CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Bp Californischeweg Toelichting en Regels

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Californischeweg 10b, Grubbenvorst.26.891 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de onderhavige situatie blijkt dat de richtafstand van de nieuwe bedrijfsbestemming reikt tot over gebieden met milieugevoelige functies, waardoor gesteld kan worden dat sprake is van onvoldoende ruimtelijke scheiding. Derhalve is nader onderzoek naar de milieuaspecten geur en geluid gewenst. Het onderzoek dat is uitgevoerd voor het aspect geluid komt hierna in paragraaf 5.7 aan de orde. Het aspect geur speelt ter plaatse van het bedrijf geen rol, omdat er geen processen / werkzaamheden plaatsvinden die leiden tot de uitstoot van geur.

5.4 Bodem In bijlage 3 is het rapport opgenomen met daarin het toetsingskader, randvoorwaarden, uitgangspunten en onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek bodem. Hierna zijn een korte samenvatting en de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde bijlage. Deze paragraaf sluit af met een subparagraaf die ingaat op de relevantie van het uitgevoerde onderzoek voor dit bestemmingsplan. Op basis van de resultaten van het (actualiserend) vooronderzoek conform NEN 5725 kan het volgende worden geconcludeerd en worden aanbevolen: De onderzoekslocatie is in de periode tussen 2010 en 2019 niet gewijzigd (landbouwgrond). In deze periode hebben op het perceel geen bodembedreigende handelingen of activiteiten plaatsgevonden. De grond bestaat tot een diepte van minimaal 5 m –mv uit zeer fijn zand. In de grond worden geen bodemvreemde bijmengingen verwacht. In de boven- en ondergrond (tot een diepte van 2,0 m –mv) worden geen chemische verontreinigingen of een verontreiniging met asbest verwacht. In het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten worden verwacht met zware metalen (met name barium, cadmium, nikkel en zink).

NUL-situatie Geadviseerd wordt om voor de NUL-situatie voor het toekomstig bedrijventerrein uit te gaan van een onverdachte locatie, waarbij in de grond geen verontreinigingen aanwezig zijn en in het grondwater van nature verhoogde gehalten aan zware metalen kunnen worden aangetroffen. Een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 is voor de bestemmingsplanwijziging en de bedrijfsactiviteiten niet noodzakelijk. Vrijkomende grond Geadviseerd wordt om de bij de aanleg van de regenwaterbuffer en eventueel bij de aanleg van de verharding vrijkomende grond binnen het plan te hergebruiken. Indien hergebruik op locatie niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om de grond in situ te bemonsteren middels een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit, of als een afvalstof af te voeren naar een door de Wet milieubeheer erkende acceptant. Hergebruik op basis van de Bodemkwaliteitskaart is niet mogelijk, aangezien geen geldige kaart beschikbaar is. Arbo- veiligheidsmaatregelen (CROW400) Voor (graaf-)werkzaamheden in de boven- en ondergrond zijn conform de CROW400 geen veiligheidsklassen van toepassing. Wel geldt voor alle werkzaamheden de Basishygiëne. Relevantie voor het plan Het uitgevoerde vooronderzoek NEN5725 geeft geen aanleiding tot een verkennend bodemonderzoek, waardoor

30

vanuit het aspect bodem geen verdere bezwaren zijn voor het beoogde initiatief.

5.5 Externe veiligheid In bijlage 4 is het rapport opgenomen met daarin het toetsingskader, randvoorwaarden, uitgangspunten en onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek externe veiligheid. Hierna zijn een korte samenvatting en de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde bijlage. Deze paragraaf sluit af met een subparagraaf die ingaat op de relevantie van het uitgevoerde onderzoek voor dit bestemmingsplan. Transport over het water en het spoor Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen weg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied (toxisch scenario) van de A73 en de A67. De risico’s als gevolg van het transport over de A73 en de A67 moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van een buisleiding.

De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoording is niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR10-6 risicocontour of invloedsgebied van een risicovolle inrichting/installatie in de omgeving. De risico’s als gevolg van inrichtingen/installaties in de omgeving vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Verantwoording groepsrisico Op basis van de resultaten van de quickscan is een verantwoordingsrapportage opgesteld. In de rapportage is ingegaan op aspecten als bestrijdbaarheid/beheersbaarheid en zelfredzaamheid, waarmee de basis wordt gelegd voor de uiteindelijke besluitvorming door de gemeenteraad. De volledige rapportage is als bijlage 5 opgenomen bij deze toelichting. Relevantie voor het plan Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn er geen bezwaren vanuit het aspect externe veiligheid voor het initiatief.

5.6 Geur Voor wat betreft de bedrijfsmatige activiteiten binnen het plangebied geldt dat geen sprake is van geurgevoelige functies. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Verder geldt dat het de bedrijfsmatige activiteiten zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geen geurhinder veroorzaken op omliggende geurgevioelige objecten c.q. functies. Ook vanuit dit kader bestaan er dus geen belemmeringen. Relevantie voor het plan Vanuit het aspect geur is het initiatief tot uitbreiding en het juridisch-planologisch regelen van het bedrijventerrein inpasbaar.

