03c1 Toelichting1
Tekst van het document
Monster PB2
kleiner dan of gelijk aan streefwaarde groter dan streefwaarde groter dan tussenwaarde groter dan interventiewaarde
* ** ***
Analytico-nr 8428269
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/ Eurofins Analytico B.V. is niet verantwoordelijk voor de uitkomst van deze toetsing. Mocht u een probleem in deze toetsing signaleren, dan verzoeken wij u vriendelijk dit door te geven aan pais.helpdesk@eurofins.com
Eindoordeel Overschrijding Streefwaarde
Toetsing: BoToVa Wbb 2013 grondwater Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
14279501A Horst, Venrayseweg 134b
Analyse
Eenheid
16-01-2015 2015005209 16-01-2015 23-01-2015 3
GSSD
Oordeel
RG
S
T
I
µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L
0,29 2,7 0,52 0,9 2,5 3,4 6,9 <0,020
0,29 2,7 0,52 0,9 2,5 3,4 6,9 0,014
* -
0,2 0,2 0,2
0,2 7 4
15,1 504 77
30 1000 150
*
0,2
0,2
35,1
70
-
0,02
0,01
35
70
µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L
8,8 <7,0 <8,0 15 <8,0 <8,0 <50
35
-
50
50
325
600
Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen
Benzeen Tolueen Ethylbenzeen o-Xyleen m,p-Xyleen Xylenen (som) factor 0,7 BTEX (som) Naftaleen Minerale olie
Minerale olie (C10-C12) Minerale olie (C12-C16) Minerale olie (C16-C21) Minerale olie (C21-C30) Minerale olie (C30-C35) Minerale olie (C35-C40) Minerale olie totaal (C10-C40) Legenda Nr. W03
Monster PB30
kleiner dan of gelijk aan streefwaarde groter dan streefwaarde groter dan tussenwaarde groter dan interventiewaarde
* ** ***
Analytico-nr 8428270
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/ Eurofins Analytico B.V. is niet verantwoordelijk voor de uitkomst van deze toetsing. Mocht u een probleem in deze toetsing signaleren, dan verzoeken wij u vriendelijk dit door te geven aan pais.helpdesk@eurofins.com
Eindoordeel Overschrijding Streefwaarde
Toetsing: BoToVa Wbb 2013 grondwater Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
14279501A Horst, Venrayseweg 134b
Analyse
Eenheid
16-01-2015 2015006632 21-01-2015 26-01-2015 1
GSSD
Oordeel
RG
S
T
I
<0,010 <0,0080 <0,0090 <0,0080 <0,0050 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,030 <0,030 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 <0,010 0,024 0,021 0,014 0,014 0,014 0,014 0,042 0,014 0,18
0,007 0,0056 0,0063 0,0056 0,0035 0,007 0,007
-
0,01 0,008 0,009
0,033 0,008 0,009
-
0,005 0,01
0,00009 0,000005
0,25 0,15
0,5 0,3
-
0,01 0,01 0,01
0,000009 0,0001 0,00004
-
0,01
0,0002
2,5
5
-
0,05
0,05
0,525
1
0,02
0,000005
1,5
3
0,06 0,02
0,000004 0,00002
0,005 0,1
0,01 0,2
Organo chloorbestrijdingsmiddelen, OCB
alfa-HCH beta-HCH gamma-HCH delta-HCH Hexachloorbenzeen Heptachloor Heptachloorepoxide (cis) Heptachlorepoxide (trans) Hexachloorbutadiëen Aldrin Dieldrin Endrin Isodrin Telodrin alfa-Endosulfan beta-Endosulfan alfa-Endosulfansulfaat alfa-Chloordaan gamma-Chloordaan o,p-DDT p,p-DDT o,p-DDE p,p-DDE o,p-DDD p,p-DDD HCH (som) (factor 0,7) Drins (som) (factor 0,7) Heptachloorepoxide (som) (factor 0,7) DDD (som) (factor 0,7) DDE (som) (factor 0,7) DDT (som) (factor 0,7) DDX (som) (factor 0,7) Chloordaan (som) (factor 0,7) OCB (som) (factor 0,7)
µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L µg/L
0,007 0,007 0,007 0,007 0,021 0,021 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,007 0,025 0,021
0,042 0,014
-
Legenda Nr. W03
Monster PB30
kleiner dan of gelijk aan streefwaarde groter dan streefwaarde groter dan tussenwaarde groter dan interventiewaarde
* ** ***
Analytico-nr 8432537
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/ Eurofins Analytico B.V. is niet verantwoordelijk voor de uitkomst van deze toetsing. Mocht u een probleem in deze toetsing signaleren, dan verzoeken wij u vriendelijk dit door te geven aan pais.helpdesk@eurofins.com
Eindoordeel Voldoet aan Streefwaarde
