02c Toelichting ontwerp
Tekst van het document
Ontwerp bestemmingsplan “Vossenheuvel 7a, America” NL.IMRO.1507.AMVOSSENHEUVEL7A-BPO1
Document:
Bestemmingsplan “Vossenheuvel 7a America”
IDN:
NL.IMRO.1507.AMVOSSENHEUVEL7A-BPO1
Status:
Ontwerp
Datum:
1 juli 2021
Aanvrager:
De heer L.P. Vervoort
Auteur:
Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. N.A.H. van den Ekker
Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING .............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5 1.4 Leeswijzer .....................................................................................................................................................5
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1 Algemeen ......................................................................................................................................................6 2.2 Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6 2.3 Functionele structuur ...................................................................................................................................7 2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7
3.
BELEID...................................................................................................................................................................9 3.1 Inleiding .........................................................................................................................................................9 3.2 Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9 3.3 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 14
4.
PLANBESCHRIJVING...................................................................................................................................... 19 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 19 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 19 4.3 Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 20
5.
SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 22 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 22 5.2 Milieuaspecten........................................................................................................................................... 22 5.3 Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 29 5.4 Kabels en leidingen................................................................................................................................... 32 5.5 Natuur ......................................................................................................................................................... 32 5.6 Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 35 5.7 Verkeer en parkeren .................................................................................................................................
36 5.8 Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 37 5.9 Spuitzones ................................................................................................................................................. 37
Ontwerp
1
6.
UITVOERBAARHEID ....................................................................................................................................... 41 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 41 6.2 Handhaving................................................................................................................................................ 41 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 43 6.4 Procedure................................................................................................................................................... 43
7.
JURIDISCHE TOELICHTING .......................................................................................................................... 44 7.1 Planstukken ............................................................................................................................................... 44 7.2 Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 44 7.3 Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 45
Bijlagen Bijlage 1: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 2: AERIUS-berekening bouwfase Separate bijlagen ▪ Flora & fauna inspectie (Faunaconsult) ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (HMB Groep) ▪ Bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Landschapsplan (IKL)
Ontwerp
2
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De heer en mevrouw Vervoort hebben een eigen bedrijf in de verhuur van frietwagens. De frietwagens staan gestald in de loods op de locatie Vossenheuvel 7. De heer en mevrouw Vervoort wonen op korte afstand van de loods, in de gezinswoning op de locatie Vossenheuvel 9. Aangezien de kinderen van de heer en mevrouw Vervoort inmiddels het huis uit zijn gegaan, is de huidige gezinswoning te groot worden. De heer en mevrouw Vervoort willen dan ook graag kleiner gaan wonen. Door de onregelmatige werktijden is het wonen dicht bij de loods echter een must voor de familie. Gelegen in het buitengebied liggen er in de nabijheid van de loods geen levensloopbestendige woningen. De familie heeft daarom het initiatief opgepakt zelf een levensloopbestendige woning te bouwen naast de loods. De nieuwe woning is beoogd op het perceel waar de loods van de familie Vervoort staat. Dit perceel staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie S, nummer 200.
Afbeelding 1. Ligging locatie Vossenheuvel ongenummerd in America (rood omcirkeld)
De locatie waar de nieuwe woning is beoogd maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en is daarin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik. Het is niet toegestaan de als ‘Agrarisch met waarden’ bestemde gronden te gebruiken voor woondoeleinden. Daarnaast is binnen de agrarische bestemming geen bouwvlak aanwezig, hierdoor is het sowieso niet toegestaan dit perceel te bebouwen. Desondanks biedt het gemeentelijke beleid mogelijkheden tot het realiseren van nieuwe woningen in het buitengebied. Aangezien de locatie aan de Vossenheuvel onderdeel uitmaakt van het aldaar aanwezige bebouwingslint leent de locatie zich ideaal voor woningbouw. Onder voorwaarden heeft de gemeente daarom in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van een woning op de betreffende locatie.
