04c.4 Bijlage 4 BP Toelichting Flora Fauna aanvullend onderzoek
Tekst van het document
AANVULLEND ECOLOGISCH ONDERZOEK MIKADOTERREIN TE HORST
Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek Mikadoterrein te Horst Opdrachtgever
MJB groep Avenue Ceramique 222 6221 KX Maastricht
Rapportnummer Versienummer
10799.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
21 september 2020
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
Mevr. A.M.L. Thomissen, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Dhr. ing. T.C.J. Bruinsma
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ................................................................ 2
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 3
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
5
ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 6 5.1 5.2
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ............................................................................. 9 6.1 6.2
7
Broedvogels ...................................................................................................................... 6 Vleermuizen ...................................................................................................................... 7
Broedvogels ...................................................................................................................... 9 Gewone dwergvleermuis .................................................................................................. 9
CONCLUSIE ............................................................................................................................. 10
10799.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van MJB groep opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek ter plaatse van het Mikadoterrein te Horst. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die adviesbureau Kragten in juni 2019 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (projectnr. HOT447, d.d. 11 juni 2019). Uit de quickscan is gebleken dat, om de effecten van de ingreep te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming, ten aanzien van vaste nest- en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen meer informatie noodzakelijk is. Op basis van het aanvullend ecologisch onderzoek is beoordeeld of er bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake zal zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 1 van 10
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 2,2 ha) betreft een complex aan de Deken Creemersstraat en enkele woonblokken aan de Van Blitterswijckstraat, Van Bronckhorststraat en Van Bornestraat behorende bij zorginstelling Dichterbij, in de woonkern van Horst. In figuur 1 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en directe omgeving weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 201.570, Y = 385.595.
Figuur 1. Luchtfoto onderzoekslocatie (zwart omlijnd) en directe omgeving.
De onderzoekslocatie bestaat uit woonhuizen en recreatieruimten met in het midden een tuin. Aan de zuidzijde is een groenstrook met een volleybalterrein en kinderboerderij gelegen. De groene delen bestaan hoofdzakelijk uit gazon met daartussen wandelpaden, heesters en enkele bomen. 2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
De initiatiefnemer is voornemens de onderzoekslocatie te herontwikkelen. Ter plaatse van het plangebied wordt de huidige bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing gerealiseerd. Daarbij wordt tevens de buitenruimte opnieuw ingericht.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 2 van 10
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Uit de quickscan flora en fauna die adviesbureau Kragten in juni 2019 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (projectnr. HOT447, d.d. 11 juni 2019) blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming, er op sommige punten meer informatie is benodigd: “Als gevolg van de realisatie en het toekomstige gebruik van de nieuwe bebouwing binnen het plangebied, ontstaat het risico op een negatief effect op beschermde diersoorten. Werkzaamheden leiden mogelijk tot een negatief effect op algemeen voorkomende broedvogels en zoogdieren. Daarnaast kunnen bij de sloop vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten worden aangetast.” (bron: Kragten) Jaarrond beschermde vogels De bebouwing op de onderzoekslocatie herbergt voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten geschikte broedplekken. Het betreft hier nestgelegenheden voor huismussen en gierzwaluwen. De potentiele nestlocaties bevinden zich voor huismussen onder de dakpannen aan de woningzijden waar zich dakgoten bevinden. Voor gierzwaluwen bevinden zich potentiële nestlocaties onder de overhangende dakpannen op de kopse kanten van de woningen. Vleermuizen Ter plekke van de woningen met kopse kanten waar dakpannen over de buitenmuren hangen zijn openingen aanwezig waar vleermuizen vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen hebben.
