03c.1 Bp Californischeweg Bijlagen bij de Toelichting
Tekst van het document
Inhoudsopgave
2
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling
5
Bijlage 2
Quickscan bedrijven en milieuzonering
13
Bijlage 3
Vooronderzoek bodem
29
Bijlage 4
Quickscan externe veiligheid
65
Bijlage 5
Verantwoordingsrapportage groepsrisico
83
Bijlage 6
Onderzoek geluid
103
Bijlage 7
Memo geluidmetingen
231
Bijlage 8
Verkennend flora en faunaonderzoek
235
Bijlage 9
Onderzoek stikstofdepositie
271
Bijlage 10 Onderzoek luchtkwaliteit
309
Bijlage 11 Watertoets
407
Bijlage 12 Selectiebesluit archeologie
415
Bijlagen bij toelichting
3
4
Bijlage 1 Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling
5
20-0084576 20-0084576
Besluit van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeentelijk zaaknummer Aanmeldingsnotitie Aanvrager / initiatiefnemer Soort bedrijf / activiteiten Projectlocatie Kadastrale aanduiding locatie Datum ontvangst aanmeldingsnotitie Datum beoordelingsbesluit
: Z-MERPLICHT-2020-000498 : Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst”, d.d. 9 juli 2020 : Euroveen BV / BVB Substrates BV : productiebedrijf substraten : Californischeweg 10b, Grubbenvorst : Grubbenvorst, sectie L, nrs. 433, 435, 649 en 651 : 13 juli 2020 : 6 augustus 2020
Aanleiding De inrichting van Euroveen BV / BVB Substrates BV is gelegen aan de Californischeweg 10b te Grubbenvorst, in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het bedrijf richt zich op het produceren van substraten voor de glastuinbouw, de hobbysector, de champignonteelt, de teelt van zacht fruit en voor het segment openbaar groen. Het bedrijf heeft in het ter plaatse geldende bestemmingsplan de bestemming 'agrarisch hulp- en nevenbedrijf'. Dit bestemmingsplan is al meer dan 20 jaar oud en voorziet niet meer in een passende regeling ter plaatse. Gelet op de groei van het bedrijf in de afgelopen jaren en de toekomstige groei, heeft de eigenaar/initiatiefnemer het bedrijf reeds uitgebreid en wenst dit verder uit te breiden. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om het bestaande bedrijfsterrein efficiënter in te delen. Het bedrijfsperceel Californischeweg 10b valt binnen het ontwikkelingsgebied van Greenport Venlo en ligt in het zogenaamde Klavertje 4-gebied (in Klaver 11). Het huidige initiatief tot verdere uitbreiding van de activiteiten past niet binnen het ter plaatse geldende (verouderde) bestemmingsplan. De initiatiefnemer wenst een passende regeling, die recht doet aan de bestaande situatie en de beoogde uitbreiding.
Het voorliggende plan betreft de juridisch-planologische regeling van de huidig aanwezige bedrijfsactiviteiten, waarbij ook rekening wordt gehouden met enige ontwikkelingsruimte. Daarnaast voorziet dit plan in de uitbreiding van het huidige bedrijf op gronden die momenteel nog niet door het bedrijf in gebruik zijn. Deze uitbreiding is voorzien aansluitend op het bestaande terrein tot aan de Horsterweg. Initiatiefnemer wenst ter plaatse de bedrijvigheid zoals deze op het bestaande terrein plaatsvindt, hier ook uit te breiden. Om de voorgenomen ontwikkeling van dit plangebied mogelijk te maken, dient het geldende en sterk verouderde bestemmingsplan ‘Buitengebied van de (voormalige) gemeente Grubbenvorst’ (13 november 1997) te worden herzien. M.e.r. De beoogde uitbreiding van activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor mogelijk het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r- of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. Vastgesteld is dat de beoogde activiteiten niet genoemd zijn in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dat betekent dat er geen directe m.e.r.-plicht geldt. In onderdeel D van de bijlage zijn wél een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt.
Eén van de daarin genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’ (activiteit D 11.3). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer. Daarbij geldt dat deze
1
drempelwaarde niet als een harde grenswaarde mag worden gezien, maar als indicatieve waarde. Aangezien de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein aan de Californischeweg/Horsterweg minder dan 75 ha bedraagt geldt er geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit neemt niet weg dat wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden, maar er wordt wel een activiteit ondernomen die genoemd wordt in het Besluit m.e.r., het bevoegd gezag dient te bepalen of het voorgenomen initiatief kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en er aanleiding is voor het opstellen van een MER. Voor deze toets gelden geen vormvereisten; daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Sinds de inwerkingtreding van een wijziging in het Besluit m.e.r. op 17 juli 2017 dient een dergelijk beoordelingsbesluit expliciet genomen te worden voordat er besluitvorming over de vergunning c.q. het ruimtelijk plan mag plaatsvinden. Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling BP Californischeweg 10b, Grubbenvorst Ten behoeve van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is door/namens initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is vormvrij, mits wordt voldaan aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten. De selectiecriteria betreffen: 1.