BIJLAGE 4 Algemene achtergrondinformatie 1. Verklarende woordenlijst Achtergrondgehalte: concentratie van een stof binnen een bepaald gebied die als ‘normaal’ wordt beschouwd. Het achtergrondgehalte kan zijn vastgesteld door de gemeente en/of bevoegd gezag. Belucht: Tijdens de watermonstername staat het filterdeel van de peilbuis niet geheel onder water, waardoor beluchting is opgetreden van het watermonster. Bodem: grond en grondwater Bodembelasting: het proces waarbij verontreinigende stoffen op of in de bodem terecht komen. In het spraakgebruik worden de termen bodembelasting en bodemverontreiniging vaak ten onrechte door elkaar gebruikt.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen: - Plaatselijke bodembelasting: een, in relatie tot de onderzoeksschaal, ruimtelijk beperkte (kern)belasting van de bodem (hoeveelheid aan verontreinigende stoffen die per tijdseenheid en per oppervlakte-eenheid op of in de bodem terecht komen) - Diffuse bodembelasting: een, in relatie tot de onderzoeksschaal, gelijkmatige belasting van de bodem Bodemverontreiniging: situatie waarbij stoffen zich op een zodanige wijze in de bodem bevinden, dat deze stoffen zich met de bodem kunnen vermengen, met de bodem kunnen reageren, zich in de bodem kunnen verspreiden en/of ongecontroleerd kunnen verplaatsen en één of meer van de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, plant of dier heeft, verminderen of bedreigen (hoeveelheid aan verontreinigende stoffen per volume eenheid bodemmateriaal). Deellocatie: een deel van een locatie waarop een afzonderlijke onderzoekshypothese en onderzoeksstrategie van toepassing is waarbij de indeling in deellocaties is gebaseerd op de potentieel verontreinigende activiteiten.
Heterogeen verdeelde verontreinigende stof: een verontreinigende stof die wordt gekenmerkt door matig tot veel variatie op de schaal van monsterneming Homogeen verdeelde verontreinigende stof: een verontreinigende stof die wordt gekenmerkt door geen of weinig variatie op de schaal van monsterneming Hypothese: in het verkennend en het nader onderzoek gebruikte term welke betrekking heeft op aannames die verband houden met de verontreinigingssituatie Kern: centrum van de ruimtelijke heterogeen verdeelde concentratie van verontreinigende stoffen Kwalibo: Kwaliteitsborging in het bodembeheer. Kwalibo geeft regels voor de uitvoering van werkzaamheden in de (water)bodemsector en stelt eisen aan de uitvoerders. Het doel hiervan is de kwaliteit van de uitvoering te verhogen en de integriteit van de uitvoerders te verbeteren. Daarmee kunnen beslissingen op basis van betrouwbare bodemgegevens worden genomen. Mengmonster: een monster dat is verkregen door het mengen van afzonderlijke grepen of monsters en waarvan na een juiste wijze van monstervoorbehandeling slechts een (klein) deel wordt geanalyseerd. m-mv: meter minus maaiveld. Nader onderzoek: onderzoek in het kader van de saneringsparagraaf van de Wet bodembescherming volgend op het verkennend onderzoek, waarbij het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd.
Het doel is het vaststellen van de aard en concentratie van de verontreinigende stoffen en de omvang van de bodemverontreiniging om, in het licht van de (potentiële) mogelijkheden van blootstelling en verspreiding, te bepalen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en om de urgentie van de sanering vast te stellen.
Nulsituatie-onderzoek: een referentiekader voor eventueel toekomstige bodemverontreinigingen. Een dergelijk onderzoek kan in het kader van de Wet Milieubeheer opgelegd worden. Nabij plaatsen waar bepaalde activiteiten in de toekomst bodemverontreiniging kunnen veroorzaken (potentieel bodembedreigende activiteiten) dient de actuele bodemkwaliteit vastgelegd te worden. NEN 5740: bodemonderzoeksprotocol volgens de Nederlandse Norm 5740. In de praktijk, het algemeen toegepaste protocol voor verkennend bodemonderzoek op verdachte en niet-verdachte locaties. Voor omgevingsvergunningen wordt vrijwel altijd onderzoek volgens dit protocol verlangd. De te gebruiken onderzoeksopzet voor nulsituatie-onderzoek is opgenomen in deze NEN. Onderzoekslocatie: het geografische gebied waar daadwerkelijk bodemonderzoek (verrichten boringen, plaatsen peilbuizen, analyseren grond- en grondwatermonsters) plaatsvindt. Onverdachte deellocatie: plaats waar geen bodemverontreiniging wordt verwacht. Voor grootschalige onverdachte locaties (>1 ha) geldt een afwijkende onderzoeksstrategie. Plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern: een, in relatie tot de onderzoeksschaal, ruimtelijk beperkte (kern)belasting van de bodem.