De bebouwing aan de Deken Creemersstraat bevat daarnaast schikte stootvoegen, waarlangs de spouwmuren door vleermuizen bereikt kunnen worden.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 3 van 10
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
Huismus Ten aanzien van de huismus zijn er twee gerichte veldonderzoeken verricht naar de aanwezigheid van nestlocaties van huismussen met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen (zie tabel I). Tijdens de veldbezoeken is gelet op de aanwezigheid van roepende huismussen. Mannetjes huismussen roepen met name in het voorjaar (’s ochtends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevinden. Tevens is gedurende de veldbezoeken in de ochtend gelet op huismussen die (met nestmateriaal of voedsel) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwijnen. De onderzoeksinspanning is conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de huismus (versie 1, juli 2017). Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van huismussen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 12 ºC. De windsnelheid lag beneden de 3 Bft., het was helder tot half bewolkt en er was geen sprake van neerslag. Tabel I.
Onderzoeksinspanning aanvullend onderzoek huismus
Ronde
Datum
Tijd
Waarnemers
1e ronde
7 april 2020
9.20 – 10.40
2
2e ronde
30 april 2020
10.00 – 11.15
2
Gierzwaluw Voor de gierzwaluw zijn er drie gerichte veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen (zie tabel II). De veldbezoeken zijn gedurende de avondschemering voor zonsondergang uitgevoerd. De onderzoeksinspanning is conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de gierzwaluw (versie 1, juli 2017). Tijdens de veldbezoeken is voornamelijk gelet op zwermende gierzwaluwen, in- en uitvliegende dieren en vanuit bebouwing roepende vogels. Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van gierzwaluwen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 12 ºC. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Tabel II. Ronde
Onderzoeksinspanning aanvullend onderzoek gierzwaluw Datum
Tijd
Waarnemers
9 juni 2020
20.45 – 23.45
1
10 juni 2020
20.45 – 23.45
2
22 juni 2020
21.00 – 23.00
2
23 juni 2020
21.00 – 23.00
1
12 juli 2020
20.45 – 23.45
1
15 juli 2020
20.45 – 23.45
2
1e ronde
2e ronde
3e ronde
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 4 van 10
Vleermuizen Voor vleermuizen zijn er zes gerichte veldbezoeken uitgevoerd (zie tabel III). De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijf, kraamverblijf en paarverblijf voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Voor het paaronderzoek zijn in de periode half september tot half oktober drie veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van 10 dagen. Dit betreft een afwijking van het vleermuisprotocol, dat voorschrijft dat de veldonderzoeken naar paarverblijfplaatsen vóór 1 oktober plaats dienen te vinden. Gezien de tijdsdruk en om de ecologische situatie toch duidelijk in kaart te brengen, heeft daarom een extra veldbezoek in deze periode plaatsgevonden ten opzichte van de voorschriften uit het vleermuisprotocol. In de periode half april tot half juli zijn nogmaals drie veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van 30 dagen. De inventarisatiemethode gedurende de zomer- en kraamperiode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureau's en de Zoogdiervereniging, in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. Het vleermuizenonderzoek is per type verblijfplaats uitgevoerd binnen de meest gunstige periode van het jaar waarin vleermuizen aantoonbaar van de onderzoekslocatie gebruik kunnen maken.
Gedurende de periode half april tot en met half juli hebben de meeste soorten hun zomer- en kraamverblijfplaatsen bezet en zijn druk bezig met het grootbrengen van jonge dieren. In de maanden augustus en september maken vleermuizen gebruik van paarverblijfplaatsen en zijn veel soorten in de omgeving van hun winterverblijf te vinden. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd met behulp van batdetectors (Pettersson D 200). Tijdens de veldbezoeken is voornamelijk gelet op uitvliegende, invliegende of zwermende vleermuizen. Daarnaast is er ook gelet op foeragerende en passerende vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken in de paarperiode is daarnaast gelet op de sociale geluiden, die mannetjes vleermuizen produceren vanuit of vliegend rondom bebouwing om vrouwtjes te lokken. Tabel III.
