CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c.1 Toelichting

Gemeenteraad 19 september 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Afhangweg 10-10a, Horst.17.765 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan ‘Afhangweg 10-10a, Horst’ NL.IMRO.1507.HOAFHANGWEG1010A.BPV1

Document:

Bestemmingsplan “Afhangweg 10-10a, Horst”

IDN:

NL.IMRO.1507.HOAFHANGWEG1010A-BPV1

Status:

Vastgesteld

Datum:

19 september 2023

Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING .............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5 1.4 Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1 Algemeen ......................................................................................................................................................6 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur ...........................................................................................................6 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7

3.

BELEID...................................................................................................................................................................8 3.1 Inleiding .........................................................................................................................................................8 3.2 Rijksbeleid .....................................................................................................................................................8 3.3 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 10 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 14

4.

PLANBESCHRIJVING...................................................................................................................................... 18 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 19 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten............................................................................................. 19

5

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 20 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 20 5.2 Milieuaspecten........................................................................................................................................... 20 5.3 Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 29 5.4 Kabels en leidingen................................................................................................................................... 31 5.5 Natuur ......................................................................................................................................................... 31 5.6 Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 33 5.7 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 34

6

UITVOERBAARHEID ....................................................................................................................................... 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 37 6.2 Handhaving................................................................................................................................................ 37 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 39 6.4 Procedure................................................................................................................................................... 39

7.

JURIDISCHE TOELICHTING .......................................................................................................................... 40

Vastgesteld

1

7.1 Planstukken ............................................................................................................................................... 40 7.2 Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 40 7.3 Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 40

BIJLAGEN - AERIUS gebruiks- en bouwfase SEPARATE BIJLAGEN ▪ Vooronderzoek bodem, HMB Groep (d.d. 16 augustus 2022, kenmerk; 22281601H) ▪ Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (d.d. 9 februari 2023, kenmerk: 22261603A) ▪ Rekenmodel akoestische situatie, HMB Groep ▪ Omgevingsdialoog

Vastgesteld

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Bij de gemeente Horst aan de Maas is door initiatiefnemer een verzoek ingediend voor het oprichten van een nieuwe woning tussen de reeds bestaande woningen Afhangweg 10 en 10a. Het perceel waarop de nieuwe woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie N, nummer 1299.

Afbeelding 1 Ligging plangebied (rood; plangebied)

De locatie, met hierop de woning Afhangweg 10 en 10a, maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “Afhang” en is daarin bestemd als ‘Wonen’ met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden; 2’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en de daarbij behorende bebouwing. Binnen de woonbestemming is het oprichten van woningen enkel toegestaan tot het maximale aantal zoals aangegeven. Ter plaatse bedraagt het maximale aantal woningen 2. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van het vigerende bestemmingsplan een derde woning op te richten. In de gemeente Horst aan de Maas staat de woningmarkt behoord onder druk. Door enorme krapte is de balans tussen vraag en aanbod zoek. De vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En de verwachting is dat deze druk de komende jaren nog verder toe neemt. Mede daarom heeft de gemeente de ambitie uitgesproken om binnen vijf jaar 1.000 nieuwe woningen te realiseren. De gemeente heeft particulieren, woningcorporaties en private ontwikkelaars uitgedaagd om met passende woningbouwplannen te komen zodat de doelstelling van 1.000 woningen binnen vijf jaar ook daadwerkelijk gehaald kan worden. Onder voorwaarden heeft de gemeente dan ook in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van de nieuwe woning op de betreffende locatie. Vastgesteld

3

Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt het aantal toegestane wooneenheden verhoogt naar 3, waardoor er bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de nieuwe woning worden gecreëerd.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De locatie is gelegen aan de Afhangweg aan de westelijke rand van de bebouw kom van Horst. Feitelijk gezien is de beoogde locatie voor de nieuwe woning thans in gebruik als dierenweide bij de woning Afhangweg 10. De woning Afhangweg 10a is gelegen op een separaat kadastraal perceel maar is planologisch binnen hetzelfde bouwvlak als de woning Afhangweg 10 gelegen. De woning Afhangweg 10a is gelegen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie N, nummer 1520. De woning Afhangweg 10 is gelegen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie N, nummer 1299. Deze percelen tezamen worden in het vervolg aangeduid als ‘het plangebied’. De Afhangweg vormt, tezamen met de Melatenweg, de grens tussen de bebouwde kom van Horst, in het oosten, en het buitengebied, in het westen. In noordelijke richting sluit de Afhangweg aan op de bebouwde kom van Meterik.

