CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04a Geurgebiedsvisie HadM 2023 hoofdrapport 13-12-2023

Gemeenteraad 27 februari 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Thema Geurverordening.13.040 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij Gemeente Horst aan de Maas Deel A Hoofdrapport

Geurgebiedsvisie, geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Gemeente Horst aan de Maas 2024

Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij Gemeente Horst aan de Maas Geurgebiedsvisie ter onderbouwing van de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Gemeente Horst aan de Maas 2024

Rapportnummer:

P222510.008

Naam opdrachtgever:

Gemeente Horst aan de Maas

Opstellers:

H. Ullenbroeck, K. Albers, E. van Overbeek

Status:

Versie t.b.v. ontwerp

Datum:

13 december 2023

Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen BV St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen T (024) 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl

Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl

P222510.008

Inhoud 1

Inleiding .............................................................................................................. 3 1.1 Deze geurgebiedsvisie ............................................................................................................ 3

2

Wettelijk kader ................................................................................................... 6 2.1 Wet geurhinder en veehouderij............................................................................................. 6 2.2 Geur uit stallen en geurnormen ........................................................................................... 10 2.3 Doorwerking geurnormen in ruimtelijke plannen ............................................................... 12 2.4 Geur en gezondheid ............................................................................................................. 14 2.5 Uitspraak civiele rechter over de Wgv (2022) ...................................................................... 16 2.6 Toekomstige wet- en regelgeving geur en veehouderijen .................................................. 17

3

Ontwikkeling geurbelasting uit stallen van veehouderijen ................................. 21 3.1 Huidige vergunde situatie en ontwikkeling in het verleden ................................................ 21 3.2 Cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen .................................................. 23 3.3 Voorgrondbelasting uit stallen van veehouderijen .............................................................. 25

4

Actualisatie geurnormen ................................................................................... 32 4.1 Overwegingen t.a.v. aanpassing van de gemeentelijke geurnormen .................................. 32 4.2 Bijstelling voorgrondnormen en beleid individueel overbelaste situaties .......................... 33 4.3 Beoordelen van de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen ............................. 38 4.4 Registratie vergunde rechten en intrekkingsbeleid ............................................................. 39 4.5 Anticiperen op de Omgevingswet ........................................................................................ 41 4.6 Procedure ............................................................................................................................. 41

Bijlage met kaarten.................................................................................................. 42

2

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

1 Inleiding 1.1

Deze geurgebiedsvisie

Wettelijk kader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt de mogelijkheid voor gemeenten om binnen een bepaalde bandbreedte eigen gemeentelijke geurnormen vast te stellen. Deze geurgebiedsvisie is bedoeld om de besluitvorming over die afwijkende normen te onderbouwen. De geurnomen in het kader van de Wgv richten zich op de maximale geurbelasting van een individuele veehouderij op een gevoelig object, zoals een nabij gelegen woning. Deze geurgebiedsvisie bevat ook een voorstel hoe de cumulatieve geurbelasting, ook wel achtergrondbelasting, wordt meegewogen bij initiatieven en plannen waar er sprake is van realisatie van nieuwe voor geurhinder gevoelige functies of van uitbreiding van veehouderijen met dierplaatsen waarvoor geuremissiefactor zijn vastgesteld. Deze toetsingswaarden m.vb.t. de cumulatieve geurbelasting worden in de vorm van een beleidsregel ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Het wettelijke kader voor die beleidsregel is momenteel de Wet op de ruimtelijke ordening. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (2024) worden de geurnormen die zijn vastgesteld in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Omdat in december 2023 het ontwerp van de geurverordening wordt gepubliceerd en ter inzage wordt gelegd, wordt de geurverordening op basis van het overgangsrecht vastgesteld.

Wijzigingen daarna moeten plaatsvinden via een wijziging van het (tijdelijk) omgevingsplan, onder de Omgevingswet. Huidige geurnormen vergunningverlening veehouderijen De standaard wettelijke geurnormen die van belang zijn voor de vergunningverlening van veehouderijen (voorgrondnormen) zijn 3 Ou/m3 voor de bebouwde kom en 14 Ou/m3 voor het buitengebied. Gemeenten kunnen binnen een wettelijke bepaalde bandbreedte afwijken van deze standaard normen. De gemeente Horst aan de Maas heeft op 30 juni 2020 een geurverordening vastgesteld. De volgende geurnormen zijn van toepassing: • Woongebieden / werkgebieden: de wettelijke waarde van momenteel 3,0 odour units; • Plangebied bij Meerlo: afwijkende waarde van 6,0 odour units; • Bedrijventerrein Klavertje 4-gebied: afwijkende waarde van 14,0 odour units; • Buitengebied / overig gebied: de wettelijke waarde van momenteel 14,0 odour units. De gemeente Horst aan de Maas heeft tot op heden geen afwijkende afstanden vastgesteld voor veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (o.a. melkveehouderij en paardenbedrijven). Hier zijn de standaard wettelijke afstanden van toepassing.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

3

P222510.008

Kaart behorende bij Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2020

Aanleiding voor actualisatie van geurnormen en het geurbeleid In juli 2021 is de Visie Veehouderij 2021-2030 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas vastgesteld. De Visie Veehouderij is opgesteld in dialoog met diverse vertegenwoordigers van partijen, ondernemers en inwoners. Hierin is aandacht gegeven aan diverse onderwerpen die raken aan het thema geur uit stallen van veehouderijen, zoals leefomgeving, gezondheid, omgevingsdialoog en innovatie. In de Visie Veehouderij zijn de volgende doelen centraal gesteld: • Veehouderijen in Horst aan de Maas liggen in 2030 op een toekomstbestendige locatie. • De veehouderij in Horst aan de Maas blijft een economisch gezonde sector. • De uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof door veehouderijen in het geheel is in 2030 verlaagd. Daarnaast is er een Uitvoeringsprogramma Visie Veehouderij 2021-2030 opgesteld. Hierin is bij de uitwerking van het doel m.b.t. de emissies uit de veehouderij het volgende opgenomen: “Om te bepalen wat het huidige woon-, en leefklimaat voor geur is gaan we de gebiedsvisie geur (geurvisie) van 2020 actualiseren aan de hand van de projectmatige aanpak “De basis op orde”. De resultaten leggen we aan de raad voor waarbij een voorstel wordt gedaan voor het aanpassen van de geurverordening.

Hierbij streven we ernaar aan te sluiten bij de geurrichtlijn van de GGD uit 2020” Nadat er in 2022 is gewerkt aan een analyse van de ontwikkeling van de vergunde emissies van geur, ammoniak en fijn stof uit stallen van veehouderijen in de gemeente Horst aan de Maas (ontwikkelingen in de periode 2018-2022), is er in 2023 gewerkt aan deze ontwerp geurgebiedsvisie met een voorstel voor aanpassing van de normen en het bijstellen van het gemeentelijk beleid m.b.t. geur uit stallen van veehouderijen.