Ontwerp
3
Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd naar ‘Wonen’, waardoor de bouwen gebruiksmogelijkheid voor een nieuwe woning ontstaan.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De nieuwe woning is beoogd in het buitengebied van America, tussen de gezinswoning Vossenheuvel 9 en de loods Vossenheuvel 7. Het perceel waarop de nieuwe woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie S nummer 200. De woning is beoogd op de westelijke zijde van het perceel. Dit deel van het perceel wordt in onderhavig bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”.
Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzingen Vossenheuvel en omgeving – beoogde locatie voor nieuwe woning rood aangeduid
De locatie ligt in het bebouwingslint van de Vossenheuvel, bestaande uit voornamelijk burgerwoningen. De Vossenheuvel is een zijweg van de Midden Peelweg (N277) en loopt in westelijke richting tot het bos- en natuurgebied ‘Deurnsche Peel en Mariapeel’. Het plangebied is thans onverhard en bestaat uit een grasveld. Het plangebied wordt aan de oostelijke zijde begrensd door de loods van de familie Vervoort, hierin staan de frietwagens gestald. In het zuiden grenst het plangebied aan landbouwgrond, zijnde een akker. In het westen grenst het plangebied aan de huidige gezinswoning van de familie Vervoort. In het noorden grenst het plangebied aan de Vossenheuvel waaraan aan de overzijde woningen zijn gelegen, alsook een glastuinbouwbedrijf.
Ontwerp
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. Binnen het plangebied zijn ook de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ en ‘overige zone – veenontginning’ opgenomen.
Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan – beoogde locatie voor nieuwe woning aangeduid
De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik. Bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf kan uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, welke ter plaatse niet aanwezig is. Het is niet mogelijk binnen het plangebied op basis van het vigerende bestemmingsplan een nieuwe woning te realiseren. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn niet bestemd voor woondoeleinden. Daarnaast ontbreken bouwmogelijkheden.
1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de bouw van een woning wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.
Ontwerp
5
2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van de kern America, aan de Vossenheuvel. America maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. America is met ruim 2.100 inwoners een van de grotere kerkdorpen van de gemeente Horst aan de Maas.
2.2 Ruimtelijke structuur America ligt in het westen van de gemeente Horst aan de Maas, aan de spoorlijn van Eindhoven – Venlo. America ligt in de Peel, een grotendeels ontgonnen hoogveengebied. De veenontginningen zijn de meest planmatig ontgonnen gebieden die, in de periode voorafgaand aan ingebruikname door de landbouw, verveend zijn en nog veenresten in de ondergrond hebben. Een bijzonder kenmerk van dit landschap is de grootschalige openheid met bijzonder regelmatige verkaveling en rechte wegen gesierd worden door bomenrijen langs de wegen.
Afbeelding 4. Impressie Vossenheuvel
Afbeelding 5. Impressie plangebied (Vossenheuvel 7)
De Vossenheuvel betreft een rustige plattelandsweg, welke de Midden Peelweg (N277) verbindt met de Mariapeel. De weg loopt tot aan de Mariapeel en komt daar ten einde. De Vossenheuvel kenmerkt zich als typische rechte weg die gesierd wordt met bomenrijen langs de weg. Aan de weg is sprake van een bebouwingslint. Het plangebied is gelegen tegen de Mariapeel aan. De Mariapeel vormt vrijwel één geheel met het kleine Grauwveen en met de uitgestrekte Deurnsche Peel. De Deurnsche Peel en Mariapeel vormt samen met de Groote Peel het belangrijkste overgebleven natuurgebied in de Peel. Deze gebieden zijn de zuidelijkste representanten van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. De Mariapeel bestaat uit de complexen ‘Mariaveen’, ‘Driehonderd Bunder’ en ‘Horster Driehoek’.