Afhangweg 10a

Afhangweg 10

Afbeelding 2 Ligging en omgeving (rood; plangebied; groen; bebouwde kom Horst; oranje; bebouwde kom Meterik)

Het plangebied wordt aan de zuid en west zijde begrenst door de Afhangweg, waaraan aan de overkant overwegend woningen zijn gelegen, met uitzondering van enkele (agrarische) bedrijven. Aan de oostzijde zijn eveneens burgerwoningen gelegen, welke onderdeel uit maken van de wijk de Afhang. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrenst door de Kabroekse Beek.

Vastgesteld

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “de Afhang” (vastgesteld d.d. 19 december 2011) en de daarop volgende herzieningen “1e herziening bestemmingsplan De Afhang” (d.d. 22 november 2016) en “2e herziening bestemmingsplan De Afhang” (d.d. 16 april 2019). Het plangebied is volledig bestemd als ‘Wonen’ en voorzien van een bouwvlak met de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ en de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bouwhoogte: 8,5 m’ en ‘maximum aantal wooneenheden: 2’.

Afbeelding 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rood; plangebied)

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, in dit specifieke geval vrijstaande woningen. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Per bouwvlak is maximaal het bestaande aantal woningen toegestaan. Binnen de woonbestemming is het oprichten van woningen enkel toegestaan tot een maximum van het aantal wooneenheden zoals aangegeven. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van de vigerende bestemming op deze locatie een nieuwe (derde) woning op te richten.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de oprichten van de vier woningen wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Vastgesteld

5

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen aan de westelijke rand van de bebouwde kom van Horst en op korte afstand ten zuiden van de bebouwde kom van Meterik. Horst en Meterik behoort tot de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern Horst ligt aan de snelweg A73 (Nijmegen – Venlo), welke via de Stationsstraat (provinciale weg N556) ook verbonden is met de snelweg A67 (Venlo – Eindhoven). Het plangebied is gelegen aan de rand van de wijk ‘de Afhang’. De Afhang betreft uitbreidingsgebied van Horst. In de afgelopen jaren is dit voormalige agrarisch gebied steeds verder verdicht met woningen als uitbreiding van de kern.

Afbeelding 4 Luchtfoto plangebied

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur Het gebied tussen Horst en America kenmerkt zich als een ontginningslandschap door de lange rechte wegen begeleid door wegbeplanting, de regelmatige verkaveling, het overwegende agrarische gebruik van de onbebouwde gronden en de verspreid liggende bebouwing, direct gesitueerd aan de wegen. De van oorsprong agrarische bedrijvigheid aan deze wegen is de laatste jaren steeds vaker omgezet naar een woongebruik. Verder zijn tussen de (voormalige) agrarische bedrijven woningen gebouwd. Dit heeft geresulteerd in het ontstaan van verschillende (transparante) bebouwingslinten, welke heden ten dage allen tezamen een woonwijk vormen. De Afhangweg tezamen met de Melatenweg vormt, ter plaatse de fysieke grens tussen de bebouwde kom van Horst en het buitengebied. Aan de oostzijde van de Afhangweg is het uitbreidingsgebied ‘De Afhang’ in ontwikkeling als woonwijk. De agrarische bedrijvigheid is ter plaatse van het uitbreidingsgebied dan ook volledig verdwenen. Mede hierdoor zijn ook aan de zuidwestzijde van de Afhangweg in de loop der jaren ook steeds meer woningen opgericht. Vastgesteld

6

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Horst is ontstaan langs de belangrijke doorgaande weg van Venray naar Venlo. Er is sprake van een centraal gelegen kerk, uit de 14e eeuw, met linten van bebouwing langs de wegen die naar de omliggende dorpen lopen. De locatie is gelegen in een van oorsprong agrarisch gebied, waar in de loop van de tijd een kleinschalig gebied is ontstaan met een mix van diverse functies.

