CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichtng

Gemeenteraad 31 januari 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Americaanseweg 57 te Horst.16.786 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwerp bestemmingsplan ‘Americaanseweg 57, Horst’ NL.IMRO.1507.HOAmericweg57.BPO1

Document:

Bestemmingsplan “Americaanseweg 57 Horst”

IDN:

NL.IMRO.1507.HOAmericweg57.BPO1

Status:

Ontwerp

Datum:

1 augustus 2022

Aanvrager:

Familie Driessen

Auteur:

ing. P.W.M. van de Ligt

Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE

1.

2.

3.

4.

5.

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5

1.4

Leeswijzer .....................................................................................................................................................6

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................7 2.1

Algemeen ......................................................................................................................................................7

2.2

Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................8

2.3

Functionele structuur ...................................................................................................................................8

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................8

BELEID ................................................................................................................................................................ 10 3.1

Algemeen ................................................................................................................................................... 10

3.2

Rijksbeleid .................................................................................................................................................. 10

3.3

Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 12

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 19

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 22 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 23

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 24

4.3

Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 24

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 26 5.1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 26

5.2

Milieuaspecten........................................................................................................................................... 26

5.3

Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 35

5.4

Kabels en leidingen................................................................................................................................... 37

5.5

Natuur ......................................................................................................................................................... 38

5.6

Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 39

5.7

Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 41

5.8

Spuitzones gewasbescherming .............................................................................................................. 41

Ontwerp

1

6.

7.

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 42 6.1

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 42

6.2

Handhaving................................................................................................................................................ 42

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 44

6.4

Procedure................................................................................................................................................... 44

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 45 7.1

Planstukken ............................................................................................................................................... 45

7.2

Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 45

7.3

Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 45

BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS Calculator berekening Separate bijlagen: ▪ Landschappelijk inpassingsplan (Ron Janssen Erf- en Landschapsverfraaiing) ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep)

Ontwerp

2

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Op de locatie Americaanseweg 57 in Horst was de zeugenhouderij van initiatiefnemer gevestigd. In 2006 is initiatiefnemer echter gestopt met het houden van varkens en kort daarna zijn een groot deel van de stallen gesloopt. Op de locatie staan thans nog de bedrijfswoning met achterbouw, een bijgebouw bij de woning, een tot paardenstal verbouwd deel van een voormalige varkensstal en een tot schuur verbouwd deel van een andere voormalige varkensstal. In de bedrijfswoning woont nog altijd de initiatiefnemer. Conform het (voormalige) agrarische gebruik is de locatie in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak met een oppervlakte van circa 0,9 ha. Opvallend is dat aan de locatie de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ is toegekend. Dit terwijl er nooit een glastuinbouwbedrijf gevestigd is geweest. Er heeft juist altijd een zeugenhouderij gezeten, een intensieve veehouderij. Conform deze bestemming is het uitsluitend toegestaan de locatie te gebruiken ten behoeve van een agrarisch bedrijf, met in het bijzonder als een glastuinbouwbedrijf.

Afbeelding 1. Ligging locatie Americaanseweg 57 Horst (rood omcirkeld)

Sinds 2006 is er echter geen sprake meer van de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf. Gezien de beperkte omvang van het bouwvlak, het ontbreken van aangrenzende eigen landbouwpercelen en de ligging tussen allerlei burgerwoningen, is het zeer onwaarschijnlijk dat op de locatie zich nog een agrarisch bedrijf zal vestigen. Bij de gemeente Horst aan de Maas is door initiatiefnemer daarom een verzoek ingediend om de agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming zodat het huidige (woon)gebruik overeen komt met het bestemmingsplan.

Ontwerp

3

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 11 augustus 2021 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de beoogde bestemmingswijziging. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde nieuwe situatie juridisch-planologisch vastgelegd door de bestemming van het voorste gedeelte van het agrarisch bouwvlak te wijzigen naar ‘Wonen’ en het bouwvlak van het achterste gedeelte te verwijderen.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het (voormalige) agrarische bedrijf ligt aan de Americaanseweg 57, in het buitengebied tussen Horst en America. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummers 494. Dit perceel wordt in dit bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”. De Americaanseweg en het verlengde daarvan (Oude Peeldijk en Hofweg) vormen tezamen een belangrijke verbindingsweg tussen de kernen Horst en America. Ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 800 meter, ligt de bebouwde kom van Horst.