4

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Doel van deze geurgebiedsvisie In een geurgebiedsvisie wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. Dit in relatie tot de gewenste ontwikkeling van het buitengebied, de ontwikkeling van veehouderijen en andere thema’s zoals gezondheid en vitaliteit van het buitengebied. Een geurgebiedsvisie biedt een kader en onderbouwing voor het mogelijk vaststellen of actualiseren van gemeentelijke geurnormen en vaste afstanden die van belang zijn voor de vergunningverlening van veehouderijen. Daarnaast is de geurgebiedsvisie ook van belang voor het onderbouwen en vaststellen van toetswaarden met betrekking tot de meewegen van de geurbelasting bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat die aan de orde is bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de realisatie van nieuwe voor geur hinder gevoelige objecten of ruimtelijke uitbreidingen van veehouderijen. De geurgebiedsvisie kan ook als basis worden gebruikt om als gemeente te anticiperen op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De geurbelasting ten gevolge van geur uit stallen van veehouderijen wordt uitgedrukt in voorgrondbelasting en in achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van 1 veehouderij op een geurgevoelig object bedoeld.

Bij de vergunningverlening van veehouderijen wordt getoetst op de hoogte van de voorgrondbelasting en/of de afstand tussen een stal waar dieren worden gehuisvest en de gevel van een geurgevoelige objecten. De achtergrondbelasting bestaat uit de geurbelasting van alle veehouderijen samen op een geurgevoelig object en wordt gebruikt als belangrijke maat om de effecten van geurhinder uit stallen op het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen. Bijvoorbeeld bij een aanvraag voor een nieuwe woning in de omgeving van veehouderijen. Als een veehouderij is gestopt of gaat stoppen is een dergelijke toets van belang om te beoordelen of een voormalige bedrijfswoning kan worden gebruikt als reguliere woning en of de geurbelasting een belemmering is voor andere functies op de locatie van de voormalige veehouderij. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van de normen en afstanden voor de vergunningverlening van veehouderijen en voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de geurbelasting bij functiewijzigingen eigen keuzen maken. Mits deze is onderbouwd en vastgelegd in besluiten door de gemeenteraad. Deze geurgebiedsvisie is bedoeld ter onderbouwing van dergelijke besluiten.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

5

P222510.008

2 Wettelijk kader

2.1

Wet geurhinder en veehouderij

Veehouderijen zijn mogelijke bronnen van geurhinder en daarom gelden voor veehouderijen regels met betrekking tot aan te houden afstanden tot voor geurhinder gevoelige objecten, zoals woningen. Omgekeerd hebben deze regels ook gevolgen voor de mogelijkheden om nieuwe voor geurhinder gevoelige objecten, zoals nieuwe woningen, te realiseren. Dit wordt ook wel de omgekeerde werking genoemd. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) wordt een onderscheid gemaakt tussen geurbelasting in gebieden met veel veehouderijen (concentratiegebieden) en in de overige gebieden (nietconcentratiegebieden). De concentratiegebieden zijn aangegeven in Bijlage 1 van de Meststoffenwet en bestaat uit delen van de provincies Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Utrecht en Overijssel. De gemeente Horst aan de Maas ligt in concentratiegebied Zuid. Een belangrijk uitgangspunt van de Wgv is dat in gebieden met veel veehouderijen geur minder snel als hinderlijk wordt ervaren dan in de niet-concentratiegebieden. De standaard wettelijke geurnormen voor intensieve veehouderijen zijn daarom in het niet-concentratiegebied strenger dan in de concentratiegebieden. Voor beide type gebieden zijn de standaard wettelijke geurnormen voor de bebouwde kom strenger dan voor het buitengebied. Ook zijn er verschillen in de bandbreedte waarbinnen gemeenten aangepaste normen mogen vaststellen.

Geuremissiefactoren en vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij is de systematiek vastgelegd hoe de geurhinder uit stallen van veehouderijen beoordeeld moet worden. Voor diercategorieën, waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (zoals voor varkens, kippen, vleesstieren, vleeskalveren en melkgeiten), wordt de toetsingswaarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt uitgedrukt in aantallen Europese odeur units in een volume-eenheid lucht (Ou/m³: odeur units per kubieke meter lucht). Eerst wordt de geuremissie berekend door het aantal dieren per diercategorie te vermenigvuldigen met de betreffende geuremissiefactor die staat opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Vervolgens wordt de geuremissie vanuit de gezamenlijke dierenverblijven samen met andere variabelen ingevoerd in een wettelijk voorgeschreven verspreidingsmodel: ‘Vstacks Vergunning’ voor het berekenen van de voorgrondbelasting door een individuele veehouderij en ‘V-stacks Gebied’ voor het berekenen van de achtergrondbelasting door meerdere veehouderijen.

6

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Voor bedrijven zonder geuremissiefactor (zoals voor melkrundvee, zoogkoeien en paarden) gelden vaste afstanden van 100 en 50 meter voor respectievelijk geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv stelt dat afwijking van deze afstanden mogelijk is tot respectievelijk minimaal 50 en minimaal 25 meter. De wettelijke afstanden mogen ook vergroot worden.

Geurhinder en vergunningverlening Activiteitenbesluit Sinds 1 januari 2013 is voor de niet-vergunningplichtige veehouderijen het Activiteitenbesluit milieubeheer van kracht. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningplichtige bedrijven. 50%-regeling voor overbelaste situaties Wanneer een veehouderij voor wat betreft de geurbelasting op slot zit, kan het bedrijf alleen uitbreiden als de geurbelasting niet toeneemt. Als de geurbelasting door aanpassing van stalsystemen of de wijze van uitstoot van de geur wordt verminderd, is onder voorwaarden uitbreiding van het aantal dieren mogelijk via de zogenaamde 50%-regeling. Er hoeft na uitbreiding niet te worden voldaan aan de geldende geurnormen. Wel moet de geurbelasting dalen. De helft van de afname van de geurbelasting mag opgevuld mag worden voor uitbreiding van het aantal dieren. Als een bedrijf niet ontwikkelt is er op basis van de Wgv en het Activiteitenbesluit geen verplichting om aan de normen te voldoen of om er voor te zorgen dat de geurbelasting daalt. Voorgrond- en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting.

Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele belasting genoemd, wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bedoeld van die veehouderij, welke de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve belasting genoemd, wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

7

P222510.008

gelegen. De achtergrondbelasting wordt vooral in gebieden met veel veehouderijen vaak gebruikt als maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen.

