03c Toelichting
Tekst van het document
Woningen (maximaal)
minimaal 1 ontsluitingsweg
minimaal 2 ontsluitingswegen
3%-grens
3%-grens
1.500
3.000
De NIBM-grens voor woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt.
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van een nieuwe woning. Volgens de kaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ligt de concentratie PM2,5 ter plaatse in 2020 tussen 10 en 11 µg/m³, de concentratie PM10 tussen 17 en 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 16 en 18 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie ruim voldoende voor realisatie van een nieuwe woning. Naar verwachting zal de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren door nieuwe technieken. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit.
Conclusie Bij dit initiatief wordt planologisch gezien één woning gerealiseerd. Als gevolg van de bouw van één woning wordt derhalve ruim onder het genoemde 3% criterium gebleven. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse daarnaast goed genoeg voor de beoogde ontwikkeling. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2.5
Spuitzone
In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen.
In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector, de boomteelt en de glastuinbouw in acht moet worden genomen. 35
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State acht het niet onredelijk dat als vuistregel wordt gehanteerd dat tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector, de boomteelt en de glastuinbouw in het algemeen een afstand van 50 meter dient te worden aangehouden in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bij deze afstand wordt er enerzijds van uitgegaan dat de bedrijfsvoering van de kweker niet wordt belemmerd, en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woon- en leefklimaat. Een keuze voor een kortere afstand kan volgens de Afdeling in een concreet geval redelijk zijn. Daaraan dient dan wel een deugdelijke belangenafweging en motivering ten grondslag te liggen.
Gelet op de volgende argumenten kan worden geconcludeerd dat voor dit onderdeel sprake is van goede ruimtelijke ordening: -
Het meest dichtbij gelegen perceel met een agrarische bestemming waarop gewasbeschermingsmiddelen zouden kunnen worden toegepast ligt op een afstand van ruim 60 meter van de perceelsgrens van de planlocatie aan de Gasthuisstraat 64. De afstand tot de achtergevel van de nieuwe woning is derhalve nog groter;
-
Het betreffende perceel is al jarenlang in gebruik als akkerland / vollegrondsteelt van gewassen. Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op dergelijke gronden is, anders dan in de bomen- en fruitteelt nauwelijks sprake van een spuitnevel. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2342);
-
Er wordt een nieuwe woning toegevoegd in een lint bestaande uit diverse burgerwoningen. De nieuwe woning zal middels hagen worden ingepast. Dit draagt bij aan eventuele driftreductie. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1530);
-
In 2014 is door de Gezondheidsraad het onderzoek ‘Gewasbescherming en omwonenden’ gepubliceerd. Daarin wordt gesteld dat langs watergangen een smalle spuitvrije zone geldt en dat daarmee eveneens de invoering van een vrije zone langs scholen en woonhuizen e.d. voor de hand ligt. LTO Nederland heeft dit onderschreven en acht bij vollegrondteelt middels een veldspuit een afstand van 1,5 meter redelijk. Aan deze afstandseis wordt in dit geval ruimschoots voldaan;
-
Sinds 1 januari 2018 is een wijziging van het Activiteitenbesluit doorgevoerd waardoor voor open teelten een driftreductie van tenminste 75% dient te worden gerealiseerd. Hier dient op de genoemde landbouwgronden rekening mee gehouden te worden.
-
Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat voor het middel Dimetheoaat (het middel met het hoogste risico) het blootstellingseindpunt niet wordt overschreden bij bespuiting op bomen met blad op een afstand van 10 m. Dit komt onder meer omdat er in een neerwaartse richting gespoten wordt. Deze spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief. Drift is daarbij veel lager dan in de fruitteelt waar op- en zijwaarts gericht gespoten wordt. In dit geval is niet eens sprake van het bespuiten van bomen, omdat de 36
akkergronden enkel worden gebruikt voor de vollegrondsteelt.
Conclusie Gelet op bovenstaande argumenten kan worden geconcludeerd dat voor het onderdeel “spuitzone” sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te bouwen woning.