Onderzoeksinspanning aanvullend onderzoek vleermuizen
Ronde
Datum
Tijd
Waarnemers
1e paarronde
18 september 2019
21.00 – 23.00
1
2e paarronde
30 september 2019
20.30 – 22.30
1
3e paarronde
11 oktober 2019
20.00 – 22.00
1
9 juni 2020
20.45 – 23.45
1
10 juni 2020
20.45 – 23.45
2
12 juli 2020
20.45 – 23.45
1
15 juli 2020
20.45 – 23.45
2
28 juli 2020
4.00 – 6.00
1
29 juli 2020
4.00 – 6.00
1
30 juli 2020
4.00 – 6.00
1
1e avondronde
2e avondronde
ochtendronde
Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van vleermuizen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 8 ºC (ochtend/paarrondes) of 12 ºC (avondrondes). De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 5 van 10
5 5.1
ONDERZOEKSRESULTATEN Broedvogels
Huismus Gedurende beide veldrondes zijn er meerdere roepende huismussen aangetroffen op de daken van de woningen op en rondom de onderzoekslocatie. In totaal zijn er binnen de onderzoekslocatie drie nestlocaties vastgesteld (figuur 2). Ter plaatse van de Van Bornestraat nr. 3 zijn twee roepende mannetjes huismussen en invliegende vrouwtjes huismussen waargenomen. Ter plaatse van de Van Bronckhorststraat nr. 31 is één roepende mannetje waargenomen in de dakgoot aan de achterzijde. Deze huismussen hebben hun nestlocatie onder de eerste rij dakpannen van de betreffende woningen. Onder de daken van de omliggende woningen in de Van Bronckhorststraat en Van Blitterswijckstraat zijn eveneens achttien nestlocaties van de huismus vastgesteld. In de groene haag aan de achterzijde van de Van Bornestraat nr. 1 en 3 zijn meerdere roepende huismussen waargenomen. Deze haag betreft mogelijk essentieel leefgebied voor de huismussen met nestlocaties in de omringende woningen. Ter plaatse van tuin tussen de Van Bornestraat en de Van Blitterswijckstraat en rondom de kinderboerderij aan de Van Blitterswijckstraat zijn eveneens roepende huismussen waargenomen in het groen.
Figuur 2. Verspreiding van de huismus en gierzwaluw op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.
Gierzwaluw Gedurende alle veldrondes voor het gierzwaluwonderzoek zijn er circa dertig gierende gierzwaluwen waargenomen boven de onderzoekslocatie. De meeste activiteit vond plaats bij de Van Bronckhorststraat. Gedurende alle veldrondes zijn er invliegende gierzwaluwen waargenomen ter plaatse van de kopgevels aan de Van Bronckhorststraat nr. 27 t/m 33 (figuur 2). In totaal zijn hier zeven nestlocaties vastgesteld. Aan de Van Blitterswijckstraat 21 is tijdens de eerste twee veldrondes eveneens bij beide kopgevels een invliegende gierzwaluw waargenomen.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 6 van 10
5.2
Vleermuizen
Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie In totaal zijn er binnen de onderzoekslocatie tijdens de zomer- en kraamperiode op drie locaties uitvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen (zie figuur 3). Tijdens de tweede avondronde zijn twee gewone dwergvleermuizen waargenomen uitvliegend onder de dakpannen ter plaatse van de Van Bornestraat nr. 1 en 3. Tevens is er één uitvliegende gewone dwerg waargenomen bij de Van Bronckhorststraat nr. 33. Vanwege het geringe aantal dieren per locatie, gaat het om zomerverblijven van de betreffende soort. Deze zomerverblijfplaatsen kunnen in milde winters tevens als winterverblijfplaats dienen.