De potentieel verontreinigende activiteit heeft naar verwachting geleid tot een verdeling van de verontreinigende stoffen in de bodem met een duidelijke verontreinigingskern. De maximale oppervlakte van de kern is 1.000 m2. Potentieel bodembedreigende activiteiten: activiteiten die kunnen leiden tot bodembelasting, met als mogelijk gevolg bodemverontreiniging. Slechtlopende/niet functionerende peilbuis: bij een afpompdebiet van 100 ml per minuut wordt de waterstand in een peilbuis meer dan 50 centimeter verlaagd. Verdachte (deel)locatie: plaats waar mogelijkerwijs bodemverontreiniging aanwezig is of kan ontstaan door de aanwezigheid van een ‘potentieel bodembedreigende activiteit’ (bijvoorbeeld een olietank) Verhardingslaag (niet-doordringbaar): een verhardingslaag die ten behoeve van het onderzoek niet kan, of zo min mogelijk, moet worden doorboord ten behoeve van het verkrijgen van grondmonsters uit de onder de niet-doordringbare verhardingslaag liggende bodem. De niet-doordringbare verhardingslaag wordt niet tot de grond of bodem gerekend. Verkennend bodemonderzoek: een bodemonderzoek dat ten doel heeft met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op een bepaalde locatie bodemverontreiniging aanwezig is.
Vooronderzoek: het verzamelen van informatie over het historische en het huidige gebruik van de locatie, gericht op het vinden van mogelijke verdachte locaties. Verder wordt onder meer informatie verzameld over het toekomstige gebruik en de bodemopbouw en geohydrologie. Op basis van de verzamelde gegevens wordt een totaalbeeld verkregen en worden conclusies getrokken over de afbakening van de onderzoekslocatie, de eventuele onderverdeling van de onderzoekslocatie in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. Vooronderzoeksgebied: het geografische gebied waarop het vooronderzoek betrekking heeft. WBB: Wet Bodembescherming. Geeft de regels voor onderzoek en sanering. Onder andere voor het verplichte bodemonderzoek naar historische verontreinigingen op bedrijfsterreinen (AMVB ‘verplicht bodemonderzoek’). Het bevoegd gezag is de provincie of één van de grote(re) gemeenten.
2. Onderzoeksmethodiek In deze bijlage wordt omschreven welke technieken door HMB B.V. worden toegepast ter bemonstering van grond en grondwater. De bemonstering, conservering en verpakking worden uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen (NEN) en de Nederlandse Praktijk Richtlijnen van het Ministerie van VROM (NPR). Tevens wordt, behoudens enkele uitzonderingen, gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijn voor het SIKBprocescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (BRL- SIKB-2000) en de bijbehorende protocollen. 2.1. Boringen tot aan de grondwaterspiegel Voor het uitvoeren van de handboringen worden diverse typen boren gebruikt. Het meest wordt gebruik gemaakt van de Edelmanboor. In vrijwel alle bodemtypen worden Edelmanboren met een diameter van 3, 5, 7 en 10 cm toegepast. De boren van 5 en 7 cm worden vooral ten behoeve van het nemen van grondmonsters gebruikt. Afhankelijk van de grondslag kunnen ook andere boren worden ingezet, zoals de grindboor, riverside- en gutsboor. 2.2. Boringen onder de grondwaterspiegel Bij het boren tot circa 2 meter onder de grondwaterspiegel wordt een zuigerboor toegepast. In geval van boringen tot grotere diepten wordt een gesloten mantelbuis gebruikt van waaruit de grond met een pulsboor of met een Edelmanboor omhoog gehaald wordt.
