02c Toelichting geanonimiseerd
Tekst van het document
INHOUDSOPGAVE
1.
2.
3.
4.
5.
INLEIDING ..............................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5
1.4
Leeswijzer .....................................................................................................................................................5
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1
Algemeen ......................................................................................................................................................6
2.2
Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................7
2.3
Functionele structuur ...................................................................................................................................7
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie ................................................................................................8
BELEID ................................................................................................................................................................ 10 3.1
Algemeen ................................................................................................................................................... 10
3.2
Rijksbeleid .................................................................................................................................................. 10
3.3
Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 12
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 16
PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 18 4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 19
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 19
4.3
Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 19
SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 21 5.1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 21
5.2
Milieuaspecten........................................................................................................................................... 21
5.3
Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 31
5.4
Kabels en leidingen................................................................................................................................... 32
5.5
Natuur ......................................................................................................................................................... 32
5.6
Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 33
5.7
Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 35
5.8
Spuitzones gewasbescherming .............................................................................................................. 36
Vastgesteld
1
6.
7.
UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 37 6.1
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 37
6.2
Handhaving................................................................................................................................................ 37
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 38
6.4
Procedure................................................................................................................................................... 39
JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 40 7.1
Planstukken ............................................................................................................................................... 40
7.2
Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 40
7.3
Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 40
BIJLAGEN: Bijlage 1: AERIUS Calculator Bijlage 2: V-stacks geurberekening SEPARATE BIJLAGEN: Landschappelijk inpassingsplan, Ron Janssen Erf- en Landschapsverfraaiing (d.d. 27 juni 2022) Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (kenmerk: 22238301A, datum: 7 juni 2022) Nader (bodem)onderzoek asbest, HMB Groep (kenmerk: 22238302J, datum: 16 september 2022) Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HMB Groep (kenmerk: 22238303N, datum: 27 oktober 2022) Omgevingsdialoog
Vastgesteld
2
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Aan de rand van de kern Horst, aan de Stationsstraat 62, is een voormalige agrarische bedrijfslocatie gelegen. De locatie is thans bebouwd met een karakteristiek boerderijpand en verdeeld over het perceel enkele bijgebouwen. Deze langgevelboerderij bestaat thans uit een voorhuis, waar feitelijk de woning in is gevestigd, en het achterhuis waar vroeger het vee stond. De overige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zijn na het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten in 2010 gesaneerd. Van oudsher overheerste aan de Stationsstraat de agrarische bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid is echter in de loop der jaren steeds verder naar de achtergrond verdrongen en/of verdwenen uit het hier aanwezige bebouwingslint. Door de groei van de kern Horst hebben deze agrarische bedrijven plaats gemaakt voor woningbouw. De voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de Stationsstraat 62 vormt het laatste agrarisch bestemde perceel in het bebouwingslint. Al geruime tijd is er geen sprake meer van agrarische bedrijfsactiviteiten en de agrarische bedrijfswoning wordt bewoond door een burger. Hoewel er al geruime tijd geen sprake meer is van agrarische bedrijfsactiviteiten is de locatie op basis van het vigerende bestemmingsplan nog steeds bestemd voor agrarische doeleinden.
Daarnaast is het gezien de beperkte omvang van het bouwvlak, het ontbreken van aangrenzende eigen landbouwpercelen en de ligging tussen allerlei burgerwoningen, zeer onwaarschijnlijk dat op de locatie zich nog een volwaardig agrarisch bedrijf zal vestigen. Initiatiefnemers zijn voornemens de boerderij te verkopen maar verwachten dat gezien de agrarische bestemming er niet veel belangstelling voor zal zijn. Om de aantrekkelijkheid voor verkoop te vergroten zijn initiatiefnemers voornemens de boerderij om te zetten naar een burgerwoning. De bestemming dient derhalve gewijzigd te worden in een woonbestemming zodat agrarische bedrijfsactiviteiten voor de toekomst zijn uitgesloten en burgerbewoning is toegestaan.
Afbeelding 1 Ligging en omgeving plangebied
Vastgesteld
3
Bij de gemeente Horst aan de Maas is daarom een verzoek ingediend om de agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming zodat woongebruik in de toekomst kan worden toegestaan. De gemeente Horst aan de Maas heeft op 18 januari 2022 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de beoogde bestemmingswijziging. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde nieuwe situatie juridischplanologisch vastgelegd door de be .