Voor- en achtergrondbelasting geurhinder Voorgrondbelasting en de kans op geurhinder In volgende tabel is de relatie tussen de individuele norm (voorgrondbelasting) en de kans op geurhinder weergegeven (bron: handreiking van de Wet geurhinder en veehouderij, bijlage 6 en 7, 2007). De verschillen in de kans op geurhinder zijn gebaseerd op het geurbelevingsonderzoek uit 2001, zoals opgenomen in de toelichting bij de Wgv. Relatie tussen voorgrondbelasting en kans op geurhinder (bron: Handreiking Wgv, bijlage 6 en 7, 2007) Geurbelasting (voorgrondbelasting, hinder door 1 veehouderij), Ou/m3 (98 percentiel)

Kans op geurhinder of percentage gehinderden (niet-concentratiegebied)

Kans op geurhinder of percentage gehinderden (concentratiegebied)

1

7%

4%

2

11%

6%

3

15%

8%

4

19%

11%

5

21%

12%

6

24%

14%

7

26%

16%

8

29%

17%

10

33%

20%

14

39%

25%

20

46%

31%

8

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Bebouwde kom en bebouwingscontouren geur De standaard geurnormen zijn voor de bebouwde kom strenger dan de geurnormen voor het buitengebied. Het begrip ‘bebouwde kom' is niet gedefinieerd in de Wgv. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is het volgende vermeld: "De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur." Ook is opgenomen: "De bebouwde kom kan namelijk worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijfsfunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven." In de uitvoeringsregels van de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is opgenomen dat de gemeente in het omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur' moet vaststellen. Binnen de contour is het beschermingsniveau hoger dan erbuiten. Vergelijkbaar met de bebouwde kom uit de Wet geurhinder en veehouderij. De gemeente wijst volgens het Bkl in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing.

Het gaat hierbij om bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel, horeca en de daarbij behorende openbare of sociaalculturele voorzieningen en infrastructuur. Stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lineaire bebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan tot het samenstel worden gerekend, maar dat hoeft niet. De gemeente kan er dus voor kiezen om lintbebouwing wel of niet binnen de bebouwingscontour te brengen. Geurgevoelig object (Wgv en Omgevingswet) Onder een ‘geurgevoelig object’ wordt onder de Wgv verstaan: een gebouw, bestemd voor en volgens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. Een gebouw dat in strijd met het bestemmingsplan als woning of verblijf wordt gebruikt, heeft geen wettelijke bescherming tegen geurhinder. In de uitvoeringsregels van de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is opgenomen welke geurgevoelige objecten, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen, altijd geurgevoelig zijn. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd.

Een gemeentelijk omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Toepassing van technieken om de geurbelasting te verminderen Bij de vergunningverlening wordt er rekening gehouden met de technische uitvoering van stallen. Het betreft maatregelen om op bedrijfsniveau de geurverspreiding te beïnvloeden en daarmee de geurbelasting op één of meer geurgevoelige objecten te verminderen, zoals het verticaal en hoger laten uitstromen van de lucht uit stallen, zodat deze lucht meer wordt verdund dan bij het horizontaal en lager uitstromen van de stallucht. Daarnaast wordt in de vergunningverlening rekening gehouden met de verschillen in geuremissies bij verschillende typen stalsystemen en de reductie van geuremissie die bereikt kan worden bij het toepassen van luchtwassers.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

9

P222510.008

2.2

Geur uit stallen en geurnormen

Bij de beoordeling of vergunningaanvragen van individuele veehouderijen verleend kunnen worden, dient bepaald te worden of de normen voor geurbelasting of minimum afstanden worden overschreden. Gemeenten kunnen op grond van de Wgv binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. Zowel de geurnormen (voor intensieve veehouderijen) als de vaste afstanden (voor bijvoorbeeld melkveebedrijven) kunnen worden bijgesteld. Dergelijke afwijkende waarden dienen te worden onderbouwd in een gebiedsvisie en via een gemeentelijke verordening te worden vastgesteld door de gemeenteraad. De voor de gemeente geldende wettelijke geurnormen, vaste afstanden en de bandbreedte waarbinnen gemotiveerd afgeweken kan worden, zijn opgenomen in tabel 2. Wettelijke geurnormen en bandbreedte gemeentelijke normstelling Wgv, concentratiegebied Categorie geurgevoelig object (in concentratiegebied)

Wettelijke geurnorm (Ou/m3 98 percentiel)

Range gemeentelijke geurnorm (Ou/m3 98 percentiel)

Bebouwde kom

3

Minimaal 0,1 en maximaal 14

Buiten de bebouwde kom

14

Minimaal 3 en maximaal 35

Categorie geurgevoelig object

Wettelijke vaste afstand Afwijking van afstand (minimale waarde)

Bebouwde kom

100 meter

50 meter

Buiten bebouwde kom

50 meter

25 meter

Geurnormen en afstanden in gemeente Horst aan de Maas De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft op 30 juni 2020 de Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In deze geurverordening zijn afwijkende geurnormen opgenomen voor een plangebied bij Meerlo en voor Bedrijventerrein Klavertje 4. De volgende geurnormen zijn van toepassing: • Woongebieden / werkgebieden: de wettelijke waarde van momenteel 3,0 odour units; • Plangebied bij Meerlo: afwijkende waarde van 6,0 odour units; • Bedrijventerrein Klavertje 4: afwijkende waarde van 14,0 odour units; • Buitengebied / overig gebied: de wettelijke waarde van momenteel 14,0 odour units. De gemeente Horst aan de Maas heeft geen afwijkende afstanden vastgesteld voor veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (o.a. melkveehouderij). Hier zijn de standaard wettelijke afstanden van toepassing.

10

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Geur uit meerdere stallen samen: achtergrondbelasting Bij het vaststellen van een gemeentelijke geurnorm voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals varkens en pluimvee, dient er ook rekening te worden gehouden met de cumulatie van geur die meerdere veehouderijen samen veroorzaken. De norm voor de maximale belasting door een individueel bedrijf (voorgrondbelasting) bepaalt andersom ook de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting van alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting). Op basis de methodiek zoals die is opgenomen in de Handreiking Wgv is in onderstaande tabel de achtergrondbelasting vertaald in een kans op geurhinder en is hieraan een waardering van het woon- en leefklimaat gekoppeld (goed, redelijk goed, matig, tamelijk slecht, slecht, zeer slecht en extreem slecht). Classificatie achtergrondbelasting (geurbelasting door meerdere veehouderijen samen) in een concentratiegebied (bron: RIVM/GGD Richtlijn geurhinder oktober 2002 en handreiking Wgv 2007). Achtergrondbelasting (OU/m3), cumulatief, concentratiegebied

Kans op geurhinder of percentage gehinderden

Beoordeling woon- en leefklimaat

0 - 3.0

<5%

Zeer goed

3.1 - 7.4

5-10%

Goed

7.5 - 13.1

10-15%

Redelijk goed

13.2 - 20.0

15-20%

Matig

20.1 - 28.3

20-25%

Tamelijk slecht

28.4 - 38.5

25-30%

Slecht

38.6 - 50.7

30-35%

Zeer slecht

>50.7

>35%

Extreem slecht

Uit onderzoek dat ten grondslag ligt aan de Wgv (PRA 2001) is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de geurbelasting van één veehouderij anders is dan als gevolg van de totale geurbelasting van meerdere veehouderijen, de achtergrondbelasting. Bijvoorbeeld: indien één veehouderij een geurbelasting van 14 Ou/m3 op een geurgevoelig object veroorzaakt, leidt dat tot meer hinder dan indien drie veehouderijen gezamenlijk 14 Ou/m3 veroorzaken. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting (bron: handreiking Wgv, bijlage 6 en 7, 2007). Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, gemeente Horst aan de Maas, 2020 De gemeente Horst aan de Maas heeft op 30 juni 2020 de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. In deze beleidsregel zijn geurnormen voor de achtergrondbelasting als criterium voor een aanvaardvaar woon- en leefklimaat vastgelegd, zie volgende tabel.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