In sterk cohesieve bodemlagen (leem, klei) kan de grond onder de mantelbuis met een Edelmanboor worden weggeboord. De pulsboor is inzetbaar in matig tot goed doorlatende gronden (bijv. zandgrond). Om technische redenen wordt soms leidingwater toegevoegd. De hoeveelheid toegevoegd water wordt uiteraard tot een minimum beperkt. In de praktijk kan met de pulsapparatuur handmatig tot een diepte van circa 30 m-mv geboord worden. 2.3. Het plaatsen van waarnemingsfilters/peilbuizen Voor het nemen van grondwatermonsters worden PVC-waarnemingsfilters/peilbuizen in het boorgat geplaatst met een diameter van 3,4 cm. De peilbuis bestaat uit een geperforeerd deel (het filter) en een blind bovenstuk tot aan het maaiveld. Het filter is met een niet-gelijmde mofverbinding aan het bovenstuk verbonden. Om het geperforeerde deel bevindt zich aan de buitenzijde een gewassen nylon filterkous. Tot 0,5 m boven het filter wordt een omstorting met gecertificeerd filtergrind aangebracht. De bovenkant van het filter ter bemonstering van het freatisch grondwater, wordt 0,5 meter beneden grondwaterniveau geplaatst. Om eventueel aanwezige slecht doorlatende bodemlagen (bijvoorbeeld klei, leem, veen) te herstellen en om verontreiniging van het grondwater van bovenaf te vermijden, wordt het boorgat op de betreffende diepte afgedicht met zwelklei (bentoniet).
Bij de constatering van een olie-drijflaag wordt gebruik gemaakt van een mantelbuis met een diameter van circa 10 cm. Deze mantelbuis (verloren casing) blijft in het boorgat achter en dient om contaminatie van de peilbuis met olie te voorkomen. Indien bepaling van de dikte van de drijflaag gewenst is wordt een tweede filter ter hoogte van de grondwaterspiegel geplaatst. 2.4. Het nemen van grondmonsters Van de bij de boringen vrijkomende grond worden in beginsel van specifieke bodemlagen of verontreinigingen representatieve monsters samengesteld. Bij het ontbreken van onderscheidende lagen wordt iedere laag van 50 cm dikte apart bemonsterd. In het veld worden glazen monsterpotten geheel gevuld met het monstermateriaal. De monsterpotten worden opgeslagen in een koele ruimte (ca. 5 oC) en circa 1 maand bewaard voor eventuele aanvullende analyses. Bij de uitvoering van het veldwerk wordt gebruik gemaakt van een olie-indicatietest, de zogenaamde “olie op waterproef”. Bij deze proef wordt een grondmonster in het water gedompeld. Een met olie verontreinigd grondmonster in het water geeft een zichtbare oliefilm op dit water. De omvang van de oliefilm en de gevormde kleuringen geven een indicatie betreffende van de aard en mate van de aanwezige olieverontreinigingen.
2.5. Het nemen van grondwatermonsters Voordat de watermonsters worden genomen, worden de waarnemingsfilters doorgepompt. Bij het doorpompen wordt gebruik gemaakt van een slangenpomp of een centrifugaalpomp. De monstername gebeurt met een slangenpomp. Bij de bemonstering wordt bij ieder waarnemingsfilter een nieuwe polyetheen slang gebruikt om het overbrengen van verontreinigingen naar andere monsterpunten te voorkomen. De flessen worden direct na bemonstering gekoeld (5 oC) en op de dag van monstername vervoerd naar het laboratorium. 3. Analysemethoden Analyse van grond-, slib- en grondwatermonsters op verschillende elementen en verbindingen wordt in principe uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen (NEN) en de Nederlandse Praktijk Richtlijnen (NPR) of daarvan afgeleide methoden in een RvA-geaccrediteerd laboratorium. Tevens vindt een voorbehandeling van de analysemonsters plaats conform de SIKB Accreditatie Schema 3000 (AS3000). De specificatie van de analysemethoden is bij HMB B.V. bekend. Meer dan 98% van alle analysemethoden valt onder de RvA accreditatie van het laboratorium. Tevens participeert het laboratorium in nationale en internationale ringonderzoeken. 4. Betrouwbaarheid Bodemonderzoeken worden op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden.
Het gehele proces van offerte tot en met rapportage is geborgd in een door KIWA gecertificeerd ISO 9001 (2000) systeem. HMB B.V. streeft bij elk bodem- en/of grondwateronderzoek naar een optimale representativiteit. Echter, een dergelijk onderzoek is gebaseerd op het verrichten van een beperkt aantal boringen en het nemen van een beperkt aantal monsters. Hierdoor blijft het mogelijk, dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van grond en/of grondwater aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. HMB B.V. is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard ook. Hierbij wordt er tevens op gewezen, dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek, bijvoorbeeld door bouwrijp maken of aanvoer van grond van elders. Naarmate een langere tijd is verlopen na uitvoering van het onderzoek, dient men meer voorzichtigheid te betrachten en voorbehoud te maken bij het gebruik van de onderzoeksresultaten.