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De locatie is gelegen aan de Stationsstraat 62, aan de rand van de bebouwde kom van Horst. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummers 3881. Dit perceel wordt in dit bestemmingsplan
De Stationsstraat (N556) vormt thans een doorgaande weg tussen de kernen Sevenum en Horst. Doormiddel van een rotonde sluit de Stationsstraat aan op de Westsingel, welke onderdeel uit maakt van de rondwegverbinding om Horst.
Afbeelding 2 Luchtfoto plangebied en omgeving
Aan de westelijke zijde van de Stationsstraat, ten noorden van de rotonde, bevindt zich een bebouwingslint dat overwegend uit woningen bestaat. Het perceel Stationsstraat 62 betreft het laatste voor agrarisch bestemde perceel aan deze zijde. Aan de oostzijde van de Stationsstraat is een bedrijventerrein gelegen, hier bestaat de bebouwing dan ook uitsluitend uit bedrijven.
Vastgesteld
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locati . Ter plaatse van een inmiddels gesloopte schuur is eveneens een
en de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Per agrarisch bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan, ter
Afbeelding 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rood; plangebied)
Het wonen in de bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de agrarische bedrijfsvoering, noodzakelijk is. Burgerbewoning wordt uitgesloten in een bedrijfswoning en is daarom strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Tevens gelden voor de locatie het bestemmingsplan . Ook heeft het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Alhoewel deze bestemmingsplannen geen specifieke wijzigingen voor betreffende locatie regelen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan, zijn noodzakelijke deelaspecten, indien van toepassing, meegenomen in de afweging van het initiatief.
1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief zelf wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.
Vastgesteld
5
2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving. Daarnaast komt kort de historische ontwikkeling aan bod. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Horst. Horst behoort tot de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern Horst ligt aan de snelweg A73 (Nijmegen Venlo), welke via de Stationsstraat (provinciale weg N556) ook verbonden is met de snelweg A67 (Venlo Eindhoven). Ten zuiden van Horst, aan de Stationsstraat, is het bedrijventerrein Hoogveld gelegen. Dit bedrijventerrein ligt tegenover het plangebied, aan de overzijde van de Stationsstraat.
Bedrijventerrein Hoogveld Rotonde met Westsingel
Afbeelding 4 Luchtfoto en omgeving plangebied
Parallel aan de Stationsstraat ligt de langgevelboerderij met daarachter een riante tuin. De langgevelboerderij bestaat thans uit een voorhuis, waar feitelijk de woning in is gevestigd, en het achterhuis waar vroeger het vee stond. Ook de tuin is in twee delen gesplitst, één tuin behorende bij de woning en een deel grond behorende bij het achterhuis. Verdeeld over het perceel staan nog enkele bijgebouwen die thans in gebruik zijn als opslag bij de woning. Voorheen stond achter de boerderij een schuur, deze is in 2010 gesloopt. Het plangebied heeft betrekking op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Horst, sectie M, nummer 3881. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.400 m².
Vastgesteld
6
2.2 Ruimtelijke structuur De Stationsstraat is de belangrijkste structuurdrager van het omringende landschap en vormt eveneens grofweg de grens tussen het (oorspronkelijke) beekdal van de Groote Molenbeek (gelegen ten oosten van de weg) en het agrarische ontginningsgebied ten westen van de weg. Het landschap ten westen van de Stationsstraat is te typeren als een kampontginning. De kampontginningen zijn ontstaan door individuele boeren die zich op een geschikte plek vestigden en vervolgens de plek ontgonnen. Qua patroon en bodemeigenschappen lijken deze gebieden sterk op de velden (bochtige wegen en relatief dikke eerdgronden). Het belangrijkste verschil is echter de schaal en maat. De kampen zijn veel kleinschaliger. De percelen werden in het verleden omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers te houden. Dit is ter plaatse nauwelijks nog aanwezig. Dit is het gevolg van ruilverkavelingen en het kappen van desbetreffende houtwallen.
Afbeelding 5 Woning Stationsstraat 62 met daarachter open gebied
Karakteristiek is een verdichte rand om een klein, bol liggend open gebied. Het plangebied maakt deels onderdeel uit van de verdichte rand, betreffende de woning Stationsstraat 62. Het overige gedeelte van het plangebied betreft open gebied. De overzijde van de Stationsstraat kenmerkt zich door de aanwezigheid van het bedrijventerrein Hoogveld, bestaande uit vrijstaande, grote bedrijfsgebouwen, welke tezamen een dichte wand vormen van bedrijvigheid. Deze karakteristiek wordt versterkt door de opgaande bomen die de Stationsstraat begeleiden.