Figuur 3. Verspreiding van de gewone dwergvleermuis op basis van inventarisatie in het seizoen 2019/2020
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Buiten de onderzoekslocatie zijn geen in- of uitvliegende of gevelgrijpende vleermuizen waargenomen. Paarverblijfplaatsen Tijdens de tweede paarronde zijn er kortstondig twee foeragerende en baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen ter hoogte van de Van Blitterswijckstraat nr. 15 en 17 en één foeragerende en baltsende gewone dwergvleermuis in de steeg aan de achterzijde van de Van Bronckhorststraat 29 t/m 33. Deze sociale geluiden duiden op mogelijke paarverblijfplaatsen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Er zijn geen gevel grijpende vleermuizen waargenomen die duidelijk aangeven waar het paarverblijf bevindt. De aangetroffen zomerverblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie doen mogelijk tevens dienst als paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuizen die baltsend in de directe omgeving zijn waargenomen. Tijdens de paarrondes zijn geen zwermen met sociaal roepende gewone dwergvleermuizen aangetroffen. De locatie is niet geschikt als massawinterverblijfplaats vanwege het ontbreken van hoge bebouwing.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 7 van 10
Foeragerende / passerende vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn er binnen de onderzoekslocatie meerdere (vier à zes) foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Deze gewone dwergvleermuizen foerageerden voornamelijk rondom de bomen langs de Deken Creemersstraat en Van Blitterswijckstraat. Tevens zijn er meerdere (zes à acht) foeragerende laatvliegers binnen de onderzoekslocatie waargenomen in de tuin behorende bij het complex en langs de Van Blitterswijckstraat. De meeste activiteit werd waargenomen vlak na zonsondergang. Ook zijn tijdens alle veldbezoeken meerdere langsvliegende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers waargenomen. Het tijdelijk verlies aan foerageergebied binnen de onderzoekslocatie is relatief klein. Ook na de herinrichting zal er weer geschikt foerageergebied binnen de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Daarnaast is in de directe omgeving meer geschikt foerageergebied aanwezig, in de vorm van tuinbeplanting en de bomen rondom de nabijgelegen begraafplaats. Het aanbod aan foerageermogelijkheden komt niet in het geding. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke potentiële vliegroutes zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord. Tijdens de veldbezoeken zijn geen eenduidige vliegpatronen aangetroffen, die door meerdere individuen worden gevolgd. Waargenomen vleermuizen betreffen exemplaren, die uit verschillende richtingen afkomstig zijn. Er is geen sprake van een eenduidig vliegpatroon dat door meerdere individuen wordt gevolgd. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes is daarom niet aan de orde.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 8 van 10
6 6.1
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING Broedvogels
Alle broedende inheemse vogels en hun nesten zijn wettelijk beschermd en vallen onder de strikt beschermde klasse (artikel 1 van de Vogelrichtlijn). De Wet natuurbescherming regelt onder meer de bescherming van vogels in het broedseizoen: het opzettelijk verstoren van broedende vogels en jongen (artikel 3.1, lid 4), of het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren (artikel 3.1, lid 2) is verboden. In de meeste gevallen is een overtreding gemakkelijk te voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of de broedgelegenheid buiten het broedseizoen te verwijderen. Nesten van onder andere huismus en gierzwaluw zijn het gehele jaar beschermd. Het betreffen soorten uit de beschermingscategorieën 1 t/m 4 van de Beleidsregels Limburg (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Deze soorten zijn afhankelijk van bebouwing en maken ieder jaar gebruik van hetzelfde nest of exact dezelfde nestlocatie. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen drie nestlocaties van de huismus en negen nestlocaties van de gierzwaluw worden beschadigd en vernield. Dit betreft een overtreding op het verbod in artikel 3.1, lid 2 van de Wet natuurbescherming. Aangezien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden en de gierzwaluw dan niet in Nederland aanwezig is, vindt er geen verstoring van individuen van deze soort plaats.