11

P222510.008

Geurnormen beleidsregel als criterium aanvaardbaar woon- en leefklimaat (bron: Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, gemeente Horst aan de Maas, juli 2020) Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, gemeente Horst aan de Maas (2020) Toetswaarde achtergrondbelasting (OU/m3)

buitengebied, plangebied Meerlo, bedrijventerrein Klavertje 4 Norm 6 Ou en 14 Ou gebied

overige woon- en werkgebieden Norm 3 Ou gebied

Voldoende

< 20 Ou

<10 Ou

Niet voldoende

>= 20 Ou

>= 10 Ou

>=

2.3

Doorwerking geurnormen in ruimtelijke plannen

Omgekeerde werking De normen van de Wet geurhinder en veehouderij gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, als een agrarisch bedrijf zich wil vestigen of als een agrarisch bedrijf wil uitbreiden. Het gaat dan dus over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling in de agrarische bedrijvigheid. Dit heet ook wel de ‘directe werking’ of ‘directe norm’. Voor de Wgv in werking trad, gold deze norm ook in de omgekeerde situatie: als een bestaand agrarisch bedrijf werd geconfronteerd met een nieuwe woonwijk of een nieuw bedrijventerrein. In het kader van de ‘omgekeerde werking’ werden dan dezelfde afstandsnormen toegepast als in de directe werking. Met de inwerkingtreding van de Wgv trad een geheel nieuwe systematiek van normering in werking. In verband daarmee rees de vraag of de normen van de Wgv op dezelfde manier als bij de vroegere stankwetgeving zouden werken in de “omgekeerde werking”. Intussen zijn enkele uitspraken gedaan door de hoogste rechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State), die hierin duidelijkheid scheppen. Onder meer uit de uitspraak in de zaak Laarbeek (Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2009) blijkt dat de normen van de Wgv niet in de omgekeerde werking van toepassing zijn.

De directe norm geldt wel in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning aan een agrarisch bedrijf, maar niet bij de ontwikkeling van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen. Ook uit andere uitspraken is intussen gebleken dat het mogelijk is om binnen de belemmerende contouren te bouwen, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan: • De nieuwe ontwikkelingen mogen geen extra belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving. • De gemeenteraad dient in haar gebiedsvisie, in een beleidsregel of in haar ruimtelijke besluit voor de betrokken ontwikkeling een uitspraak te doen over het minimaal gewenste woon-, leef- of werkklimaat in het gebied.

12

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Respecteren rechten veehouders Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de geurbelasting contouren te worden genomen. Dit omdat veehouderijen rechten hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde ‘vergunde rechten’). Het kan echter ook zo zijn dat het bedrijf zijn bouwblok niet in zijn geheel kan benutten voor de vestiging of verplaatsing van emissiepunten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van al bestaande geurgevoelige objecten. Uit de jurisprudentie blijkt dat men dan mag uitgaan van de grens van de bebouwing, een te benutten deel van het bouwblok of een bestaand emissiepunt.

Uitgaande van de vergunde rechten van een veehouderij, de geurnorm(en), het agrarisch bouwblok en de ligging van de stallen en al bestaande voor geurhinder gevoelige objecten, kan bepaald worden of de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object leidt tot een aantasting van de rechten: ligt de nieuwe bestemming binnen de geurcontour en zijn er geen andere bestaande geurgevoelige objecten die op kortere afstand liggen? Beoordeling aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang. Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden. In het algemeen geldt dat een gemeente(raad) de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is. Woningen met een lager beschermingsniveau tegen geur In de Wet geurhinder en veehouderij zijn een aantal uitzonderingen opgenomen met betrekking tot de bescherming van woningen tegen geurhinder van veehouderijen.

Het betreft de realisatie van een woning op een voormalig bouwblok van een veehouderij (ruimte voor ruimte woning) of een woning die al aanwezig was op een voormalig bouwblok van een veehouderij die is gestopt na 19 maart 2000 (artikelen 3.2 en 14.2 Wgv). Hiervoor gelden alleen vaste afstanden. (Voormalige) bedrijfswoningen behorende bij veehouderijen en Ruimte voor Ruimte woningen Een eigen bedrijfswoning krijgt géén bescherming tegen de eigen stallen. De reden is dat de geurnormen en afstanden zijn gericht op de gevolgen van een veehouderij voor de omgeving. Voor voormalige bedrijfswoningen gelden voor de vergunningverlening voor omliggende veehouderijen (enkele) vaste afstanden. Voorwaarde is dat de woning op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van de veehouderij. Dit kan zijn omdat de woning is afgesplitst, maar het kan ook zijn dat de veehouderij-activiteiten zijn gestaakt. De planologische bestemming is voor deze woningen is niet bepalend. Woningen die vóór 19 maart 2000 al geen deel uitmaakten van een andere veehouderij, worden niet gezien als voormalige agrarische bedrijfswoningen. Ook voor zogenaamde ‘Ruimte voor Ruimte woningen’ gelden bij de vergunningverlening voor omliggende veehouderijen enkel vaste afstanden. Dit zijn woningen die gebouwd zijn na 19 maart

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

13

P222510.008

2000, op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij, waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht én waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt.

Via de Wet Plattelandswoningen kan de gemeente regelen dat voormalige bedrijfswoningen geen bescherming meer krijgen tegen geur of geluid van de eigen veehouderij. Bedrijfswoningen van veehouderijen waarin burgers wonen, blijven bij gebruik making van deze mogelijkheid onderdeel van de inrichting, bestemd als bedrijfswoning, maar waarbij bewoning door derden planologisch is geregeld. Dit kunnen in de toekomst nieuwe knelpuntlocaties worden, waardoor met aanwijzen van plattelandswoningen in het algemeen zeer terughoudend omgegaan moet worden en alleen gebruiken voor het legaliseren van bestaande situaties. Beleid plattelandswoningen in Horst aan de Maas?

2.4

Geur en gezondheid

Geur en geurbeleving Geur is de eigenschap van organische stoffen die met behulp van zintuigen in de neus kan worden waargenomen. Geurhinder treedt op als de herhaaldelijk waargenomen geur als onaangenaam wordt beoordeeld en het welbevinden daardoor negatief wordt beïnvloed. Bij hogere concentraties geur kan er sprake zijn van gezondheidseffecten die verbonden zijn aan de waarneming van de geur: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten, en mogelijk stress-gerelateerde gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid. Er zijn algemene relaties voor de geurbelasting van veehouderijen en het percentage gehinderden uit onderzoeken afgeleid. Naast de geurbelasting is er een groot aantal persoonsgebonden factoren en omgevingsfactoren die deze relatie beïnvloedt, zodat lokaal zowel minder als meer hinder op kan treden dan verwacht. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder andere af van de aangenaamheid, duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen een belangrijke rol. Of de hinder ook tot gezondheidsklachten leidt is persoonsgebonden. In de GGD-richtlijn Geur en gezondheid wordt ervan uitgegaan, dat er voor de geurstoffen geen toxicologische advieswaarden worden overschreden, omdat deze stoffen een geurdrempel hebben die veel lager is dan deze advieswaarden.

