CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting

Gemeenteraad 31 januari 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Meerlosebaan 7 te Grubbenvorst.16.914 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vastgesteld bestemmingsplan Meerlosebaan 7, Grubbenvorst NL.IMRO.1507.GRMEERLOSEBAAN7-BPV1

Document:

Bestemmingsplan “Meerlosebaan 7 Grubbenvorst”

IDN:

NL.IMRO.1507.GRMEERLOSEBAAN7-BPV1

Status:

Ontwerp

Datum:

31 januari 2023

Aanvrager:

Familie Zom

Auteur:

ing. N.A.H. van den Ekker

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4 1.4 Leeswijzer .....................................................................................................................................................6

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................7 2.1 Algemeen ......................................................................................................................................................7 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur ...........................................................................................................7 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................8

3.

BELEID ................................................................................................................................................................ 10 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................... 10 3.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................................. 10 3.3 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 12 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 18

4.

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 21 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 22 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 22

5.

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 24 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 24 5.2 Milieuaspecten........................................................................................................................................... 24 5.3 Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 34 5.4 Kabels en leidingen................................................................................................................................... 35 5.5 Natuur ......................................................................................................................................................... 35 5.6 Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 36 5.7 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 37

6.

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 39 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 39 6.2 Handhaving................................................................................................................................................ 39 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 41 6.4 Procedure................................................................................................................................................... 42

Vastgesteld

1

7.

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 43 7.1 Planstukken ............................................................................................................................................... 43 7.2 Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 43 7.3 Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 44

BIJLAGEN Bijlage 1: Rekengegevens en resultaten geurbelasting (achtergrondbelasting)

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

In het buitengebied van Grubbenvorst, aan de Meerlosebaan 7, staat de woning van initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft deze locatie in 2018 aangekocht en woont hier sindsdien met zijn gezin. Als nevenactiviteit exploiteert initiatiefnemer op deze locatie camperplaats “Kompas”. De locatie is voorzien van een recreatieve bestemming waardoor feitelijk gezien de camperplaats de hoofdfunctie vormt en in dat kader is de woning van de initiatiefnemer aangewezen als bedrijfswoning. Initiatiefnemer is voornemens de locatie te verduurzamen door het asbestcementen dak van de loods te vervangen om vervolgens op het nieuwe asbestvrije dak zonnepanelen te leggen. Om de verduurzamingsslag te kunnen maken is het van belang dat de planologische situatie overeenkomt met het feitelijke gebruik. De hoofdfunctie van de locatie betreft wonen. De camperplaats betreft een nevenactiviteit bij de woonfunctie. In dat kader is initiatiefnemer voornemens om de recreatieve bestemming om te zetten in de bestemming ‘Wonen’. Hiermee zal de bedrijfswoning worden omgezet naar een burgerwoning. De aanwezige camperplaats blijft behouden als nevenactiviteit bij de woonfunctie.

Afbeelding 1. Ligging locatie Meerlosebaan 7 ten opzichte van bebouwde kom Grubbenvorst

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 25 mei 2022 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde nieuwe situatie juridischplanologisch vastgelegd door de recreatieve bestemming gedeeltelijk te wijzigen in een woonbestemming (ter plaatse van de woning en de loods) en gedeeltelijk in een agrarische bestemming met daarbij de mogelijkheid om de camperplaats voort te zetten.

Vastgesteld

3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

De woning en camping van initiatiefnemer zijn gelegen aan de Meerlosebaan 7 in Grubbenvorst. De locatie is gelegen ten noordwesten van de kern en staat kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie L en perceelnummer 262. Betreffende perceel heeft een oppervlakte van circa 0,9 ha en wordt in dit bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”.