5.7 Geluid In bijlage 6 is het rapport opgenomen met daarin het toetsingskader, randvoorwaarden, uitgangspunten en onderzoeksresultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Hierna zijn een korte samenvatting en de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde bijlage. Deze paragraaf sluit af met een subparagraaf die ingaat op de relevantie van het uitgevoerde onderzoek voor dit bestemmingsplan. Aanleiding voor het akoestisch onderzoek is een actualisatie van de bestaande inrichting en uitbreiding van het

31

terrein en activiteiten zoals juridisch-planologisch wordt geregeld in voorliggend bestemmingsplan. Het doel van het akoestisch onderzoek is inzicht te geven in de geluidemissie van de inrichting naar haar directe omgeving. Hiertoe is de geluiduitstraling van de inrichting berekend op basis van eerder ter plaatse uitgevoerde metingen en de representatieve bedrijfssituatie, aangevuld met (akoestische) ervaringscijfers, opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen. Alle metingen en berekeningen zijn uitgevoerd volgens de regels uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. In het onderzoek is eerst de representatieve bedrijfssituatie (actualisatie) van de inrichting binnen de huidige inrichtingsgrens beschreven. Vervolgens is voor de beoogde uitbreiding de akoestische consequentie voor een bedrijfsbestemming categorie 3.1 conform VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ inzichtelijk gemaakt. Huidige inrichting In de representatieve bedrijfssituatie voldoet het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT ) aan de gehanteerde normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde. Het maximale geluidniveau (L Amax) bedraagt meer dan de voorkeursgrenswaarde uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

Omdat het hier echter aan de bedrijfsvoering inherente maximale geluidniveaus (L Amax) betreft waaraan redelijkerwijs geen organisatorische dan wel technische voorzieningen kunnen worden getroffen en de maximaal toelaatbare waarde van 70 dB(A) etmaalwaarde niet wordt overschreden, kunnen deze berekende maximale geluidniveaus (L Amax) wel worden vergund. Vanuit de wens van Euroveen om mogelijke overlast voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken en een goede verstandhouding met omwonenden te hebben en te behouden, is op eigen initiatief een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de feitelijke geluidbelasting op de woning aan de Horsterweg 60. Hierbij zijn de akoestisch meest relevante activiteiten in overdreven mate gesimuleerd, waarbij tijdens het uitvoeren van de activiteiten de geluidbelasting op de woning aan de Horsterweg in beeld zijn gebracht. Op basis van de meet- en rekenresultaten is gebleken dat, op basis van de situatie zoals deze ten tijde van de geluidmetingen optrad, het maximaal geluidniveau ter plaatse van de woning aan de Horsterweg 60, 62 dB(A)) bedroeg als gevolg van het dichtslaan van de klep van de laadbak van een vrachtwagen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze activiteit normaliter niet of nauwelijks plaatsvindt. Het maximaal geluidniveau dat optreedt tijdens reguliere activiteiten bedraagt 55 dB(A) .

Dit komt overeen met het maximaal geluidniveau zoals dat door Cauberg-Huygen ter plaatse van de woning is berekend. Het verschil tussen het gemeten en berekende geluidniveau is toe te schrijven aan het feit dat de akoestische afscherming die door de opslag op het terrein worden veroorzaakt niet exact in het rekenmodel zijn over te nemen. Het rekenmodel geeft een "worst case" benadering, vandaar dat de gemeten waarde minder dan de berekende waarde bedraagt. De te stellen grenswaarde aangaande het maximaal geluidniveau van 70 dB(A) wordt in ieder geval ruimschoots gerespecteerd. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen notitie van de uitgevoerde geluidmetingen. Uitbreidingslocatie Op basis van een invulling van de uitbreidingslocatie met bedrijfscategorie 3.1 volgt uit het onderzoek dat: het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de in de nabijheid van de inrichting gelegen woningen, ten hoogste 46, 43 en 38 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, bedraagt; de maximale geluidniveaus ten gevolge van mogelijke activiteiten op het uitbreidingsterrein, uitgaande van vrachtverkeer tot aan de grens van het terrein, ten hoogste 60, 54 en 54 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond en nacht, bedragen.

Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden uit de VNG-publicatie volgens Stap 2 voor een gemengd gebied en is derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening. Huidige inrichting plus uitbreidingslocatie Op basis van een concrete invulling (op korte termijn) van de uitbreidingslocatie samen met de representatieve bedrijfssituatie voor de bestaande situatie volgt uit het onderzoek dat: het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de in de nabijheid van de inrichting gelegen woningen ten hoogste 45, 45 en 39 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, bedraagt. De maximale geluidniveaus ten gevolge van vrachtverkeer, shovel en heftruck, ten hoogste 58, 56 en 55 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond en nacht, bedragen. In de representatieve bedrijfssituatie (inclusief uitbreiding) voldoet het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT )

32

aan de gehanteerde normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde. Het maximale geluidniveau (L Amax) bedraagt meer dan de voorkeursgrenswaarde uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Omdat het hier echter aan de bedrijfsvoering inherente maximale geluidniveaus (L Amax) betreft waaraan redelijkerwijs geen organisatorische dan wel technische voorzieningen kunnen worden getroffen en de maximaal toelaatbare waarde van 70 dB(A) etmaalwaarde niet wordt overschreden, kunnen deze berekende maximale geluidniveaus (LAmax) wel worden vergund. De inrichting voldoet aan het BBT-principe. Verkeersaantrekkende werking vormt geen belemmering voor het verlenen van een milieuvergunning. Borging geluidnormen in de regels Hoewel middels akoestisch onderzoek is aangetoond dat zowel de huidige als de toekomstige bedrijfssituatie voldoet aan de standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en Euroveen sowieso moet voldoen aan de voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn deze normen volledigheidshalve middels artikel '3.5.3 Voorwaardelijke bepaling geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige objecten' ook in de regels verankerd, zodat te allen tijde sprake is van een helder en toetsbaar kader voor de akoestische effecten van bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied.