Afbeelding 2. Luchtfoto plangebied en omgeving

Het gebied tussen Horst en America kenmerkt zich als een ontginningslandschap door de lange rechte wegen begeleid door wegbeplanting, de regelmatige verkaveling, het overwegende agrarische gebruik van de onbebouwde gronden en de verspreid liggende bebouwing, direct gesitueerd aan de wegen. De van oorsprong agrarische bedrijvigheid aan deze wegen is de laatste jaren steeds vaker omgezet naar een woongebruik. Verder zijn tussen de (voormalige) agrarische bedrijven woningen gebouwd. Dit heeft geresulteerd in het

Ontwerp

4

ontstaan van verschillende (transparante) bebouwingslinten. Ook de Americaanseweg is te typeren als een bebouwingslint. Het plangebied zelf is op te delen in grofweg twee delen; het westelijke deel waar de bebouwing staat en het oostelijke deel; een paarden- en schapenweide. Deze weide is beschut in de omgeving gelegen vanwege een brede houtwal die de weide omzoomd aan de noordelijke, oostelijke en zuidelijke zijde. De bebouwing bestaat uit een woning met achterbouw, een bijgebouw bij de woning (in gebruik als garage), een paardenstal en een andere schuur waar opslag plaatsvindt maar waar ook schapen in worden gehuisvest. De paardenstal en andere schuur zijn gerealiseerd in bewaard gebleven delen van de varkensstallen. Overige varkensstallen stonden ooit in de huidige weide maar zijn voor de verder rest volledig gesloopt. Aan beide zijden van het plangebied zijn burgerwoningen gelegen. Ook tegenover het plangebied, aan de overzijde van de Americaanseweg, bevinden zich burgerwoningen.

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is hierin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘glastuinbouw’. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt circa 9.000 m2. Daarnaast gelden voor de locatie ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ of ‘Waarde – Archeologie 4’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – kampen’ en ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’. Op basis van de agrarische bestemming is het uitsluitend toegestaan om de locatie te gebruiken ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf en/of een glastuinbouwbedrijf. Per agrarisch bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan met een inhoud van maximaal 1.000 m3. Nagenoeg het gehele bouwvlak mag daarnaast bebouwd worden met bedrijfsgebouwen ten behoeve van het agrarische bedrijf. In de agrarische bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het College van Burgemeester en Wethouders om de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’.

In dit geval kan echter geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid omdat het plangebied is gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ en het initiatief tevens voorziet in een grotere oppervlakte bijgebouwen bij de woning.

Ontwerp

5

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omlijnd, tevens het huidige bouwvlak

Tevens gelden voor het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas de bestemmingsplannen “Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021” en “Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020”. Ook heeft het ontwerp bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Parkeren Horst aan de Maas” ter inzage gelegen. Alhoewel deze bestemmingsplannen geen specifieke wijzigingen voor betreffende locatie regelen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan, zijn noodzakelijke deelaspecten, indien van toepassing, meegenomen in de afweging van het initiatief.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief zelf wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Ontwerp

6

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving. Daarnaast komt kort de historische ontwikkeling aan bod. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, ten westen van de kern kern Horst. De kern Horst is met circa 13.000 inwoners veruit de grootste kern van de gemeente Horst aan de Maas.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie van het plangebied

In de noordwestelijke hoek van het plangebied staat de woning; een tuinderswoning met daarachter een achterbouw. Evenwijdig aan de woning met achterbouw staat een bijgebouw, in gebruik als garage. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied staan de enige twee resterende delen van de varkensstallen. Deze zijn in gebruik als paardenstal of als schuur. In de schuur vindt opslag plaats en worden schapen gehuisvest. Resterende delen van het plangebied zijn in gebruik als weide voor het laten grazen van paarden en schapen. Ook zijn delen ingericht als privétuin. Karakteristiek is de opgaande houtwal rondom de weide.

