03c Toelichting Bp Langstraat Kogelstraat Hegelsom
Tekst van het document
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ‘Maasduinen’ welke op een afstand van respectievelijk ca. 7,1 en ca. 9,3 kilometer van de planlocatie zijn gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000 -gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop - en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimte lijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. De nieuwe versie van AERIUS is sinds 15 oktober 2020 beschikbaar. Middels deze nieuwe versie kan voor een aantal initiatieven weer gerekend worden, waaronder onderhavig initiatief. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha /jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof.
Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli, geldt de bouwvrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Hierdoor is het uitvoeren van
29
stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase van voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. Voor de gebruiksfase dient daarentegen, gezien de toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woning en het (mogelijke) gebruik van een CVinstallatie in de nieuwe woning, wel een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. De stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is bijgevoegd als bijlage III. Conclusie Uit de resultaten van de AERIUS berekening volgt dat er als gevolg van de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000 -gebieden plaatsvindt. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op 1, 05 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.
5.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten - en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild lev ende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit bebouwing, verharding en tuin. De bestaande woning met bijbehorende voortuin blijft in de beoogde situatie onveranderd. Ten behoeve van de realisatie van de nieuwe woning zal een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing en verharding verwijderd worden. In dit geval is het niet te verwachten dat diersoorten het te slopen pand gebruiken als verblijfsplaats. Het pand is namelijk gelegen in stedelijk gebied, bevat geen kieren en gaten welke als verblijfplaats kunnen dienen en wordt in de huidige situatie gebruikt voor bedrijfsactiviteiten waardoor het niet geschikt wordt geacht als verblijfsplaats. Daarnaast zijn er op dit gedeelte van het plangebied geen groenelementen aanwezig waardoor dit niet als foerageergebied kan dienen voor dieren. Onderhavige ontwikkeling zal geen belemmeringen opleveren in het kader van de Wet natuurbescherming.
Nader onderzoek naar soortenbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Om eventueel verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten is het wel van belan g dat de bouwwerkzaamheden overdag plaatsvinden.
5.4 Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
30
In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke Inventarisatiekaart waardevolle objecten (2015) van de gemeente Horst aan de Maas is het plangebied gedeeltelijk gelegen binnen een gebied met een gematigde archeologische verwachting en gedeeltelijk gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (figuur 10).
Figuur 10. Archeologische beleidskaart met planlocatie rood omcirkeld.
Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk indien een bodemingreep dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 2.500 m 2 plaatsvindt. Daarnaast is een gedeelte van het plangebied binnen de zone met een hoge archeologische verwachting gelegen. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 50 centimeter of een minimale verstoringsoppervlakte van 500 m 2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Aangezien de oppervlakte van de beoogde woning de ondergrens van beide zones niet overschrijdt, wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
31
5.5 Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Horst aan de Maas zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1 Mobiliteit In de huidige situatie bedraagt het aantal verkeersbewegingen van en naar de bedrijfsbebouwing aan de Langstraat 7 gemiddeld 17,2 verkeersbewegingen per dag (arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in rest bebouwde kom matig stedelijk gebied). Conform de kencijfers van het CROW (publicatie 381) kan bij de toevoeging van één koopwoning in matig stedelijk gebied uitgegaan worden van een toename van maximaal 7 motorvoertuigbewegingen per dag. De ontwikkeling zal dus zorgen voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast wordt ter plaatse van de nieuwe woningbouwkavel een extra ontsluiting aan de zijde van de Langstraat gerealiseerd. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om het verkeer te verwerken waardoor het aspect mobiliteit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
5.6.2 Parkeren Conform de Nota parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas, dient er bij een woonhuis in de bebouwde kom te worden voorzien in 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Voorwaarde voor parkeren op eigen terrein is dat de inrit voldoet aan de maatvoering uit artikel 2.5 uit de Nota Parkeernormen 2019. Dat houdt in dat de maatvoering van de nieuwe inrit aan de Langstraat (ingeval van 2 parkeerplaatsen) minimaal 2,5 meter breed en minimaal 12 meter diep moet zijn. In dit geval is de inrit breed genoeg (3 meter) en is het perceel voldoende diep om te kunnen voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. In figuur 6 is de beoogde situering van de woningbouwkavel weergegeven. Ten zuiden van de beoogde woning is op eigen terrein een inrit gesitueerd die voldoende ruimte biedt om in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien. Er kan dus worden voldaan aan het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen volgens gemeentelijk beleid. Daarnaast is er aan de zijde van Langstraat reeds een inrit aanwezig om de woning te ontsluiten. Het aspect ‘parkeren’ levert geen belemmering op.
32
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.2 Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De woning past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige woningen aan de Langstraat en omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerend e bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en l eidingen zijn reeds in het plangebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimt elijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is. In het kader van de procedure heeft de initiatiefnemer de omgeving op 1 november 2021 op de hoogte gesteld van de plannen via een omgevingsdialoog. De direct omwonenden hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de plannen. Onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij belanghebbendengelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.
33