de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project, en 3. de kenmerken van de potentiële gevolgen. Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project • Omvang van het project • Cumulatie met andere projecten • Gebruik van natuurlijke grondstoffen • Productie van afvalstoffen • Verontreiniging en hinder • Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project • Bestaand grond gebruik • Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied • Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitaten Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect • Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) • Grensoverschrijdende karakter van het effect • Waarschijnlijkheid van het effect • Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd op basis van de onderzoeken en rapportages die zijn uitgevoerd in het kader
van het ruimtelijke plan (zie paragraaf ‘bijbehorende documenten’). In de onderstaande tabellen vindt de beoordeling/toetsing plaats aan de hierboven genoemde criteria.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst Californischeweg 10b te Grubbenvorst
2
Kenmerken van het plan
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst Californischeweg 10b te Grubbenvorst
3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst Californischeweg 10b te Grubbenvorst
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst Californischeweg 10b te Grubbenvorst
5
Plaats van het project
Kenmerken van het potentiële effect
Conclusie Op grond van het Besluit m.e.r., onderdeel D, activiteit 11.3, moet de vraag worden beantwoord of voor de voorgenomen activiteit – zoals weergegeven in de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling – het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk is. Voor de beantwoording van deze vraag zijn in het bovenstaande een aantal aspecten beoordeeld, waarbij de vraag centraal staat of en in welke mate het uitbreiden/wijzigen van onderhavige inrichting nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Hierbij zijn de volgende omstandigheden beoordeeld: (1) kenmerk van het project; (2) plaats van het project; en (3) de kenmerken van het potentiële effect. Uit de hierboven uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan een MER op te stellen. Toetsing van de voorgenomen activiteiten aan de genoemde criteria voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling, heeft ons dan ook tot de conclusie gebracht dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst Californischeweg 10b te Grubbenvorst
6
Bijbehorende documenten Document Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling BP Californischeweg 10b te Grubbenvorst (d.d. 9 juli 2020) Toelichting BP Californischeweg 10b, Grubbenvorst (projectnr. DIV766; concept-versie dd. juli 2019) Bijlage 1 bij toelichting BP Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 2 bij toelichting BPVooronderzoek bodem Bijlage 3 bij toelichting BP Quickscan externe veiligheid Bijlage 4 bij toelichting BP Verantwoordingsrapportage groepsrisico Bijlage 5 bij toelichting BP Onderzoek geluid Bijlage 6 bij toelichting BP Verkennend flora en faunaonderzoek Bijlage 7 bij toelichting BP Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 8 bij toelichting BP Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 9 bij toelichting BP Watertoets
Documentnr. 20-0082418 20-0082465 20-0082470 20-0082471 20-0082472 20-0082473 20-0082474 20-0082475 20-0082476 20-0082477 20-0082478
Besluit Gelet op artikel 7.17 en 7.19 van de Wm besluiten wij, dat voorafgaande aan het opstellen van het bestemmingsplan ‘Californischeweg 10b Grubbenvorst’ voor de voorgenomen uitbreiding van de inrichting van Euroveen BV / BVB Substrates BV, gelegen aan de Californischeweg 10b te Grubbenvorst, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in het Besluit MER, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas, namens dezen,
M. Ohlenforst, Teamleider Omgeving
Bezwaar Dit besluit is een beslissing ter voorbereiding van een procedure tot het vaststellen van een bestemmingsplan voor de uitbreiding van een industrieterrein. Als gevolg van het artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dit besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn/haar belang treft.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BP ‘Californischeweg 10b, Grubbenvorst Californischeweg 10b te Grubbenvorst
7
Bijlage 2 Quickscan bedrijven en milieuzonering
13
o
-
Bijlage 3 Vooronderzoek bodem
29
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Euroveen B.V. DIV766 25 maart 2019
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Euroveen B.V. DIV766 MIL 19.027 Definitief 25 maart 2019
Opsteller: R. Meuwissen
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
Verificatie: G. Goossens Validatie: R. van den Boogaard
© 2018 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
+C0R. Meuwissen+-
-+ R0G. Goossens+-+ V0R. van den Boogaard+-
INHOUDSOPGAVE 2.1 2.2 2.3 2.4 2.4.1 2.4.2 2.5 2.6 2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.6.4 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 2.12 2.13 2.14
NAW-gegevens ...........................................................................................................................................................9 Algemeen vooronderzoek .............................................................................................................................................9 Plangebied ................................................................................................................................................................9 Bodemkundige gegevens ............................................................................................................................................10 Bodemkaart .............................................................................................................................................................10 Geohydrologie en grondwater ......................................................................................................................................10 GIS-viewer provincie Limburg (ondergrondportaal) ...........................................................................................................11 Resultaten eerder uitgevoerd onderzoek op de locatie ......................................................................................................12 Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740
..........................................................................................................12 Partijkeuringen grond .................................................................................................................................................12 Nader onderzoek grondwater ......................................................................................................................................12 Regionale achtergrondwaarden ....................................................................................................................................12 Informatie gemeente Horst aan de Maas .......................................................................................................................13 Bodemkwaliteitskaart / bodembeleid gemeente Horst aan de Maas ...................................................................................13 Milieubeschermingsgebieden .......................................................................................................................................13 Historisch en huidig gebruik.........................................................................................................................................14 Bouw en
slooparchief.................................................................................................................................................14 Kabels en leidingen ...................................................................................................................................................14 Terreininspectie.........................................................................................................................................................14 Hypothesen .............................................................................................................................................................14
BIJLAGEN
5
1
INLEIDING In opdracht van de Euroveen B.V. is door Kragten een actualiserend bodem-vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijfsterrein van Euroveen aan de Californischeweg 10b te Grubbenvorst (gemeente Horst aan de Maas). De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bestemmingswijziging van het perceel aan de Horsterweg (ongenummerd) van agrarisch naar bedrijventerrein. Het perceel wordt door Euroveen in gebruik genomen als opslagterrein voor pallets. Het terrein zal worden voorzien van een verharding met stelconplaten. Op het zuidelijke deel van de locatie (nabij de Horsterweg) wordt een regenwaterbuffer aangelegd. Het definitieve ontwerp van deze buffer is nog niet vastgesteld.