Ontwerp

7

2.2 Ruimtelijke structuur Het gebied tussen America en Horst is te typeren als een ontginningslandschap. Kenmerkend zijn de lange rechte wegen, regelmatige blokverkavelingen, lanen en bomenrijen en direct aan de weg gelegen (voormalige) agrarische bedrijven. Bijzonder voor dit gebied zijn de op korte afstand evenwijdig aan elkaar gelegen wegen, die vanuit Horst en het zuidelijk gelegen Hegelsom naar de spoorlijn Eindhoven – Venlo lopen. De bebouwing aan deze wegen is door de jaren heen steeds verder verdicht waardoor bebouwingslinten zijn ontstaan die het landschap enorm verdichten. Deze verdichting is verder versterkt door de ontwikkeling van het glastuinbouwconcentratiegebied “Reindonk” waar grote glastuinbouwbedrijven zijn gevestigd. Deze grote glastuinbouwbedrijven bevinden zich meer richting America.

2.3 Functionele structuur Als onderdeel van het bebouwingslint van de Americaanseweg bevindt er zich direct rondom het plangebied allerlei bebouwing. Direct rondom het plangebied betreffen dit burgerwoningen. De woonfunctie overheerst ook in de wijdere omgeving, maar er bevinden zich tussen de burgerwoningen ook allerlei andere functies. Zo bevinden er zich nog enkele andere agrarische bedrijven (waaronder enkele glastuinbouwbedrijven), andere bedrijven en een café-zaal in de omgeving.

2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Met de ontginning van de Peel in de 19e eeuw ontstonden richting het huidige America allerlei paden en karresporen waarover de afgegraven turf naar Horst werd vervoerd. Later vestigen zich kleine agrarische bedrijven aan deze routes, werden de woeste gronden verder ontgonnen en ontstonden wegen op de plek van deze routes.

Afbeelding 5. Omgeving plangebied omstreeks 1915

Afbeelding 6. Omgeving plangebied omstreeks 1990 (stallen nog aanwezig)

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich meer en meer agrarische bedrijven aan deze wegen. Aanvankelijk betroffen dit gemengde agrarische bedrijven, maar door de jaren heen specialiseren de agrarische bedrijven zich. Kenmerkend voor de streek is het ontstaan van kassen bij de agrarische bedrijven.

Ontwerp

8

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw wordt tussen deze agrarische bedrijven en kassen het agrarische bedrijf, een varkenshouderij, op de locatie Americaanseweg 57 gerealiseerd. In de eerste vorm stonden op de locatie alleen de woning en een stal (de huidige garage). Eind jaren ’70 van de vorige eeuw groeit dit bedrijf door en worden nog eens drie stallen gebouwd. Later worden deze stallen uitgebreid. Na 2006 wordt de varkenshouderij beëindigd en worden alle overbodige varkensstallen gesloopt. Sindsdien heeft de locatie voornamelijk een woonfunctie. Ook de agrarische bedrijven in de omgeving worden door de jaren heen stuk voor stuk beëindigd.

Ontwerp

9

3. BELEID

3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal

Ontwerp

10

effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Op basis van de vier verschillende prioriteiten zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het saneren van de agrarische bestemming en het daarvoor in de plaats realiseren van een woonbestemming wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden.

Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal

Ontwerp

11

Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de andere belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op de functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale Omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 20302050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) vervangt na vaststelling het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. Na een uitgebreid participatief proces is de Omgevingsvisie 15 december 2020 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Vervolgens vindt volgens de huidige planning besluitvorming over de omgevingsvisie plaats eind 2021 (Provinciale Staten).

Ontwerp

12

In de omgevingsvisie zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen.

Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte.

Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De omgevingsvisie bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol.

De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Ontwerp

13

Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen.

Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woonen leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een agrarisch bedrijf gesaneerd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de woonwensen van initiatiefnemer ingewilligd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. 3.3.2 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden.

Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn,

Ontwerp

14

en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL “meer stad, meer land”. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening.

Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn, zoals de land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen en burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Bebouwd gebied

Zone Stedelijk centrum

Overig gebied

Landelijk gebied

bebouwd

Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone

Ontwerp

Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor

15

Buitengebied

het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied, in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond.