Deze opgenomen geluidnormen gelden zowel voor het bestaande bedrijfsperceel als voor het uitbreidingsdeel en zowel de bestaande bedrijfsactviteiten als de toekomstige bedrijfsactiviteiten. Hiermee zijn de belangen van omwonenden in voldoende mate geborgd in het bestemmingsplan. Relevantie voor het plan Vanuit het aspect geluid is het initiatief tot uitbreiding en het juridisch-planologisch regelen van het bedrijventerrein toelaatbaar.

5.8 Natuur 5.8.1 Verkennend flora en fauna onderzoek In bijlage 8 is het rapport opgenomen met daarin het toetsingskader, randvoorwaarden, uitgangspunten en onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek natuur. Hierna zijn een korte samenvatting en de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde bijlage. Deze paragraaf sluit af met een subparagraaf die ingaat op de relevantie van het uitgevoerde onderzoek voor dit bestemmingsplan. Beschermde gebieden - Natura 2000 Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Maasduinen'. Dit gebied bestaat uit meerdere deelgebieden en is ten noordoosten van het plangebied gelegen. Het meest nabijgelegen deel ligt op circa 4,25 kilometer afstand van het plangebied.

33

Afbeelding 16: Globale ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied (bron: Natura 2000 Network Viewer). Beschermde gebieden - Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen binnen of aangrenzend aan de door de provincie Limburg aangewezen beschermde landschaps- en natuurzones. Het meest nabijgelegen gebied dat door de provincie Limburg is aangewezen als Goudgroene Natuurzone en daarmee behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 200 meter ten zuiden van het plangebied. Hiernaast is tevens de zilvergroene natuurzone gelegen. Het gebied betreft een combinatie van natuurlijke graslanden met kleine waterelementen en enkele kleine bosschages. Daarnaast ligt op ruim 400 meter van het plangebied aan de overzijde van de snelweg de Bronsgroene landschapszone. De Bronsgroene landschapszone omvat landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones in Limburg.

Afbeelding

34

17: Ligging van het plangebied (rode lijn) ten opzichte van de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone (bron: Natuurbeheerplan Provincie Limburg). Soortenbescherming Als gevolg van de nieuwe bestemming in het plangebied treden mogelijk negatieve effecten op broedvogels en algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën op. Voor overige beschermde soorten worden negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden en het toekomstige gebruik van het opslagterrein niet verwacht. Broedvogels - rekening houden met broedseizoen Het rooien van bomen en struiken binnen het plangebied en het bouwrijp maken van het perceel leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1 lid1) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is daarnaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden broedende vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1 lid 4). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogelsoorten binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van voldoende geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk.

Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden. Kapwerkzaamheden of het bewerken van de bodem binnen het plangebied dienen daarom uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Deze periode is echter afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort, waardoor het mogelijk kan zijn dat vogelsoorten eerder tot broeden komen binnen het plangebied of langer broeden dan half juli. Als broedtijd van vogels wordt de periode tussen de bouw van het nest en het uitvliegen van de kuikens beschouwd. Indien het niet mogelijk is om deze werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Indien nesten afwezig zijn, kunnen deze locaties vrijgegeven worden voor de werkzaamheden. Algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën - rekening houden met de zorgplicht Het gehele plangebied en met name de hagen en de sloot zijn geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten. Bij de werkzaamheden gaat een deel van dit leefgebied verloren. De sloot blijft bij de ingreep wel behouden. De omgeving biedt daarnaast voldoende uitwijkmogelijkheden voor deze soorten.

Permanente negatieve effecten als gevolg van de realisatie van het opslagterrein worden hierdoor niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van algemeen voorkomende soorten. Algemeen beschermde zoogdier- en amfibiesoorten kunnen tijdens werkzaamheden worden gedood (Wnb artikel 3.10 lid 1). De te verwachten algemeen voorkomende zoogdiersoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het verjagen of vangen, met het oog op het verplaatsen van de soort, is daarentegen wel vrijgesteld van ontheffing. Het is slechts toegestaan om dieren te vangen wanneer het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven. De dieren dienen vrijgelaten te worden in het aanliggende gebied, buiten invloed van de werkzaamheden. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Relevantie voor het plan Op basis van het onderzoek naar beschermde soorten zijn er geen bezwaren voor het plan. Wel dienen de beperkingen tijdens het broedseizoen en de algemene zorgplicht in acht genomen te worden bij de realisatie van het project.

5.8.2 Onderzoek stikstofdepositie In het kader van het voorliggende bestemmingsplan dient te worden bepaald of als gevolg van dit initiatief significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een van deze mogelijke beïnvloedingsfactoren is stikstofdepositie. Hiertoe is een nader onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. In dit onderzoek is de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden berekend en is vervolgens getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het volledige onderzoek is als bijlage 9 opgenomen bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten.