Leeswijzer: Inleiding (hoofdstuk 1) Vooronderzoek conform NEN 5725 (hoofdstuk 2) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 3)
Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid: Het vooronderzoek is uitgevoerd door een ervaren projectleider-bodem. Kragten aanvaardt uitsluitend opdrachten komend van buiten de eigen organisatie en verklaart geen enkel belang te hebben aan het resultaat van het onderzoek.
7
2
VOORONDERZOEK CONFORM NEN 5725
2.1
NAW-gegevens
2.2
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Telefoon: Email: Projectkenmerk:
Euroveen B.V. de heer D. Beeren / de heer A. van der Meer Californischeweg 10b Grubbenvorst (gemeente Horst aan de Maas) 077 366 9393 DBeeren@bvb-substrates.nl / AvanderMeer@bvb-substrates.nl Uitbreiding Euroveen
Opdrachtnemer: Projectleider milieu: Adres: Telefoon: Email projectleider:
Kragten de heer R. Meuwissen Schoolstraat 8 te Herten (Roermond) 088 33 66 333 rme@kragten.nl
Algemeen vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 (Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek ). De eerste stap in het vooronderzoek is het vaststellen van de aanleiding voor het vooronderzoek. Hierop volgt een eenduidige afbakening van het geografische gebied. Voor het onderhavig onderzoek is de aanleiding voor het onderzoek: Opstellen hypothese over de aanwezigheid van potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten bij nul- en eindsituatie onderzoek (Omgevingsvergunning milieu of Activiteitenbesluit) (aanleiding B in de NEN 5725) Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overig projectmatig grondverzet ten behoeve van inschatten van arbeidshygiënische risico’s (aanleiding G in de NEN 5725) Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de gemeente Horst aan de Maas, uitvoeren van terreininspectie, het houden van interviews en/of archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidig gebruik, het toekomstig gebruik, de bodemopbouw, geohydrologische situatie en eventueel financieel-juridische aspecten.
Op basis van de verzamelde informatie wordt indien nodig het veld- en chemisch onderzoek voorbereid en wordt de onderzoekshypothese opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Op basis van de informatie, de aanleiding voor het onderzoek en de mate van verdachtheid is bij het vooronderzoek een afstand van 25 meter als begrenzing voor het vooronderzoek aangehouden. De verticale begrenzing bedraagt tot een maximale diepte van circa 5 m –mv.
2.3
Plangebied De onderzoekslocatie is gelegen direct ten noordoosten van de Horsterweg (gemeente Horst aan de Maas). Voor de topografische ligging wordt verwezen naar bijlage B1. Voor de begrenzing van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de tekening in bijlage B3. In figuur 1 is op luchtfoto de globale begrenzing van het onderzoeksgebied weergegeven. In tabel 1 zijn de relevante locatiegegevens vermeld.
9
Tabel 1
Gegevens onderzoekslocatie
Adres / Straatnaam: Gemeente: Oppervlakte onderzoekslocatie (t.b.v. vooronderzoek): Voormalig, huidig en toekomstig gebruik: Gebruik aangrenzende percelen:
Verhardingen
Horsterweg (ongenummerd) te Grubbenvorst Horst aan de Maas Kadastraal geregistreerd onder GBV00 nummer 433, sectie L (totaal 25.452 m2) Voormalig en huidig gebruik is landbouwgrond (agrarisch) Toekomstig gebruik: bedrijventerrein (opslag pallets) Woning aan de Horsterweg (oostelijk), bedrijventerrein Euroveen (noordelijk), rijbaan Horsterweg ten zuiden en ten oosten door het bedrijfsterrein Horsterweg 66 (Kurstjens, recycling, transport, grondwerk en loonwerk). Geheel onverhard (landbouwgrond)
Afbeelding 1: Onderzoekslocatie (Horsterweg te Grubbenvorst), bron: luchtfoto PDOK
2.4
Bodemkundige gegevens
2.4.1
Bodemkaart Op de bodemkaart van Nederland is de bovengrond tot een diepte van 1,2 m –mv ingedeeld naar de wijze van bodemvorming (geogenetische bodemclassificatie volgens StiBoKa). Op de Bodemkaart wordt de grond ter plaatse van de onderzoekslocatie gerekend tot de Veldpodzolgronden. De textuur van deze gronden bestaat uit lemig fijn zand. Bron: -
2.4.2
www.bodemdata.nl
Geohydrologie en grondwater De globale geologische bodemopbouw van de bovenste bodemlagen is vermeld in tabel 2. Tabel 2 Geologische opbouw, lithostratigrafie en geohydrologie Diepte (in m -mv): 0 – 1,15
Geologische formatie: Formatie van Boxtel
1,15 – 20,0
Formatie van Beegden
10
Lithostratigrafie: Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
Geohydrologische eenheid: -
Watervoerendpakket
De geohydrologie van de bodem hangt nauw samen met de textuur en opbouw van de diverse bodemlagen. De hoogteligging van het perceel bedraagt circa 23,5 à 24,0 meter +NAP. De stijghoogte van het grondwater bedraagt ter plaatse circa 22 m +NAP. Het grondwater kan worden verwacht vanaf een diepte van circa 1,5 à 2,0 m –mv. De stromingsrichting van het grondwater is globaal oostelijk (richting de Maas). Bronnen: -
2.5
www.Dinoloket.nl AHN (Algemene Hoogtekaart Nederland) Grondwaterkaart van Nederland