Afbeelding 7. Zonering POL2014

Er wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege. De provincie streeft ernaar dat vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Als dat niet lukt, is mogelijke benutting voor alternatieve economische activiteiten aan de orde. Als daar tenminste, gelet op de leegstand in de betreffende sectoren behoefte aan is, en de functie geen belemmeringen voor bestaande functies met zich meebrengt. Dit zal leiden tot hergebruik van een deel van de vrijkomende agrarische bebouwing. Onderhavig bestemmingsplan voorziet onder andere in het saneren van een agrarisch bedrijf. Het saneren van het agrarisch bedrijf past binnen de gestelde doelen van het landelijk gebied. Er wordt met het beëindiging van het agrarisch bedrijf bijgedragen aan het terugdringen van (mogelijke) milieubelasting vanuit de landbouw

Ontwerp

16

zonder daarbij de ontwikkelingsmogelijkheden van andere agrarische bedrijven in de omgeving te belemmeren. Tevens draagt de bestemmingswijziging bij aan een hogere waarde van het landschap doordat de locatie wordt voorzien van een gedegen landschappelijke inpassing. De provincie Limburg constateert dat de woningmarkt ernstig verstoord is geraakt als gevolg van conjuncturele, demografische en maatschappelijke ontwikkelingen. De focus van de provincie ligt op het weer gezond maken van de woningmarkt door het toepassen van dynamisch voorraadbeheer. Op basis van nog op te stellen Regionale woon- en leefbaarheidsvisies wil de provincie met regio’s afspraken gaan maken over planvoorraad en de plancapaciteit opschonen. De ambitie is om in Limburg een voortreffelijk woon- en leefklimaat te realiseren, waar mensen zich prettig voelen. De Limburgse woningmarkt moet voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek bieden. De woningvoorraad biedt voldoende mogelijkheden voor doorstromingen, is toekomstbestendig en kan flexibel inspelen op (veranderende) woonwensen. De regio Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is.

Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regiospecifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 3.3.4. De woning wordt gerealiseerd door de functieverandering van een voormalig agrarisch bedrijf. De provincie Limburg ziet bij functieverandering kansen voor woningbouw, mits de behoefte aan deze woning is aangetoond. Het initiatief voorziet in de realisatie van een woning voor de initiatiefnemer zelf. De behoefte aan de woning ligt daarmee vast. Het initiatief past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. De ligging in de zone ‘buitengebied’ betekent dat er sprake is van een sterke functiemenging, waarbij de agrarische functie de boventoon voert. De agrarische functie is dan ook de belangrijkste functie binnen deze zone. Een verdere functiemenging en aansluiting bij de bestaande woonfuncties is toegestaan binnen deze zone, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische waarden. Hiervan is geen sprake, zo blijkt uit hoofdstuk 5.

Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Met de functiewijziging vervalt de mogelijkheid om een agrarisch bedrijf te vestigen nabij de bebouwde kom van Horst c.q. het uitloopgebied van Horst. Daarmee past de functiewijziging en de extra woning binnen de doelstellingen van het POL2014. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg 2014. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg 2014 geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019.

Ontwerp

17

Het plangebied is niet gelegen in een van de kwetsbare gebieden die middels de verordening worden beschermd. Het initiatief wordt dan ook niet belemmerd door regelgeving zoals vastgelegd in de verordening. In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief hoeft door de aard (functiewijziging) niet getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.2.3. In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 4.2.4 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen NoordLimburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor deze woonvisie.

3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 0 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde regionale woonvisie blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor

Ontwerp

18

▪ ▪

ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Middels onderhavig initiatief wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De behoefte aan de woning is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat initiatiefnemer de woning wil blijven bewonen. De woning wordt niet specifiek ingericht voor starters of ouderen, ook is het plangebied niet gelegen in een kern. Toch wil de gemeente Horst aan de Maas medewerking aan dit initiatief verlenen omdat een agrarische bedrijfslocatie wordt gesaneerd en er geen sprake is van nieuwe woningen. Tevens vervult het initiatief wel het de directe woonwens van de initiatiefnemer.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 7E ‘Gemengd gebied’. In dit deelgebied geldt voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing een positieve grondhouding.

Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe het initiatief wenst en stimuleert.