BIJLAGE 5 Toetsingskader Het in de navolgende tabel weergegeven toetsingskader, met betrekking tot de toelaatbare gehalten van verschillende stoffen in de grond, is gepubliceerd in de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, d.d. 13 december 2007) en de Circulaire bodemsanering 2013 zoals gewijzigd op 1 juli 2013 afkomstig van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Het aangeven van normen wordt bemoeilijkt door het feit, dat de natuurlijke gehalten van verschillende stoffen in de grond en het grondwater nogal sterk variëren en afhankelijk zijn van plaatselijke omstandigheden (onder andere van de bodemsamenstelling). Bovendien hangt het eventuele risico, dat een bodemverontreiniging met zich meebrengt voor de volksgezondheid en/of milieu, niet alleen af van de aard en concentratie van de verontreinigde stoffen, maar ook van de lokale verontreinigingssituatie en de functie c.q. het gebruik van de bodem (woonbebouwing, waterwinning, industrieterrein). Het inschatten van de risico's voor de volksgezondheid en voor de aantasting van het milieu moet gebaseerd zijn op een integrale beoordeling van de bovengenoemde aspecten. In de tabel ‘Normwaarden voor microverontreinigingen in de vaste bodem en het grondwater’ is het toetsingskader weergegeven, afkomstig van de Regeling bodemkwaliteit afkomstig van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM).
In de tabel staat een toetsingskader voor een aantal verontreinigende stoffen vermeld, waarbij men onderscheid maakt in twee toetsingswaarden, namelijk achtergrondwaarden en interventiewaarden. De streef-/achtergrondwaarde geldt als referentiewaarde en komt overeen met de gemiddelde achtergrondconcentratie of met de detectiegrens (bij milieuvreemde stoffen). De interventiewaarde is te beschouwen als de toetsingswaarde, waarboven, afhankelijk van de situatie, veelal een sanering (-sonderzoek) wordt uitgevoerd, nadat een eventueel (nader) onderzoek is afgerond. Nader onderzoek dient plaats te vinden, wanneer het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde ((achtergrond- + interventiewaarde)/2) wordt overschreden.
Tabel: Normwaarden voor microverontreinigingen in de vaste bodem en het grondwater Stof (1) SB
Grond/sediment (mg/kg droge stof) AW L en H gecorrigeerd (d) SB
IW L en H gecorrigeerd (d)
Grondwater (µg/l) Ondiep (< 10 m-mv) SW (2) IW
Metalen antimoon (Sb) arseen (As) barium (Ba) cadmium (Cd) chroom (Cr) kobalt (Co) koper (Cu) kwik (Hg) anorganisch lood (Pb) molybdeen (Mo) nikkel (Ni) tin (Sn) vanadium (V) zink (Zn)
4,0* 20 190** 0,6 55 15 40 0,15 50 1,5* 35 6,5 80 140
4,0 10,3 + 0,28(L+H) 36,8 + 6,13L 0,31+0,005(L+3H) 27,5 + 1,1L 3,3 + 0,467L 16,7 + 0,67(L+H) 0,1 + 0,0008(2L+H) 29,4 + 0,59(L+H) 1,5 10 + L 1,37 + 0,205L 22,9 + 2,29L 50 + 1,5(2L+H)
22 76 920** 13 180 190 190 36 530 190 100 720
22 39,3 + 1,05(L+H) 178,1 + 29,68L 6,62 + 0,116(L+3H) 90 + 3,6L 42,2 + 5,91L 79,2 + 3,17(L+H) 23,84 + 0,203(2L+H) 311,8 + 6,24(L+H) 190 28,6 + 2,86L 257 + 7,7(2L+H)
10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65
20 60 625 6 30 100 75 0,3 75 300 75 800
Overige anorganische verbindingen chloride (mg Cl/l) (3) cyaniden-vrij (4) cyaniden-complex (5) thiocyanaten (som)
3,0 5,5 6,0
3,0 5,5 6,0
20 50 20
20 50 20
100.000 5 10 -
1.500 1.500 1.500
0,2* 0,2* 0,2* 0,45* 0,25* 0,25 0,3* 0,35*
0,02H 0,02H 0,02H 0,045H 0,025H 0,025H 0,03H 0,035H
1,1 110 32 17 86 14 13 -
0,11H 11H 3,2H 1,7H 8,6H 1,4H 1,3H -
0,2 4 7 0,2 6 0,2 0,2 -
30 150 1.000 70 300 2.000 200 -
2,5*
0,25H
-
-
-
-
0,15H (7)
40
4H (7)
0,01 0,003* 0,0007* 0,003 0,003* 0,0001* 0,0005* 0,0004* 0,0004* 0,0003 -