GIS-viewer provincie Limburg (ondergrondportaal) Op de onderzoekslocatie zijn voor zover bekend bij de provincie Limburg geen (bodem-)onderzoeken uitgevoerd. Op de GIS-viewer van de provincie Limburg zijn binnen een straal van 100 meter twee bodemlocaties vermeld waar sprake kan zijn van een bodemverontreiniging. In tabel 2 zijn de resultaten van het Ondergrondportaal vermeld. Op of nabij de locatie zijn geen (voormalige) stortplaatsen aanwezig. Tabel 2
Informatie GIS-viewer (Ondergrondportaal provincie Limburg)
Bodemlocatie: Horsterweg 64-70 Kurstjens
Licode: LI15070018
De bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn op meer dan 150 meter afstand van de onderzoekslocatie
Californischeweg 10b (Euroveen)
Activiteit -
-
LI150701094
-
Ondergrond afgewerkte olietank (5 m3) Afgewerkte olietank (ondergronds), inhoud van 1 of 2 m3 (in jaren 70 of 80 leeggemaakt en volgespoten met zand. In 1990 is de tank verwijderd. Autowasserij (vanaf 1976) Dieselpompinstallatie (vanaf 1974) met een dieseltank van 50 m3 en 40 m3) Dieselpompinstallatie (tank van 8 m3) Gereedschappenfabriek (vanaf 1976) HBO tank (inhoud onbekend, vanaf 1978) Landbouwmachinefabriek (vanaf 1970) Loonbedrijf (vanaf 1970) Petroleum- of kerosinetank (bovengronds, vanaf 1973) Vrachtwagenreparatiebedrijf (tot 1985) Huidig bedrijventerrein Euroveen
Onderzoek Historisch onderzoek (Oranjewoud 1-4-1989) Oriënterend bodemonderzoek (Oranjewoud 1-3-1990) Oriënterend bodemonderzoek (Oranjewoud 1-1-1993)
Verkennend bodemonderzoek (Kragten d.d. 27-8-1993)
Afbeelding 2: Uitsnede GIS-Viewer Ondergrondportaal provincie Limburg
Bron: -
GIS-viewer (ondergrondportaal) provincie Limburg
11
2.6
Resultaten eerder uitgevoerd onderzoek op de locatie
2.6.1
Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 In 2010 is door Kragten in verband met de uitbreiding van het bedrijfsterrein van Euroveen aan de Californischeweg 10b te Grubbenvorst een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie is grotendeels gelegen aan de Horsterweg (ongenummerd). De grond bestaat tot een diepte van 4,5 m –mv uit zeer fijn zand. De bovengrond (tot circa 0,5 m –mv) is zwak tot matig humeus. Zeer plaatselijk bestaat de grond van 1 tot 2 m –mv uit sterk zandige veen (boring B05). Behoudens enkele stukjes aluminium in de ondergrond ter plaatse van boring B05 zijn in de grond geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Aan de grond en aan het grondwater zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Aan het maaiveld en aan de opgeboorde grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grond (tot 2 m –mv) zijn geen chemische verontreinigingen aangetoond (alle gehalten lager dan de Achtergrondwaarden). In het instromende grondwater (nabij de Horsterweg) is plaatselijk (peilbuis B29) een sterk verhoogd gehalte aan barium aangetoond. In het grondwater van de peilbuizen B23 en B29 zijn eveneens licht tot matig verhoogde gehalte aan barium, cadmium, nikkel en/of zink aangetoond.
In het grondwater van de overige peilbuizen (B01, B08, en B14) zijn geen gehalten aangetoond hoger dan de Streefwaarden. Bron: -
2.6.2
Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 Californischeweg 10b te Grubbenvorst (Kragten, rapportnummer BOD10.089 d.d. 13 september 2010)
Partijkeuringen grond In 2010 is door Kragten een in situ partijkeuring conform de BRL SIKB1000 en het protocol 1001. De aanleiding voor het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond in verband met de afvoer. De vrijkomende grond is onderzocht middels vier partijen tot een diepte van 0,7 m –mv. Uit de resultaten blijkt dat de teelaardelaag overwegend bestaat uit zwak humeus, matig siltig, zeer fijn zand. In de grond zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. In de grond van de vier partijen zijn geen verontreinigingen aangetoond (alle gehalten lager dan de Achtergrondwaarden). De grond is geclassificeerd als zijnde toepasbaar als ‘schone grond’. Bron: -
2.6.3
Partijkeuringen grond (teeraardelaag fase 1 en 2) Californischeweg te Grubbenvorst (Kragten, rapportnummer BOD10.095 d.d. 8 oktober 2010)
Nader onderzoek grondwater Naar aanleiding van het verhoogd gehalte aan barium in het grondwater van peilbuis B29 is nader onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het vaststellen van de omvang van de verontreiniging. Uit de resultaten van het nader grondwateronderzoek blijkt dat ter plaatse van de peilbuis B29 (nabij de Horsterweg) geen sprake is van een ernstig geval van grondwaterverontreiniging. In het grondwater zijn na her-bemonstering geen sterk verhoogde gehalten aan barium aangetoond. De verhoogde gehalten aan zware metalen (met name barium en zink) vormen geen belemmering voor de voorngenomen bedrijfsactiviteiten door Euroveen. Bron: -
2.6.4
Nader grondwateronderzoek Californischeweg 10b te Grubbenvorst (Kragten, rapportnummer BOD11.003 d.d. 6 januari 2011)
Regionale achtergrondwaarden Uit onderzoek is gebleken dat in diverse regio’s de grond en/of het grondwater verontreinigd is zonder dat hiervoor een directe oorzaak kan worden aangetoond. Deze diffuse verontreinigingen kunnen het gevolg zijn van neerslag van verontreinigende stoffen afkomstig van industrie en verkeer, door afzetting van verontreinigd slib of door verzurende en vermestende effecten van de landbouw. Doch verhoogde gehalten kunnen ook een natuurlijke oorsprong hebben vanwege geologische afzettingen. De mate van verontreiniging is gebiedsafhankelijk.