De locatie is feitelijk gezien verdeeld in twee delen; het oostelijke gedeelte wordt gebruikt ten behoeve van woondoeleinden en het westelijke gedeelte wordt gebruikt ten behoeve van recreatieve doeleinden. De oostelijke zijde van de locatie is bebouwd met een woning, een aangebouwd bijgebouw en een vrijstaande loods. Achter de loods is de camperplaats gelegen. De camperplaats is gedeeltelijk voorzien van erfverharding en de rest is onverhard. De locatie wordt in het noorden en westen begrensd door landbouwgrond. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door een agrarisch bedrijf. In het oosten wordt het plangebied begrenst door de Meerlosebaan met aan de overzijde de Lovendaalse Bossen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en de daarop volgende herziening “Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020” (d.d. 8 september 2020). Het plangebied is hierin bestemd als ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – camperstandplaats’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’. De locatie is daarnaast voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’ en van de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’, ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’, ‘overige zone – bos- en mozaik landschap’ en ‘overige zone – heideontginning’. Vastgesteld

4

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omlijnd

De voor ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsrecreatieve functies met in dit geval een camperstandplaats. De gronden zijn daarnaast bestemd voor wonen in een bedrijfswoning en bij de woning behorende voorzieningen. Het wonen in de bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de recreatieve bestemming, noodzakelijk is. Burgerbewoning wordt uitgesloten in een bedrijfswoning en is daarom strijdig met het vigerende bestemmingsplan. In het vigerende bestemmingsplan is onder artikel 49.2 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bestemmingen, waaronder de bestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’, onder voorwaarden, om te zetten in de bestemming ‘Wonen’. Deze wijzigingsbevoegdheid kan echter in dit geval niet worden toegepast omdat op voorhand niet aan een aantal voorwaarden kan worden voldaan. Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen toepassen moet de camperstandplaats worden beëindigd. Initiatiefnemer is voornemens om de camperstandplaats te behouden als nevenactiviteit bij de burgerwoning. Daarnaast mag de oppervlakte van de woonbestemming maximaal 1.500 m2 bedragen waarbij de overige gronden dienen te worden gewijzigd in een bestemming zonder bouwmogelijkheden.

De maximale oppervlakte van de woonbestemming is voor initiatiefnemer niet haalbaar vanwege de ligging van de aanwezige bebouwing. Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van artikel 21 ‘Wonen’ van het vigerende bestemmingsplan van toepassing. In dit artikel is opgenomen dat maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig mag zijn. Initiatiefnemer wil graag het aangebouwde bijgebouw en de vrijstaande loods behouden als bijgebouwen bij de woning. Hiermee wordt tevens de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken overschreden.

Vastgesteld

5

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief zelf wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Vastgesteld

6

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving. Daarnaast komt kort de historische ontwikkeling aan bod. Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kern Grubbenvorst. Grubbenvorst maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern heeft circa 4.800 inwoners.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie van het plangebied

De locatie is feitelijk gezien verdeeld in twee delen; een woongedeelte en een recreatief gedeelte. Het woongedeelte is bebouwd met een woning, een aangebouwd bijgebouw en een vrijstaande loods. Het aaneengebouwd bijgebouw is in privégebruik als zijnde kantoor, atelier en garage. De loods betreft een vrijstaande bijgebouw. De camperplaats is gelegen aan de westelijke zijde van het perceel. De camperplaats is gedeeltelijk voorzien van erfverharding en de rest is onverhard en betreft een goed onderhouden grasveld. Het woon- en recreatief gedeelte worden van elkaar gescheiden middels erfafscheiding. Daarbij zijn beide gedeeltes tevens voorzien van een eigen inrit.

2.2

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Grubbenvorst. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een mozaïeklandschap. Hier liggen verschillende bos- en natuurgebieden met daartussen open gebieden. Dit is duidelijk herkenbaar in de omgeving door de (grote) onbebouwde landbouwpercelen en daartussen of omheen natuur- en bosgebieden.

Vastgesteld

7

Afbeelding 2. Impressie woning Meerlosebaan 7 Grubbenvorst

Afbeelding 3. Impressie Camperplaats “Kompas”

Van oorsprong kent de omgeving van het plangebied een agrarische functie. In de loop der jaren heeft de agrarische functie steeds meer ruimte moeten maken voor andere functies zoals woningbouw en andersoortige bedrijvigheid. De onbebouwde percelen zijn daarbij nog wel in agrarisch gebruik als zijnde akker- of weiland.