Van de gezondheidseffecten van geur is er alleen voor (ernstige) hinder een kwantitatieve dosis-responsrelatie met de geurbelasting. Elke geur kan boven de geurdrempel waargenomen worden en als hinderlijk of ernstig hinderlijk ervaren worden. Hoe hoger de geurbelasting wordt, hoe meer kans dat mensen gehinderd zijn en hoe hoger het percentage dat gehinderd of ernstig gehinderd is. Het is echter niet eenvoudig te zeggen hoeveel geurhinder gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is. Bij het optreden van hinder of ernstige hinder moet afgewogen worden of de situatie aanvaardbaar is. Uitgangspunt hierbij zijn de beleidsdoelstellingen. Voor haar advisering met betrekking tot het percentage (ernstige) hinder sluit de GGD aan een richtwaarde van maximaal 12% kans op hinder (0-3% ernstige hinder) en een bovenwaarde van maximaal 20% kans op hinder (tot 10% ernstige hinder). Voor meer

14

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

achtergrondinformatie over de relatie tussen veehouderij en gezondheid van omwonenden wordt verwezen naar het kennisplatform veehouderij en gezondheid (www.kennisplatformveehouderij.nl). Onderzoek GGD en IRAS naar de relatie tussen geurbelasting en kans op hinder Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid van de GGD Brabant/Zeeland (Bureau GMV) en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van Universiteit Utrecht onderzochten in 2014 de relatie tussen geurbelasting afkomstig van veehouderijen en de ervaren geurhinder bij ruim 13.000 respondenten op het platteland en in kleinere kernen van Noord-Brabant en Noord-Limburg. Deze resultaten bevestigen volgens de GGD signalen dat er bij gegeven geurbelasting aanzienlijk meer geurhinder voorkomt dan op basis van de Handreiking Wgv (Wet geurhinder veehouderij) te verwachten zou zijn. De relatie tussen geurbelasting en hinder blijkt bovendien afhankelijk te zijn van diersoort. De GGD adviseert de resultaten mee te nemen in de (landelijke) actualisatie van de regelgeving en –normen en roept gemeenten en provincies op de resultaten te gebruiken als opstap voor vernieuwd geurhinderbeleid. De onderzoekresultaten van de GGD en IRAS geven volgens de GGD aanleiding tot een actualisatie en aanscherping van de gemeentelijke normen.

Een complicerende factor daarbij is dat het onderzoek nog niet is gevalideerd door onderzoek in andere regio’s, de kans op hinder maar ten dele wordt bepaald door de geurbelasting, de berekening van de geurbelasting vele onzekerheden kent en dat de resultaten van het onderzoek van de GGD/IRAS afwijken van onderzoek dat in ongeveer dezelfde periode is uitgevoerd (Gezondheidsmonitor GGD ’en, CBS en RIVM uit 2012). Een aangrijpingspunt is, dat de relatie tussen de berekende geurbelasting en de kans op geurhinder uit het GGD-IRAS-onderzoek meer overeen lijkt te komen met de relatie tussen geurbelasting en hinder voor de niet-concentratiegebieden (uit de handreiking Wgv) dan met de relatie tussen geurhinder en hinderkans voor de concentratiegebieden uit die handreiking. De GGD adviseerde in het kader van de evaluatie van de geurregelgeving (2015-2016) het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden op te heffen en overal dezelfde normen te hanteren. Voor de maximale cumulatieve geurbelasting op objecten stellen zij ook een norm voor van 12% voor de bebouwde kom en 20% in het buitengebied, te vertalen als maximaal 5 Ou (bebouwde kom) respectievelijk 10 Ou (buitengebied) achtergrondbelasting (= cumulatieve geurbelasting).

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

15

P222510.008

2.5

Uitspraak civiele rechter over de Wgv (2022)

Op 14 september 2022 heeft rechtbank Den Haag een uitspraak gedaan over de vraag of de Staat onrechtmatig handelt vanwege de huidige geurnormen in de Wet geurhinder en veehouderij (ECLI:NL:RBDHA:2022:9119). In deze uitspraak is onder andere artikel 8 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) van belang. Dit artikel beschermt het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven door de overheid. Hieronder valt ook milieuoverlast. Dat betekent dat als er milieuoverlast (zoals geuroverlast) is die een directe en serieuze impact heeft op de kwaliteit van het leven, mensen hierin beschermd moeten worden door de overheid. Het kan daarbij gaan om milieuoverlast die de overheid zelf veroorzaakt of om milieuoverlast die een gevolg is van, kort gezegd, niet toereikende milieuregelgeving. De overheid moet namelijk ‘redelijke en passende’ maatregelen nemen om mensen te beschermen tegen milieuoverlast die hun welzijn kan aantasten. Of milieuoverlast een directe en serieuze impact heeft op de kwaliteit van het leven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder andere de intensiteit en de duur van de overlast van belang, en de fysieke en mentale effecten daarvan op een individu. Artikel 8 van het EVRM schrijft geen concrete, absolute bovengrenzen voor milieuoverlast voor.

Het bevat dus bijvoorbeeld geen maximale geurnorm die als acceptabel kan worden aangemerkt. De rechtbank gaat daarom na welke geurbelasting volgens haar acceptabel is. Of precies gezegd: “wat valt als redelijkerwijs onomstreden grenswaarde te beschouwen?”. De rechtbank hanteert een geurbelasting van 19,4 Ou/m3 als grenswaarde en betrekt daarbij een aantal punten: • Voor de industrie geldt een geurnorm van 5 Ou/m3. Dit was vroeger ook (omgerekend) de maximale geurnorm in de Herziene Nota Stankbeleid uit 1994. • In de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (bijlagen 6 en 7) staan ‘richtlijnen’ om vast te stellen hoeveel geurhinder op gebiedsniveau acceptabel is. Daaruit volgt onder andere dat de milieukwaliteit in een concentratiegebied als zeer slecht moet worden aangemerkt als de voorgrondbelasting 19,4-25,3 Ou/m3 bedraagt. • Uit het RIVM-rapport Geur en gezondheid uit 2015 volgt dat de milieugezondheidskwaliteit in een concentratiegebied onvoldoende is bij een voorgrondbelasting van 14 tot 31,2 Ou/m3. • De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het onacceptabel is om mensen min of meer permanent bloot te stellen aan een woonomgeving met een zeer slechte milieukwaliteit of onvoldoende milieugezondheidskwaliteit (of erger).