5.2.6
Geur veehouderijen
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt zowel over een geurgebiedsvisie als geurverordening (vastgesteld 30 juni 2020). Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. Uit de geurverordening blijkt dat onderstaande normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: -
de norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;
-
de norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied;
-
een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;
-
een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.
Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten (ggo) in de zin van de Wgv. Dit bestemmingsplan maakt hierdoor het toevoegen van een nieuw ggo mogelijk. De meest dichtbij gelegen intensieve veehouderij (leghennen, Hagelkruisweg 20 in Hegelsom) is gelegen op ruim 750 meter ten zuidwesten van het plangebied. De afstand tot aan het meest dichtbijgelegen emissiepunt is derhalve nog groter. Daarnaast liggen in de bestaande situatie diverse burgerwoningen veel 37
dichterbij deze veehouderij (en zijn daardoor maatgevend), waardoor de veehouderij door voorliggend planvoornemen niet verder in haar ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Bijlage C van de op 30 juni 2020 vastgestelde geurgebiedsvisie van de gemeente (als onderbouwend document behorende bij de geurverordening) geeft een indicatie van de omgekeerde werking (geurcontouren rondom bouwblokken, op basis van vergunde rechten van veehouderijen d.d. 2019). Uit deze actuele bijlage (zie uitsnede in afbeelding 7) blijkt dat de planlocatie aan de Gasthuisstraat 64 is gelegen in een zone waarvan de indicatieve geurhindercontour (voorgrondbelasting) minder dan 3 OU/m³ bedraagt.
Planlocatie
Afbeelding 9: Indicatieve geurhindercontour (voorgrondbelasting) ter plekke van de planlocatie
Uit Bijlage B van diezelfde geurgebiedsvisie van de gemeente blijkt vervolgens dat het leefklimaat ter plekke van de planlocatie op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder kan worden beoordeeld als “zeer goed”. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting die is gelegen tussen 0,0 en 3,0 OU/m³ en een kans op geurhinder van minder dan 5 %. Tenslotte zijn er geen veehouderijen met diercategorieën zonder geuremissiefactor gelegen binnen een afstand van 50 meter tot aan de planlocatie. De meest dichtbijgelegen grondgebonden veehouderij met vaste afstandsdieren is gelegen aan de Bemmelstraat 9 te Horst (schapen). De afstand tussen het bestemmingsvlak van dit bedrijf en het nieuw te realiseren bouwvlak voor de woning aan de Gasthuisstraat is ca. 330 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan genoemde afstandseis van 50 meter. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er gelet op bovenstaande uitleg geen 38
belemmeringen voor het toevoegen van een woning aan de Gasthuisstraat 64. In de woning zal sprake zijn van een zeer goed woon- en leefklimaat, zowel wat betreft de aanwezige voorgrondbelasting als achtergrondbelasting. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling, mede omdat er reeds bestaande woningen dichterbij zijn gelegen. 5.2.7
Gezondheid
In de onderhavige situatie is sprake van een nieuw te bouwen woning aan de Gasthuisstraat 64. De beoogde aanpassing naar de bestemming Wonen heeft geen invloed op de endotoxine belasting.
Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven waar geiten worden gehouden. Het meest dichtbij gelegen geitenhouderijbedrijf Losbaan 42-44 in Lottum ligt op ruim 3,2 km afstand van de locatie Gasthuisstraat 64. In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Conclusie Aangezien de planlocatie op ruim 3,2 km van een geitenhouderijbedrijf is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor de voorgestelde bestemmingswijziging.
5.2.8
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 39
2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.