Afbeelding 4. en Afbeelding 5 Impressie Meerlosebaan

In de omgeving zijn ook veel bos- en natuurgebieden gelegen waardoor de natuurfunctie eveneens prominent aanwezig is. Aan de overzijde van het plangebied ligt een uitschieter van de “Lovendaalse Bossen”. Daarnaast liggen op korte afstand de bosgebieden “Kaldenbroek” en “Houthuizerheide”. Op korte afstand liggen tevens een speeltuin en een visvijver derhalve is de recreatieve functie eveneens prominent aanwezig. Ten zuidoosten van het plangebied, in de bebouwde kom van Grubbenvorst, is juist sprake van een overheersende woonfunctie. In de kern zijn dan voornamelijk woningen gelegen met daartussen enkele centrumvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen.

2.3

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Het dorp Grubbenvorst is ontstaan vanuit de heerlijkheid Vorst. Het dorp zou al duizenden jaren voor Christus bewoond moeten zijn geweest blijkens opgravingen. De kern van Grubbenvorst is ontstaan rondom de huidige Kerkstraat, Dorpsstraat en Pastoorsstraat. Buiten de kern was er sprake van zeer verspreide ligging van woningen waardoor er diverse buurtgemeenschappen zijn ontstaan. Dit waren de buurtgemeenschappen Raaieind, Heierhoeven, Californië, Broekeind en de Veestraat. In de jaren daaropvolgend zijn hier nog de buurtgemeenschap Lovendaal, Horsterweg, Lottumseweg en Witveld aan toegevoegd.

Vastgesteld

8

Afbeelding 6. Situatie omstreeks 1880

Afbeelding 7. Situatie omstreeks 1955

Het plangebied is gelegen binnen het buurtschap Lovendaal en betreft van oorsprong een bosgebied. Het plangebied is omstreeks 1955 ontbost en in gebruik genomen als landbouwgrond. In 1980 verschijnt de huidige bebouwing binnen het plangebied. De locatie is niet veel later bebouwd met een agrarische bedrijfsbebouwing. Na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten is deze bebouwing in gebruik genomen als bijgebouw bij de woning. In 2013 is de camping aan de westzijde van het perceel gerealiseerd.

Afbeelding 8. Situatie omstreeks 1980

Vastgesteld

Afbeelding 9. Situatie omstreeks 2017

9

3.

BELEID

3.1

Algemeen

In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een Vastgesteld

10

belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

Op basis van de vier verschillende prioriteiten zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Initiatiefnemer is voornemens de locatie te verduurzamen door het asbestcementen dak van de loods te vervangen en vervolgens op het nieuwe asbestvrije dak zonnepanelen te leggen. De zonnepanelen zijn beoogd voor het verbruik van de woning en camperplaats waarbij initiatiefnemer in de toekomst de overcapaciteit wil benutten om twee oplaadpunten voor elektrische campers te realiseren. Om de verduurzamingsslag te kunnen maken is het van belang dat de planologische situatie overeenkomt met het feitelijke gebruik derhalve wordt de recreatieve bestemming gewijzigd naar een woonbestemming. De zonnepanelen leveren een belangrijke bijdrage aan een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, welke ook in 2050 CO2 arm is.

In de NOVI wordt gesproken over de voorkeursvolgorde van energietransitie, namelijk het realiseren van zonnepanelen op daken en gevels, onbenutte terreinen in bebouwd gebied, landelijke gebied en vervolgens op landbouw- en natuurgronden. Met het initiatief wordt derhalve ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Vastgesteld

11

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de andere belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake.

Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op de functiewijziging van bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er hoeft in het kader van het initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014).

Vastgesteld

12

De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de omgevingsvisie zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden.

Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen.

Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. Wonen De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt.

Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Vastgesteld

13

Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen.

Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woonen leefomgeving leidend zijn. Met de beoogde bestemmingswijziging wordt beter aangesloten bij de feitelijke situatie van de locatie. Het woongebruik is feitelijk het belangrijkste gebruik. Met het initiatief worden derhalve de woonwensen van initiatiefnemer ingewilligd, zonder daarbij fysiek wijzigingen op de locatie te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. Energie De energievoorziening in Nederland gaat de komende decennia fors veranderen.

Limburg heeft een verleden met energiewinning en vanuit ervaring met transities hierin kan Limburg een belangrijk innovatiepotentieel zijn die voor heel Nederland relevant kan zijn. De energietransitie is een grote opgave die in sommige Limburgse regio’s complexer is dan elders in het land. Dat heeft te maken met het relatief oude woningbestand met bijbehorend laag energielabel. Bovendien is het aandeel eigen woningen in onze provincie hoog en zijn er meer grondgebonden en verspreid liggende woningen. De energietransitie vraag om aanpassingen aan onze boven- en ondergrondse infrastructuur. Het bestaande energienetwerk zal veranderen, zowel op lokale, nationale als ook internationale schaal. Nieuwe energiedragers en nieuwe technieken voor de opslag van duurzaam opgewekte energie vragen omgevingsruimte. Er zal geïnvesteerd moeten worden in vernieuwing en/of uitbreiding van het bestaande netwerk. Daarbij kunnen bestaande buisleidingen en nieuwe technieken voor de opslag van duurzaam opgewekte energie een belangrijke rol spelen. Onze euregionale ligging biedt hierbij zowel kansen als uitdagingen, bijvoorbeeld als het gaat om extra ruimte en strategische verbindingen met de rest van Nederland en Duitsland en België.

Vastgesteld

14

De provincie erkent dat mensen vanuit verschillende uitgangspunten en opvattingen meewerken aan een innovatief energietransitie beleid, dat onze economisch structuur versterkt, de gemeenschap minder afhankelijk maakt van fossiele brandstoffen uit het buitenland en dat tegelijkertijd de gevolgen van uitstoot vermindert en rekening houdt biodiversiteit. Er wordt provinciaal gestreefd naar minder aardgasgebruik in 2050. Voor 2030 wekken de 30 landelijke RES’s regio’s 36 TWh elektriciteit op het land op, doormiddel van zon- en windenergie. Bij het realiseren van afspraken en nationale ambities rondom de energietransitie baseert de provincie haar handelen op draagvlak. Initiatieven moeten haalbaar en betaalbaar zijn. De nationale doelstelling is om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Ook in het kader van de European Circulair Hub is het streven dat chemiecluster Chemelot in 2050 volgens de klimaatdoelstellingen opereert d.w.z. met nul-uitstoot van CO2 en duurzaam circulair gebruik van materialen. Als Provincie Limburg dragen wij naar vermogen bij aan de energietransitie. Dit doen wij vanuit wettelijke taken, bestuurlijke afspraken en vastgesteld beleid. Daarnaast geven wij richting aan en spelen wij in op nieuwe ontwikkelingen en innovaties. De Provincie komt niet met eigen aanvullende norm- of taakstellingen.

De Provincie wenst dat er minder aardgas wordt verbruikt in 2050 door in te zetten op het opwekken van elektriciteit in de vorm van wind- en zonne-energie. Het initiatief kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren door het plaatsen van zonnepanelen op het dak van de loods. Door de plaatsing van de zonnepalen vindt opwekking van duurzame energie plaats. De zonnepanelen zijn beoogd voor het verbruik van de woning en camperplaats waarbij initiatiefnemer in de toekomst de overcapaciteit wil benutten om twee oplaadpunten voor elektrische campers te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019.