12
In de regio waarin de onderzoekslocatie is gelegen kunnen in de grond en in het grondwater verhoogde gehalten aangetroffen worden met zware metalen en arseen als gevolg van verzuring en vermesting en nikkel als gevolg van natuurlijke afzettingen. Bron: -
2.7
Diffuse verontreinigingen in de provincie Limburg (rapport Tauw Deventer, november 1995)
Informatie gemeente Horst aan de Maas Bij de gemeente Horst aan de Maas is geen informatie bekend over eerder uitgevoerde (bodem-)onderzoeken ter plaatse van de onderzoekslocatie aan de Horsterweg. Uit informatie van de gemeente blijkt dat in 2017 op een locatie aan de Horsterweg een actualiserend vooronderzoek en aanvullend bodem- en waterbodemonderzoek is uitgevoerd. Deze locatie (circa 23 hectare) is gelegen op meer dan 200 meter afstand ten noordwesten van de huidige onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het actualiserend vooronderzoek blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit niet is gewijzigd ten opzichte van het onderzoek uit 2012. De bodem is maximaal licht verontreinigd. Ter plaatse van de voormalige boomgaard zijn licht verhoogde gehalten aan DDE en DDT (bestrijdingsmiddelen) aangetoond. Bron: -
2.8
Actualiserend vooronderzoek en aanvullend bodem- en waterbodemonderzoek (Arcadis, Klaver 11 te Grubbenvorst d.d. 11 januari 2017)
Bodemkwaliteitskaart / bodembeleid gemeente Horst aan de Maas De gemeente Horst aan de Maas beschikt momenteel niet over geldige een Bodemkwaliteitskaart. Op de bodemfunctieklassenkaart is de onderzoekslocatie gelegen in het gebied ‘overig (landbouw/natuur)’. In afbeelding 3 is de uitsnede van de Bodemfunctieklassenkaart vermeld. Afbeelding 3: Uitsnede Bodemfunctieklassenkaart d.d. 3-12-2010 (bron: gemeente Horst aan de Maas)
2.9
Milieubeschermingsgebieden De onderzoekslocatie aan de Horsterweg is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of in een waterwingebied. De locatie is wel gelegen in de boringsvrije zone van de Venloschol, een geologische bescherming waarbij het watervoerende pakket wordt afgedekt met slecht doorlatende kleilagen. Met de bedrijfsactiviteiten worden geen diepe boringen uitgevoerd, die de boringsvrije zone zouden kunnen aantasten. Bronnen: -
GIS-viewer provincie Limburg Bestemmingsplan “Euroveen Grubbenvorst” (Arvalis Adviseurs, kenmerk NL.IMRO.1507.BPEuroveen)
13
2.10
Historisch en huidig gebruik De onderzoekslocatie is tot heden altijd in gebruik geweest als agrarisch gebied (akker- of weiland). Voor een overzicht van de historische kaarten vanaf 1900 wordt verwezen naar bijlage B2. Vanaf circa 2010 tot heden is de locatie en het gebruik nagenoeg ongewijzigd (gras). Bronnen: -
2.11
Diverse historische kaarten Informatie opdrachtgever
Bouw en slooparchief Omdat de werkzaamheden uitsluitend betrekking hebben op het onverhard gebied, is geen informatie ingewonnen over bouwdossiers. De onderzoekslocatie is altijd onbebouwd geweest.
2.12
Kabels en leidingen Binnen de onderzoekslocatie worden geen kabels en leidingen van nutsvoorzieningen verwacht. In de berm van de rijbaan van de Horsterweg worden mogelijk kabels en leidingen aangetroffen.
2.13
Terreininspectie Op 18 maart 2019 is door de heer R. Meuwissen van Kragten een terreininspectie uitgevoerd. Tijdens de inspectie zijn geen aanwijzingen verkregen voor een chemische bodemverontreiniging of een verontreiniging met asbest. Ten noorden wordt de locatie begrens door een haag met hierachter het huidige bedrijfsterrein (verharding van stelconplaten), ten oosten door een grondwal met hekwerk, met hierachter het perceel Horsterweg nr. 60, ten zuiden door een hekwerk, met hierachter een droogstaande afwateringsgreppel, fietspad en de rijbaan van de Horsterweg en ten oosten door een watergang (waterbuffer), met aangrenzend het bedrijfsterrein van Kurstjens (Horsterweg nr. 64-70). De gehele onderzoekslocatie is ten tijde van de inspectie agrarisch niet in gebruik (gras). Op het noordelijk deel zijn enkele kleine (grond-)depots aanwezig, afkomstig van Euroveen, die op korte termijn worden afgevoerd. De kwaliteit van de grond is niet bekend. Aan het oppervlak zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen die een chemische verontreiniging hebben kunnen veroorzaakt. Daarnaast zijn tegen de haag enkele vijzels opgeslagen. Voor een impressie van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de foto’s zoals zijn opgenomen in bijlage B4.