35

Relevantie voor het plan Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten zullen geen significant negatieve effecten plaatsvinden op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect stikstofdepositie bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.9 Luchtkwaliteit In bijlage 10 is het rapport opgenomen met daarin het toetsingskader, randvoorwaarden, uitgangspunten en onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek externe veiligheid. Hierna zijn een korte samenvatting en de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde bijlage. Deze paragraaf sluit af met een subparagraaf die ingaat op de relevantie van het uitgevoerde onderzoek voor dit bestemmingsplan. Euroveen is voornemens het bestaande inrichtingsterrein uit te breiden met een aansluitend perceel aan de noordwest zijde (tot aan de Horsterweg). Op dit perceel zijn de daar beoogde bedrijfsactiviteiten niet direct mogelijk binnen het vigerend bestemmingsplan. Hiertoe wordt een vrijstelling/wijziging van het bestemmingsplan voorbereid en is een beoordeling van het aspect ‘Luchtkwaliteit’ noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tevens wordt een omgevingsvergunning, voor het onderdeel milieu, aangevraagd voor de toekomstige bedrijfsvoering inclusief het gebruik van het uitbreidingsterrein voor palletopslag. Ten behoeve van deze procedure is ook een beoordeling van het aspect ‘Luchtkwaliteit’ noodzakelijk. Voor elk van de beoordelingen is een verspreidingsmodel opgesteld.

Een eerste model voor de bestaande situatie binnen de inrichting inclusief de planologisch mogelijk te maken ontwikkeling op het aansluitende terrein (gebruik conform milieucategorie 3.1) beschouwd. Een tweede model voor de beoogde bedrijfssituatie van de gehele inrichting inclusief gebruik van het perceel voor palletopslag. Berekeningen zijn uitgevoerd met STACKS+ in de software-implementatie GeoMilieu op basis van kentallen. Uit het onderzoek volgt dat voor beide beschouwde situaties het gebruik van de inrichting van Euroveen B.V. in combinatie met relevante lokale omgevingsbronnen niet leidt tot een overschrijding van de concentratiegrenswaarden voor NO2 en fijnstof ter plaatse van de woningen in de directe omgeving van de inrichting. Relevantie voor het plan Gelet op bovenstaande bevindingen vormt het aspect luchtkwaliteit, zelfs bij een worst-case invulling van diverse relevante uitgangspunten, geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan.

5.10 Verkeer en parkeren Verkeer In het kader van het uitgevoerd akoestisch onderzoek (bijlage 6) is voor zowel de huidige als de toekomstige situatie de verkeersgeneratie in beeld gebracht. Zie hiervoor de navolgende tabellen, waarbij de voertuigbewegingen per etmaal in beeld zijn gebracht: Tabel: Huidige verkeersgeneratie

36

Tabel: Toekomstige verkeersgeneratie

Zoals uit de tabellen valt af te leiden, neemt de verkeersgeneratie naar verwachting als volgt toe: vrachtwagens: + 64 bestelbus: + 1 personenauto: + 17 De verkeersaantrekkende werking ten gevolge van de uitbreiding is kortom relatief beperkt. De aansluitingen op het aanliggende wegennet hebben voldoende capaciteit om het verkeer van en naar het bedrijf af te wikkelen. Vanuit het aspect verkeer zijn er geen beperkingen voor de verdere ontwikkeling van het bedrijfsperceel. Parkeren Vanuit de nota parkeernormen geldt voor het bedrijfstype 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' een parkeernorm van 1,1 per 100 m2 bvo. De bedrijfslocatie heeft een oppervlakte van circa 17 hectare waardoor de gestelde parkeernorm neer zou komen op 1.870 parkeerplaatsen. Echter is sprake van een bedrijfsfunctie met een zeer groot ruimtebeslag. Op basis van het personeelsbestand is sprake van 110 medewerkers inclusief oproep- en uitzendkrachten. Het autogebruik is 80%. De bedrijfslocatie voorziet zowel in de huidige als in de toekomstige situatie op eigen terrein in de benodigde parkeerruimte voor alle medewerkers. Op eigen terrein is kortom voldoende gelegenheid tot parkeren.

37

Relevantie voor het plan De parkeergelegenheid wordt volledig op eigen terrein ingericht en voldoet aan de gestelde parkeernorm. Nadere toetsing vindt plaats in het kader van toekomstige omgevingsvergunningaanvragen. Middels artikel 11.2 in de regels is de realisatie van voldoende parkeerplaatsen geborgd.

5.11 Water In bijlage 11 is het rapport opgenomen met daarin het toetsingskader, randvoorwaarden, uitgangspunten en onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek water. Hierna zijn een korte samenvatting en de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde bijlage. Deze paragraaf sluit af met een subparagraaf die ingaat op de relevantie van het uitgevoerde onderzoek voor dit bestemmingsplan. In verband met de grondwaterfluctuatie mag de bodem van de voorziening niet dieper worden aangelegd dan NAP + 21,2 meter. Regenwater wordt gebufferd in een bovengrondse (zichtbare) buffervoorziening. De inhoud van de buffervoorziening is gelijk aan 100mm, gerekend over het aan te sluiten verharde oppervlak. De leegloop via infiltratie van regenwater in de deklaag is beperkt; tussen de 0,4 en 0,1 meter per dag. Aanvullende leegloop naar het oppervlaktewatersysteem is mogelijk via een bestaande lozingsvoorziening. Dit heeft echter niet de voorkeur gelet op de beperkte toegestane leegloopdebiet. Een beter functionerend alternatief is leegloop via diep-infiltratieputten. De uitbreiding blijft een relatief schoon oppervlak waardoor het afstromende regenwater ook relatief schoon blijft.