Vastgesteld

15

De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Bronsgroene landschapszone; ▪ Boringsvrije zone Venloschol. Bronsgroene landschapszone In het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg kaart 4 worden de verschillende landschapstypen ruimtelijk geduid en in hoofdstuk 4 worden de kernkwaliteiten groene karakter (landschapsecologie/natuurlijk), visueel-ruimtelijke karakter, cultuurhistorisch erfgoed en reliëf van de diverse landschapstypen beschreven. Tevens wordt per landschapstype inspiratie gegeven voor een gewenste ontwikkelingsrichting. Bij de beschrijving van de verschillende landschapstypen wordt min of meer uitgegaan van het ideaaltype. In werkelijkheid zullen uitzonderingen voorkomen die met aanvullend (veld)onderzoek uitgewerkt kunnen worden. De kernkwaliteit cultuurhistorisch erfgoed heeft in het Landschapskader vooral betrekking op historische geografie. Daarom zijn voor deze kernkwaliteit een aantal generieke aspecten toegevoegd. Omdat de kernkwaliteit reliëf in het Landschapskader niet altijd specifiek uitgewerkt is, is een aantal generieke aspecten toegevoegd.

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.

Afbeelding 10. Uitsnede landschapskader Noord- en Midden-Limburg met plangebied rood omlijnd

Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart wordt het landschap ter plaatse van het plangebied aangeduid als ‘bos en mozaïeklandschap’. Het bos- en mozaïeklandschap bestaat uit verschillende bos- en natuurgebieden. Dit landschap kenmerkt zich dan ook door beslotenheid. Binnen de bos- en natuurgebieden liggen enkele open gebieden. De open gebieden kunnen grazige vegetaties zijn als heide, bloemrijk grasland, hooiland of kleine akkers. De bos- en mozaïeklandschappen zijn visueel-ruimtelijk bijzonder aantrekkelijke gebieden als gevolg van de afwisseling van kleinschalige open ruimten en besloten bosgebieden, de dominante aanwezigheid van groen en de geringe bebouwing. Er zijn veel wisselende doorzichten naar het achterliggende (half) open landschap.

Vastgesteld

16

Binnen het bos- en mozaïeklandschap wordt voornamelijk gericht op het versterken en uitbreiden van dit type landschap. Er wordt dan voornamelijk ingezet op het stimuleren en herstellen van de landschapselementen. Nieuwe bebouwing is over het algemeen niet wenselijk. Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk als een bijdrage wordt geleverd aan de natuur, het bos en het landschap en mits de nieuwe bebouwing passend is binnen het aanwezige landschap. Het voornemen bestaat om een bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. De omzetting sluit aan bij het feitelijke gebruik van de locatie als woning met als nevenactiviteit een camperplaats. Daarnaast is de omzetting noodzakelijk om de locatie te kunnen verduurzamen. De beoogde ontwikkeling tast de landschapskarakteristiek van het hierboven beschreven landschapstype niet aan, doordat slechts sprake is van een functiewijziging. Fysiek gezien wijzigt er niets op betreffende locatie. Bij een ontwikkeling in de bronsgroene landschapszone moet het landschap er in ieder geval op vooruit gaan. De locatie is reeds voorzien van een erfbeplanting die aansluit bij de karakteristiek van de omgeving. Deze erfbeplanting blijft in het kader van het initiatief volledig in stand. Het initiatief doet daarom geen afbreuk aan de landschappelijke waarden van de omgeving.

Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 23 meter boven NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 18 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval niet aan de orde. De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ is opnieuw van toepassing verklaard voor het plangebied. Overig In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.2.3. Er is sprake van een functiewijziging van recreatie naar woondoeleinden waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag en daarom ook niet van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is.

3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter.

Vastgesteld

17

Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 0 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde regionale woonvisie blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Middels onderhavig initiatief wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De behoefte aan de woning is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat initiatiefnemer de locatie al jaren gebruikt ten behoeve van woondoeleinden. Het initiatief vervult de woonwens van de initiatiefnemer om de feitelijke situatie planologisch vast te leggen.

De gemeente Horst aan de Maas heeft dan ook aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief omdat het aansluit bij de feitelijke situatie en er geen sprake is van nieuwe woningen.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd.

Vastgesteld

18

De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit sprake te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijk grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. De projectlocatie is gelegen in deelgebied 8 ‘Greenport Venlo’. Deelgebied 8 is niet nader uitgewerkt in de structuurvisie omdat hier de structuurvisie “Klavertje 4” van toepassing is. Zie hierna.