Afbeelding 6 Anno 1900 en 1975

Afbeelding 5 Anno 1990 en 2015

Op de historische kaarten is te zien dat het plangebied oorspronkelijk onderdeel was van het agrarische gebied tussen de kernen Horst en Meterik. Op de kaarten is te zien dat er anno 1990 nog sprake van actieve (agrarisch) bedrijven rondom het plangebied. Deze bedrijven zijn in de loop der jaren verplaatst en/of beëindigd in het kader van de woningbouwontwikkeling “de Afhang”. Het gebied tussen de Afhangweg/Melatenweg en de oorspronkelijk kern Horst is dan ook steeds verder verdicht met woningen.

Vastgesteld

7

3. BELEID 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1

Nationale Omgevingsvisie

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;

Vastgesteld

8

▪ ▪

Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de andere belangen geschaad.

In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is in overeenstemming met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

Vastgesteld

9

De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het toevoegen van slechts één woning evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft in dit geval dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de omgevingsvisie zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van Vastgesteld

10

internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De omgevingsvisie bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg.

De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de midden huur en sociale huur is er een steeds diversere wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw.

In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woon- en leefomgeving leidend zijn.

Vastgesteld

11

Onderhavig initiatief voorziet in het realiseren van één woning in de bebouwde kom van Horst. Met het realiseren van een woning op deze locatie wordt optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte binnen de bebouwde kom van Horst. Er wordt tevens gebouwd naar reële behoefte, de toekomstige bewoner van de woning is reeds bekend, waardoor geen sprake is van “bouwen voor leegstand’. De woningen worden dusdanig energiezuinig en klimaatneutraal opgericht zoals de wet voorschrijft. Mede gelet op het regionale en gemeentelijke beleidskader past het onderhavige initiatief binnen het POVI. 3.3.2

Omgevingsverordening 2021

In de Omgevingsverordening Limburg 2021 staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Op dit moment geldt nog de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2024) is een nieuwe verordening nodig die de huidige gaat vervangen. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2021 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Boringsvrije zone Venloschol; ▪ Wonen, werken en recreëren. De Omgevingsverordening 2021 is momenteel nog niet in werking getreden. Tot het moment dat de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. De bovengenoemde regels komen in grote lijnen overeen met de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3

Omgevingsverordening Limburg 2014

Tot het moment dat de Omgevingsverordening Limburg in werking treedt (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2024) geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog. In de Omgevingsverordening bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2014 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Boringsvrije zone Venloschol; ▪ Nieuwe woningen. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben;

Vastgesteld

12

d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermde werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 24 m boven NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 19 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval niet aan de orde. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. Deze gebiedsaanduiding is opnieuw aan het plangebied toegekend. Nieuwe woningen In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 3.3.4 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.3.4 kan concluderend gesteld worden dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Voor het plangebied kent de verordening geen verdere beperkingen.

Het initiatief is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.3.4

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’. Ondertussen is op 8 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 0 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde regionale woonvisie blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Vastgesteld

13

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Met het beoogde initiatief is sprake van een particulier initiatief, waarbij slechts één nieuwe woning wordt opgericht. De behoefte aan de woning is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat de toekomstige bewoners reeds bekend is. Door enorme krapte is de balans tussen vraag en aanbod zoek. De vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En de verwachting is dat deze druk de komende jaren nog verder toe neemt. De gemeente Horst aan de Maas heeft dan ook onlangs de ambitie uit gesproken om 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025. Het realiseren van de nieuwe woning voorziet dan ook in een (kleine) bijdrage aan dit woningtekort. Daarnaast wordt de woning in de bebouwde kom opgericht als afronding van een bestaand bebouwingslint. Gezien de aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen de dorpen sluit de nieuwe woning aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Ten slotte worden de woningen zo veel als mogelijk duurzaam, energiezuinig (of zelfs energieneutraal), klimaat geadapteerd en levensloopbestendig uitgevoerd.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1

