Limburg. De beslissing over definitieve verwijdering hiervan valt derhalve onder de verantwoordelijkheid van de Depothouder het Provinciaal Depot Bodemvondsten Limburg. Vondsten worden aangeleverd aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Limburg. Na evaluatie van het veldwerk vindt overleg plaats met de opdrachtgever, de depothouder, de bevoegde overheid en diens adviseur, waarbij op basis van een opgesteld selectierapport, een definitieve selectie van te conserveren en te deponeren materialen wordt gemaakt. De resultaten van het overleg worden schriftelijk vastgelegd en aan alle partijen beschikbaar gesteld.
De evaluatiefase is ook het moment waarop voor het eerst nauwkeurig kan worden geschat hoeveel materiaal ter deponering zal worden aangeboden. De schatting van de hoeveelheid te deponeren materiaal dient aan het aangewezen depot te worden doorgegeven. In het evaluatierapport wordt tevens aangegeven welk materiaal ter deponering wordt aangeboden. Vondsten en monsters die niet worden uitgewerkt en gedeponeerd, worden door de opdrachtnemer vernietigd, tenzij de depothouder anders besluit. Kwetsbaar vondstmateriaal dient in tussentijd zodanig bewaard te worden opdat de toestand stabiel blijft. 8.3 Selectie materiaal voor conservering Conform de eisen van KNA 4.1 zullen alle vondsten onderhevig aan degradatie binnen een week worden aangeboden aan de daartoe erkende conservator. Dit om eventuele verdere degradatie te voorkomen. Na stabilisatie zal in overleg met de depotbeheerder en bevoegde overheid bepaald worden welk materiaal in aanmerking komt voor conservering. In het geval van eventuele uitzonderlijke vondsten zal direct contact opgenomen worden met depotbeheerder, bevoegd overheid en opdrachtgever over de te volgen stappen.