Afbeelding 8. Uitsnede gemeentelijke structuurvisie

3.4.2 Structuurvisie Klavertje 4 De gemeenteraden van Horst aan de Maas, Peel & Maas en Venlo hebben de Structuurvisie Klavertje 4 vastgesteld. Met deze structuurvisie is de volgende stap gezet in de ontwikkeling van het 5.400 ha grote gebied “Klavertje 4” in Noord-Limburg en kan sneller worden geschakeld bij de verdere ontwikkeling. Om structuurversterking een plek te geven is het Klavertje 4-gebied aangewezen als ontwikkelingsgebied voor de totale agrarische productiekolom. Hier worden werklandschappen (bedrijventerreinen / glastuinbouw), vastgoed, gebieds brede voorzieningen en een hoogwaardig landschap gerealiseerd. De bestaande en toe te voegen bedrijvigheid focust zich op agribusiness, glastuinbouw, (agro)logistiek en hieraan gerelateerde bedrijvigheid en onderzoeks- en onderwijsinstellingen. Om planologisch sturing te geven aan deze ontwikkeling is de Structuurvisie Klavertje 4 vastgesteld. Het plangebied is gelegen in het gebied ‘Lovendaal’. Lovendaal bestaat uit een concentratie van woningen en (agrarische) bedrijven en wordt omringd door een gebied met hoge natuur- en landschapswaarden. Om deze waarden te beschermen wordt in Lovendaal een consoliderend beleid toegepast. Dit houdt in dat bestaande (agrarische) bedrijven worden gehandhaafd en hun huidige rechten behouden, zoals die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan.

Met onderhavige bestemmingswijziging wordt aangesloten bij de feitelijke situatie van de locatie. De bestaande woning wordt in dat kader omgezet van bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er is uitsluitend sprake van een functionele wijziging van een al bebouwd perceel. Het omzetten van de recreatiebestemming in een woonbestemming is niet strijdig met de uitgangspunten zoals opgenomen in de structuurvisie. 3.4.3 Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Groter bouwen in het buitengebied” van toepassing. De gemeenteraad heeft dit beleid op 7 februari 2012 vastgesteld. Op dit moment geldt voor woonbestemmingen in het buitengebied dat woningen niet groter mogen zijn dan 1.000 m³ (hoofdgebouw) met een bijgebouw van maximaal 150 m².

Vastgesteld

19

Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 ergens bijgebouwen worden gesloopt (de te slopen bijgebouwen dienen wel legaal te zijn). In de structuurvisie is opgenomen dat een eventueel tekort kan worden gecompenseerd door een financiële bijdrage van € 45,- per m² tekort aan te slopen bijgebouwen. De volgende regels zijn puntsgewijs van toepassing: ▪ Het is altijd toegestaan om bijgebouwen op te richten tot 150 m2; ▪ Bijgebouwen mogen in het buitengebied behouden blijven (of teruggebouwd worden) tot een maximaal oppervlak van 600 m2; ▪ Sloop uit het verleden (tot maximaal 5 jaar geleden) mag meetellen voor het mogen terugbouwen van bijgebouwen tot een maximum van 600 m2; ▪ De hoofdregel is dat 2/3 gesloopt moet worden. Indien een aanvrager toch meer wil terugbouwen, tot maximaal wat er stond, geldt er een afdracht van € 45,- per m2 over het aantal vierkante meters dat boven de sloopverhouding en boven de 150 m2 word teruggebouwd; ▪ Gemeente rekent met € 45,- per m2 en niet met € 15,- per m3; ▪ Sloop elders telt niet mee voor het bouwen van extra bijgebouwen. Op de locatie is, nadat de recreatieve bestemming is gewijzigd naar een woonbestemming, conform de maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied, maximaal 150 m2 aan bijgebouwen per woning toegestaan.