De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied gelegen aan hoofdinfrastructuur. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied door de ligging in een woonlint, nabij bedrijventerrein Hoogveld en aan de Stationsstraat (N556). Hieruit volgt dat de geldende richtafstand met een stap kan worden verlaagd. In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende andere functies gelegen met daarbij de grootste richtafstand (een afstandsstap verlaagd) en de werkelijke afstand: Adres
Soort bedrijf
Richtafstand
Werkelijke afstand
Bemmelstraat 1a
Personal trainer
0m
10 m
Energiestraat 15
Kassenbouwer
50 m
75 m
Industriestraat 7
Verpakkingen
50 m
68 m
Helmesstraat 27
Tandheelkunde-
0m
35 m
praktijk
Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden die gelden voor de omliggende bedrijven. Vanwege de ligging in een gemengd gebied zijn deze met een stap verlaagd. Dit betekent dat omliggende bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering door het toevoegen van een extra woning op de planlocatie aan de Gasthuisstraat 64. Omgekeerd kan tevens worden gesteld dat in de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
40
5.2.9
Externe veiligheid Planlocatie
Afbeelding 10: Bron; Risicokaart.nl
Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in onderstaande figuur is de ligging van relevante inrichtingen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven. De twee nabijgelegen risicovolle bedrijven betreffen: Vissers Oliehandel Horst BV, Stationsstraat 90 (LPG tankstation) en Mertens BV, Handelstraat 6 (groothandel in akkerbouwproducten).
Plaatsgebonden risico Uit de afbeelding blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van voornoemde risicovolle bedrijven.
Groepsrisico Uit de bij de risicokaart behorende rapportages blijkt dat het invloedsgebied van het groepsrisico van Vissers Oliehandel 150 meter betreft en het invloedsgebied van Mertens BV 90 meter. De afstand van de terreingrens van Vissers Oliehandel tot het plangebied bedraagt ca. 570 meter. De afstand van de terreingrens van Mertens BV tot het plangebied bedraagt ruim 580 meter. 41
Transport gevaarlijke stoffen Binnen een straal van 200 meter is uitsluitend de N556 gelegen. Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s is dit wegtraject uitsluitend van belang indien hierover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij Rijkswaterstaat zijn géén jaarintensiteiten van het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg bekend. Ook blijkt uit de Risicokaart dat géén telgegevens van transporten met gevaarlijke stoffen bekend zijn over de N556. Wél is aangegeven dat de plaatsgebonden risicocontour van de weg 0 meter betreft en de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde <0,1 maal de oriënterende waarde betreft. Gelet op de zeer lage veiligheidsrisico’s kan de planvorming dan ook geen aanleiding geven om een onderzoek naar de hoogte van het groepsrisico te eisen. Op grotere afstand van het plangebied is de spoorlijn Venlo – Eindhoven gesitueerd. Doordat deze spoorweg op meer dan 200 meter afstand is gelegen, wordt geconcludeerd dat als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor geen beperkingen gelden voor het plan. Conform de vervoersaantallen zoals genoemd in Bijlage II Tabel Basis net Spoor (opgenomen in de Regeling Basisnet) vinden op het spoortraject ter hoogte van Hegelsom uitsluitend transporten met Categorie A stoffen plaats (route 12, Eindhoven aansl. – Venlo).
Uit tabel 4-2 van de HART volgt dat bij deze stofcategorie de 1% letaliteitsafstand 460 meter betreft. Gebleken is dat het plangebied geheel buiten de 1% letaliteitsgrens van het spoor is gelegen.
Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In en rondom het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig, waarvan de invloed reikt tot over het plangebied.
Conclusie Gelet op het voorgaande en gelet op de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van een nieuwe woning op de voorgestelde locatie aan Gasthuisstraat.
5.3
Waterparagraaf
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan. 5.3.1
Provinciaal Waterplan Limburg
Op 11 december 2015 heeft Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 42
vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010 -2015. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Het is een uitwerking en nadere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL 2014. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie.
Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. 5.3.2
Watertoets
Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de 43
stad als in landelijk gebied.
Plangebied De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1). Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.
Conform het stroomschema van het Waterschap Limburg dienen ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen met een toename van 2.000 m² of meer aan bebouwing of verharding te worden ingediend bij het Watertoetsloket. De bouw van één nieuwe woning aan de Gasthuisstraat leidt bij lange na niet tot een toename van bebouwing en verharding die groter is dan 2.000 m². Het doorlopen van de watertoets is derhalve niet noodzakelijk.
Grondwater Het plangebied ligt niet in een grondwaterwingebied.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst bestaat er ook geen intentie dit aan te leggen. In de directe omgeving is ook geen oppervlaktewater aanwezig waarop het plan effect zou kunnen hebben.
Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op watergerelateerde ecosystemen.
Afvalwater Het afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering in de directe omgeving.
Hemelwater De beoogde ontwikkeling zal naar verwachting tot een beperkte toename van de totale hoeveelheid verhard oppervlak leiden. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de nog nader te bepalen infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt. Daarnaast mag een bui die eens in de 100 jaar voorkomt geen overlast voor derden veroorzaken. De opvangcapaciteit dient volgens de meest recente richtlijnen 100 mm per 44
24 uur per m² verharding en bebouwing te zijn. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.
Conclusie Gelet op bovenstaande uitleg zijn er vanuit het aspect Water geen belemmeringen voor de voorgestelde planontwikkeling.
5.4
Kabels en leidingen
In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd moeten worden. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG) hebben de bescherming van soorten en hun natuurlijke habitats tot doel. Elke lidstaat is verplicht speciale beschermingszones aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: ‘Natura 2000’. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet heeft drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Conform deze wet bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied en zorgen zij voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren.
Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken, gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige 45
gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is wel komen te vervallen. Provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.
Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden.
NNN-gebieden De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied, (’t Ham) bevindt zich circa 715 meter ten zuid-oosten van de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Natura 2000 Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied de Deurnsche Peel & Mariapeel, bevindt zich op circa 8,1 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie. Daarnaast bevindt zich het Natura 2000gebied de Maasduinen op circa 8,3 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te beoordelen. Gezien de forse onderlinge afstand heeft het toevoegen van een nieuwe woning aan de Gasthuisstraat 64 geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor genoemde Natura2000-gebieden.
46
Planlocatie
Afbeelding 11: Ligging Natura 2000-gebieden. Groene stip betreft de projectlocatie.
Voor het plan wordt uitsluitend het projecteffect van de uiteindelijke gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Voor de aanlegfase (sloop en bouwwerkzaamheden) wordt aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling.
De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar de woning. De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2021.0.2). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
Conclusie De bouw van één woning op een afstand van ruim 8 km tot het meest dichtbijgelegen Natura 2000 gebied, heeft gelet op bovenstaande uitleg, zowel in de aanleg als gebruiksfase, geen significant negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van het betreffende Natura 2000 gebied.
Soortenbescherming Om te kunnen bepalen of er in een bepaald plangebied (habitats van) beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn wordt, voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Mocht uit deze quickscan blijken dat er geen (habitats van) beschermde flora en fauna aanwezig zijn dan is daarmee aan de onderzoeksplicht voldaan. Is er naar aanleiding van deze quickscan wel sprake van aanwezigheid of vermoeden van voorkomen van (habitats van) beschermde plan- en diersoorten dan dient in veel gevallen een vervolgonderzoek hierover meer duidelijkheid te verschaffen.
Het plangebied betreft nu tuin, bestaande uit een gazon met aan de straatzijde een coniferenhaag. 47
Hier worden in alle redelijkheid geen beschermde dier- of plantensoorten verwacht. Daarnaast zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van broedvogels worden uitgevoerd dan wel zal voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie worden uitgevoerd. Ten aanzien van grondgebonden zoogdieren en amfibieën zal aandacht worden besteedt aan de zorgplicht. Ten aanzien van vleermuizen kan nog worden opgemerkt dat in de omgeving meer dan voldoende foerageergebied aanwezig is.
Conclusie Gelet op de te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de voorgenomen plannen van de initiatiefnemer met betrekking tot ecologie uitvoerbaar zijn, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen van algemene vogelsoorten. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen dient ten allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën. Voor Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.
5.6
Archeologie en Cultuurhistorie
Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 en haar opvolger de Omgevingsvisie Limburg is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het provinciale beleid is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het provinciale beleid schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen.