Dat is (op gebiedsniveau) het geval als de geurbelasting 19,4 Ou/m3 of hoger is (dat is ongeveer vier keer de maximale geurnorm in industriegebieden). De rechtbank beoordeelde de individuele situaties van degenen die de procedure tegen de Staat zijn gestart. De rechtbank is van oordeel dat als iemand na intrek in een woning ondanks reducerende maatregelen is “geconfronteerd met een stankoverlast die de 19,4 Ou/m3 is gaan overschrijden en waarbij de kwaliteit van het milieu in en rond de woning van het individu dus ‘zeer slecht’ is geworden” sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Omdat de Staat de hoge geurbelasting mogelijk maakt in de geurwetgeving – terwijl die dus een te zware wissel trekt op de gezondheid van de betrokken mensen – handelt de Staat onrechtmatig. Het wettelijk systeem beschermt mensen niet voldoende tegen geuroverlast.

16

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Volgens de rechtbank is door de introductie van de Wet geurhinder en veehouderij (in 2006) “de balans tussen de belangen van deze bewoners en de belangen van de intensieve veehouderij zoek” geraakt. De Staat moet degenen die de procedure zijn gestart, daarom een schadevergoeding betalen. Deze uitspraak raakt ook lagere overheden waaronder gemeenten. Gemeenten kunnen afwijken van de wettelijke normen en afstanden en eigen geurbeleid vaststellen en gebruik maken van wet- en regelgeving, zoals de Crisis- en Herstelwet 21ste tranche, om overbelaste situaties aan te pakken. De staatssecretaris heeft in de Kamerbrief van 8 november 2022 aangegeven dat de Staat hoger beroep indient tegen de uitspraak. Dat betekent dat het gerechtshof nog een oordeel moet geven over deze kwestie. Volgens de staatssecretaris is wel een aanpassing van geurwetgeving noodzakelijk. Daarom gaat de staatssecretaris (samen met de ministers van LNV en N&S) wijzigingen van de geurwetgeving voorstellen. Daarbij zal onder andere worden gekeken naar de 50%-regeling voor de uitbreiding van bestaande situaties, de hoogte van de geurnormen en hoe overlast situaties kunnen worden aangepakt.

2.6

Toekomstige wet- en regelgeving geur en veehouderijen

In een door de staatssecretaris van Milieu ingestelde bestuurlijke werkgroep werkten de VNG en IPO, LTO Nederland, GGD ‘en, Milieufederaties en afgevaardigden van burgergroeperingen aan een gezamenlijk advies over de toekomstige geurregelgeving voor veehouderij. De adviezen van de bestuurlijke werkgroep uit oktober 2016 hebben o.a. geleid tot nader onderzoek (o.a. naar de effectiviteit van luchtwassers en aanpassing van geuremissiefactoren. De bestuurlijke werkgroep constateerde dat de Wgv onvoldoende handvatten biedt om bestaande geuroverlast tot een aanvaardbaar niveau te brengen. De geconsulteerde partijen adviseerden om gemeenten bevoegdheden te geven om in overbelaste situaties om aanvullende eisen te kunnen stellen om geurbelasting binnen een ambitieuze termijn terug te dringen. Er was binnen de geconsulteerde partijen geen consensus over een aanpassing van de standaard wettelijke geurnormen en afstanden. De milieufederaties, burgergroeperingen en GGD ‘en adviseren het Rijk om voor de individuele geurbelasting (voorgrondnorm) maximaal 2 Ou voor de bebouwde kom als standaard norm vast te stellen en maximaal 5 Ou voor het buitengebied. Voor de cumulatieve belasting adviseren deze partijen een norm van 5 Ou (bebouwde kom) en 10 Ou (buitengebied).

De VNG, het IPO en LTO Nederland pleiten voor aanvullend onderzoek naar de relatie tussen de berekende geurbelasting en ervaren hinder, om aldus te komen tot een betere onderbouwing van de geurnormen. Vervolgonderzoek naar de relatie tussen de berekende geurbelasting en de geurbeleving dient volgens deze partijen rekening te houden met mogelijke regionale verschillen, nieuwe inzichten m.b.t. de geuremissie van dieren en een geactualiseerd verspreidingsmodel. In 2019 heeft de commissie Biesheuvel op verzoek van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een advies over de toekomst van de geurregels uitgebracht. Dit advies is in april 2019 naar de leden van de Tweede kamer gestuurd.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

17

P222510.008

Op 6 september 2019 heeft de staatssecretaris haar beleidsreactie naar de Kamer gestuurd. In die beleidsreactie is ingegaan op een aantal onderwerpen die van belang zijn voor het terugdringen van geuremissies en –immissies, zoals: • Een brongerichte aanpak van geuremissies en andere emissies in de stal; • Verhogen rendementen geurreductie van combiwassers; • Inzetten op een ander systeem van meten en monitoren; • Extra mogelijkheden voor decentrale overheden om overbelaste situaties aan te pakken. Resultaten onderzoek naar rendementen geurverwijdering gecombineerde luchtwassers In 2018 zijn twee rapporten verschenen over onderzoek naar het rendement van luchtwassers. De focus van het onderzoek lag op geur. Uit het onderzoek bleek dat de geurreductie van combiluchtwassers in de praktijk veel lager is dan waar in de regelgeving van wordt uitgegaan. Volgens de vastgestelde waarden zouden de combi-luchtwassers ervoor moeten zorgen dat slechts 15% tot 30% van de geur in de omgeving komt. Het betreffende WUR-onderzoek laat zien dat de geuruitstoot van combi-luchtwassers rond de 60% ligt. De prestaties van de enkelvoudige luchtwassers kwamen wel overeen met de in de regelgeving opgenomen waarden.

In de brief van 3 april 2018 naar de Tweede Kamer is door de staatssecretaris aangegeven dat het noodzakelijk is om de emissiefactoren voor geur van de combi-luchtwassers in de regelgeving aan te passen. Op 19 juli 2018 is vervolgens een wijziging van de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv) gepubliceerd. Met deze wijziging zijn de emissiefactoren voor geur van alle combi-luchtwassers en één biologisch luchtwassysteem verhoogd. Voor de combi-luchtwassers met een biologische wasstap naar een reductiepercentage voor geur van 45%. Voor de combi-luchtwassers met een chemische wasstap naar een reductiepercentage van 30%. De geurreductiepercentages van combiwassers zijn hiermee zoveel mogelijk gelijkgesteld aan die van enkelvoudige luchtwassers. Met name varkenshouderijen maken gebruik van zogenaamde gecombineerde luchtwassers. Deze luchtwassers reduceren zowel de uitstoot van ammoniak als van geur en fijnstof. Voor veel bedrijven met combi-luchtwassers is actuele berekende geurbelasting veel hoger dan de geurbelasting waarvan in de vergunningverlening is uitgegaan. De Commissie Geurhinder en Veehouderij (Commissie Biesheuvel) heeft o.a. geadviseerd meer inzicht te bieden in de effectiviteit van luchtwassers en hierbij de geurproductie in de stal te betrekken.

