CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c.2 AAA Bijlage 2 Flora- en faunainspectie

Gemeenteraad 9 april 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan St. Maartensweg 8, Meterik.5.136 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Flora-

en

fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

In

(en geanonimise rd) (geanonimiseerd) vmma

opdracht van: (geanonimiseerd) pn

sen (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Faunaconsult 3 Tegelseweg

5951 GK

Belfeld

Tel: 077-4642999

www. faunaconsult.nl

Flora-

en

fauna-inspectie

Cpdrachtgever: Veldwerk:

B.V.

daarmee

de

Maartensweg

8 te Meterik

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) 5SC/i (geanonimiseerd) NN (geanonimiseerd) EN (geanonimiseerd) (ne geanonimise rd)

Cpstellers/controle:

Faunaconsult

Sint

ss

volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en we zijn PSO gecertificeerd. aan

werkt

Flora-

Faunaconsult

en

fauna-inspectie

Sint

Maartensweg

8 te Meterik

1

Inhoud 1 2 3

Inleiding. De Wet natuurbescherming Werkwijze 3. 1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden 3. 2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie 4 Aanwezige beschermde planten en dieren. 4. 1 Beschrijving plangebied 4. 2 Bevindingen. 5 Mogelijke effecten Conclusies 6 Literatuur Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime

3 4 5 5 5 6 6 7 10 12 14 15

.. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .

. .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .

. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .

. .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .

. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . ..

. .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . ..

. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . ..

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

2

1

Inleiding

Arvalis

begeleidt

de

bestemmingswijziging

en

de

sloop van

enkele

gebouwen

aan

Sint

Arvalis heeft namens (B geanonimise rd) en (geanonimiseerd) aan Faunaconsult B.V. locatie een flora- en fauna-inspectie uit te voeren. Hierin is nagegaan welke

te Meterik.

op

deze

Maartensweg 8 opdracht gegeven effecten

de

ingreep

heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van

het project.

Het doel

natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving. van

weg staat. diersoorten

dit document is om vast te stellen of de

De

Flora-

Faunaconsult

en

fauna-inspectie

Sint

Maartensweg

8 te Meterik

3

2

De Wet natuurbescherming

In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. ,

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime) : - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3. 1 van de Wnb) Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3. 2 van de Wnb) ; - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3. 2 vallen (paragraaf 3. 3 van de Wnb) Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld.

Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd) .

.

.

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017) Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. .

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1. 11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

4

3

Werkwijze

3. 1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bestemming wordt gewijzigd van agrarisch naar wonen. Hiertoe worden de melkveestal en de zuidelijke paardenstal gesloopt. Een klein deel van de omliggende grasvegetatie wordt daarbij verwijderd. De overige gebouwen en vegetatie blijven behouden en vallen daarmee buiten het feitelijke plangebied. Een voorgestane inrichting is nog niet voorhanden. 3. 2

Werkwijze flora- en fauna-inspectie

Op 10 maart 2022 heeft Faunaconsult het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Het plangebied werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, vogelnesten en voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren. De gebouwen zijn van binnen en buiten geïnspecteerd met behulp van een ladder, zaklamp en RIGID boomcamera. Aan

de hand van relevante (verspreidings) literatuur en de waarnemingsoverzichten www. ravon. nl/tijdschrift, www. verspreidingsatlas. nl, www. floron. nl, www. sovon. nl www. zoogdiervereniging. nl

is vervolgens ingeschat

op en

welke beschermde soorten mogelijk in het

plangebied voorkomen.

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

5

4

Aanwezige beschermde planten

4. 1

Beschrijving plangebied

en

dieren

Het plangebied (zie figuur 4. 1 en de foto’s op de voorzijde) ligt ten noorden van Meterik, buiten de bebouwde kom. Aan de westzijde bevindt zich een grasveld met daarachter een woonboerderij. De overige zijden zijn agrarisch in gericht met weilanden en akkers. Het plangebied zelf bestaat uit een woning met bijbehorende tuin, een melkveestal, twee paardenstallen, een werkschuur, wat verharding en grasvegetatie met daarin algemeen voorkomende plantensoorten als moeraseik, paarse dovennetel, paardenbloem, winterpostelein, vogelmuur en akkerdistel. Omdat de woning met tuin, de noordelijke paardenstal en de werkschuur blijven behouden vallen deze buiten het feitelijke plangebied.