Structuurvisie Horst aan de Maas

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd. In september 2019 is nogmaals een herziening vastgesteld ‘Herziening Integrale Structuurvisie 2019: het toevoegen van woningen in de kern’ met het daaraan verbonden Lokaal Afwegingskader. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijk grondbeleid is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Hier geldt voor solitaire woningbouw een meedenkende grondhouding (ja, mits).

Bij een meedenkende grondhouding is er sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van de ontwikkeling van belang zijn. In het kader van de laatste evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. In deze bijlage wordt een onderscheid gemaakt in vier manieren om woningen toe te voegen, te weten “nieuwe woningen”, “splitsen van

Vastgesteld

14

woningen”, “woningen in bestaand vastgoed bij een bestaande woning” en “woningen in overig bestaand vastgoed”. Van de eerste categorie is in dit geval sprake.

Afbeelding 7 Uitsnede gebiedsindeling Structuurvisie HadM (rood; plangebied)

Om te kunnen bepalen of het toevoegen van een of meerdere woningen gezien wordt als een gewenste ontwikkeling zal een plan beoordeeld worden op de volgende punten; 1. Er moet sprake zijn van een goed stedenbouwkundig plan; 2. Wanner een plan in een klimaatgevoelig gebied ligt, kan het uitsluitend worden gerealiseerd wanneer er compenserende maatregelen worden genomen; 3. Het plan wordt getoetst aan het lokaal afwegingskader; 4. Het plan wordt getoetst aan de kwantitatieve woningbehoefte van de kern. Hieronder worden de beoordelingspunten nader gemotiveerd. Ad. 1. Er is sprake van een goed stedenbouwkundig plan. Het splitsen van de kavel en het toevoegen van een woning op deze locatie is goed voorstelbaar. Voor een nadere uitwerking van de stedenbouwkundige/ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar paragraaf 4.2; Ad. 2. Conform de kaart ‘Hitte’ van de Klimaatatlas WPN is het plangebied niet gelegen in een gebied aangewezen als ‘aanzienlijk warmer’. Conform de kaart en ‘Stedelijke wateroverlast’ is het plangebied aangeduid als ‘water op straat, stedelijk gebied’. Hierbij geldt dat bij een hevige bui (T=100) er sprake kan zijn van wateroverlast op straat. Initiatiefnemer is voornemens om op eigen terrein voorzieningen te realiseren ten behoeve van het opslaan van hemelwater. Deze voorzieningen worden ten tijde van de omgevingsvergunningaanvraag nader uitgewerkt. Ad. 3.

Om te stimuleren dat woningen eerst binnen de kern worden gerealiseerd is het noodzakelijk dat de gevraagde kwaliteitsbijdrage gunstiger is dan de kwaliteitsbijdrage in het buitengebied. Bij het toevoegen van een nieuwe woning is de kwaliteitsbijdrage vastgesteld op € 40.000,=. Door deze kwaliteitsbijdrage kan echter niet gestuurd worden op de gewenste samenstelling van de woningvoorraad. Daarom heeft de gemeente Horst aan de Maas de structuurvisie wat dat betreft herzien. Indien voldaan wordt aan het Lokaal Afwegingskader en dus een woning wordt toegevoegd waaraan op basis van het gemeentelijk woonbeleid behoefte is, behoeft de kwaliteitsbijdrage van € 40.000,= niet voldaan te worden. Dit wordt bepaald middels een puntensysteem. Er zijn zowel