70 5 5 1 0,2 0,5 0,05 0,05 0,05 0,05 -
Aromatische verbindingen benzeen ethylbenzeen tolueen xylenen (som) styreen (vinylbenzeen) fenol cresolen (som) dodecylbenzeen aromatische oplosmiddelen (som) (6)
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (7) naftaleen fenantreen antraceen fluorantheen chryseen benzo(a)antraceen benzo(a)pyreen benzo(k)fluorantheen indeno(1,2,3cd)pyreen benzo(ghi)peryleen PAK (som 10) (8, 9) 1,5 Gechloreerde koolwaterstoffen a. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen monochlooretheen (vinylchloride) (8) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen (8) 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (Tri) tetrachloormethaan (Tetra) tetrachlooretheen (Per) b. chloorbenzenen (9) monochloorbenzeen dichloorbenzenen (som) trichloorbenzenen (som) tetrachloorbenzenen (som) pentachloorbenzeen hexachloorbenzeen c. chloorfenolen (9) monochloorfenolen (som) dichloorfenolen (som) trichloorfenolen (som) tetrachloorfenolen (som) pentachloorfenol d. polychloorbifenylen (PCB) PCB (som 7) e. overige gechloreerde koolwaterstoffen monochlooranilinen (som) pentachlooraniline dioxine (som I-TEQ) (10) chloornaftaleen (som)
0,1*
0,01H
0,1
0,01H
0,01
5
0,1 0,2* 0,2* 0,3* 0,3* 0,8* 0,25* 0,25* 0,3* 0,25* 0,3* 0,15
0,01H 0,02H 0,02H 0,03H 0,03H 0,08H 0,025H 0,025H 0,03H 0,025H 0,03H 0,015H
3,9 15 6,4 0,3 1 2 5,6 15 10 2,5 0,7 8,8
0,39H 1,5H 0,64H 0,03H 0,1H 0,2H 0,56H 1,5H 1,0H 0,25H 0,07H 0,88H
0,01 7 7 0,01 0,01 0,8 6 0,01 0,01 24 0,01 0,01
1.000 900 400 10 20 80 400 300 130 500 10 40
0,2* 2,0* 0,015* 0,009* 0,0025 0,0085
0,02H 0,2H 0,0015H 0,0009H 0,00025H 0,00085H
15 19 11 2,2 6,7 2,0
1,5H 1,9H 1,1H 0,22H 0,67H 0,2H
7 3 0,01 0,01 0,003 0,00009*
180 50 10 2,5 1 0,5
0,045 0,2* 0,003* 0,015* 0,003*
0,0045H 0,02H 0,0003H 0,0015H 0,0003H
5,4 22 22 21 12
0,54H 2,2H 2,2H 2,1H 1,2H
0,3 0,2 0,03* 0,01* 0,04*
100 30 10 10 3
0,02
0,002H
1
0,1H
0,01*
0,01
0,2* 0,15* 0,000055* 0,07*
0,02H 0,015H 0,0000055H 0,007H
50 0,00018 23
5,0H 0,000018H 2,3H
-
30 Nvt(6) 6
Stof (1) SB Bestrijdingsmiddelen a. organochloorbestrijdingsmiddelen chloordaan (som) DDT (som) DDE (som) DDD (som) DDT/DDE/DDD (som) aldrin dieldrin endrin drins (som) α-endosulfan α-HCH β-HCH γ-HCH (lindaan) HCH-verbindingen (som) heptachloor heptachloorepoxide (som) hexachloorbutadieen organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som landbodem) b. organofosfor-pesticiden azinfos-methyl c. organotin bestrijdingsmiddelen organotin verbindingen (som) (11) tributyltin (TBT) d. chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA e. overige bestrijdingsmiddelen atrazine carbaryl carbofuran (8) 4-chloorrmethyl-fenolen (som) niet-chloorhoudende bestrijdingsmiddelen (som) Overige stoffen asbest (12) cyclohexanon dimethyl ftalaat (13) diethylftalaat (13) di-isobutylftalaat (13) dibutylftalaat (13) butyl benzylftalaat (13) Dihexylftalaat (12) di(2-ethylhexyl)ftalaat (13) ftalaten (som) (13) minerale olie (14) (15) pyridine tetrahydrofuran tetrahydrothiofeen tribroommethaan (bromoform) ethyleenglycol diethyleenglycol acrylonitril formaldehyde isopropanol (2-propanol) methanol butanol (1-butanol) butylacetaat ethylacetaat methyl-tert-butyl ether (MTBE) methylethylketon
Grond/sediment (mg/kg droge stof) AW L en H gecorrigeerd (d) SB
IW L en H gecorrigeerd (d)
Grondwater (µg/l) Ondiep (< 10 m-mv) SW (2) IW
0,002 0,2 0,1 0,02 0,015 0,0009 0,001 0,002 0,003 0,0007 0,002 0,003*
0,0002H 0,02H 0,01H 0,002H 0,0015H 0,00009H 0,0001H 0,0002H 0,0003H 0,00007H 0,0002H 0,0003H
4 1,7 2,3 34 0,32 4 4 17 1,6 1,2 4 4 -
0,4H 0,17H 0,23H 3,4H 0,032H 0,4H 0,4H 1,7H 0,16H 0,12H 0,4H 0,4H -