In opdracht van het Ministerie voerde de WUR vervolgonderzoek uit naar de mogelijkheden om de geur- en ammoniakrendementen van combiluchtwassers te verbeteren. Eind 2021 is dit onderzoek afgerond. Het uitgangspunt van dit onderzoek was dat wanneer de ammoniakverwijdering van een luchtwasser geoptimaliseerd wordt, ook verwacht mag worden dat de geurreductie zal verbeteren. Uit dit onderzoek volgde dat het onwaarschijnlijk is dat de voormalige hoge geurrendementen (ca. 85%) behaald kunnen worden. Zelfs niet bij een goed werkende combi-luchtwasser. Er is volgens de onderzoekers echter wel perspectief op verbetering van het geurrendement. Zij verwijzen naar een recent onderzoek in Denemarken dat aanwijzingen geeft dat de hoeveelheid geurverwijdering afhankelijk is van zwavelcomponenten in de lucht. Daarom kunnen oplossingen voor een betere geurverwijdering gezocht worden in een aanpak die niet alleen de luchtwasser, maar het gehele stalsysteem betreft. Daarbij gaat het erom dat maatregelen bij de geurbron (voersamenstelling en stalmanagement gericht op bijvoorbeeld schonere vloeren) én de luchtwasser in hun onderlinge samenhang gezien worden. Naast deze brede stalbenadering geldt als randvoorwaarde dat een luchtwasser op de juiste wijze in werking is.

18

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

De Provincie Noord-Brabant is in 2022 in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) een project gestart waarin met de bevindingen van de WUR-onderzoekers aan de slag wordt gegaan. Er wordt door de WUR praktijkonderzoek gedaan naar een brede aanpak van stalsystemen bij veehouders. Bij deze aanpak worden ook omwonenden betrokken. Dit moet verder inzicht geven in welke maatregelen getroffen kunnen worden om het ammoniak- en geurrendement van combiluchtwassers te verbeteren. Het ministerie van I&W is betrokken bij dit project en zal de resultaten betrekken bij het landelijke geurbeleid. Chw-experimenten emissiereductie en versnellen innovaties Het advies van de commissie Biesheuvel en de beleidsreactie van de staatssecretaris hebben nog niet geleid tot een voorstel voor aanpassing van de landelijke geurregelgeving (onder de Omgevingswet) voor stallen. Wel hebben aan aantal provincies (waaronder de Provincie Limburg) zich in 2019 aangemeld voor experimenten onder de Crisis- en herstelwet (Chw) ingediend. De extra bevoegdheden voor gemeenten binnen de provincie Limburg zijn vanaf 23 april 2021 van kracht, onder andere experimenteerruimte voor overbelaste situaties in de veehouderij 1. In het kader van het Schone Lucht Akkoord (januari 2020) kan binnen de provincie Limburg door gemeenten en provincie zelf geëxperimenteerd worden met de toepassing van CHW-experimenten.

De Rijksoverheid faciliteert hierbij. Met deze Chw-bevoegdheden hebben gemeenten onder andere meer mogelijkheden om in te grijpen in bestaande situaties, met als doel emissiereductie uit stallen te realiseren. Het gaat om de reductie van de emissie van geur, ammoniak en fijnstof. Deze geldt tot 1 januari 2025. Ook kan de toepassing van innovatieve technieken in huisvestingssystemen van veehouderijen worden versneld door deze via experimenteerruimte vroegtijdig toe te staan. Op grond van de extra Chw-bevoegdheden heeft de gemeente ook de mogelijkheid om af te wijken van de geurregels in de Wet geurhinder en veehouderij respectievelijk het Activiteitenbesluit. De gemeente kan namelijk een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij weigeren als niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de veehouderij of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld. Ook kan de gemeente afwijken van de zogeheten ‘50%-regeling’ voor geur. Op grond van deze regeling kunnen veehouderijen die niet aan de geurnorm voldoen, toch uitbreiden. Zij kunnen dat doen door geur reducerende maatregelen te nemen. De helft van de geurreductie mag dan worden gebruikt voor de uitbreiding. Op grond van de experimenteerruimte mag het bevoegd gezag bepalen dat niet de volledige 50% gebruikt mag worden voor de uitbreiding.

De ontwikkelruimte kan dus worden beperkt binnen de bandbreedte van 0-50%. Dat geldt zowel voor vergunningplichtige als niet vergunningplichtige veehouderijen. Als een gemeente gebruik wil maken van Chwbevoegdheden en instrumenten moet dit kenbaar worden gemaakt in een geurverordening, beleidsregel, of bestemmingsplan met verbrede reikwijdte

1 Besluit van 8 april 2021 tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering

Crisis- en herstelwet (eenentwintigste tranche)), Staatsblad 2021, 193.

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

19

P222510.008

Uitgangspunten aanpassing landelijk regelgeving In een kamerbrief van 7 juli 2023 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitgangspunten voor aanpassing van de landelijke geurregelgeving. Het gaat daarbij zowel om het voorkomen van nieuwe situaties met een onaanvaardbare geurbelasting als het verminderen van bestaande overlast. In het licht van het herstellen van de balans tussen economische en milieubelangen, de geur-evaluaties en uitspraak van de rechtbank, zullen volgens deze kamerbrief voor de wijziging van de regelgeving voor geurhinder van veehouderijen, de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: • De standaard voorgrondnormen worden aangescherpt. Gemeenten kunnen gemotiveerd van deze standaardwaarden afwijken tot de bovengrens van de grenswaarden. Ook deze grenswaarden worden herzien, waarbij in de afweging ook rekening zal worden gehouden met de uitspraak van de rechtbank Den Haag; • Voor alle bedrijven, ook bestaande situaties, gaan geurnormen gelden; • De mogelijkheden worden verkend om, vooruitlopend op de wijziging van de regelgeving, de geurbelasting bij bestaande situaties eerder onder tenminste de hoogste grenswaarde te brengen. Voor de overgangstermijn naar de grenswaarden voor bestaande situaties wordt aangesloten bij het tijdpad van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) met maatwerk als uitgangspunt.

Dat wat nodig is hangt af van de hoogte van de (nieuwe) grenswaarden, de gewenste termijn, de mate van overschrijdingen en de beschikbare maatregelen.

20

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

3 Ontwikkeling geurbelasting uit stallen van veehouderijen 3.1

Huidige vergunde situatie en ontwikkeling in het verleden

In de gemeente Horst aan de Maas zijn in 2022 volgens CBS gegevens 288 veehouderijbedrijven aanwezig, waarvan 118 bedrijven met varkens, pluimvee, vleeskalveren of geiten. Dit zijn diercategorieën waarvoor wettelijk een geuremissiefactor is vastgesteld. Naast deze intensieve veehouderijlocaties zijn er ook nog gemengde of kleinschalige veehouderijbedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Dit zijn vooral veehouderijen met vleesrundvee. Voor melkrundvee en paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Voor deze diercategorieën gelden vaste afstanden. Uit cijfers die geregistreerd zijn in het vergunningenbestand WEB BVB Limburg (thans KRD-bestand) blijkt dat het aantal geregistreerde veehouderij-locaties tussen 2018 en 2022 met circa 10% is afgenomen en de geregistreerde-vergunde geuremissie in dezelfde periode is afgenomen met circa 15%. De afname van de vergunde geuremissie is vooral veroorzaakt door beëindiging van veehouderij-locaties (zoals bijvoorbeeld varkensbedrijven die hebben deelgenomen aan de saneringsregeling voor varkenshouderijen) en locaties die om andere redenen zijn beëindigd en waarvan de vergunning/melding is ingetrokken.