Initiatiefnemer wil graag de aanwezige loods en het aaneengebouwd bijgebouw behouden. In de beoogde situatie is daarom sprake van een woning met 779 m2 aan bijbehorende bouwwerken. Op basis van de maatwerknotitie mogen maximaal 600 m2 aan bijgebouwen behouden blijven. De aanwezige loods is compact gebouwd en verdeeld in diverse compartimenten. Sloop van een gedeelte van het gebouw zou betekenen dat het gehele gebouw (grondig) verbouwd moet worden, wat zou leiden tot onnodig hoge kosten. Voor het woongenot van initiatiefnemer is het noodzakelijk om ook deze ruimte te behouden. Tevens wil initiatiefnemer het dak van de loods vervangen om hier zonnepanelen op te plaatsen. In dat kader wordt geïnvesteerd in volledige asbestsanering en wordt de locatie verduurzaamd, wat positief is voor de ontwikkeling van de woning en de camperplaats. Ook het aangebouwd bijgebouw kan niet worden gesloopt omdat deze in gebruik is als keuken, bijkeuken, kantoor en opslag. In dit specifieke geval geeft de gemeente Horst aan de Maas dan ook aan dat de bestaande oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, ter grootte van 779 m2, behouden mag blijven. Uitgaande van het behoud van 779 m2 aan bijbehorende bouwwerken is op grond van het beleid een financiële kwaliteitsbijdrage aan de orde. De te betalen kwaliteitsbijdrage wordt vastgelegd in een af te sluiten anterieure overeenkomst.

Vastgesteld

20

4. PLANBESCHRIJVING Aan de Meerlosebaan 7 in Grubbenvorst is de woning van initiatiefnemer gelegen. Bij de woning wordt als nevenactiviteit een camperplaats geëxploiteerd. De locatie is aan de oostelijke zijde in gebruik ten behoeve van het wonen. Dit deel van het perceel is bebouwd met een woning, een aangebouwd bijgebouw in privégebruik als zijnde kantoor, atelier en garage (oppervlakte 150 m2) en een vrijstaande loods (oppervlakte 600 m2). Aan de westelijke zijde exploiteert initiatiefnemer camperplaats “Kompas”. De locatie is voorzien van een recreatieve bestemming waardoor de camperplaats de hoofdfunctie betreft en de woning van initiatiefnemer formeel is aangewezen als bedrijfswoning. De feitelijke situatie is echter dat initiatiefnemer altijd elders een baan heeft gehad. De exploitatie van de camperplaats is altijd een nevenactiviteit geweest, niet de hoofdfunctie. Initiatiefnemer heeft dan ook nauwelijks werk met de camperplaats; er is een slagboomsysteem die door de gasten zelf bediend wordt, er is geen sanitair gebouw, geen horecavoorziening, geen speelvoorziening, etc. Er zijn alleen elektrapunten en een voorziening om de chemische toiletten te legen. De exploitatie en het beheer van de camperplaats vormt daarmee niet de belangrijkste (werk)tijdsbesteding van initiatiefnemer en vormt ook zeker niet het hoofdinkomen.

Initiatiefnemer is voornemens de locatie te verduurzamen door het asbestcementen dak van de loods te vervangen en vervolgens op het nieuwe asbestvrije dak zonnepanelen te leggen. Op deze wijze beoogt initiatiefnemer vorm te geven aan een transitie naar groene, duurzame energie waarbij energieneutraal kan worden gewoond en gerecreëerd op de camperplaats. Op het dak van de loods kunnen zonnepanelen worden geplaatst met een totale jaaropbrengst van 52.000 kW. Initiatiefnemer verbruikt thans privé en op de camperplaats 40.000 kW per jaar. De overcapaciteit (12.000 kW) wil initiatiefnemer benutten om in de toekomst twee oplaadpunten voor elektrische campers te realiseren. Daarmee zou camperplaats “Kompas” een van de eerste camperplaatsen van Nederland kunnen worden met dergelijke oplaadvoorzieningen. Om de verduurzamingsslag te kunnen maken is financiering via de bank noodzakelijk. Om dit echter via de bank te kunnen financieren is het van belang dat de planologische situatie overeenkomt met het feitelijke gebruik. De woning wordt thans gebruikt als burgerwoning door initiatiefnemer. De camperplaats betreft een nevenactiviteit bij de woonfunctie (welke als hoofdfunctie is aan te merken). In dat kader dient de recreatieve bestemming te worden omgezet in de bestemming ‘Wonen’. Hiermee zal de bedrijfswoning dan worden omgezet naar een burgerwoning.