2.14
Hypothesen Hypothese 1: Chemische kwaliteit grond Op basis van de resultaten van het vooronderzoek worden in de boven- en ondergrond van de onderzoekslocatie geen verhoogde gehalten aan verontreinigde stoffen verwacht. Hypothese 2: Chemische kwaliteit grondwater Wat betreft het grondwater zijn met het vooronderzoek geen aanwijzingen verkregen voor een mogelijke aanwezigheid van een chemische verontreiniging van lokale aard. Het grondwater is onverdacht ten aanzien van lokale chemische verontreiniging. In het grondwater ter plaatse van (voor verzuring gevoelige) zandgronden kunnen echter regionaal verhoogde gehalten aan zware metalen voorkomen als gevolg van verzuring en door vermesting van landbouwgronden. In het grondwater kunnen (van nature) verhoogde gehalten aan zware metalen (met name barium, cadmium, nikkel en zink) worden verwacht. Hypothese 3: Asbest Ter plaatse van de onderzoekslocatie heeft nooit bebouwing gestaan en is voor zover bekend geen puinverharding aanwezig geweest, waardoor een verontreiniging met asbest in de grond kan zijn veroorzaakt. De onderzoekslocatie is onverdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest.
14
3
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Op basis van de resultaten van het (actualiserend) vooronderzoek conform NEN 5725 kan het volgende worden geconcludeerd en worden aanbevolen: -
De onderzoekslocatie is in de periode tussen 2010 en 2019 niet gewijzigd (landbouwgrond). In deze periode hebben op het perceel geen bodembedreigende handelingen of activiteiten plaatsgevonden. De grond bestaat tot een diepte van minimaal 5 m –mv uit zeer fijn zand. In de grond worden geen bodemvreemde bijmengingen verwacht. In de boven- en ondergrond (tot een diepte van 2,0 m –mv) worden geen chemische verontreinigingen of een verontreiniging met asbest verwacht. In het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten worden verwacht met zware metalen (met name barium, cadmium, nikkel en zink).
NUL-situatie Geadviseerd wordt om voor de NUL-situatie voor het toekomstig bedrijventerrein uit te gaan van een onverdachte locatie, waarbij in de grond geen verontreinigingen aanwezig zijn en in het grondwater van nature verhoogde gehalten aan zware metalen kunnen worden aangetroffen. Een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 is voor de bestemmingsplanwijziging en de bedrijfsactiviteiten niet noodzakelijk. Vrijkomende grond Geadviseerd wordt om de bij de aanleg van de regenwaterbuffer en eventueel bij de aanleg van de verharding vrijkomende grond binnen het plan te hergebruiken. Indien hergebruik op locatie niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om de grond in situ te bemonsteren middels een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit, of als een afvalstof af te voeren naar een door de Wet milieubeheer erkende acceptant. Hergebruik op basis van de Bodemkwaliteitskaart is niet mogelijk, aangezien geen geldige kaart beschikbaar is. Arbo- veiligheidsmaatregelen (CROW400) Voor (graaf-)werkzaamheden in de boven- en ondergrond zijn conform de CROW400 geen veiligheidsklassen van toepassing. Wel geldt voor alle werkzaamheden de Basishygiëne.
15
LITERATUURLIJST NEN-normen NEN5725: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (oktober 2017) NEN5740+A1: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond (april 2017) Overige documenten Wet bodembescherming (Wbb) Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Regeling bodemkwaliteit (Rbk)
17
BIJLAGEN
B1 TOPOGRAFISCHE SITUATIE
B1-1
B2 HISTORISCHE TOPOGRAFISCHE KAARTEN
B2-1
B2-2
B2-3
B2-4
B2-5
B3 TEKENING ONDERZOEKSLOCATIE Uitsnede: Toekomstige situatie
Stelcon platen en opslag van pallets
groen / water
B3-1
B4 FOTO’S ONDERZOEKSLOCATIE
Foto 1: Enkele kleine gronddepots op locatie
Foto 2: Opgeslagen vijzels
Foto 3: watergang / buffer op het westelijk deel van de locatie (rechts locatie Kurstjens)
B4-1
Foto 4: Klein depot bouwstofmateriaal
Foto 5: klein gronddepot
Foto 6: Overzichtsfoto onderzoekslocatie (gezien richting Horsterweg)
B4-2
Foto 7: Grondwal met haag op het oostelijk deel van de locatie (gezien richting Horsterweg)
Foto 8: woonhuis met gastank (Horsterweg nr. 60)
Foto 9: Overzichtsfoto (vanuit de Horsterweg richting huidig terrein Euroveen)
B4-3
Foto 10: Hekwerk tussen onderzoekslocatie (rechts) en Horsterweg (links)
Foto 10: Overzichtslocatie (gezien vanuit de Horsterweg)
B4-4
64
Bijlage 4 Quickscan externe veiligheid
65
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Euroveen B.V. DIV766-0001 25 maart 2019
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Euroveen B.V. DIV766-0001 20190325-DIV766-RAP-EXT-QS 0.2 Concept 25 maart 2019
Opsteller: B. Deckers-Simon T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
+C0B. Deckers-
Verificatie: R. van Hooy -
Validatie:
+R0R. van -+V0
R. van den Boogaard
© 2014 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
R. van den
INHOUDSOPGAVE 2.1 2.2 2.2.1 2.3 2.4 2.5
Inleiding....................................................................................................................................................................9 Wettelijk kader ...........................................................................................................................................................9 Risiconormen .............................................................................................................................................................9 Transport over waterwegen .........................................................................................................................................10 Transport over wegen ................................................................................................................................................10 Transport over het spoor .............................................................................................................................................12
3.1 3.2 3.3
Inleiding..................................................................................................................................................................13 Wettelijk kader .........................................................................................................................................................13 Inventarisatie lokale buisleidingen ................................................................................................................................13
4.1 4.2 4.3
Inleiding..................................................................................................................................................................15 Wettelijk kader .........................................................................................................................................................15 Inventarisatie relevante inrichtingen ..............................................................................................................................15
5
1
INLEIDING In opdracht van Euroveen B.V. is door Kragten een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico’s ten behoeve van de uitbreiding van Euroveen B.V. aan de Californischeweg 10b te Grubbenvorst.