Conclusie Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er in de nabijheid van het plangebied enkele panden uit het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Het betreft de woningen: -
Gasthuisstraat 62 (buurperceel): Dit woonhuis is ontworpen door architect P. Hermans en past binnen de stijl van het traditionalisme. Bouwjaar van de woning is 1930. Het object is van belang omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft;
-
Gasthuisstraat 74: boerderijwoning uit ca. 1915, ook ontworpen binnen de stijl van het traditionalisme. Ook deze woning is van belang omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft; 48
Bij de verdere uitwerking van het bouwplan voor de nieuw te realiseren woning in voorliggend plangebied zal rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarde van het pand op Gasthuisstraat 62.
Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is de planlocatie grotendeels gelegen binnen het gebied dat is aangeduid als “Bebouwde kom”, waarvoor een “onbekende verwachting geldt” en voor een klein deel binnen een gebied met “archeologische waarde” (zie afbeelding 13).
Afbeelding 12: uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Horst aan de Maas
49
In gebieden met een onbekende archeologische verwachting (categorie 7), maakt het bevoegd gezag per geval een afweging of wel of geen archeologisch vooronderzoek verplicht gesteld wordt. Op de planlocatie aan de Gasthuisstraat 64 is sprake van een verstoorde locatie, doordat het plangebied tot 1997 bebouwd is geweest. Door een brand in dat jaar is de woning die daar voorheen aanwezig was tenietgegaan. Bij de bouw van deze woning en de sloop van de afgebrande woning in 1997 (waarbij de fundering is verwijderd en zand is afgevoerd en aangevoerd) is de bodem reeds verstoord, waardoor ter plaatse geen archeologische waarden meer worden verwacht. Op basis van tabel 2 zoals opgenomen in de actualisatie van de Maatregelenkaart kan worden uitgegaan van een bestaande situatie. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt om deze reden als niet noodzakelijk geacht. Indien in het plangebied toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag conform artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet 2016.
Conclusie Het aspect archeologie vormt gelet op de beperkte bodemingreep geen belemmering voor voorliggend planvoornemen.
5.7
Verkeer en parkeren
De nieuwe ontwikkeling maakt gebruik van de bestaande infrastructuur. Daardoor wijzigt de verkeerssituatie ter plaatse nauwelijks. De nieuwe woning wordt ontsloten door de Gasthuisstraat welke hiervoor voldoende capaciteit heeft. Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op grond van deze nota is de parkeernorm bij een nieuwe woning in het stedelijk gebied 2 parkeerplaatsen. Op de planlocatie is voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig om 2 parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast kan ook op de doodlopende straat voor de woning geparkeerd worden.
50
6 UITVOERBAARHEID 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefneemster te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
De uitvoering van het plan is in particuliere handen. Het project heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Hoewel het niet is te verwachten dat derden schade leiden door de gevraagde ontwikkeling, hebben de initiatiefnemers een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente. Eventuele planschade komt hierdoor niet voor rekening van de gemeente. De kosten met betrekking tot het ambtelijk apparaat zijn afgedekt door de leges.
6.2
Handhaving
Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2017 is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. De besturen van de gemeenten streven naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.
51
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
Vooroverleg Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
De provincie Limburg heeft per mail van 4 juli 2022 aangegeven dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen en dat, indien het plan op deze wijze wordt voortgezet, er geen aanleiding zal zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft omwonenden in kennis gesteld van zijn bouwplan en heeft de mailwisselingen hierover ter hand gesteld aan de gemeente Horst aan de Maas.
Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.
De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er dan als volgt uit: -
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;
-
Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
-
Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
-
Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;
-
Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; 52
-
Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
-
Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de voorzieningenrechter.
Het ontwerpbestemmingsplan “Gasthuisstraat 64” heeft vanaf 28 oktober 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Gedeputeerde Staten van Limburg hebben in een mailreactie d.d. 5 december 2022 aangegeven dat het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen en zij geen aanleiding zien om een zienswijze tegen het plan in te dienen.
53
7 JURIDISCHE TOELICHTING Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond en de BGT, schaal 1:1000 waarop de specifieke bestemmingen zijn weergegeven.
Aan het bouwperceel is een woonbestemming en een bouwrecht toegekend.
Toelichting op de regels: Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1:
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
Hoofdstuk 2:
Bestemmingsregels;
Hoofdstuk 3:
Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels;
Hoofdstuk 4:
Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
54