CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting Bp Op de Spekt 19 Brhv

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Op de Spekt 19, Broekhuizenvorst.18.811 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan “Op de Spekt 19, Broekhuizenvorst” NL.IMRO.1507.BPBVOPDESPEKT19.BPV1

Document:

Bestemmingsplan “Op de Spekt 19, Broekhuizenvorst”

IDN:

NL.IMRO.1507.BPBVOPDESPEKT19.BPV1

Status:

Vastgesteld

Datum:

8 maart 2022

Aanvrager:

De heer W.F.J.M. Hermans

Auteur:

Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. N.A.H. van den Ekker

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4 1.4 Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

2

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1 Algemeen ......................................................................................................................................................6 2.2 Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6 2.3 Functionele structuur ...................................................................................................................................7 2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7

3

BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1. Inleiding .........................................................................................................................................................9 3.2. Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9 3.3 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 13 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 19 3.5 Conclusie.................................................................................................................................................... 23

4.

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 24 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 24 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 24

5.

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 26 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 26 5.2 Milieuaspecten........................................................................................................................................... 26 5.3 Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 36 5.4 Kabels en leidingen................................................................................................................................... 38 5.5 Natuur ......................................................................................................................................................... 38 5.6 Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 42 5.7 Verkeer en parkeren .................................................................................................................................

43 5.8 Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 44

6

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 45 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 45 6.2 Handhaving................................................................................................................................................ 45

Vastgesteld

1

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 47 6.4 Procedure................................................................................................................................................... 47 7.

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 49 7.1 Planstukken ............................................................................................................................................... 49 7.2 Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 49 7.3 Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 50

Bijlagen Bijlage 1: V-stacks achtergrondbelasting Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 3: AERIUS-berekening bouwfase Separate bijlagen ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (HMB Groep) ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep)

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Bij de gemeente Horst aan de Maas is door de heer W.F.J.M. Hermans een verzoek ingediend voor het oprichten van een nieuwe levensloopbestendige woning in de achtertuin van zijn eigen woning, welke is gelegen aan Op de Spekt 19 te Broekhuizenvorst. Het perceel waarop de nieuwe woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Broekhuizen, sectie D, nummer 984.

Afbeelding 1. Ligging locatie Op de Spekt 19 in Broekhuizenvorst (rood omcirkeld)

De locatie waar de nieuwe woning is beoogd maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “’Maaskernen” en is daarin bestemd als ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bebouwing. Binnen de tuinbestemming is het oprichten van een woning niet toegestaan. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van het vigerende bestemmingsplan op deze locatie een nieuwe woning op te richten. In de gemeente Horst aan de Maas blijkt echter een grote behoefte aan levensloopbestendige woningen die met name geschikt zijn voor senioren. Ondanks dat het op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is om op deze locatie een nieuwe woning op te richten biedt het gemeentelijke beleid daarom wel mogelijkheden tot het realiseren van dergelijke woningen. Onder voorwaarden heeft de gemeente daarom in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van een nieuwe levensloopbestendige woning op de betreffende locatie. Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt de tuinbestemming gewijzigd in een woonbestemming en wordt aan de betreffende locatie een bouwvlak toegekend, waardoor de bouw- en gebruiksmogelijkheid voor een nieuwe woning ontstaan.

Vastgesteld

3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

In het noordoosten van de kern Broekhuizenvorst, op de locatie Op de Spekt 19, staat de woning van initiatiefnemer. In de achtertuin van deze woning (gelegen ten westen van de huidige woning) wil initiatiefnemer een nieuwe levensloopbestendige woning oprichten. Het perceel waarop de nieuwe woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Broekhuizen, sectie D, nummer 984. Dit perceel wordt aangeduid als “het plangebied”.

Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzing van het plangebied (plangebied rood omlijnd; woning Op de Spekt 19 geel omlijnd)

De locatie is gelegen in het midden van de woonwijk Op de Spekt / Op de Kamp. Einde jaren ’80, begin jaren ’90 van de vorige eeuw is begonnen met het aanleggen van deze woonwijk. Eind jaren ’90 is deze woonwijk afgerond. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de weg Op de Spekt waar aan de overzijde van deze weg vrijstaande woningen zijn gelegen. Ook in het oosten en in het zuiden wordt het plangebied begrensd door woningen. In het westen wordt het plangebied begrensd door de weg Op de Kamp, waar aan de overzijde eveneens woningen zijn gelegen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Maaskernen” (vastgesteld d.d. 3 februari 2009) en is hierin volledig bestemd als ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bebouwing, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en erven.