De loods en het aangebouwd bijgebouw blijven behouden als bijgebouwen bij de woning.

Afbeelding 11. Impressie beoogde ontwikkeling Meerlosebaan 7 met geel het woongedeelte en groen het recreatieve gedeelte.

Vastgesteld

21

De camperplaats wenst initiatiefnemer te behouden als nevenactiviteit bij de woning. In dat kader dienen het aantal standplaatsen terug te worden gebracht van 30 naar 25, aangezien dit aantal standplaatsen maximaal zijn toegestaan als nevenactiviteit bij een woning.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht om de recreatieve bestemming aan de Meerlosebaan 7 in Grubbenvorst te wijzigen in een woonbestemming en in een agrarische bestemming waar de recreatieve doeleinden kunnen worden voortgezet. De aanwezige bedrijfswoning wordt in dat kader omgezet naar een burgerwoning en de camperplaats blijft behouden als nevenfunctie bij de woning. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Aan de oostelijke zijde van het plangebied wordt de bestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’.

In dat kader wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning; ▪ Binnen de woonbestemming is het mogelijk om de loods en het aangebouwd bijgebouw te behouden door het opnemen van de maatvoeringsaanduiding ‘oppervlakte: 779 m2’; ▪ Aan de westelijke zijde van het plangebied wordt de bestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch met waarden’; ▪ Binnen de agrarische bestemming is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – activiteit’ toegekend zodat het gebruik van de camperplaats tot 25 kampeerplaatsen kan worden voortgezet; ▪ Verder dienen alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan opnieuw van toepassing te worden verklaard; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan voor het buitengebied van Horst aan de Maas, zijnde ‘Buitengebied Horst aan de Maas”. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin een deel van het plangebied is bestemd als ‘Wonen’ en een deel is bestemd als ‘Agrarisch’. Binnen de woonbestemming is de maatvoeringsaanduidingen ‘oppervlakte: 779 m2’opgenomen. Daarnaast is binnen de agrarische bestemming de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – activiteit’ opgenomen.

De aanwezige dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zijn voor het gehele plangebied opnieuw van toepassing verklaard.

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten

Initiatiefnemer is voornemens om de recreatieve bestemming gedeeltelijk te wijzigen in een woonbestemming (ter plaatse van de woning en bijgebouwen) en gedeeltelijk in een agrarische bestemming (ter plaatse van de camperplaats). Fysiek gezien wijzigt er ten opzichte van de huidige situatie niets. Er is geen sprake van een fysieke wijziging van de woning. Deze bestemmingswijziging heeft louter betrekking op de functionele wijziging ten behoeve van de woonfunctie. Daarnaast blijft de camperplaats behouden als nevenfunctie bij de woning. Ten aanzien van de camperplaats vinden eveneens geen fysieke wijzigingen plaats, enkel het aantal camperplaatsen zal worden teruggebracht van 30 naar 25.

Vastgesteld

22

De locatie is gelegen in het buitengebied van Grubbenvorst, aan de Meerlosebaan 7. Aan de Meerlosebaan is sprake van een verscheidenheid aan functies. Aan de weg liggen twee agrarische bedrijven, een stukadoorsbedrijf en een scouting vereniging. Tussen deze functies in zijn burgerwoningen gelegen. Het omzetten van de recreatieve bestemming naar een woonbestemming in dan ook passend in de omgeving doordat aan de weg al diverse burgerwoningen zijn gelegen. De camperplaats blijft behouden zoals reeds aanwezig. Met het initiatief is dus geen sprake van de realisatie van nieuwe bebouwing, alles blijft als zodanig behouden. Het initiatief heeft dan ook geen stedenbouwkundige of ruimtelijke consequenties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12237753/1