Dit gecombineerd met de mogelijkheid om een reinigende bodempassage tussen te schakelen, wordt geadviseerd om het water te infiltreren via diep- infiltratieputten. Mocht toch gekozen worden voor een leegloop naar het oppervlaktewater moet rekening worden gehouden met de limiterende landelijke afvoernorm van 1 l/sec./ha (in dit geval 1,8 l/sec.). In dat geval wordt de leegloopduur extreem lang (216 uur => 9 dagen). Relevantie voor het plan Na de realisatie van de waterberging wordt voldaan aan de vereiste buffering van regenwater. Vanuit het aspect water zijn er geen verdere bezwaren voor voorliggend plan. De watertoets voor de uitbreiding is voor een reactie voorgelegd aan het waterschap.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.12.1 Archeologie In het kader van de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied zijn archeologische onderzoeken uitgevoerd op grond waarvan door het bevoegd gezag, de gemeente Horst aan de Maas, een selectiebesluit (brief met kenmerk 19-0082044, d.d. 16-07-2019) is genomen waarmee het plangebied vanuit het oogpunt van archeologie is vrijgegeven. Het selectiebesluit is als bijlage 12 opgenomen bij deze toelichting. Hoewel het plangebied vanuit het oogpunt van archeologie is vrijgegeven, geldt conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet de verplichting om eventuele archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan wordt vermoed dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is het verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente Horst aan de Maas.

5.12.2 Cultuurhistorie Op grond van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er binnen het plangebied en de directe omgeving geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig, waarop met het voorliggende bestemmingsplan en de daarbinnen opgenomen mogelijkheden, een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er kortom geen belemmeringen.

5.13 Duurzaamheid BVB Euroveen B.V. besteedt veel aandacht aan duurzaamheid. Het streven is erop gericht om binnen circa 7 jaar volledig CO2 -neutraal te zijn. Hiertoe zullen onder meer uiteindelijk alle gebouwen van energie worden voorzien middels zonne-energie. In de huidige situatie is reeds een deel van de gebouwen voorzien van zonne-energie. Binnen het plangebied wordt verder zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame en herbruikbare materialen.

38

Zo wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van stelconplaten en betonnen stapelblokken die op meerdere manieren inzetbaar zijn en ook hergebruikt kunnen worden. Bij eventueel te realiseren toekomstige bebouwing zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen en duurzame energievoorzieningen. Tot slot is rondom het bedrijfsperceel voorzien in relatief veel groen.

39

40

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

6.1 Economische en financiële uitvoerbaarheid De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal wordt geregeld tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer middels een af te sluiten anterieure overeenkomst. Ten slotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komt, maar voor rekening van de initiatiefnemer. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Proces In het kader van de planvorming en uiteindelijke inrichting van de uitbreiding heeft afstemming plaatsgevonden met de bewoner van Horsterweg 60. Voor deze bewoner verandert de situatie door de uitbreiding. De bewoner heeft aangegeven graag zicht te behouden op de Horsterweg. Hier is bij de invulling van de landschappelijke inpassing en de realisatie van de waterberging rekening mee gehouden, zodat hij zicht richting Horsterweg blijft behouden. Deze zelfde bewoner heeft ook aangegeven soms geluidhinder te ondervinden. In paragraaf 5.7 van de toelichting wordt ingegaan op het aspect geluid. Hieruit volgt dat voldaan wordt aan de gestelde normen, ook wanneer er ter plaatse van de uitbreiding bedrijvigheid wordt gerealiseerd in categorie 3.1. Om de bewoner een zo aangenaam woon- en leefklimaat te kunnen bieden wordt er onderzocht welke maatregelen (aanvullend) kunnen worden getroffen. Euroveen en de bewoner blijven hierover in overleg. Naast de bovengenoemde rechtstreekse communicatie met de bewoner van de woning aan de Horsterweg 60 als directe buur zijnde, zijn de plannen van Euroveen op 9 november 2020 middels een burenavond aan de direct omwonenden gepresenteerd.

Hieruit is gebleken dat er niet zozeer weerstand is tegen Euroveen en de uitbreidingsplannen van Euroveen, maar dat er vanuit het buurtschap wel weerstand is tegen alle veranderingen in de omgeving in z'n algemeenheid, die onder meer leiden tot een toename aan overlast van met name transportbewegingen. Daarnaast zijn zorgen geuit over de toenemende bewoning door arbeidsmigranten en maakt men zich zorgen over verdere ontwikkelingen binnen Klavertje 11, waarbij men onder meer vreest voor overlast als gevolg van de verwerking van mest. Met de omwonenden is afgesproken dat op het moment dat de situatie omtrent COVID-19 het toelaat, de omwonenden worden uitgenodigd voor een rondleiding op het bedrijfsperceel.

6.2.2 Procedure Vooroverleg Het concept ontwerp bestemmingsplan is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in het kader van het vooroverleg toegezonden naar de belanghebbende instanties. Onderstaand zijn de reacties van de betreffende instanties kort samengevat weergegeven. Instantie Rijkswaterstaat

Datum 25-08-2020 (per e-mail)

Provincie Limburg

19-08-2020 (per e-mail)

Reactie Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze vwordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.