Afbeelding 1
Globale ligging plangebied (rood kader)
In het kader van het onderzoek naar het planvoornemen dienen de externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. In deze quickscan zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. Indien risicobronnen een mogelijke belemmering vormen, is een vervolgonderzoek noodzakelijk.
7
2
TRANSPORTASSEN
2.1
Inleiding Eén van de aandachtspunten bij het ontwikkelen van een plan waar mensen verblijven, zoals de voorgenomen ontwikkeling, zijn de externe veiligheidsrisico’s vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Bepaald dient te worden of het vervoer van gevaarlijke stoffen consequenties kan hebben voor de gewenste ontwikkeling.
2.2
Wettelijk kader Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in de richtlijnen voor stationaire bronnen en transportassen. De regelgeving rond de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs, Stb. 2013, nr. 307). De Wvgs vervangt de nota en de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de Wvgs en het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico’s, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de bijlagen van de Regeling Basisnet is opgenomen voor welke transportroutes de externe veiligheidsrisico’s bepaald moeten worden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden.
2.2.1
Risiconormen Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden.
In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. De ligging van het invloedsgebied per modaliteit is in navolgende tabel 1 weergegeven.
9
Tabel 1
Invloedsgebied per stofcategorie Stofcategorie Weg, water Spoor LF1 LF2 C3 LT1 D3 LT2 LT3 D4 LT4 GF1 GF2 GF3 A GT2 GT3 B2 GT4 B3 GT5 B3
2.3
Invloedsgebied 1% letaliteitsafstand (m) Spoor Weg Water 45 35 35 45 35 375 730 600 880 880 >4.000 >4.000 n.v.t. 40 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 40 65 460 355 90 245 n.v.t. 995 560 1.070 >4.000 >4.000 n.v.t. >4.000 >4.000 n.v.t.
Transport over waterwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Op basis van de afstanden die in tabel 1 zijn genoemd, blijkt dat het maximale invloedsgebied van gevaarlijke stoffen die over water vervoerd worden, 1.070 meter bedraagt (GT3-stoffen). De Maas, die is opgenomen in het Basisnet water, bevindt zich op ruim 3 kilometer ten oosten van het plangebied. Het plangebied is derhalve niet gelegen binnen een invloedsgebied van een vaarweg. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over water vormen dan ook geen belemmeringen voor de planvorming, uit het oogpunt van externe veiligheid.
2.4
Transport over wegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zijn uitsluitend de transportassen van belang waar structureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. In beginsel zijn dit A- en N-wegen. Voor het plangebied zijn de volgende wegen binnen een straal van 4.000 meter relevant: - A73 - A67 - N295 - N556. De N295 en N556 zijn niet opgenomen in het Basisnet weg. Ook zijn deze wegvakken niet opgenomen in de telgegevens van Rijkswaterstaat. Over deze wegen vindt geen structureel transport van gevaarlijke stoffen plaats. De N295 en N556 worden dan ook buiten beschouwing gelaten.
10
Afbeelding 2
Globale ligging wegen t.o.v. het plangebied
A73 Op een afstand van circa 350 meter ten oosten van het plangebied is de rijksweg A73 (wegvak L87) aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A73 is opgenomen in het Basisnet weg. Voor dit wegvak is sprake van een PR10-6-risicocontour van 6 meter. Er is ook sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG)1.De PR10-6-risicocontour en PAG reiken niet tot aan de grens van het plangebied. Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A73, ter hoogte van het plangebied, LF1, LF2, LT1, LT2, GF1, GF2, GF3, GT3 en GT4-stoffen worden getransporteerd. Op grond van tabel 1 blijkt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische stoffen (LT1, LT2, GT3) te liggen. De risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen over de weg dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording. A67 Op een afstand van circa 3 kilometer ten zuiden van het plangebied is de rijksweg A67 (wegvak L89) aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A67 is opgenomen in het Basisnet weg. Voor dit wegvak is sprake van een PR10-6-risicocontour van 22 meter. Er is ook sprake van een PAG. De PR10-6risicocontour en PAG reiken niet tot aan de grens van het plangebied.
Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A67, ter hoogte van het plangebied, LF1, LF2, LT1, LT2, LT3, GF1, GF2, GF3 en GT3-stoffen worden getransporteerd. Op grond van tabel 1 blijkt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT3) te liggen. De risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen over de weg dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording.
1
Plasbrandaandachtsgebied: het wegvak, vermeerderd met een zone van 30 meter aan weerszijden van het wegvak.
11
2.5
Transport over het spoor Ook ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Op circa 2.300 meter ten zuidwesten van het plangebied is de spoorlijn Eindhoven aansl. – Venlo (route 12) gelegen. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor. Gezien de ruimtelijke scheiding, zijn de PR 10-6risicocontour of het PAG niet relevant. Uit Bijlage II Tabel Basisnet spoor, van de Regeling basisnet, volgt dat over deze spoorlijn uitsluitend A-stoffen worden getransporteerd. Volgend uit tabel 1, ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze stoffen. De risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn vormen geen belemmeringen voor de planvorming.
12
3
BUISLEIDINGEN
3.1
Inleiding Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten dient tevens rekening te worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen waarvoor bepaalde aan te houden risicoafstanden gelden. Deze afstanden zijn onder andere afhankelijk van de aard van de stof, de druk waaronder deze wordt getransporteerd, de diepteligging en de diameter en wanddikte van de buisleiding. Ten aanzien van de externe veiligheid gaat het vooral om de risico’s in het geval er iets fout gaat met een hogedruk aardgastransportleiding. Maar ook andere buisleidingen kunnen een aandachtsgebied voor externe veiligheid hebben dat tot over het plan reikt. Bepaald dient te worden of eventueel aanwezige buisleidingen consequenties kunnen hebben voor het plangebied.