Vastgesteld

4

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan – beoogde locatie voor nieuwe woning rood omlijnd

Het initiatief tot oprichting van de nieuwe woning past niet in het vigerende bestemmingsplan er is namelijk sprake van een functionele strijdigheid. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn niet bestemd voor woondoeleinden. Daarnaast ontbreken de juiste bouwmogelijkheden.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de bouw van een woning wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Vastgesteld

5

2

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1

Algemeen

Het plangebied ligt in het noordoosten van de kern Broekhuizenvorst. Broekhuizenvorst is gelegen in het noordoosten van de gemeente Horst aan de Maas, tegen de Maas aan. Het dorp ligt in een fraaie groene omgeving met ten oosten het rivierdal van de Maas en ten zuidwesten het natuurreservaat “Schuitwater” en de kastelen De Kolck en Ooijen in de directe omgeving. Broekhuizenvorst heeft ongeveer 850 inwoners. Momenteel wordt het plangebied gebruikt als tuin behorende bij de woning Op de Spekt 19, dit betreft een vrijstaande gezinswoning.

2.2

Ruimtelijke structuur

De hoofdstructuur van Broekhuizenvorst wordt gevormd door de oude linten Ooijenseweg, Swolgenseweg, Broekhuizerweg en de Kerkstraat/Maasstraat. Deze komen samen op het plein bij de kerk. Aan de oostzijde van de kern loopt de Broekstraat als een rondweg langs het dorp. De Broekstraat vormt de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Daarnaast vormt deze weg de verbinding tussen het gehucht Ooijen in het noorden en de kern Broekhuizen in het zuiden. Het plangebied is gelegen aan Op de Spekt, in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst. Op de Spekt vormt een zijweg van de Broekstraat. De wegen Op de Spekt en de verlenging daarvan Op de Kamp maken onderdeel uit van het laatste uitbreidingsgebied van Broekhuizenvorst. Bij dit uitbreidingsgebied is sprake van planmatige opzet. De structuur is gedifferentieerd met verschillende clusters, deze structuur en type wijk wordt ook wel “bloemkoolwijk” genoemd. Het gebied is relatief dicht bebouwd en bestaat uit kronkelende en geknikte bouwstroken met smalle straatprofielen en beperkte openbare ruimte.

Afbeelding 4. Impressie plangebied

Vastgesteld

6

2.3

Functionele structuur

In de bebouwde kom van Broekhuizenvorst en in de omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. De woningvoorraad in de omgeving bestaat grotendeels uit eengezinswoningen van het type geschakeld, tweeonder-één-kap of vrijstaand.

Afbeelding 5. Impressie woning Op de Spekt 19

Afbeelding 6. Impressie plangebied

In zuidwestelijke richting (aan de Kerkstraat / Maasstraat / Broekhuizerweg) bevinden zich de dorpse voorzieningen van Broekhuizenvorst. De voorzieningen bestaan uit de kerk, enkele bedrijven en winkels en een café. Aan de Monseigneur Schravenstraat ligt de plaatselijke basisschool die Broekhuizenvorst deelt met de kern Broekhuizen. Voor wat betreft winkelvoorzieningen is de kern voornamelijk aangewezen op Horst of Tienray.

Afbeelding 7 Impressie Broekweg

2.4

Afbeelding 8.Impressie kruising Op de Spekt met Op de Kamp

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Langs de Maas liggen bijzonder vruchtbare gronden waardoor op de hogere donken in en langs het rivierdal nederzettingen zijn opgericht. Broekhuizenvorst betreft een van deze nederzettingen die als zodanig is ontstaan. Het dorp stond eeuwenlang onder invloed van de loop van de Maas. Vanaf de 19e eeuw zijn maatregelen genomen om de waterstand van de Maas te reguleren. Omstreeks 1960 is ook sprake geweest van ruilverkavelingen. Door de ruilverkavelingen zijn boerderijen uit het dorp verplaatst, zijn nieuwe boerderijen gebouwd, en zijn wegen verlegd of nieuw aangelegd.