41

Veiligheidsregio Limburg-Noord

16-09-2020 (per brief)

Waterschap Limburg

25-09-2020 (per e-mail)

De door de veiligheidsregio afgegeven adviezen op het gebied van externe veiligheid zijn overgenomen in de rapportage ten behoeve van de verantwoording voor het groepsrisico. In het concept bestemmingsplan wordt verwezen naar deze rapportage. Hiermee zijn de te nemen maatregelen in het kader van bereikbaarheid en bestrijdbaarheid voldoende geborgd in het bestemmingsplan. Het plan voldoet aan de gestelde eisen van het waterschap. Als er voor diepte-infiltratie wordt gekozen, wordt aangegeven contact op te nemen met de provincie Limburg.

Terinzagelegging ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 30 oktober 2020 gedurende een termijn van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was het mogelijk om een zienswijze in te dienen. In totaal is één zienswijze ontvangen op het ontwerp bestemmingsplan. Voor een samenvatting van de zienswijze en het gemeentelijk standpunt naar aanleiding hiervan, wordt verwezen naar het als bijlage bij het vaststellingsbesluit opgenomen 'zienswijzenrapport'.

42

Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1 Planstukken Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting; planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

7.2 Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding.

7.3 Toelichting op de regels De planregels zijn ondergebracht in 'Inleidende regels', 'Bestemmingsregels', in 'Algemene regels' en 'Overgangsen slotregels'.

7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 'Begrippen' is een aantal noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen welke worden gebruikt in de regels. In artikel 2 'Wijze van meten' wordt uiteengezet op welke wijze gemeten dient te worden.

7.3.2 Bestemmingsregels Voor het plangebied zijn de bestemmingen 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' en 'Groen' opgenomen. Bedrijventerrein - Agribusiness 2 (Artikel 3) De bestemming 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' is opgenomen voor de gronden waar in de huidige situatie en beoogde toekomstige situatie de bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. De als zodanig bestemde gronden zijn bestemd voor uitsluitend agribusinessbedrijven tot maximaal milieucategorie 3.1. In de begrippen zijn agribusinessbedrijven als volgt gedeinifieerd: "bedrijfsmatige activiteiten die een ondersteunende, toeleverende, verwerkende of dienstverlenende functie hebben voor agrarische bedrijvigheid. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om bedrijven die zich bezighouden met vervaardiging en verwerking van agrarische grondstoffen, halffabricaten en reststromen, industriële bedrijven in de machinebouw en metaalconstructie." Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale bouwhoogte bedraagt 15 meter en het maximum bebouwingspercentage (%) van het terrein bedraagt 60%.

Verder zijn binnen deze bestemming groenvoorzieningen, zoals bermen en grondwallen toegestaan, evenals water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen voor zuivering van water, voorzieningen van algemeen nut, (ontsluitings)wegen en paden, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

43

Ter hoogte van het uitbreidingsdeel is tot slot de aanduiding 'opslag' opgenomen. Ter plaatse zijn indien en voor zover er nog geen bebouwing is opgericht, uitsluitend opslagdoeleinden toegestaan, overeenkomstig de uitgangspunten zoals gehanteerd in het akoestisch onderzoek. Dit ter voorkoming van overlast voor omliggende woningen. Op het moment dat ter plaatse bebouwing wordt gerealiseerd, vinden bedrijfsactiviteiten inpandig plaats en zijn deze activiteiten vanuit akoestisch oogpunt sowieso inpasbaar. In de specifieke gebruiksregels is tot slot een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de realisatie en de instandhouding van de landschappelijke inpassing is geborgd. Groen (Artikel 4) De bestemming 'Groen' is opgenomen voor diverse groenstroken rondom het bedrijfsperceel. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en plantsoenen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut. Ondergeschikt daaraan zijn bijvoorbeeld ook eventueel noodzakelijke wegverbindingen in verband met het voorkomen en bestrijden van calamiteiten en de daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd. Gebouwen zijn binnen deze bestemming kortom niet toegestaan.

Binnen de bestemming 'Groen' mag de bouwhoogte van lichtmasten ten hoogste 9 meter bedragen. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkapping zijnde, bedraagt ten hoogte 5 meter.

7.3.3 Algemene regels In de 'Anti-dubbeltelregel' wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de 'Algemene bouwregels' zijn bepalingen met betrekking tot ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en bestaande maten opgenomen. De 'Algemene gebruiksregels' bevatten aanvullende regels ten aanzien van het gebruik van gronden en het gebruik van ondergrondse gebouwen In de 'Algemene aanduidingsregels' zijn nadere regels opgenomen in verband met de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied venloschol' en 'vrijwaringszone weg'. De gronden binnen de 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied venloschol' zijn mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Omgevingsverordening Limburg worden gesteld.

Voor de gronden binnen 0 - 50 meter van de buitenste kantstreep van de rijksweg A73 is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' opgenomen. Ter plaatse zijn de gronden mede bestemd voor mogelijke toekomstige reconstructies en/of uitbreidingen van de Rijksweg A73, alsmede voor het creëren van een optimale infrastructurele omgeving. Bouwen is in principe binnen deze zone niet toegestaan. Er is een afwijkingsmogelijk opgenomen waarmee bebouwing mogelijk kan worden gemaakt, op voorwaarde dat de wegbeheerder terzake (Rijkswaterstaat) is gehoord. Verder is een bepaling opgenomen dat een dergelijke afwijking wordt geacht te zijn verleend ten aanzien van bouwwerken, of een complex van bouwwerken die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mogen worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen. De 'Algemene afwijkingsregels' en 'Algemene wijzigingsregels' verschaffen het bevoegd gezag c.q. het college van burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de 'Overige regels' zijn regels opgenomen ten aanzien van de werking van wettelijke regels en zijn bepalingen opgenomen in relatie tot parkeren. Hierbij is verwezen naar de gemeentelijke Nota parkeernormen, met dien

44

verstande dat als de gemeentelijke Nota parkeernormen gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, de gewijzigde c.q. de vervangende nota van toepassing is.