Figuur 4. 1. Het plangebied (rood omlijnd) 2=melkveestal. Bron: Google Maps.

met de te slopen stallen (geel omlijnd) . 1=paardenstal,

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

6

4. 2

Bevindingen

Vogels en zoogdieren De te slopen paardenstal bevat enkelwandige muren en een eternieten golfplaten dak dat grotendeels enkelwandig is. Een klein gedeelte van het dak bevat dakbeschot. Vogelschroot is op deze plekken afwezig. De ruimtes tussen het dak en het dakbeschot zijn geïnspecteerd. Vogelnesten zijn daarbij niet aangetroffen. Voor vleermuizen zijn de ruimtes te open en dus te tochtig om als verblijf te dienen. Spleten en kieren zijn in het gebouw afwezig. Verblijven van vleermuizen zijn daarmee uitgesloten. Op de nokbalk waren tijdens het veldbezoek huismusnesten aanwezig (zie figuur 4. 2. 1) Overige vogelnesten zijn in de stal afwezig. Wel zijn op één plek enkele zeer oude braakballen van de steenuil aangetroffen. .

Figuur 4. 2. 1. Op de nokbalk

van

de te slopen paardenstal bevinden zich huismusnesten.

De melkveestal bevat spouwmuren en een eternieten golfplaten dak, waarvan een klein gedeelte is voorzien van dakbeschot. Bij inspectie van de ruimtes tussen het dak en dakbeschot zijn geen vogelnesten aangetroffen. Binnen in de stal zijn ook geen vogelnesten aangetroffen, maar op een viertal plekken wel braakballen van de steenuil (zie figuur 4. 2. 2) Omdat een steenuilennest zeker afwezig is, staat vast dat de melkveestal fungeert als roestplaats voor de steenuil. Open stootvoegen zijn afwezig. De spouwen in de lange gevels zijn van boven geheel open, waardoor de spouwen te tochtig zijn voor vleermuizen om als vleermuizenverblijf te dienen. De spouw in de kopgevels is daarentegen wel geschikt als vleermuisverblijf. Deze bevatten meerdere scheuren en spleten waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken (zie figuur 4. 2. 3) Mogelijk bevat de melkveestal dus vleermuisverblijven. .

.

Figuur 4. 2. 2. Op een viertal plekken in de melkveestal zijn braakballen van de steenuil aangetroffen.

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

7

Figuur 4. 2. 3. De kopgevels van de te slopen melkveestal bevatten meerdere spleten en kieren waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken.

De bomen in het plangebied bevatten geen grote vogelnesten, holtes of eekhoornnesten. De aanwezigheid van vleermuisverblijven en uilennesten is daardoor uit te sluiten. Hoger opgaande lijnvormige vegetatie is nabij het plangebied afwezig. Belangrijke foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen zijn daardoor niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn huismus, witte kwikstaart, kneu en houtduif waargenomen. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www. natuurgegevensprovincielimburg. nl) waren er in 2014 in het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt twee territoria van kwetsbare soorten (roofvogels/uilen) aanwezig. Daarnaast was er in 2014 een territorium van de wulp aanwezig. Nesten van deze soorten komen echter met zekerheid niet voor in het plangebied. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels zoals de merel in de stallen broeden. Dassenburchten, wissels, -snuitpuntjes en -latrines, holen etc. zijn in en rond het plangebied afwezig. Uitwerpselen van de steenmarter of andere marterachtigen zijn in geen van de stallen waargenomen en voor kleine marterachtigen biedt het plangebied onvoldoende dekking. Algemene zoogdieren als de veldmuis en bosmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Planten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.

1) De Provincie Limburg heeft het kilometerhok waarin het plangebied ligt in 2012, 2014 en 2016 onderzocht op het voorkomen van beschermde of bijzondere planten (www. natuurgegevensprovincielimburg. nl) Deze waren afwezig in en rond het plangebied. .

.

Amfibieën, reptielen en overige soorten Wateren, die als voortplantingswater kunnen dienen voor amfibieën, zijn in en rond het plangebied afwezig. Daarnaast is het aanwezige biotoop in het plangebied niet geschikt als habitat voor streng beschermde amfibieënsoorten. Algemene amfibieënsoorten als de gewone pad kunnen wel in het plangebied voorkomen. Voor reptielen zijn er in het plangebied geen geschikte opwarmplaatsen Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

8

aanwezig, zoals stenen, muurtjes of woelplekken van hoefdieren. De vegetatie in het plangebied is soortenarm en er zijn weinig nectarplanten en luwte aanwezig waardoor vlinders niet in het plangebied te verwachten zijn. Overige soortgroepen, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn eveneens niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4. 4 geeft een overzicht van de beschermde soorten die (mogelijk) voortplantingsplaatsen en rustplaatsen in het plangebied hebben. Tabel 4. 2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven. * = van deze soort is alleen een roestplaats aanwezig.