Ontwerp
6
2.3 Functionele structuur Het plangebied is gelegen op een afstand van hemelsbreed 2,1 km van de kern van America. In de kern overheerst voornamelijk de woonfunctie. De voorzieningen, waaronder een supermarkt en horeca aangelegenheden, liggen in het hart van de kern. Aan de Vossenheuvel is sprake van bebouwingslint met aan weerszijden van de weg verspreid liggende bebouwing. Schuin tegen over het plangebied is een glastuinbouwbedrijf gelegen. Verder bevinden zich, naast de loods van de initiatiefnemers zelf, enkel woningen aan de Vossenheuvel. Onbebouwde gronden tussen de woningen zijn in agrarisch gebruik, of ingericht voor natuurontwikkeling.
Afbeelding 6. Vossenheuvel in westelijke richting
Afbeelding 7. De Mariapeel ter hoogte van de Vossenheuvel
Ten zuidwesten van het plangebied, aan de Zwarte Plakweg, bevinden zich enkele agrarische bedrijven waaronder (intensieve) veehouderijen. Ten westen van het plangebied is een groot natuurgebied gelegen; de Mariapeel.
2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie De Midden Peelweg (N277) loopt midden door het Peelgebied van Kessel naar Ysselsteyn en verder. De weg werd aangelegd tussen 1924 en 1940 en maakt daarbij onderdeel uit van de grootschalige ontginning van de Peel. Het dorp America begon in deze periode als nederzetting te groeien. America werd in de 19e eeuw voor het eerst genoemd als Peelkolonie aan de toen pas gerealiseerde spoorlijn. Sinds vermoedelijk de 15e/16e eeuw tot in de 20e eeuw werd de Peel gebruikt voor het steken van turf. De turf werd gebruikt als brandstof voor de bewoners in de bestaande nederzettingen. De naam “America” zou zijn afgeleid van Am Erika (Op de heide). De naam America is mogelijk ook te verklaren doordat de nederzetting door de geïsoleerde ligging werd vernoemd naar het werelddeel Amerika. De nederzetting ontstond nadat de toenmalige gemeente Horst in 1819 toestemming kreeg om de Peel in ontginning te nemen.
Ontwerp
7
Afbeelding 8. Uitsnede Historische kaart 1956, Vossenheuvel nog niet aangelegd.
Omstreeks jaren ’50 van de vorige eeuw is begonnen met de ontginning van het gebied rondom de Vossenheuvel. De Vossenheuvel werd evenwijdig aan de Griendtsveenseweg opgericht en ontstond omstreeks 1959. Aan de weg waren enkele glastuinbouwbedrijven gelegen. Momenteel ligt er alleen nog één glastuinbouwbedrijf aan de Vossenheuvel. In het verleden was het plangebied bebouwd met een kas, een loods en een waterbassin. Het waterbassin was aanwezig op de locatie waar de nieuwe woning is beoogd. In het jaar 2015 is de kas gesloopt, hierbij is een loods blijven staan. In 2017 is deze loods in gebruik genomen door de familie Vervoort.
Afbeelding 9. Luchtfoto Vossenheuvel van het jaar 2009, plangebied rood omcirkeld.
Ontwerp
8
3. BELEID 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ De bereikbaarheid verbeteren; ▪ Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebiedsof project specifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op onderhavig initiatief. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten.
Ontwerp
9
Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat de realisatie van één woning binnen het plangebied geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Het realiseren van één nieuwe woning aan de Vossenheuvel kent een dermate kleinschalig karakter dat deze geen nadelige invloed heeft op de gestelde doelen van het Rijk. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De SVIR (zie hiervoor) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken. Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het Waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/ beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen.
Met de realisatie van één woning op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, de realisatie van een woning binnen het plangebied is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van over programmering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.
Ontwerp
10
De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet op de kleinschaligheid (betreft slechts het toevoegen van één woning), betreft onderhavig initiatief geen stedelijke ontwikkeling. Er hoeft in het kader van onderhavig initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014
Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal.
Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL ‘meer stad, meer land’. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn. De land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties.
Ontwerp
11
En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen/ burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs.
Afbeelding 10. Zonering POL 2014 met plangebied rood omlijnd.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones
Zone Stedelijk centrum Bebouwd gebied
Landelijk gebied
Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Ontwerp
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
12
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Faciliteren landschap en cultuurhistorie; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond. Het oprichten van de woning past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. De ligging in de zone ‘buitengebied’ betekent dat er sprake is van een sterke functiemenging, waarbij de agrarische functie de boventoon voert. De agrarische functie is dan ook de belangrijkste functie binnen deze zone. Een verdere functiemenging en aansluiting bij de bestaande woonfuncties is toegestaan binnen deze zone, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische waarden. Hiervan is geen sprake, zo blijkt uit hoofdstuk 5. 3.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.2.3. Er is sprake van het toevoegen van slechts één nieuwe woning. Bij het toevoegen van één woning, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. Hierna wordt nader op ingegaan op dit beleid. 3.3.3
Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg
De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 5 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wro. Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter.
Ontwerp
13
Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; 3. Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor onder andere arbeidsmigranten; 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio. Volgens de structuurvisie zijn er in de gemeente Horst aan de Maas in de periode 2015-2030 nog 1.295 woningen nodig om de huishoudensgroei te kunnen opvangen. Tevens is er sprake van een bestaande plancapaciteit (harde en zachte plannen) van 1.234 woningen. Er bestaat boven op deze plancapaciteit dus nog ruimte voor de ontwikkeling van 61 woningen. Wat betreft de kwalitatieve woningbehoefte is sprake van een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen. Onderhavig initiatief is niet opgenomen in de bestaande plancapaciteit voor de gemeente Horst aan de Maas (bijlage 5 bij de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg). Kwalitatief is echter nog ruimte voor 61 woningen. Met het oprichten van de nieuwe woning komt de huidige gezinswoning van de familie Vervoort vrij.
Dit bevordert de natuurlijke doorstroming in de woningmarkt. Daarnaast wordt de nieuwe woning levensloopbestendig ingericht. De woning voldoet daarmee kwalitatief aan de woningbehoefte in America en past derhalve binnen de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Structuurvisie Horst aan de Maas
Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: ▪ De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; ▪ De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; ▪ De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.
Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ontwerp
14
Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied.
Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3.
De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen in deelgebied 1B ‘Hoogveenontginningenlandschap’. Voor nieuwe woningen in deelgebied 1B geldt een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij). Bij een voorwaardelijke grondhouding kan een ontwikkeling enkel doorgang vinden, wanneer voldaan wordt aan strikte voorwaarden die een ontwikkeling alsnog acceptabel maken.
Ontwerp
15
Afbeelding 11.Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met plangebied rood omcirkeld
In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. Op basis van deze voorwaarden kan in het buitengebied alleen een woning toegevoegd worden als gebruikt wordt gemaakt van één van de volgende instrumenten: ▪ Buitenkans (gemeentelijke Ruimte voor Ruimteregeling) ▪ Ruimte voor Ruimte van de provincie Limburg ▪ Module solitaire woningbouw uit de structuurvisie, waarbij een knelpunt dient te worden opgelost Betreffende woning wordt niet gerealiseerd door Buitenkans of Ruimte voor Ruimte. Er zal dus gebruik gemaakt worden van de module woningbouw uit de structuurvisie. Op 18 oktober 2016 heeft de gemeenteraad de evaluatie van de structuurvisie nog op twee punten herzien voor wat betreft de module solitaire woningbouw. Er wordt sindsdien uitsluitend nog gewerkt met een kwaliteitsbijdrage. In de structuurvisie is opgenomen dat met de module solitaire woningbouw in het buitengebied uitsluitend woningen gerealiseerd kunnen worden als zij voldoen aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en er een kwaliteitsbijdrage in het kwaliteitsfonds wordt gestort.