7.3.4 Overgangs- en slotregels In het 'Overgangsrecht' is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de 'Slotregel' is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

45

Inhoudsopgave

2

Regels

3

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten

5 5 9

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijventerrein - Agribusiness 2 Artikel 4 Groen

11 11 14

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Algemene bouwregels Artikel 7 Algemene gebruiksregels Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Artikel 11 Overige regels

15 15 16 17 18 19 20 21

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel

23 23 24

Regels

3

4

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 1.1

Begrippen plan

Het bestemmingsplan 'Californischeweg 10b, Grubbenvorst' met identificatienummer NL.IMRO.1507.GRCALIFORNISCHE10B-BPV1 van de gemeente Horst aan de Maas. 1.2

bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon, dat/die in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de woonfunctie en de ruimtelijke uitwerking en uitstraling daarvan behouden blijven. Hieronder worden niet verstaan detailhandel (behalve de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten), horeca en prostitutie. 1.6

agribusiness 2

bedrijfsmatige activiteiten die een ondersteunende, toeleverende, verwerkende of dienstverlenende functie hebben voor agrarische bedrijvigheid. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om bedrijven die zich bezighouden met vervaardiging en verwerking van agrarische grondstoffen, halffabricaten en reststromen, industriële bedrijven in de machinebouw en metaalconstructie. 1.7

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8

bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen 1.9

bedrijfsgebonden kantoorvoorziening

een gebouw of ruimte ten behoeve van administratieve werkzaamheden voor een binnen het plangebied gevestigd bedrijf. 1.10

bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van een gebouw met inbegrip van magazijnen en overige dienstruimten. 1.11

bedrijfswoning

een woning, in of bij een bedrijf of instelling, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is. 1.12

beperkt kwetsbaar object

een object dat in het Besluit externe veiligheid inrichtingen als beperkt kwetsbaar is aangemerkt. 1.13

a.

b.

bestaand

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.

5

1.14

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.15

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16

Bevi

Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.17

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.18

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.19

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond dat aan één bedrijf toebehoord. 1.20

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel. 1.21

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.22

bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.23

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.24

consumenten vuurwerk

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.25

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.26

erfafscheiding

de afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of perceel, of van de openbare ruimte. 1.27

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.28

geluidszoneringsplichtige inrichting

een bedrijf, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, dat in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken. 1.29

groepsrisico

het groepsrisico is de jaargemiddelde kans dat een groep van een bepaalde omvang dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval; het groepsrisico is afhankelijk van de bevolkingsdichtheidverdeling in de omgeving van de inrichting. 1.30

hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

6

1.31

huishouden

een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen -band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning, zoals een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep. 1.32

kantoor

een voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.33

maaiveld

de bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het “aangrenzende maaiveld” wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw. 1.34

normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op tenminste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt. 1.35

Nota parkeernormen

De parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld op 3 juli 2019, die als bijlage 3 bij deze regels is toegevoegd, dan wel, indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, de wijziging hiervan. 1.36

ondergronds bouwwerk

een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil. 1.37

ondersteunende horeca

horeca-activiteiten ter ondersteuning van de hoofdactiviteit op een perceel, waarbij de openingstijden van de ondersteunende activiteit vallen binnen de openingstijden van de hoofdactiviteit. 1.38

opslag

het bedrijfsmatig opslaan, verpakken en verhandelen van goederen. 1.39

overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.40

overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.41

pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.42

parkeervoorziening

een al of niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op de ligging en de ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van (motor)voertuigen. 1.43

peil

voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van het bouwperceel. 1.44

perceelsgrens

een grenslijn tussen bouwpercelen onderling. 1.45

plaatsgebonden risico (PR)

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

7

1.46

productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gekweekt, gerepareerd en/of toegepast worden in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.47

risicovolle inrichting

een bedrijf zoals bedoeld in artikel 3 en 4 van het Registratiebesluit externe veiligheid. 1.48

seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.49

Staat van bedrijfsactiviteiten 1

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt. 1.50

Veiligheidsregio

De Veiligheidsregio Limburg-Noord als samenwerkingsverband tussen onder andere brandweer, politie en geneeskundige hulpverlening in deze regio, of een daarvoor in de plaats komende instantie. 1.51

verantwoording groepsrisico

uitspraak van het bevoegd gezag bij de ruimtelijke besluitvorming over de aanvaardbaarheid van het risico dat na alle maatregelen resteert. 1.52

verkoop vloeroppervlakte

de voor publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte, gebruikt en bedoeld voor de uitstalling en verkoop van detailhandelsartikelen. 1.53

voorgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van het hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen. 1.54

voorzieningen van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van het op het net aangesloten nutsvoorziening, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties en gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van de energieopwekking en -levering, voorzieningen ten behoeve van waterzuivering, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, geluidswerende voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, niet zijnde parkeervoorzieningen. 1.55

waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen ten dienste van de waterhuishouding waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen, watergangen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers, voorzieningen voor infiltratie, buffering en afvoer van water, voorzieningen ten behoeve van biologische waterzuivering en (secundaire en/of tertiaire) bluswatervoorzieningen. 1.56