2.3 Functionele structuur Als belangrijke verbindingsweg tussen Horst en Sevenum hebben zich aan de Stationsstraat tal van functies gevestigd. Van oorsprong hebben diverse agrarische bedrijven zich aan deze weg gevestigd, afgewisseld door burgerwoningen. In de loop der tijd heeft zich langs deze, ten zuiden van de rotonde met de Westingel, ook andere bedrijvigheid gevestigd, alsook een bedrijventerrein. et bedrijventerrein Hoogveld ontwikkeld. Aan de Stationsstraat waren van oorsprong enkele woningen gelegen,
Vastgesteld
7
welke deels behoorde bij ter plaatse gelegen agrarische bedrijven. Deze agrarische bedrijven zijn in de loop der jaren allemaal gesaneerd of verplaatst naar een andere locatie. Het plangebied betreft thans de laatste (voormalige) agrarische bedrijfslocatie. Recentelijk is, ten westen van het plangebied, een brandweerkazerne gerealiseerd.
Afbeelding 6 Plangebied met links daarvan de brandweerkazerne, zicht vanaf rotonde met de Westsingel
2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern Horst, aan de Stationsstraat. Deze straat verbindt de kernen Horst en Sevenum met elkaar. Van oudsher zijn er aan de weg diverse woningen en (agrarische) bedrijven gevestigd. Over de afgelopen 100 jaar is er steeds meer bebouwing toegevoegd evenwijdig aan de Stationsstraat. De Stationsstraat ligt grotendeels op de grens tussen het kleinschalige beekdal en de voor landbouw ontgonnen grootschalige gronden. Juist ter plaatse van het plangebied buigt de Stationsstraat in noordelijke richting af en verlaat het de begrenzing van het beekdal en loopt het door het open kampenlandschap.
Afbeelding 7 Anno 1940
Vastgesteld
Afbeelding 8 Anno 1990
8
70 van de vorige eeuw het bedrijventerrein Hoogveld gerealiseerd. In eerste instantie hebben de bedrijven zich gevestigd in de oksel van de Stationsstraat en is het terrein doorontwikkeld naar de Energiestraat, Fabrieksstraat en Nijverheidsstraat. Vanaf he besloten om het bedrijventerrein ook in oostelijke richting, tot aan de Venloseweg uit te breiden. De boerderij Stationsstraat 62 is volgens de kaart van 1940 reeds op de locatie aanwezig, echter zonder de bedrijfsbebouwing aan de achterzijde. De bedrijfsbebouwing is in 1975 opgericht ten behoeve van het agrarische bedrijf, echter is deze bebouwing in 2009 ook weer gesaneerd na het beëindigen van het agrarische bedrijf.
Vastgesteld
9
3. BELEID
3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal
Vastgesteld
10
effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Op basis van de vier verschillende prioriteiten zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het saneren van de agrarische bestemming en het daarvoor in de plaats realiseren van een woonbestemming wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal
Vastgesteld
11
Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de andere belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst:
beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied
Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op de functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale O Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige POL2014. De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de omgevingsvisie zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Vastgesteld
12
Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de
-, Midden en Zuid-Limburg. De omgevingsvisie houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De omgevingsvisie is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.
Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen tijdelijke uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. opgericht waardoor deze woningen uitermate geschikt zijn voor senioren.
In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woonen leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een agrarisch bedrijf gesaneerd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt er een nieuwe woonmogelijkheid gerealiseerd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI.
Vastgesteld
13
3.3.2 Omgevingsverordening 2021 In de Omgevingsverordening Limburg 2021 staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Op dit moment geldt nog de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) is een nieuwe verordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg 2021 in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hierna is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. Het initiatief voor de drie woningen is echter wel alvast getoetst aan de nieuwe omgevingsverordening. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regel uit de Omgevingsverordening 2021 zijn in dit geval van toepassing: Boringsvrijezone Venloschol; Wonen, werken en recreëren. De Omgevingsverordening 2021 is momenteel nog niet in werking getreden. Tot het moment dat de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden.