Dit houdt in: ▪ Locatie ligt in een lint, bebouwingscluster of aansluitend aan de rode contour; ▪ De minimale oppervlakte van het perceel dat de woonbestemming krijgt is 750 m2; ▪ Kwaliteitsbijdrage vast bedrag van € 60.000,-, plus een variabel bedrag van € 140,- per m2. Te slopen bebouwing kan van dit bedrag worden afgetrokken met € 25,- per m2 te slopen bebouwing. Aan deze voorwaarden wordt in dit geval voldaan. Aan de Vossenheuvel is sprake van een bebouwinglint, voornamelijk bestaande uit woningen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt minimaal 750 m2. Daarmee wordt voldaan aan de minimale oppervlakte-eis. Ten slotte is initiatiefnemer bereid de kwaliteitsbijdrage te voldoen.
Ontwerp
16
3.4.2
Masterplan Wonen Horst aan de Maas
Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde Een woningbouwprogramma dat toereikend is in aantal en gedifferentieerd is in eigendom, type en prijs. Dit gedifferentieerde woningbouwprogramma sluit aan bij de vraag en de financiële mogelijkheden van starters, kleine huishoudens, gezinnen en senioren en bevordert de doorstroming. 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn Een woningaanbod, dat veilig en toegankelijk is en in de nabijheid van voorzieningen. Een dergelijk aanbod maakt zorg op maat mogelijk en biedt mogelijkheden voor ontmoeting en sociale activiteiten, zodat alle inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en in de samenleving kunnen functioneren. 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin Een aantrekkelijke en behaaglijke woonomgeving waarborgen door beheer en waar nodig herstructurering, in samenhang met het woningbouwprogramma op inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Daarmee wordt de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit versterkt en ontstaat er een gedifferentieerd woningaanbod.
Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen: ▪ Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. ▪ Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. ▪ Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. ▪ In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden. ▪ Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. ▪ Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. Volgens de bevolkingsprognoses groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.295.
Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Een aantrekkelijk woningbouwprogramma betekent ook: ▪ Flexibiliteit in het woningontwerp, waardoor bewoners tot uitbreiding of aanpassing van de woning kunnen komen; ▪ Consumentgericht bouwen, waarbij de bewoner inspraak heeft bij het ontwerp, de indeling en uitrusting; ▪ Particulier opdrachtgeverschap, waarbij de bewoner bepaalt wat en hoe er gebouwd wordt. Voor het woningbouwprogramma zijn de volgende afspraken gemaakt: ▪ In alle kernen is voor de lange en de korte termijn een passend woningaanbod aanwezig, ook met betrekking tot (sociale en markt) huurwoningen. Per kern is een ambitie opgenomen voor vergroting van het aantal huurwoningen in 2021. ▪ Er wordt gebouwd voor de concrete behoefte, deze wordt samen met de dorpen bepaald. ▪ Er wordt ingezet op innovatieve concepten. Ontwerp
17
▪
Inbreidingslocaties en herontwikkeling vrijkomend vastgoed gaan voor nieuwe uitbreidingslocaties woningbouw.
De opgave voor de kern America in de periode 2015-2025 bedraagt 40 woningen. In America voorzien twee woningbouwlocaties (Lisdodde en Wouterstraat) in de opgave met een totale capaciteit van 36 woningen. Dit betekent dat er nog ruimte is voor 4 nieuwe woningen in America. De behoefte aan de nieuwe woning welke met onderhavig initiatief mogelijk wordt gemaakt is niet direct af te leiden uit de woningmarktanalyse, maar blijkt wel uit het feit dat initiatiefnemer binnen het plangebied een woning wil realiseren. Daarnaast past het toevoegen van één woning binnen de kwantitatieve behoefte van de kern America, zoals bepaald in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Uit kwantitatief oogpunt blijkt met name behoefte aan levensloopbestendige woningen en woningen voor jongeren (starterswoningen). De nieuwe woning wordt levensloopbestendig ingericht en zal hiermee uitermate geschikt zijn voor bewoning door ouderen, precies zoals initiatiefnemer bedoeld. Door het oprichten van de nieuwe woning komt de huidige gezinswoning van de familie Vervoort weer vrij voor nieuwe bewoners. Dit bevordert de natuurlijke doorstroming in de woningmarkt. Het initiatief is derhalve in samenhang met het beleid van het Masterplan Wonen ontwikkeld.