Vastgesteld

15

ruimtelijke als volkshuisvestelijke criteria waarop punten gescoord kunnen worden. Indien een initiatief 8 of meer punten scoort binnen het Lokaal Afwegingskader dan is er sprake van een juiste woning op een juiste plek. Indien niet voldaan kan worden aan het Lokaal afwegingskader dient de kwaliteitsbijdrage alsnog te worden voldaan. Tabel 1 Lokaal afwegingskader beoordeling

Inbreiding

Punten 2

Hergebruik bestaand vastgoed Herontwikkelingslocatie Levensloopbestendige woning Huurwoning Kleine huisvesting

0

Flexibel

1

Gevarieerde wijkopbouw Duurzaam Totaal

0

0 2 0 0

2 7

Motivatie De beoogde woning voorziet in inbreiding, de woning wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwd gebied. Er is geen sprake van hergebruik van bestaand vastgoed. Er is geen sprake van een herontwikkelingslocatie Het voornemen bestaat de woning levensloopbestendig te realiseren. Er is geen sprake van een huurwoning. De gebruiksoppervlakte bedraagt meer dan 120 m², er is derhalve geen sprake van een kleine huisvesting. De beoogde woning is flexibel, daar deze op termijn zonder grote investering getransformeerd kan worden naar de behoefte op termijn. Het plan voorziet in een soortgelijke woning (koop, vrijstaand) als reeds aanwezig in de omgeving. De woning wordt gasloos gerealiseerd.

Met het realiseren van de beoogde nieuwe woning wordt niet voldaan aan het aantal te behalen punten. Derhalve zal een kwaliteitsbijdrage worden voldaan. Ad. 4.

Het plan voorziet in de eigen behoefte van initiatiefnemer. Er is derhalve geen sprake van bouwen voor leegstand. Daarnaast voorziet de woning in een (kleine) bijdrage aan de gemeentelijke ambitie 1.000 woningen te realiseren tussen nu en 2025.

3.4.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas

Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de Maas de ambities voor woningbouw voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. Vastgesteld

16

3. Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas. ▪ Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. ▪ Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma.

Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. ▪ Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. ▪ Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. ▪ Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp. De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%).

Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters)woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Alhoewel de behoefte aan een nieuwe woning niet direct blijkt uit het Masterplan Wonen, is er wel degelijk behoefte aan deze woningen. De toekomstige bewoner voor deze woning is reeds bekend waardoor “bouwen voor de leegstand” niet aan de orde is. De woning wordt in de bebouwde kom van Horst opgericht, in een bestaand bebouwingslint. De woning zorgt ervoor dat een nieuwbouw kan plaatsvinden met toekomstwaarde en dragen in zin zeker bij aan de algemene woningbehoefte in Horst c.q. in de gemeente Horst aan de Maas.

Vastgesteld

17

4. PLANBESCHRIJVING Initiatiefnemer wenst een nieuwe woning te realiseren in de tuin van de woning aan de Afhangweg in Horst. De thans aanwezige woning, Afhangweg 10, is eigendom van zijn vader welke hier woonachtig is. De nieuwe woning betreft een vrijstaande woning, gelegen tussen de woning Afhangweg 10 en 10a. De gronden waarop de woning is beoogd zijn thans in gebruik als dierenweide bij de woning van initiatiefnemer. Het perceel waarop de woning van initiatiefnemer is gelegen heeft een oppervlakte van 2.900 m² door dit in twee gelijke delen op te splitsen behoud initiatiefnemer enerzijds zelf een ruim woonperceel en anderzijds ontstaat er een ruim woonperceel voor zijn zoon. De percelen zullen qua grootte aansluiten bij de omliggende percelen waarop vrijstaande woningen zijn gelegen.