Vastgesteld

7

Afbeelding 9. Uitsnede historische kaart 1988 (nog geen woonwijk)

Afbeelding 10. Uitsnede historische kaart 1994 (woonwijk in ontwikkeling)

Einde jaren ’80, begin jaren ’90 van de vorige eeuw is begonnen met het planmatig uitbreiden van Broekhuizenvorst in noordoostelijke richting. Hierbij zijn de wegen Op de Kamp en Op de Spekt aangelegd en is aan deze wegen de huidige woonwijk ontstaan. Eind jaren ’90 is dit uitbreidingsgebied afgerond.

Vastgesteld

8

3

BELEID

3.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2. Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;

Vastgesteld

9

▪ ▪

Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met de realisatie van de woning op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3).

Vastgesteld

10

Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het realiseren van één woning in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden. 3.2.4 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij de algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving. Uit de kaarten behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling, blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone ‘Vrijstelling vergunningplicht gebruik waterstaatswerken’. Wat dit betekent wordt hierna nader gespecifieerd.

Afbeelding 11. Uitsnede kaart behorende bij Waterregeling

3.2.5 Beleidslijn grote rivieren De overstromingen van de Maas in december 1993 en januari 1995 hebben duidelijk gemaakt dat de Maas niet altijd binnen het winterbed blijft zoals dit in het Koninklijk Besluit 1916 (op basis van de Rivierenwet 1908) is vastgelegd. Bij (nieuwbouw)plannen in het rivierbed van de Maas dient daarom rekening gehouden te worden met hoge waterstanden. Op 19 september 1997 werd de circulaire “Bouwen langs de Maas” vastgesteld door Provinciale Staten als provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin werd vastgelegd hoe de ministeriële beleidslijn “Ruimte voor de rivier” (Staatscourant 12 mei 1997) in Limburg zijn doorwerking diende te krijgen, waarbij de bescherming van een deugdelijke stroomvoering en waterberging voorop stonden. Middels deze circulaire werd tevens invulling gegeven aan de afspraken die naar aanleiding van de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” tussen Rijk, provincie en gemeentes waren gemaakt.

Vastgesteld

11

Mede op basis van de resultaten van een in 2005 verrichte evaluatie en ervaringen in de praktijk is besloten om de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” te herzien. De herziening van de beleidslijn draagt, mede als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied en de wens om verwarring met de PKB “Ruimte voor de Rivier” te voorkomen, de naam “Beleidslijn grote rivieren”. Met de herziening van de beleidslijn wordt meer ruimte geboden aan ontwikkelingsgerichte initiatieven. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor ontwikkelingen die de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied kunnen verbeteren. Doelstelling van de beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden, ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken en het waarborgen van de afvoercapaciteit in het stroomvoerend rivierbed.

Afbeelding 12. Uitsnede kaart Beleidslijn grote rivieren

Om de doelstellingen te bereiken, wordt via een tweetal sporen gewerkt: de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Een groot deel van Broekhuizenvorst en zo ook het plangebied is gelegen binnen een Artikel 2a Wbr-gebied. De gebieden waarvoor artikel 2a van de Wbr van toepassing is - kortweg de artikel 2a-gebieden - zijn gedeelten van het rivierbed waar op basis van rivierkundige gronden en via een algemene maatregel van bestuur het vergunningenregime van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) niet van toepassing is. De Wbr is opgegaan in de Waterwet. Met ingang van 1 oktober 2012 zijn deze vrijstellingsgebieden beschreven in artikel 6.12 van het Waterbesluit. Deze aanduiding betekent dat het plangebied vanuit rivierkundig oogpunt (vanuit het rivier- en stroombelang) minder van belang wordt geacht. Bescherming van dat belang door middel van een vergunningstelsel is daarmee niet noodzakelijk. De overwegingen die hebben geleid tot het aanwijzen van de artikel 2a-gebieden maken duidelijk dat deze gebieden voor het realiseren van de doelstellingen van deze beleidslijn feitelijk geen rol spelen. Daarom vallen de gebieden waar artikel 2a van toepassing is (ondanks de ligging in het rivierbed) niet onder het toepassingsgebied van de Beleidslijn grote rivieren.