Ontwerp

19

Afbeelding 8. Uitsnede gemeentelijke structuurvisie

Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar gemeentelijk niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Binnen het gebied 7E gelden de volgende doelstellingen voor wat betreft landschappelijke inpassingen: ▪ Verbeteren van de kwaliteit van de overgang tussen de bebouwing en het omliggende landschap De bestemmingswijziging naar een woonbestemming vindt plaats binnen gebiedstype 7E en kan daarom op een positieve grondhouding rekenen bij de gemeente. De locatie is geschikt voor de bestemmingswijziging omdat er geen negatieve consequenties zijn voor omliggende (agrarische) functies en aan alle eisen uit milieukundig oogpunt wordt voldaan. Daar het aantal woningen ter plaatse niet wijzigt en het bouwvlak aanzienlijk wordt verkleind, worden de bouwmogelijkheden ter plaatse ingeperkt. Een agrarisch bouwvlak mag ten behoeve van een agrarisch bedrijf volledig worden bebouwd, terwijl burgerwoningen en bijgebouwen aan maximale inhouds- op oppervlaktematen zijn verbonden. De ontwikkeling betekent in die zin, ook op de langere termijn, een verbetering voor de kwaliteit van het buitengebied. De bestemmingswijziging voldoet aan de structuurvisie.

Er geldt een kwaliteitsverbetering in de vorm van een basisinpassing en de verplichting voor het afkoppelen van hemelwater. Op basis van de aanwezige landschapskenmerken, de gestelde doelstellingen in gebied 7E en het initiatief zelf is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dit staat beschreven in paragraaf 4.3. Gelijktijdig met de bestemmingswijziging dienen de genoemde maatregelen te worden uitgevoerd. De locatie komt daarmee in

Ontwerp

20

een fraai groen kader te liggen, volledig met respect voor het huidige landschap. Daarbij geeft de inpassing ook kwaliteit voor de waarderende beleving van het landschap en betekent het een verbetering van de ecologische waarden. 3.4.2 Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Groter bouwen in het buitengebied” van toepassing. De gemeenteraad heeft dit beleid op 7 februari 2012 vastgesteld. Op dit moment geldt voor woonbestemmingen in het buitengebied dat woningen niet groter mogen zijn dan 1.000 m³ (hoofdgebouw) met een bijgebouw van maximaal 150 m². Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 ergens bijgebouwen worden gesloopt (de te slopen bijgebouwen dienen wel legaal te zijn). In de structuurvisie is opgenomen dat een eventueel tekort kan worden gecompenseerd door een financiële bijdrage van € 45,- per m² tekort aan te slopen bijgebouwen.

De volgende regels zijn puntsgewijs van toepassing: ▪ Het is altijd toegestaan om bijgebouwen op te richten tot 150 m2; ▪ Bijgebouwen mogen in het buitengebied behouden blijven (of teruggebouwd worden) tot een maximaal oppervlak van 600 m2; ▪ Sloop uit het verleden (tot maximaal 5 jaar geleden) mag meetellen voor het mogen terugbouwen van bijgebouwen tot een maximum van 600 m2; ▪ De hoofdregel is dat 2/3 gesloopt moet worden. Indien een aanvrager toch meer wil terugbouwen, tot maximaal wat er stond, geldt er een afdracht van € 45,- per m2 over het aantal vierkante meters dat boven de sloopverhouding en boven de 150 m2 word teruggebouwd; ▪ Gemeente rekent met € 45,- per m2 en niet met € 15,- per m3; ▪ Sloop elders telt niet mee voor het bouwen van extra bijgebouwen. Op deze locatie staan, naast de woning met achterbouw, 771 m2 aan bijgebouwen, te weten: ▪ een garage naast de woning, oppervlakte 174 m2 ▪ een paardenstal, oppervlakte 395 m2 ▪ een schapenstal c.q. opslagruimte, oppervlakte 202 m2 De garage behoort bij de woning en heeft in die zin een ondergeschikte functie ten behoeve van het wonen. De andere twee bijgebouwen hebben een hobbymatige agrarische functie. De garage is daarom binnen de woonbestemming gelegd terwijl de paardenstal en schapenstal c.q. opslagruimte zijn wegbestemd. Zodra deze gebouwen vervallen mogen deze dus niet meer worden teruggebouwd.

Bij de woning is, conform de maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied, maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Voor meer m2’s bijgebouwen moet een kwaliteitsafdracht betaald worden, in dit geval voor 24 m2. Initiatiefnemer voldoet mede aan deze kwaliteitsafdracht door op het terrein als extra kwaliteitsverbeterende maatregel een poel aan te leggen.