Afbeelding 8 Indicatieve situering van de nieuwe woning (blauw; voorgevelrooilijn)

De nieuwe woning zal niet exact in de voorgevelrooilijn van de woning Afhangweg 10a gepositioneerd worden, maar iets daarvoor. Hierdoor loopt de voorgevelrooilijn trapsgewijs naar achteren vanaf de woning Afhangweg 10 tot de woning Afhangweg 10a. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Door de gemeente is reeds aangegeven dat de woning geschikt dient te zijn voor alle generaties. Het voornemen bestaat om de woning levensloopbestendig te realiseren. Dit bouwrecht kan worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woning is momenteel nog niets bekend. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen worden in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag de bouwplannen getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit. De beoogde

Vastgesteld

18

nieuwe woning zal qua schaal en maat aansluiten om de omliggende woningen zodoende dat de oorspronkelijke karakteristiek te behouden. De bouwkavel mag worden ingevuld met een vrijstaande woning, de maximale bouwhoogte bedraagt 8,5 meter. Het is daarnaast mogelijk om 120 m² aan bijgebouwen bij de woning op te richten met een maximale goot- en nokhoogte van 3,5 respectievelijk 6 meter. Qua maatvoering is ten eerste aangesloten bij de gemeentelijke standaarden. Daarnaast komt deze maatvoering overeen met bestaande woningen aan de Afhangweg.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Bij de opstelling van het bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning binnen het plangebied; ▪ Er mag uitsluitend één vrijstaande woning worden gerealiseerd; ▪ Er dient in het verdere verloop, tijdens de omgevingsvergunningaanvraag, aandacht te zijn voor het type woning, te denken valt aan een woning geschikt voor alle generaties; ▪ De voorgevel van de nieuwe woning dienen in of achter de aangegeven gevellijn te worden gebouwd. ▪ De goot- en bouwhoogte van de nieuwe woning dient aan te sluiten bij de goot- en bouwhoogte van woningen in de directe omgeving; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan ‘’de Afhang” (vastgesteld d.d. 19 december 2011) en de daarop volgende herzieningen “1e herziening bestemmingsplan De Afhang” (d.d. 22 november 2016) en “2e herziening bestemmingsplan De Afhang” (d.d. 16 april 2019) zoals dat thans voor dat thans voor dit gebied geldt. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied de bestemming ‘Wonen’ blijft behouden. Het bouwvlak ter plaatse is van vorm veranderd waardoor de nieuwe woning juist gepositioneerd kan worden.

Daarnaast is het bouwvalk voorzien van de aanduiding ‘vrijstaand’, ‘maximum bouwhoogte: 8,5 m’ en ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ zodat ter plekke drie vrijstaande woningen met een maximum bouwhoogte van 8.5 meter zijn toegestaan, waarvan er twee reeds bestaand zijn.

4.2

Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

De locatie is gelegen in de bebouwde kom van de kern Horst, aan de Afhangweg. Rondom het plangebied overheerst de woonfunctie en de woningen bestaan voornamelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Het initiatief past dan ook functioneel gezien goed bij de omgeving. Ten aanzien van het stedenbouwkundige en ruimtelijke aspect kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van verslechtering van het stedenbouwkundige karakter maar juist een versterking van het reeds bestaande bebouwingslint. Vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt is het bouwplan passend.

Vastgesteld

19

5 SECTORALE ASPECTEN 5.1

Inleiding

Voordat de woning binnen het plangebied kan worden opgericht dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1

M.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het projectgebied wordt slechts één woning opgericht. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

1

HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)

Vastgesteld

20

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op één woning valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3.

Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. 5.2.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief.

2

Staatsblad 2011, nr. 102

Vastgesteld

21

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten moet de bodemkwaliteit met onderzoek zijn aangetoond. Derhalve is voor het plangebied een vooronderzoek bodem3 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Tevens is ook een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met cadmium aangetoond en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een sterke verontreiniging met nikkel en matige verontreiniging met zink aangetoond. Voor de lichte verontreiniging met cadmium in de bovengrond is geen duidelijke bron of oorzaak aan het licht gekomen. Mogelijk betreft het een verhoogd achtergrondgehalte. Voor de sterke verontreiniging met nikkel en de matige verontreiniging met kobalt zijn eveneens geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13048191/1