Vastgesteld

12

Tevens geldt hier, dat ook al zijn deze gebieden vrijgesteld van de vergunningplicht, ze wel deel uit blijven maken van het rivierbed. Bouwen in dit gebied, is dus net als elders in het rivierbed op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Ook hier is het Rijk niet aansprakelijk voor eventuele schade. Initiatiefnemer is zich hier van bewust en accepteert eventuele schade bij hoogwater.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan.

Vastgesteld

13

3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen.

Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen.

Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het oprichten van één levensloopbestendige woning in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst. De woning is daarmee uitermate geschikt voor senioren. In de POVI is opgenomen dat speciale aandacht nodig is voor het toenemend aantal ouderen.

Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg.

Vastgesteld

14

3.3.2 Ontwerp Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. De volgende regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Omgevingswaarden wateroverlast; ▪ Grondwaterbescherming; ▪ Wonen, werken en recreëren; ▪ Energie. Omgevingswaarden wateroverlast Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen.

In totaal zijn vijf gebieden opgenomen met de specificatie voor dat gebied en de gemiddelde overstromingskans per jaar. Gebied

Specificatie

Overstromingskansgebieden A

1. Natuurnetwerk Limburg 2. Groenblauwe mantel langs alle natuurbeken en langs omgevingsgerichte wateren binnen beekdalen en natte laagten Groenblauwe mantel langs omgevingsgerichte wateren buiten natte laagten 1. Overige landbouwgebieden, recreatieparken 2. Bebouwing in bebouwde kernen langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Glastuinbouwgebieden Bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Overstromingskansgebieden B Overstromingskansgebieden C

Overstromingskansgebieden D Overstromingskansgebieden E

Vastgesteld

Gemiddelde overstromingskans per jaar Geen kans aangegeven 1:10 1:25

1:50 1:100

15

Grondwaterbescherming Voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de Roerdalslenk en de Venloschol bevat de omgevingsverordening regels voor boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. Voor de genoemde gebieden bevat de Omgevingsverordening één of meer verboden, uitzonderingen op deze verboden, vergunningsmogelijkheden en meldingen. Wonen, werken en recreëren In de Ontwerp Omgevingsverordening is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio NoordLimburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e.

realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. In de Ontwerp Omgevingsverordening is tevens een realisatietermijn opgenomen voor de zogenoemde ‘papieren plannen’. Dit ter voorkoming dat dergelijke plannen nimmer meer tot ontwikkeling komen en maar blijven liggen. Als het gaat om onherroepelijke, maar nog niet gerealiseerde plannen geldt dan het volgende: ▪ Plannen van vóór 2015, dienen uiterlijk 2025 gerealiseerd te zijn; ▪ Plannen van 2015 – 2021, dienen uiterlijk 2029 gerealiseerd te zijn; ▪ Plannen vanaf 2022 krijgen een realisatietermijn van 5 jaar. Indien een plan niet binnen de realisatietermijn worden ontwikkeld, vindt een heroverweging van het plan plaats door de gemeente en wordt een afweging gemaakt op basis van de dán geldende kwantitatieve en kwalitatieve behoefte én regionale afspraken. Energie In de Ontwerp Omgevingsverordening zijn uitsluitingsgebieden benoemd voor de plaatsing van windturbines. In deze uitsluitingsgebieden is plaatsing van windturbines met een masthoogte van 25 meter of hoger niet toegestaan. Conclusie De ontwerp Omgevingsverordening is momenteel nog niet in werking getreden.

Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. De bovengenoemde regels komen in grote lijnen overeen met de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen.

Vastgesteld

16

De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Uitsluitingsgebieden windturbines ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:100; ▪ Ligging in de boringsvrije zone Venloschol. Uitsluitingsgebieden windturbines De Provincie Limburg stimuleert de opwekking van hernieuwbare energiebronnen Deze dragen bij aan een schone, betaalbare en leveringszekere energievoorziening die gepaard gaat met regionale economische ontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid en aanpak van het klimaatprobleem. Duurzaam opgewekte energie komt uit bronnen die hernieuwbaar zijn (wind, water, zon, biomassa). Naast het beleid voor energietransitie heeft de Provincie beleid op het gebied van natuur en landschap. De beleidsuitgangspunten zijn soms strijdig met die van windturbines, waardoor keuzes noodzakelijk zijn. In de volgende gebieden zal het belang van windenergie ondergeschikt zijn: 1.