Ontwerp

21

4. PLANBESCHRIJVING Initiatiefnemer woont en werkte op de locatie Americaanseweg 57. Tot 2006 had initiatiefnemer een zeugenhouderij op deze locatie. Na het beëindigen van de varkenshouderij en de sloop van de varkensstallen (welke zijn verwijderd op eigen kosten) is initiatiefnemer op locatie blijven wonen. Conform het (voormalige) agrarische gebruik is de locatie in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak. In het kader van het bestemmingsplan is er daarom nog steeds sprake van een agrarische locatie, dit is inmiddels achterhaald. Initiatiefnemer wil het bestemmingsplan aanpassen zodat huidige gebruik, het woongebruik, wordt vastgelegd.

Schuur (oppervlakte 202 m2)

Paardenstal (oppervlakte 395 m2)

Te behouden woning met bijgebouw

Geel omlijnd: woonfunctie

Afbeelding 9. Beoogde nieuwe inrichting van de locatie

Het woongebruik is beoogd op de delen van de locatie waar dit ook daadwerkelijk plaatsvindt, te weten op de plek van de woning, het daarbij behorende bijgebouw en de tuin. De overige delen van de locatie zijn nog steeds in agrarisch gebruik, echter uitsluitend hobbymatig. De stallen en schuren zijn belangrijk voor het woongenot van initiatiefnemer en zijn onmisbaar voor het voortzetten van de hobby van initiatiefnemer: het hobbymatig houden van paarden en schapen. Deze gebouwen met een hobbymatige agrarische functie dienen daarom behouden te blijven.

Ontwerp

22

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het formeel beëindigen van de agrarische functie op de locatie Americaanseweg 57 in Horst. Daarvoor in de plaats zal de locatie, voor die delen die als zodanig in gebruik zijn (te weten de plek van de woning, garage en de tuin), een woonfunctie krijgen. Het vigerende bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid voor Burgemeester en wethouders om de huidige agrarische bestemming om te zetten naar de bestemming ‘Wonen’ (artikel 3.8.5). Deze wijzigingsbevoegdheid geldt echter niet voor het glastuinbouwconcentratiegebied “Reindonk”, waar het plangebied wel onderdeel van uit maakt. Daarnaast zou in dat geval voldaan moeten worden aan de reguliere regels van de bestemming ‘Wonen’ en zou er per woning maximaal 150 m2 aan bijgebouwen mogen aanwezig zijn. In dit geval staan er 174 m2 aan bijgebouwen bij de woning. Aan de reguliere regeling van de bestemming ‘Wonen’ wordt dus niet voldaan. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het plangebied betreft het huidige agrarische bouwvlak en de gronden tussen het agrarische bouwvlak en de Americaanseweg. ▪ De locatie verliest de functie van agrarisch bedrijf.

Het bouwvlak met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, zoals die thans geldt voor het gehele plangebied, wordt daarvoor van de locatie verwijderd. ▪ De delen van het plangebied die thans een woonfunctie hebben, te weten de woning, het bijgebouw (garage) en de tuin worden bestemd als ‘Wonen’. ▪ Aan de woonbestemming wordt een specifieke regeling toegepast zodat de garage, in de huidige vorm, behouden kan blijven. ▪ Het overige deel van het plangebied behoudt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ maar dan zonder bouwvlak. ▪ De schuur en paardenstal, welke zijn gelegen buiten de woonbestemming, mogen in de huidige vorm behouden blijven. Zodra deze gebouwen vervallen mogen deze niet worden herbouwd. ▪ Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de locatie moet worden voorzien van een landschappelijke inpassing welke daarna in stand dient te worden gehouden. ▪ De geldende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan dienen opnieuw te gelden. ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”, zoals dat thans voor het plangebied geldt.

Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied bestemd is als ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden’ (zonder bouwvlak). Binnen de woonbestemming liggen de woning, garage en tuin. Aan de woonbestemming is de maatvoering opgenomen ‘oppervlakte: 174 m2’ zodat bij de woning 174 m2 aan bijgebouwen is toegestaan ter behoud van de garage. Het woongebruik is vanwege een voorwaardelijke bepaling in de planregels alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing van het gehele plangebied wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Het bouwvlak is van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ verwijderd. Deze gronden mogen (hobbymatig) agrarisch gebruikt worden, maar mogen niet bebouwd worden. De functie van de weide kan daarmee worden voortgezet. De schuur en paardenstal zijn niet specifiek geregeld en komen daarmee onder het overgangsrecht te vallen. Uitbreiding, verhoging of vernieuwing en herbouw van deze gebouwen is niet toegestaan. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – kampen’ en ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ nog steeds van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12237742/1