De bovengenoemde regels komen in grote lijnen overeen met de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Tot het moment dat de Omgevingsverordening Limburg in werking treedt (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog. In de Omgevingsverordening bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2014 zijn in dit geval van toepassing: Boringsvrije zone Venloschol; Nieuwe woningen. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d.
werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermde werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 25-30 m boven NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 20- 25 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval niet aan de orde.
Vastgesteld
14
Nieuwe woningen In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 3.3.4 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.3.4 kan concluderend gesteld worden dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Voor het plangebied kent de verordening geen verdere beperkingen. Het initiatief is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde d -Limburg 2020 Woonvisie NoordLimburg 2020 juridische status en een zelfbindend karakter. wonen Noord-2020. Uit de recent vastgestelde regionale woonvisie blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave heeft overtroffen.
Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.
toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien gelden de volgende regionale uitgangspunten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.
Vastgesteld
15
Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Middels onderhavig initiatief wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De behoefte aan de woning is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat er thans een heersend te kort is aan passende woningen. Door enorme krapte is de balans tussen vraag en aanbod zoek. De vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En de verwachting is dat deze druk de komende jaren nog verder toe neemt. De gemeente Horst aan de Maas heeft dan ook onlangs de ambitie uit gesproken om 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025. Hierbij wordt tevens ingezet op het transformeren van de bestaande voorraad. Daar wordt in dit geval bij aangesloten aangezien het hier een bestaande woning betreft waarbij de functie wijzigt.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebieden 7A . In deze deelgebieden geldt voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing een positieve grondhouding.
Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe het initiatief wenst en stimuleert. Alhoewel conform de structuurvisie de locatie theoretische gezien is aangewezen als bedrijventerrein, is in de praktische situatie geen sprake van een ligging op een bedrijventerrein. De locatie grenst uitsluitend aan een bedrijventerrein. Het plangebied grenst aan de achterzijde aan de kern Horst. Door deze fysieke afscheiding van het bedrijventerrein is een duidelijke ruimtelijke scheiding aangebracht tussen het bedrijventerrein en het achtergelegen woongebied. Uit beleidsmatig oogpunt maakt het plangebied derhalve geen onderdeel uit van het bedrijventerrein. De locatie ligt uit juridisch-planologisch oogpunt in het bestemmingsplan voor de kern Horst, niet in het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein. Met onderhavig initiatief is sprake van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De locatie is geschikt voor de bestemmingswijziging omdat er geen negatieve consequenties zijn voor omliggende (bedrijfs) functies en aan alle eisen uit milieukundig oogpunt wordt voldaan. Daar het aantal woningen ter plaatse niet wijzigt en het bouwvlak aanzienlijk wordt verkleind, worden de bouwmogelijkheden ter plaatse ingeperkt. Het initiatief is daarmee passend in de Structuurvisie Horst aan de Maas.
Vastgesteld
16
Afbeelding 9 Uitsnede structuurvisie Horst aan de Maas (rood; plangebied)
Vastgesteld
17
4. PLANBESCHRIJVING Op de locatie Stationsstraat 62 was tot 2010 een agrarisch bedrijf actief. Na het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten, zijn de agrarische bedrijfsgebouwen gesaneerd en wordt de agrarische bedrijfswoning bewoond door de voormalige agrariër c.q. een burger. Hoewel er al geruime tijd geen sprake meer is van agrarische bedrijfsactiviteiten is de locatie op basis van het vigerende bestemmingsplan nog steeds bestemd voor agrarische doeleinden. Daarnaast is het gezien de beperkte omvang van het bouwvlak, het ontbreken van aangrenzende eigen landbouwpercelen en de ligging tussen allerlei burgerwoningen, zeer onwaarschijnlijk dat op de locatie zich nog een volwaardig agrarisch bedrijf zal vestigen. Initiatiefnemers zijn voornemens de boerderij te verkopen maar verwachten dat gezien de agrarische bestemming er niet veel belangstelling voor zal zijn. Om de aantrekkelijkheid voor verkoop te vergroten zijn initiatiefnemers voornemens de bedrijfswoning om te zetten in een burgerwoning. De bestemming dient derhalve gewijzigd te worden in een woonbestemming zodat agrarische bedrijfsactiviteiten voor de toekomst zijn uitgesloten en burgerbewoning is toegestaan. Door ligging aan de rand van de kern Horst, op korte afstand van het centrum biedt de ligging van de langgevelboerderij de perfecte woonlocatie.