woning

een (gedeelte van een) gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

8

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1

afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2

de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3

breedte, lengte en diepte van een gebouw

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

2.4

de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5

de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6

de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7

vloeroppervlakte

De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580

9

10

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 3.1

Bedrijventerrein - Agribusiness 2 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. uitsluitend agribusinessbedrijven – zoals beschreven in 'agribusiness 2' in artikel 1, met dien verstande dat deze bedrijven moeten passen binnen ten hoogste de hoogst toegestane milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten; alsmede voor: b. groenvoorzieningen, zoals bermen en grondwallen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. voorzieningen voor zuivering van water; e. voorzieningen van algemeen nut; f. (ontsluitings)wegen en paden; g. parkeervoorzieningen; h. laad- en losvoorzieningen; met dien verstande dat: bedrijfswoningen niet zijn toegestaan; geluidzoneringsplichtige inrichtingen niet zijn toegestaan; risicovolle inrichtingen zijn niet toegestaan; kwetsbare objecten uitsluitend zijn toegestaan indien deze deel uitmaken van een bedrijf zoals bedoeld onder a. m. ter plaatse van de aanduiding 'opslag', indien en voor zover er ter plaatse (nog) geen bebouwing is opgericht, uitsluitend opslagdoeleinden zijn toegestaan. i. j. k. l.

3.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

3.2.1 Gebouwen en overkappingen a. b. c. d.

Gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd; De bouwhoogte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; Het bebouwingspercentage voor gebouwen en overkappingen per bouwperceel bedraagt ten hoogste het ter plaatse van de 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven percentage; De afstand van gebouwen en overkappingen bedraagt ten minste 5 m tot de bestemming 'Groen'.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde a. b. c. d. e. f. g. h.

Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, keerwanden, geluidwerende voorzieningen en lichtmasten, worden binnen het bouwvlak gebouwd; De bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 m; De bouwhoogte van keerwanden bedraagt ten hoogste 4 meter; De bouwhoogte van lichtmasten, vlaggenmasten en daarmee vergelijkbare masten bedraagt ten hoogste 14 m; De bouwhoogte van hijsinstallaties en andere voor de bedrijfsactiviteiten noodzakelijke installaties bedraagt ten hoogste 5 m boven de ter plaatse toegestane bouwhoogte zoals bedoeld in lid 3.2.1 onder b; De bouwhoogte van silo's ten behoeve van de wateropvang bedraagt ten hoogste 5 m boven de ter plaatse toegestane bouwhoogte zoals bepaald in lid 3.2.1 onder b; De hoogte van windturbines bedraagt ten hoogste 25 m; De bouwhoogte van een warmte-koude-opslag (WKO) voorziening en andere bouwwerken ten behoeve van de energieopwekking bedraagt ten hoogste de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in lid 3.2.1 onder b.

11

3.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding; b. aan de situering en omvang van de bebouwing ter waarborging van voldoende parkeerplaatsen en laad- en losmogelijkheden; c. de waarborging van de brandveiligheid, rampenbestrijding en zelfredzaamheid van personen; d. externe veiligheid in het algemeen, bijvoorbeeld ten aanzien van de oriëntatie van gebouwen en toegang en vluchtwegen, de bereikbaarheid van het perceel en bouwkundige maatregelen ter beperking van de effecten van bijvoorbeeld een ongeval met gevaarlijke stoffen, alsmede ter voorkoming van hoge personendichtheden. e. Burgemeester en wethouders stellen de Veiligheidsregio in de gelegenheid om advies uit te brengen over de nadere eis(en) die aan een omgevingsvergunning wordt gekoppeld, zoals bedoeld onder c en d..

3.4

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. lid 3.2.1 onder c om een hoger bebouwingspercentage toe te staan, tot een hoogte van maximaal 75 %, mits wordt aangetoond dat dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering; b. lid 3.2.2 onder b om maximale bouwhoogte van 6 m voor erfafscheidingen toe te staan, mits wordt aangetoond dat die noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering of verzekeringstechnische redenen.

3.5

Specifieke gebruiksregels

3.5.1 Gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. Bedrijfsgebonden kantoorvoorzieningen zijn toegestaan tot ten hoogste 1.500 m² bedrijfsvloeroppervlak per bedrijfsvestiging; b. Detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van: 1. Productiegebonden en ondergeschikte detailhandel tot een verkoopvloeroppervlakte van ten hoogste 300 m² per bedrijf; 2. Detailhandel waarbij de verkoop uitsluitend via elektronische weg plaatsvindt en ter plaatse geen goederen worden uitgestald en aan particulieren worden afgeleverd; c. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan; d. Ten aanzien van buitenopslag geldt de volgende regel: opslag is toegestaan tot een hoogte van 10 m; e. Ten aanzien van het parkeren geldt de volgende regel: parkeren moet worden opgelost op eigen terrein.

3.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'opslag' ten behoeve van doeloeinden als bedoeld in artikel 3.1, is uitsluitend toegestaan indien en zo lang de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform het als bijlage 2 bij deze regels behorende landschappelijk inpassingsplan.

3.5.3 Voorwaardelijke bepaling geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige objecten Het gebruik van gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein - Agribusiness 2' is slechts toegestaan indien de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige objecten als gevolg van industrielawaai de onderstaande normen niet overschrijdt: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Dagperiode (07:00 - 19:00 uur) Avondperiode: (19:00 - 23:00 uur) Nachtperiode: (23:00 - 07:00 uur)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9939744/1