0,02 ng/l* 0,004 ng/l* 0,009 ng/l* 0,1 ng/l* 0,04 ng/l* 0,2 ng/l* 33 ng/l* 8 ng/l 9 ng/l 0,05 0,005 ng/l* 0,005 ng/l* -
0,2 0,01 0,1 5 1 0,3 3 -
0,4
0,04H
-
-
-
-
0,0075*
0,00075H
-
-
-
-
0,15 0,065
0,015H 0,0065H
2,5 -
0,25H -
0,05*-16 ng/l -
0,7 -
0,55*
0,055H
4
0,4H
0,02
50
0,035* 0,15* 0,017* 0,6*
0,0035H 0,015H 0,0017H 0,06H
0,71 0,45 0,017 -
0,071H 0,045H 0,0017H -
29 ng/l 2 ng/l 9 ng/l -
150 50 100 -
0,09*
0,009H
-
-
-
-
2,0* 0,045* 0,045* 0,045* 0,07* 0,07* 0,07* 0,045* 190 0,15* 0,45 1,5* 0,2* 5,0 8,0 2,0* 2,5* 0,75 3,0 2,0* 2,0* 2,0* 0,2* 2,0*
0,2H 0,0045H 0,0045H 0,0045H 0,007H 0,007H 0,007H 0,0045H 19H 0,015H 0,045H 0,15H 0,02H 0,5H 0,8H 0,2H 0,25H 0,075H 0,3H 0,2H 0,2H 0,2H 0,02H 0,2H
100 150 82 53 17 36 48 220 60 5000 11 7 8,8 75 -
100 15H 8,2H 5,3H 1,7H 3,6H 4,8H 22,0H 6,0H 500H 1,1H 0,7H 0,88H 7,5H -
0,5 0,5 50 0,5 0,5 0,5 -
15.000 5 600 30 300 5.000 630 -
Verklaring afkortingen SB = Standaardbodem (L= lutumgehalte = 25%, H= humusgehalte = 10%) AW = Achtergrondwaardenormen IW = Interventiewaarden SW = Streefwaarden Verklaring symbolen (1) Voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling Bodemkwaliteit (IenM, 2013); (2) De streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de Streefwaarde grondwater. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling;
(3)
Voor het toepassen van zeezand geldt de norm 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde; (4) Bij gehalten die de Achtergrondwaarde overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de Achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht); (5) Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN 6655. Indien geen cyanide-vij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanidetotaal (en hoeft dus alleen het gehalte cyanide-totaal te worden gemeten). (6) De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 15 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd.
Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds; (7) Voor interventiewaarde PAK wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% en bodems met een organisch stofgehalte boven de 30% toegepast. Voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% wordt een interventiewaarde van 40 mg/kg d.s. en voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30% een interventiewaarde van 120 mg/kg d.s. gehanteerd. Tussen de 10% en 30% organisch stofgehalte kan gebruik gemaakt worden van de gegeven bodemtypecorrectieformule; (8) De interventiewaarde voor grond voor deze stoffen is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht; (9) Voor grondwater zijn effecten van PAK, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele interventiewaarde, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 x interventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B).
Dit betekent dat een somformule gebruikt moet worden om te beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is. Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien Σ (Ci/li) >1, waarbij Ci = gemeten concentratie van een stof uit een betreffende groep en Ii = interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep; (10) Voor grondwater is er een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging; (11) De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds; (12) Zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest; (13) Het is onzeker of de Achtergrondwaarden voor de ftalaten meetbaar zijn. Toekomstige ervaringen moeten uitwijzen of sprake is van een knelpunt; (14) Minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen. Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan.
Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd; (15) Voor het toepassen van baggerspecie in grootschalige toepassingen geldt voor minerale olie een maximale waarde van 2.000 mg/kg ds; * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt; ** Toetsing aan de normen voor barium in grond is, sinds april 2009, alleen noodzakelijk bij situaties waar sprake is van een door menselijk handelen veroorzaakte bariumverontreiniging. In alle andere gevallen kan toetsing, tot de voorgenomen herziene regelgeving achterwege blijven. Aanvullende opmerkingen a. Interventiewaarden voor niet genoemde stoffen Voor de beoordeling van niet met name genoemde stoffen verdient het aanbeveling een vergelijking te maken met in de tabel vermelde chemisch en toxicologisch verwante stoffen. Voor een aantal niet genoemde stoffen zijn indicatieve niveaus voor ernstige bodemverontreiniging vastgesteld. Tevens kan door tussenkomst van de provincie een verzoek worden gericht aan de regionale inspectie milieuhygiëne om het RIVM in te schakelen voor de afleiding van ad-hoc interventiewaarden. b.
Omvang verontreiniging De interventiewaarden gelden als gemiddelde voor een volume van 25 m3 grond/sediment en 100 m3 grondwater. Indien het bij puntbronnen van verontreiniging waarschijnlijk is dat bij het uitblijven van maatregelen op korte termijn (ten hoogste enkele maanden) bodemverontreiniging op genoemde schaal kan optreden, is eveneens sprake van ernstige verontreiniging. Van ernstige bodemverontreiniging kan ook worden gesproken indien de verontreiniging zich zodanig autonoom verspreidt in andere milieucompartimenten of -objecten dat schadelijke effecten voor volksgezondheid of het milieu kunnen optreden zonder dat zich overschrijding van de interventiewaarden voordoet.
c.
Criterium voor nader onderzoek In de protocollen voor oriënterend en nader onderzoek komt het criterium 0,5 * (interventiewaarde + streefwaarde) voor om aan te geven dat nader onderzoek noodzakelijk is.
d.
Differentiatie naar grondsoort De streef- en interventiewaarden voor zware metalen (incl. arseen) in grond/sediment zijn afhankelijk van het lutumgehalte en/of het organische stofgehalte. Bij meetproblemen met lage gehalten organische stof (H) of lutum (L) kan van percentages van 2% H en L uitgegaan worden. De streef- en interventiewaarden voor organische verbindingen in grond/sediment zijn gerelateerd aan het organische stofgehalte. Voor bodems met H > 30% respectievelijk < 2 worden gehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden. N.B. voor berekening van de streef- en interventiewaarden voor PAK (10 VROM) geldt dat in afwijking op het vooraanstaande voor bodems met H > 30% en H < 10% gerekend wordt met organische stofgehalten van respectievelijk 30% en 10%.
BIJLAGE 6 Kadastrale kaart Topografische kaart Tekening
Uittreksel Kadastrale Kaart
Uw referentie: 14279501A 102 9
140
6 102
1033
147
1272
3
A7
136
715
1034
1078
145A
eg
1077 1076
w ayse
Venr
1035
69 134B
134A
1222
1221 666 876 1515 582 1039
824 134
0m
Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, Apeldoorn, 24 november 2014 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
12345
20 m
100 m
Schaal 1:2000 Kadastrale gemeente Sectie Perceel
HORST O 1035
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
Omgevingskaart
Klantreferentie: 14279501A
0m
125 m
Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object HORST O 1035 Venrayseweg 134B, 5961 NT HORST CC-BY Kadaster.
625 m
Schaal 1: 12500
14
12 4 13 11 15 1 LEGENDA
3
Peilbuis Boring tot 2,0 m-mv
16
10
17
Boring tot 0,5 m-mv Onderzoekslocatie
5
25
Huisnummer Bebouwing (buitenmuur)
18
Perceelsgrens (Kadaster) Bestaand bouwvlak
2
6 8
Venrayseweg 134b te Horst
7 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Situatietekening met boorpunten 14279501A
tek01 14279501A
A3
DG 0
1:1000
Aan de maten kunnen geen rechten worden ontleend.
20-01-2015 10m
1 50m
31 30 23
32
22
21
LEGENDA Peilbuis Boring tot 1,0 m-mv Onderzoekslocatie Bovengrondse tank Opslag bestrijdingsmiddelen en olie Perceelsgrens (Kadaster) Bebouwing (binnenmuur) Bebouwing (buitenmuur)
9 Venrayseweg 134b te Horst Verkennend en aanvullend odemonderzoek Situatietekening met boorpunten 14279501A
tek02 14279501A
A3
DG 0
1:200
Aan de maten kunnen geen rechten worden ontleend.
20-01-2015 2m
2 10m