3.2
Wettelijk kader Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit sluit aan bij de risiconormering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dat betekent dat de toetsings- en bebouwingsafstand worden vervangen door een afstand voor het plaatsgebonden risico (PR) en een afstand voor het invloedsgebied van het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt dat er binnen de 10-6-risicocontour geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Voor het GR geldt, indien er objecten binnen het invloedsgebied liggen, een verantwoordingsplicht.
3.3
Inventarisatie lokale buisleidingen Eventuele risico’s van buisleidingen zijn pas relevant indien de effecten van een ongeval het plangebied kan overschrijden. Om inzicht te krijgen in de bandbreedte van het invloedsgebied van buisleidingen is het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen-Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen (geactualiseerde versie 2016) geraadpleegd, waarin uit tabel 5.1 1%-letaliteitsgrens bij hogedrukaardgastransportleidingen blijkt dat de grootst mogelijke 1%-letaliteitsafstand van een buisleiding 580 meter bedraagt. Voor plannen op méér dan 580 meter afstand van een buisleiding kan dan ook worden geconcludeerd dat geen beperkingen gelden voor het plan; de berekening van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan niet aan de orde. Op basis van de risicokaart is geconstateerd dat ten zuiden van het plangebied twee buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn gelegen. Zie afbeelding 3.
13
Afbeelding 3
Ligging buisleidingen t.o.v. het plangebied
Op grond van informatie van de risicokaart zijn onderstaand de relevante gegevens van deze buisleidingen samengevat. Tabel 2 Relevante gegevens buisleiding (bron: Memo externe veiligheid Bestemmingsplan Trade port Noord, Klaver 1, d.d. 23 april 2014 door Anteagroup. Buisleiding
Product
Diameter
Druk
rrp-l6 Rrp-I9
benzine Petroleum
24 inch 36 inch
62 bar 43 bar
PR10-6 risicocontour 25 33
1% letaliteitsafstand 35 43
Afstand tot plangebied Circa 900 meter Circa 900 meter
Op grond van de bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van deze buisleidingen. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor de planvorming.
14
4
EXTERNE VEILIGHEID INRICHTINGEN
4.1
Inleiding Naast het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes en door buisleidingen, dient bij de realisatie van het plan ook rekening te worden gehouden met de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen waarvoor ook aan te houden risicoafstanden gelden. Bepaald dient te worden of eventueel aanwezige risicovolle inrichtingen belemmeringen kunnen vormen voor de planrealisatie.
4.2
Wettelijk kader Voor risicovolle activiteiten en/of risicovolle installaties bij inrichtingen worden ten aanzien van het milieuhygiënische aspect externe veiligheid regels gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt aangesloten op de van toepassing zijnde publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Daarnaast is een aantal rechtstreeks geldende besluiten van belang waarin te respecteren veiligheidsafstanden en/of risicocontouren zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo 2015), het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit.
Voor zover het Bevi, Brzo 2015 en de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik niet van toepassing is, vallen activiteiten met gevaarlijke stoffen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Indien de drempelwaarden uit bijlage 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet wordt overschreden, vallen activiteiten met de opslag van ontplofbare stoffen zoals genoemd in het Vuurwerkbesluit eveneens onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. In specifieke gevallen kunnen aanvullende voorschriften zijn opgenomen in een individuele milieuvergunning. De effecten met betrekking tot externe veiligheid worden uitgedrukt in te respecteren veiligheidsafstanden, plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
4.3
Inventarisatie relevante inrichtingen Met behulp van de risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in navolgende afbeelding is de ligging van relevante inrichtingen/installaties in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
15
Afbeelding 4
Globale ligging inrichtingen ten opzichte van het plangebied (bron: risicokaart)
In de directe omgeving van het plangebied is een risicovolle inrichting/installatie aanwezig. Het betreft een propaantank met een inhoud van 40.000 liter ter plaatse van de inrichting AGCO Netherlands B.V. aan de Horsterweg 66. Uit de risicokaart volgt dat de PR10-6-risicocontour van deze propaantank 45 meter bedraagt. In de toelichting bij het bestemmingsplan Klaver 11, waarbinnen de inrichting valt, wordt uitgegaan van een PR10-6risicocontour van 56 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR10-6-risicocontour van deze propaantank. Uit de gevarenkaarten 1 en 6 van de Leidraad Risico Inventarisatie – deel Gevaarlijke Stoffen (LRI-GS), versie 3.1, oktober 2007 blijkt dat voor deze tank sprake is van een ‘Afstand – letaal’ van 235 meter. Deze afstand, die beschouwd kan worden als de inventarisatieafstand, reikt niet tot over het plangebied. De risico’s als gevolg van inrichtingen/installaties vormen derhalve geen belemmeringen voor de planvorming uit het oogpunt van externe veiligheid.
16
5
CONCLUSIE In opdracht van Euroveen is door Kragten een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico’s ten behoeve van de uitbreiding van Euroveen B.V. aan de Californischeweg 10b te Grubbenvorst. Transport over het water en het spoor Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen weg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied (toxisch scenario) van de A73 en de A67. De risico’s als gevolg van het transport over de A73 en de A67 moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van een buisleiding. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoording is niet aan de orde.
Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR10-6-risicocontour of invloedsgebied van een risicovolle inrichting/installatie in de omgeving. De risico’s als gevolg van inrichtingen/installaties in de omgeving vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is.
Bijlage 5 Verantwoordingsrapportage groepsrisico
83