De huismus maakt jaarrond gebruik van zijn nest en zal indien aanwezig door de werkzaamheden verstoord worden. Aangenomen kan worden dat deze verstoring buiten het broedseizoen echter niet van wezenlijke invloed zal zijn op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Het betreft daarom geen overtreding van artikel 3.1, lid 4 van de Wet natuurbescherming. Voor de herontwikkeling op de onderzoekslocatie dient ontheffing te worden verkregen voor het beschadigen en vernielen van jaarrond beschermde huismusnesten en gierzwaluwnesten. In een activiteitenplan ten bate van de ontheffingsaanvraag dienen mitigerende en compenserende maatregelen te worden omschreven. 6.2
Gewone dwergvleermuis
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten volgens de Wet natuurbescherming een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen opzettelijke verstoring (artikel 3.5, lid 2) en tegen beschadiging en vernieling van vaste rust- en verblijfplaatsen (artikel 3.5, lid 4) in het kader van de Wet natuurbescherming. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort". Dit houdt in dat niet alleen de zomer- en winterverblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen de drie zomer-, paar en (milde) winterverblijven van de gewone dwergvleermuis worden beschadigd en vernield. Ook zullen de gewone dwergvleermuizen indien aanwezig door de werkzaamheden worden verstoord. Dit betreft een overtreding van het verbod in artikel 3.5, lid 2 en lid 4 van de Wet natuurbescherming. Voor de herontwikkeling op de onderzoekslocatie dient ontheffing te worden verkregen voor het beschadigen, vernielen en/of verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
In een activiteitenplan ten bate van de ontheffingsaanvraag dienen mitigerende en compenserende maatregelen te worden omschreven.
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 9 van 10
7
CONCLUSIE
Econsultancy heeft in opdracht van MJB groep een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het Mikadoterrein te Horst. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Kragten in juni 2019 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (projectnr. HOT447, d.d. 11 juni 2019). De onderzoekslocatie bestaat uit woonhuizen en recreatieruimten met in het midden een tuin. Aan de zuidzijde is een groenstrook met een volleybalterrein en kinderboerderij gelegen. De groene delen bestaan hoofdzakelijk uit gazon met daartussen wandelpaden, heesters en enkele bomen. De initiatiefnemer is voornemens de onderzoekslocatie te herontwikkelen. Ter plaatse van het plangebied wordt de huidige bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing gerealiseerd. Daarbij wordt tevens de buitenruimte opnieuw ingericht. Op basis van het aanvullend ecologisch onderzoek is beoordeeld of er bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake zal zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van huismus, gierzwaluw en vleermuizen.
Conclusie Met betrekking tot de voorgenomen plannen ter plaatse van de onderzoekslocatie is er sprake van opzettelijke beschadiging, vernieling en/of verstoring van drie nestlocaties van de huismus, negen nestlocaties van de gierzwaluw en drie zomer- paar- en (milde) winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (zie tabel IV). Ook is er sprake van verstoring van eventueel aanwezige gewone dwergvleermuizen bij aanvang van de werkzaamheden. Bij uitvoering van de renovatie is dan ook sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Tabel IV.
Samenvatting resultaten aanvullend ecologisch onderzoek
Soort
Functie onderzoekslocatie
Ontheffing benodigd
Huismus
3 nestlocaties
Ja (artikel 3.1, lid 2)
Gierzwaluw
9 nestlocaties
Ja (artikel 3.1, lid 2)
Gewone dwergvleermuis
3 zomer-, paar- en (milde) winterverblijfplaatsen
Ja (artikel 3.5, lid 2 en lid 4)
Ten behoeve van de uitvoering dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg voor het opzettelijk beschadigen en vernielen van nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen en het verstoren van dieren (artikel 3.1, lid 2 en artikel 3.5, lid 2 en lid 4). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de verblijfplaatsen behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. De maatregelen dienen ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag te worden vastgelegd in een activiteitenplan.
Econsultancy Swalmen, 21 september 2020
Rapport 10799.001 versie D1
Pagina 10 van 10
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt (jachtgebied). Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren. Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.
Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.
Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of voortplantingsplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk.
Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.