Ontwerp
18
4. PLANBESCHRIJVING Momenteel wonen de heer en mevrouw Vervoort in de gezinswoning Vossenheuvel 9. Zij hebben een eigen bedrijf in de verhuur van frietwagens. In de loods gelegen op de locatie Vossenheuvel 7, naast hun woning, staan de frietwagens gestald. Omdat de kinderen van de heer en mevrouw Vervoort inmiddels uit huis zijn, is de huidige gezinswoning te groot geworden. De familie Vervoort wil dan ook graag kleiner gaan wonen in een levensloopbestendige woning. De familie Vervoort wil graag dicht bij de loods blijven woning. In de omgeving van de loods zijn geen levensloopbestendige woningen gelegen. De familie heeft daarom het initiatief opgepakt zelf een levensloopbestendige woning te bouwen naast hun loods. Tussen de woning en de loods ligt een onbebouwd agrarisch perceel. Op dit agrarisch perceel wensen de heer en mevrouw Vervoort een woning te bouwen.
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van één nieuwe woning binnen het plangebied. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ dient daarvoor te worden gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’. ▪ Er mag uitsluitend een vrijstaande woning worden gerealiseerd; ▪ De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 750 m2; ▪ De nieuwe woning komt in dezelfde lijn te liggen als de bestaande woning; ▪ Met het oprichten van de woning is er geen belemmering voor de omliggende bedrijvigheid; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” zoals dat thans voor de kern van Horst geldt; De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van één nieuwe woning op te richten, op de locatie Vossenheuvel ongenummerd, op het perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie S, nummer 200. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied niet langer bestemd is als ‘Agrarisch met waarden’ maar als ‘Wonen’.
Ook is een bouwvlak toegekend met de aanduiding ‘vrijstaand’ en ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ zodat de bouw van een vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ en ‘overige zone – veenontginning’ zoals dat reeds in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen.
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Initiatiefnemer wenst één nieuwe woning op te richten aan de Vossenheuvel in America. De nieuwe woning betreft een vrijstaande woning, gelegen tussen de woning Vossenheuvel 9 en de loods gelegen op de locatie Vossenheuvel 7. De woning zal levensloopbestendig worden ingericht, dit wil zeggen dat in de woning voorzieningen worden aangebracht die het mogelijk maken de woning een leven lang te bewonen. De woning is daarmee ook ideaal voor senioren.
Ontwerp
19
De bouw van een woning ter plaatse is uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt toelaatbaar. De woning wordt immers in een bestaand bebouwingslint, voornamelijk bestaande uit woningen, opgericht. Het bouwen van een nieuwe woning tussen de bestaande bebouwing is ook door de provincie Limburg als kansrijk bestempeld. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet een specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een vrijstaande woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woning is momenteel dan ook nog niets bekend. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woning qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) past is in het heersende straatbeeld en de woning ook kwalitatief past in de omgeving. Het bouwvlak mag worden bebouwd met één vrijstaande woning. De maximale goothoogte bedraagt 7 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 11 meter. Het is daarnaast mogelijk 150 m² aan bijgebouwen bij de woning op te richten met een maximale goot- en nokhoogte van 3,5 respectievelijk 6 meter.
Qua maatvoering is ten eerste aangesloten bij de gemeentelijke standaarden.