r

Ontwikkeling aantal veehouderij-locaties en vergunde emissies uit stallen van veehouderijen in Horst aan de Maas, registratie vergunningen en meldingen van veehouderijen in BVB/KRD, 2018-2022

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

21

P222510.008

De ontwikkeling van de vergunde en geregistreerde geuremissie sinds 2018 wijkt af van de periode daarvoor. De economische omvang van de vergunde veestapel in Horst aan de Maas nam in de periode 2009-2019 toe bij de varkens-, pluimvee-, en de nertsenhouderij (bron: geurgebiedsvisie Horst aan de Maas, 2020). De berekende geuremissie uit stallen van veehouderijen steeg tussen 2009 en 2019. Deze stijging trad op ondanks een daling van het aantal locaties en modernisering van stallen. De toename in het verleden is te verklaren door aanpassing in 2018 van de geuremissiefactoren voor vleeskuikens en met name de geuremissiefactoren van de gecombineerde luchtwassers welke in de varkenshouderij veel toegepast zijn bij nieuwe stallen. De nu berekende geuremissie is daardoor hoger zijn dan de ten tijde van vergunningverlening veronderstelde geuremissie. Een deel van de voor geur overbelaste situaties wordt veroorzaakt door de destijds onderschatte geuremissie, op basis van de toen geldende geuremissiefactoren.

Veehouderijen in Horst aan de Maas naar type en omvang, registratie BVB/KRD 2022, bewerkt 2023

22

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

3.2

Cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen

Huidige vergunde situatie In de hierna weergegeven berekende en geurbelasting is uitgegaan van de vergunningen en meldingen van veehouderijen (2022) en de nu geldende geuremissiefactoren. Er is dus rekening houdend met de bijstelling van de geuremissiefactoren voor de gecombineerde luchtwassers in 2018. Het onderzoek dat is uitgevoerd voor deze geurgebiedsvisie geeft inzicht in de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen en de verwachte relatie tussen de cumulatieve geurbelasting en kans op geurhinder (= de achtergrondbelasting). In onderstaande kaart is de legenda afgestemd op de normen die de gemeente Horst aan de Maas hanteert in de beleidsregel “geur en ruimtelijke ontwikkelingen” en de GGD-advieswaarden Type gebied Bebouwde kom Buitengebied

Gemeentelijke norm achtergrondbelasting Maximaal 10 Ou * Maximaal 20 Ou

GGD advieswaarde achtergrondbelasting Maximaal 5 Ou Maximaal 20 Ou

*voor bedrijventerreinen Klavertje-4 en plangebied Meerlo max 20 OU

Indicatieve achtergrondbelasting geur vergunde situatie gemeente Horst aan de Maas 2022

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024

23

P222510.008

In bovenstaande kaart zijn de adressen (verblijfsobjecten met een woonfunctie uit het BAG-bestand, niet gelegen op een locatie van een veehouderij) waar er o.b.v. de berekening sprake is van een hogere achtergrondbelasting (20 Ou of meer) apart aangeduid. Deze adressen zijn gelegen in het buitengebied. Zoals het buitengebied rond de woonkernen Meerlo, Tienray en Melderslo, het buitengebied tussen America en Horst, het buitengebied tussen Horst en Castenray, het landbouwontwikkelingsgebied Witveldweg en het buitengebied ten zuiden van Sevenum. De achtergrondbelasting is in enkele woonkernen (zoals Meerlo, Tienray en Meterik) of delen van enkele woonkernen zoals America, Melderslo en Swolgen hoger dan de GGD-advieswaarde voor de bebouwde kom. De achtergrondbelasting is de woonkernen is bijna overal lager dan de gemeentelijke norm. In een groot deel van het buitengebied is de achtergrondbelasting hoger dan de GGD-advieswaarde voor het buitengebied. Gemeten in het procentueel aantal adressen is de berekende achtergrondbelasting zowel in de bebouwde kom (inclusief bedrijventerreinen) als in het buitengebied voor circa 18% van de adressen hoger dan de GGD-advieswaarden voor de achtergrondbelasting (5 Ou voor de bebouwde kom, 10 Ou voor het buitengebied).

Mogelijke ontwikkeling achtergrondbelasting

In een scenario-onderzoek is de mogelijke ontwikkeling van de achtergrondbelasting in beeld gebracht, uitgaande van een periode tot circa 2030-2035. Hierbij zijn de volgende situaties onderling vergeleken: 1. De huidige vergunde situatie (2022) zoals geregistreerd in het BVB/KRD-bestand. 2. een scenario dat uitgaat de trendmatige ontwikkeling met een krimp van de veehouderij in Horst aan de Maas met 20% t.o.v. vergund 2022, vooral ingegeven door opkoopregelingen (LBV en LBV+) en aanvullende beperkingen in gebieden i.v.m. rijks- en provinciaal beleid. 3. Een scenario dat uitgaat van de dierplaatsen zoals vergund in 2020, maart met toepassing van emissiearme stalsystemen en luchtwassers voor alle dierplaatsen om de emissie van geur te beperken (er is uitgegaan van de laagste emissiefactor voor geur) 4. een scenario die uitgaat van de combinatie van 20% krimp van de veehouderij in Horst aan de Maas in combinatie met toepassing van de laagste emissiefactoren (combinatie 1+2) in verband met de staleisen voor ammoniakemissie van de provincie Limburg waaraan stallen uiterlijk 2030 moeten voldoen. De resultaten van het scenario-onderzoek zijn in onderstaande tabel weergegeven.

24

Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2023

P222510.008

Aantal adressen met een overschrijding van de GGD-advieswaarde achtergrondbelasting Mede op basis van de landelijke opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat wordt een daling van de achtergrondbelasting verwacht. Vooral omdat locaties van intensieve veehouderijen worden beëindigd. Daarnaast zullen locaties van blijvende veehouderijen worden gemoderniseerd om aan de eisen t.a.v. de maximale emissie van ammoniak te voldoen. In ieder geval op grond van de eisen uit de provinciale omgevingsverordening (eisen per 2030) en mogelijk ook op basis van nieuwe landelijke eisen. De technische mogelijkheden om op de locaties van de blijvende veehouderijen de emissies uit stallen, zoals de geuremissie, verder terug te dringen zijn echter begrensd. Naast emissiereductie zal de geurbelasting voor omwonenden ook beperkt moeten/kunnen worden door voldoende afstand tussen stallen/emissiepunten en gevoelige objecten en geborgde technieken om de verspreiding van geur te beperken. Desondanks is de verwachting dat er ook bij een aanzienlijke krimp van het aantal dieren / locaties en modernisering van de stallen op blijvende locaties (t.g.v. generieke eisen), er in 2030-2035 op basis van het landelijk- en provinciaal beleid knelpunten zullen resteren m.b.t. een hoge achtergrond geurbelasting op voor geur gevoelige functies, zoals woningen in het buitengebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13674516/2