CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting Bestemmingsplan `Venrayseweg 151 Horst'

Gemeenteraad 21 november 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Venrayseweg 151, Horst.10.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart. nl) .

27

Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Risicovol transport kan plaatsvinden over de snelweg A73. De A73 bevindt zich op circa 170 m van het plangebied en is voorzien van risicocontour. Deze risicocontour bevindt zich niet in de directe nabijheid van het plangebied. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de nabijheid van het plangebied. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour.

Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Cultuurhistorie en Archeologie 4. 2. 2. 1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden gelegen. 4. 2. 2.

4. 2. 2. 2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. Het plangebied heeft de dubbelbestemming “Waarde

Archeologie”. Onderhavig plan heeft echter slechts betrekking op het verplaatsen van functieaanduidingen binnen het plangebied. Binnen onderhavig plan vinden geen werkzaamheden plaats waarbij de bodem verstoord wordt. –

Hiermee vormt het onderdeel Cultuurhistorie en Archeologie geen belemmering voor

onderhavig planvoornemen. 28

4. 2. 3. Mobiliteit en parkeren De locatie is en blijft ontsloten op de Venrayseweg. Ten opzichte van de huidige situatie vindt er geen wijziging plaats van de vervoersbewegingen. De functies die in de nieuwe situatie aanwezig zijn binnen het plangebied zijn reeds aanwezig

binnen het plangebied en worden slechts verplaatst binnen het plangebied. Hierdoor wijzigt ook de totale parkeerbehoefte op de locatie niet. Zowel in de huidige als te realiseren situatie is binnen het plangebied meer als voldoende ruimte aanwezige om te parkeren op eigen terrein, zowel ten behoeve van de recreatiewoningen als voor de ruitersportwinkel.

4. 3. Flora en Fauna 4. 3. 1. Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van

beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten noorden van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Boschhuizerbergen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 6, 75 kilometer. In onderhavig plan is er geen sprake van een wijziging van functies binnen het plangebied. De reeds aanwezige functies binnen het plangebied blijven aanwezig. Hierdoor heeft het planvoornemen geen negatieve effecten op de nabijgelegen

Natura2000-gebieden. 4. 3. 2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime

soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de

Vogelrichtlijn) . • Beschermingsregime

soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime

andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.

Er zal geen sloop van bestaande bebouwing of nieuwbouw plaatsvinden. Het betreft bestaande gebouwen die door middel van interne verbouwingen worden omgevormd tot de gewenste functie. Beschermde dier- en plantsoorten worden, 29

indien aanwezig, hierdoor niet aangetast. De locatie is al jaren in gebruik als bedrijfs- en recreatiebestemming in gebruik. Hierdoor is het niet aannemelijk dat binnen het plangebied beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn. In de wet Natuurbescherming is wel een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat de nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De zorgplicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Bij beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Initiatiefnemer houdt deze zorgplicht in acht.

4. 4. Landschappelijke inpassing Binnen het plangebied vinden geen wijzigingen plaats aan de aanwezige bebouwing en verharding. Het betreft slechts een omzetting van reeds bestaande functies binnen het plangebied. De locatie is reeds landschappelijk ingepast bij de wijziging naar het huidige bestemmingsplan (Venrayseweg 151 Horst) . Doordat de ruimtelijke structuur van het plangebied behouden blijft is het niet nodig om de locatie op nieuw landschappelijk in te passen. De destijds opgestelde en uitgevoerde landschappelijke inpassing voldoet en blijft

gehandhaafd.

4. 5. Waterparagraaf Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. 4. 5. 1. Provinciaal waterplan Limburg Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 2016-2021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat

hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Water en ruimtelijke ordening

Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond) waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de 30

overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële

ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. 4. 5. 2. Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de

initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en

projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3. 1. 1) . Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre) wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. 4. 5. 3. Hemelwaterinfiltratie Er vinden binnen het plangebied geen wijzigingen van erfverharding,

dakoppervlaktes en hemelwaterafvoeren plaats. Onderhavig plan betreft slechts een verplaatsing van functies binnen het plangebied, de reeds aanwezige bebouwing binnen het plangebied blijft gehandhaafd. Hierdoor vinden er ook geen wijzigingen plaats aan de reeds aanwezige afwatering.

31

5. Uitvoerbaarheid

en

procedure

5. 1. Economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

5. 2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 5. 2. 1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. In de beoogde ontwikkelingen is geen sprake van een wijziging van de bestemming van de locatie. Hierdoor vinden er voor de omgeving geen wijzigingen plaats welke van invloed zijn op de omwonenden.

5. 3. Procedure Dit plan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3. 9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behandeling

door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www. ruimtelijkeplannen. nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het plan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de 32

vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5. 4. Vooroverleg en inzage Artikel 3. 1. 1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

33

6. Juridische planopzet 6. 1. Inleiding Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6. 2. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens) .

6. 3. Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard

Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan Werkgelegenheidsgebieden II en Venrayseweg 151 Horst. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Bestemmingsregels. ; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen

34

Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0) 475 355 700 info @arvalis.nl

Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0) 478 578 257 info @arvalis.nl

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0) 43 450 5100 info @arvalis.nl

Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0) 493 242 133 info @arvalis.nl

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13409826/1