Enerzijds kan rust en ruimte gewaarborgd worden door de ligging aan de rand van de kern en het ruime perceel. Anderzijds zijn de winkelvoorzieningen in centrum op fietsafstand van de woning gelegen. Een ideale locatie voor vele doelgroepen zoals starters, maar ook gezinnen en senioren. Daarnaast sluit een woongebruik ter plaatse goed aan op de omgeving, waar thans overwegend woningen zijn gelegen.
Afbeelding 10 Plangebied
Vastgesteld
18
4.1 Uitgangspunten en doelstelling van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het formeel beëindigen van de agrarische functie op de locatie Stationsstraat 62 in Horst en het in gebruik nemen voor woondoeleinden. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: De locatie verliest de functie van agrarisch bedrijf. De , zoals die thans geldt voor het gehele plangebied, wordt daarvoor van de locatie verwijderd. Ter plaatse van de bedrijfswoning zal het huidige bouwvlak met de maatvoeringseisen, zoals thans geldt, behouden blijven. Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de locatie moet worden voorzien van een landschappelijke inpassing welke daarna in stand dient te worden gehouden. De geldende gebieds- en functieaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan dienen opnieuw te gelden. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient Peelkernen zoals dat thans voor het plangebied geldt.
T
maatvoeringseisen Het woongebruik is vanwege een voorwaardelijke bepaling in de planregels alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing van het gehele plangebied wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Tevens
4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Fysiek gezien wijzigt er ten opzichte van de huidige situatie niets. Er is geen sprake van een fysieke wijziging van de woning. Deze bestemmingswijziging heeft louter betrekking op de functionele wijziging ten behoeve van de woonfunctie.
4.3 Landschappelijke inpassing Om het plangebied in het kader van de beoogde bestemmingswijziging op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. De visie is om de bestaande beplanting te behouden en hierop aanvullingen toe doen. Door de singels op de de brandweerzijde wordt aangeplant wordt het een besloten boerenerfgebied met tuin, erf en weitjes, samen met de bijgebouwen. Door in de tuin de mooie bomen juist te beheren en mindere soorten langzaam weg te halen ontstaat er een meer authentiek erf bij de boerderij. Zo ook aan de entree het omvormen van de versleten coniferenrij naar een gemengde haag, samen met de hoogstamweide alhier de open schuur mooi te integreren.
1
Landschappelijk inpassingsplan, Ron Janssen (d.d.27 juni 2022)
Vastgesteld
19
Met een houten raster op de grenst maakt de kadastrale grenst helder en zorgt voor een mooie entree van het dorp. Een mooie toegangspoort met Horster streektekst is de kern op de taart bij dit erf en entree van het dorp. Een fraai landelijk erf dat ook vanuit de omgeving beleefd kan worden door vele voorbijgangers over de straat.
Afbeelding 11 Landschappelijk inpassingsplan
Vastgesteld
20
5. SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding Met de bestemmingswijziging dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20092. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine projecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt de bestemming gewijzigd om de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Dit project komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van 1. 2. 3. 2
Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen bevat, of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland
Vastgesteld
21
Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.3 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om
Aangezien in dit geval sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Conclusie 1. De bestemmingswijziging komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De bestemmingswijziging komt niet voor in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. 5.2.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan concluderend gesteld worden dat ten aanzien van ondergrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond.
Voor de verhoogde gehalten met metalen in zowel de grond als het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Waarschijnlijk betreft het verhoogde achtergrondgehalten. Het voorkomen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is voor deze regio geen onbekend verschijnsel.