Vogels Nederlandse naam en wetenschappelijke naam Huismus (Passer domesticus) Steenuil (Athene noctua) * Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)

met jaarrond beschermd nest

Internationaal beschermde

Overige beschermde

soorten

soorten

X X X X X X X X X X

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

9

5

Mogelijke effecten

Als de stallen tijdens het broedseizoen worden gesloopt, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. -

In de te slopen paardenstal bevinden zich huismusnesten. Indien de bebouwing in het broedseizoen wordt gesloopt, leidt dit tot sterfte van jonge huismussen, hun jongen en/of hun eieren. Jaarrond leidt de sloop tot het vernietigen van jaarrond beschermde huismusnesten. -

De te slopen melkveestal fungeert als roestplaats voor de steenuil maar niet als nestlocatie. Bij het slopen van het gebouw zal de roestplaats van de steenuil worden vernietigd. -

De te slopen melkveestal bevat mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door dit gebouw te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood. -

Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. -

In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In de volgende paragraaf wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. * = van deze soort is alleen een roestplaats aanwezig.

Soort

Beschermingsregime Wnb

Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3. 1 3. 1 3. 5 3. 5 3. 5 3. 5 3. 10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 Algemeen voorkomende vogels Vogels X X een Huismus Vogels (met jaarrond X X beschermd nest) Steenuil Vogels (met een jaarrond X X beschermd nest) * Vleermuizen Internationaal X X X beschermde soorten Algemeen voorkomende Overige soorten X grondgebonden zoogdieren en amfibieën Artikel 3. 1 (m. b. t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3. 5 (m. b. t. Internationaal beschermde soorten) : - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3. 10 lid 1 (m. b. t. A-soorten) : het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

10

De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3. 10 lid 3 Wnb) .

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

11

6

Conclusies

Algemene vogels Tijdens het broedseizoen broeden er mogelijk algemene vogels in de te slopen stallen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de stallen buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de te slopen paardenstal broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de stal wordt gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017a) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei. Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017a) Dat kan door het plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen.

Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de sloopwerkzaamheden) Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 8-tal houtbetonnen huismusnestkasten (type Vivara NK SA 01 Nestkast ovaal) rondom de te slopen melkstal op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige. .

.

Om schade aan jongen en eieren van de huismus te voorkomen, dient de stal met huismusnesten (nadat het huismussenonderzoek is afgerond) buiten de periode 1 maart - 1 oktober te worden gesloopt. Ook dient er vooraf een ontheffing op de Wnb te worden verkregen. Steenuil: roestplaats Bij het slopen van de melkveestal zal een roestplaats van de steenuil worden vernietigd. Nesten van de steenuil zijn in Limburg jaarrond beschermd, de roestplaatsen echter niet. Wel geldt de Zorgplicht (artikel 1. 11 Wnb) ; deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, dient er onder begeleiding van een ecologische deskundige een nieuwe roestplaats te worden gerealiseerd. Dat kan door het plaatsen van een steenuilennestkast. Hiermee wordt voorkomen dat de functionaliteit van het steenuilenterritorium verloren gaat. Steenuilen hebben de tijd nodig om aan nieuwe plaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de steenuilen de voorzieningen ontdekken en verkennen voor de ingreep wordt uitgevoerd (BIJ12, 2017b) Nieuw aangebrachte voorzieningen dienen minimaal drie maanden voor aanvang van de werkzaamheden aanwezig te zijn, bij voorkeur in de periode september – december.

Het is daarom raadzaam minstens 3 maanden voordat de sloopwerkzaamheden plaatsvinden al 1 steenuilennestkast in nabij gelegen laanbomen te plaatsen, onder begeleiding van een ecologische deskundige. Een steenuilennestkast kan besteld worden bij www. vogelbeschermingshop. nl (Vivara nestkast steenuil) Ook is het uiteraard mogelijk te kiezen voor een andere kast van soortgelijke kwaliteit. .

.

Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen melkveestal bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

12

(Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: -

-

3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend) ; 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken) .

Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er vooraf nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten) waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg, 2016) Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1. 11 Wnb) ; deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. ,

.

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

13

Literatuur • • • • • • •

BIJ12. 2017a. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1. 0. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Steenuil Athene noctua. Versie 1. 0. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1. 0. BIJ12, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1. 3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene en Zoogdiervereniging. 2021. Bureaus en Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www. netwerkgroenebureaus. nl www. zoogdiervereniging. nl.

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

14

Bijlage 1: Toelichting

per

beschermingsregime

Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3. 1 tot en met 3. 4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3. 1 en 3. 2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3. 1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3. 1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3. 1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3. 1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3. 2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.

2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3. 4 lid 1 Wnb) .

Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.

Dit betekent dat er: geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

15

Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3. 6 lid 2 Wnb) .

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3. 8 lid 2 en 3. 9 lid 2 Wnb) Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3. 8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets) ; • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt

gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. .

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

16

Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’) Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’) Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. .

.

Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3. 10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3. 10 lid 3 Wnb) Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. .

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3. 8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets) ; • • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden

mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3. 8 lid 2) : in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

17

-

-

-

-

-

ter voorkoming

schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang. van

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)

Flora- en fauna-inspectie Sint Maartensweg 8 te Meterik

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13931462/1