4.3 Landschappelijke inpassing Voor de realisatie van de nieuwe woning binnen het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld, waarmee is gegarandeerd dat de nieuwe woning op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. In de huidige situatie is het plangebied deels ingekleed in het groen. De beplanting bij het naastgelegen woonhuis is een mooi groen kader (met bij huis tuinbeplanting en verder van huis, het erf een landschappelijke beplanting) en de laan verbindt de bebouwing aan deze straat. Nabij de naastgelegen loods is minder groen aanwezig, waardoor de doorzichten vanaf de straat te ervaren zijn. De visie is om de bestaande beplanting te behouden en het groene kader rond de nieuww woning verder in te richten. Door dit bij de voorzijde te doen met een beukenhaag en aan de zijde van het landschap/doorzicht, met een gemengde haag sluit het aan op de basisregel tuin- erf-landschap. Met enkele bomen hierin ontstaat er een kader met een mooi behoud van de doorzichten.
Door de bestaande sloot tussen de bestaande woning en nieuwe woning te upgraden met knotbomen en een grotere infiltratiepoel/wadi, ontstaat er een landschappelijke opsplitsing en een aantrekkelijk landschapselement, dat vanaf de straat beleefbaar is. Daarbij zijn enkele fruitbomen in een boomweitje voor de loods een leuk iets om dit gebouw wat meer inkleding te geven, met behoud van de doorzichten naar het achterland. De landschappelijke inpassing geeft weer wat vanuit de analyse van het gebied en beleid en de andere uitgangspunten is voortgekomen gericht op de realisatie van de nieuwe woning. De nieuwe beplanting zal de integratie en aankleding verder vervolmaken.
1
IKL, Landschapsplan in het kader van wijziging bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van een woning, 15 oktober 2020, projectnummer: 20-2020-OV-010
Ontwerp
20
Afbeelding 12. Uitsnede landschappelijke inpassing nieuwe woning
A. Aan te planten beukenhaag Deze haag vormt de entree aan de voorzijde van de woning, met een strakke uitstraling. B. Aan te planten gemengde haag Deze haag vormt een landschappelijke rand aan de zijkant van de woning. Juist de gemengde haag geeft variatie en een aantrekkelijk beeld. Het is een landelijke haag met kleur en bloei en versterkt het doorzicht vanaf de straat naar de omgeving. C. Aan te planten bomen in gemengde haag Door in de gemengde haag klimaatbestendige bomen te zetten wordt een duurzaam groen kader gevormd. D. Aan te planten beeldbepalende boom Achter de woning wordt een mooie beeldbepalende boom gezet. E. Aan te planten knotbomen langs sloot in vegetatierijke zone Door langs de aanwezige sloot 5 knotwilgen te zetten ontstaat een leuk element. Door de sloot en omgeving meer ruimte te geven qua vegetatie kan deze resulteren in een structuurrijkere en bloeiende vegetatie. F. Aan te planten 3 hoogstambomen Als aankleding van de loods worde hier 3 hoogstamkersenbomen gezet, die hier volledig kunnen uitgroeien. G. Aan te leggen infiltratiepoel Achter de woning, bij de sloot, wordt een infiltratiepoel gerealiseerd. Om deze extra ecologisch in te richten wordt de poel ingezaaid met een kruidenrijk mengsel. Deze landschappelijke inpassing geeft weer wat aangeplant en verfraaid wordt om er een mooi geheel van te maken.
Zeker als het geheel met groen omkadert is, ook in het grotere geheel, past de mooie woning in het totaal in de landelijke sfeer en vormt het een mooi landschappelijk plaatje, met de doorzichten naar het landschap, voor de initiatiefnemers en de omgeving.
Ontwerp
21
5. SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding Voordat de woning binnen het plangebied kan worden gerealiseerd dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1
M.e.r.-beoordeling
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20092. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt één woning gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
2
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)
Ontwerp
22
Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.3 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op één woning valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven.
Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3.