geen stand. Zowel zintuigelijk als analytisch zijn geen verontreinigingen met minerale olie en/of vluchtige aromatische koolwaterstoffen aangetoond. Ten aanzien van asbest kan concluderend gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied alleen in het gebied tussen de (voormalige) bebouwing puinresten zijn aangetroffen. Ter plaatse van de overige boringen/proefgaten zijn zintuigelijk geen puinresten aangetroffen. In geen van de boringen is asbestverdacht materiaal aangetroffen. Zowel zintuiglijk als analytisch is in de puinhoudende grond geen asbest waargenomen/ aangetoond. Gelet op het ontbreken van puin, asbestverdachte materialen en de analyseresultaten bestaat er geen verwachting dat er op het overige deel van de onderzoekslocatie asbest in de bodem aanwezig is. De
Vastgesteld
22
Ter plaatse van de zuidelijke afwaterpunt is wel asbest aangetoond boven de rapportagegrens. Het aangetoonde gehalte blijft echter ruimschoots boven de geldende normen. Bij het noordelijke afwaterpunt is geen asbest aangetoond. De hypothese verdachte locatie kan derhalve komen te vervallen. Ter plaatse van de druppelzone van de loods is asbest aangetoond in een gehalte boven de norm voor nader bodemonderzoek. Derhalve is het noodzakelijk ter plaatse van de druppelzone nader bodemonderzoek uit te voeren conform NEN 5707. Nader (bodem)onderzoek asbest Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek asbest5 uitgevoerd. Uit de resultaten van het nader bodemonderzoek blijkt dat de bodem ten westen van de loods op het noordwestelijke deel van het perceel is verontreinigd met asbest. De verontreiniging is aangetoond tot een diepe van circa 0,2 m-mv. De totale omvang van de verontreiniging is naar verwachting ongeveer 5 m³. De gehalten PFAS in de verontreinigde grond overschrijden de normen voor toepassing van grond op landbodem en in oppervlaktewater. De verontreiniging met asbest is te relateren aan grove (>20 mm) stukken asbesthoudend materiaal op en in de bodem welke waarschijnlijk op en in de bodem zijn terecht gekomen doordat stukken golfplaat zijn afgebroken van de dakbedekking.
Aangenomen mag worden dat de bodemverontreiniging met asbest grotendeels is ontstaan na 1 juli 1993. ze gevallen, op basis van de Zorgplicht (artikel 13, Wet bodembescherming) binnen afzienbare tijd verwijderd/gesaneerd te worden. Geadviseerd wordt dan ook de met asbest verontreinigde grond zo spoedig mogelijk te saneren. Om na de bodemsanering nieuwe verontreinigingen te voorkomen, wordt tevens geadviseerd de asbestverdachte/-houdende dakbedekking op de loods c.q. de bronlocatie door een gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen. Gezien het feit dat de woning door initiatiefnemers, na bestemmingswijziging, verkocht zal worden en er derhalve geen zicht is op de mogelijke ontwikkelingen/plannen van een nieuwe eigenaar zal er ter plaatste van de verontreinigde grond een aanduiding opgenomen worden dat de grond eerst gesaneerd moet worden alvorens er bodemingrepen plaats vinden. Om te borgen dat alvorens er bodemingrepen plaats vinden de 5.2.3 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Op 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden.
In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. De huidige bedrijfswoning betreft reeds een geluidsgevoelig object. Door de bestemmingswijziging van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning is er dus geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De woning blijft zoals aanwezig in stand. Echter dient er wel aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de woning. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai6 uitgevoerd.
Vastgesteld
23
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de gevelbelasting als gevolg van wegverkeer ten hoogte 65 dB bedraagt. Uitgaande van de bestaande situatie treedt in de verblijfsruimten van de woning een geluidsniveau op van ten hoogste 35 dB. Een aanvaardbaar woonklimaat is met dergelijke waardes gewaarborgd. Bij een eventuele verbouwing/renovatie dient er rekening mee te worden gehouden dat nieuwe bouwdelen minimaal voldoen aan de in tabel 3 genoemde reductiewaardes. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de bestemmingswijziging. 5.2.4
Luchtkwaliteit
Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt al dan niet per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In dit geval is geen sprake van nieuwe woningen. Er is uitsluitend sprake van een bestaande woning waarvan alleen
Vastgesteld
24
de soort bewoning wijzigt. In plaats van dat een agrariër de woning bewoond zal een burger de woning bewonen. Daarnaast vallen de verkeersbewegingen van en naar het agrarisch bedrijf weg. De bestemmingswijziging valt daarom onder de 3% norm. Het initiatief draagt zodoende Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,9 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 16,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,4 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het gebruik als woning. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vergelijking met het huidige gebruik als agrarisch bedrijf- nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen.
Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige
Vastgesteld
25
objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De woning binnen het plangebied betreft derhalve een geurgevoelig object. Het formeel saneren van het agrarische bedrijf heeft een volledige stopzetting van de geuremissie vanuit het plangebied tot gevolg. Uit de van functie te wijzigen woning vindt geen geuremissie plaats. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders van deze wet eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgesteld in een geurverordening. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor woongebieden, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 10,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting (voorgrondbelasting) De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgv en gemeentelijke geurverordening vastgesteld op 3 OU/m3 (voorgrondbelasting).