Het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Hier geeft de Provincie voorrang aan het behoud van het landschap. Binnen de begrenzing van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg is de ontwikkeling van windenergie uitsluitend mogelijk in verstedelijkt gebied. 2. Natura 2000; deze gebieden vormen de meest waarde volle natuurgebieden in Limburg die wij niet willen verstoren met windturbines. 3. Winterbed van de Maas; de Maas en de daaraan gekoppelde Maasplassen vormen een belangrijke route voor de vogeltrek. Ook voor foeragerende vogels kunnen windturbines nabij de Maas een barrière vormen. Samen vormen deze gebieden het Uitsluitingsgebied windturbines waarbinnen de ontwikkeling van grote windturbines niet toegestaan. Binnen de zone uitsluitingsgebieden windturbines is het niet toegestaan om een windturbine met een mast groter dan 25 meter niet toegestaan. Aangezien in onderhavig bestemmingsplan geen windturbine wordt opgericht is dit niet van toepassing. Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht.

In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland. Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft.

Vastgesteld

17

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst. Voor het bebouwd gebied is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:100. Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 1% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 3,65 – 3,66 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. Echter de kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast kleiner is dan 1% per jaar, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden 5 meter +NAP verboden: a. Een boorput te hebben; b. De grond te roeren; c. Een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 22,3 m +NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 17,3 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval echter niet aan de orde. Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder de daarvoor noodzakelijke vergunning te voorkomen.

3.3.4 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venray en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Vastgesteld

18

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van één levensloopbestendige woning in een woonwijk in de kern van Broekhuizenvorst. De woning is beoogd in de achtertuin van de woning Op de Spekt 19. De woning is gezien de grootte en ligging uitermate geschikt voor senioren. Gezien de aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen de dorpen sluit de nieuwe woning aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit spraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6B ‘Woondorpen’. Hier geldt voor solitaire woningbouw een meedenkende grondhouding. Bij een meedenkende grondhouding is sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van belang zijn. Een initiatief kan pas rekenen op planologische medewerking op het moment dat een passende kwaliteitsverbetering gegarandeerd is. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst aan de Op de Spekt.

Op de Spekt maakt onderdeel uit van een van de laatste uitbreidingen van de kern Broekhuizenvorst. Het plangebied is, samen met een perceel in de noordwestelijke hoek, het enige nog onbebouwde perceel binnen dit uitbreidingsgebied. Het initiatief voor een nieuwe woning past functioneel gezien dan ook goed binnen de omgeving, waar de woonfunctie overheerst. Tevens past het initiatief binnen het bestaande bebouwingslint en voorziet het in een verdichting van het uitbreidingsgebied Op de Spekt/ Op de Kamp.

Vastgesteld

19

Afbeelding 13. Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met het plangebied rood omlijnd

In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. In deze bijlage wordt een onderscheid gemaakt in vier manieren om woningen toe te voegen, te weten “nieuwe woningen”, “splitsen van woningen”, “herontwikkelen van behoudenswaardig vastgoed bij een reeds bestaande woning” en “herontwikkelen van al het andere behoudenswaardig vastgoed”. Van de eerste categorie is in dit geval sprake. Om te stimuleren dat woningen eerst binnen de kern worden gerealiseerd is het noodzakelijk dat de gevraagde kwaliteitsbijdrage gunstiger is dan de kwaliteitsbijdrage in het buitengebied. Bij het toevoegen van een nieuwe woningen is de kwaliteitsbijdrage vastgesteld op € 40.000,-. Door deze kwaliteitsbijdrage kan echter niet gestuurd worden op de gewenste samenstelling van de woningvoorraad. Daarom heeft de gemeente Horst aan de Maas de structuurvisie wat dat betreft herzien in september 2019. Indien voldaan wordt aan het Lokaal Afwegingskader en dus een woning wordt toegevoegd waaraan op basis van het gemeentelijk woonbeleid behoefte is, behoeft de kwaliteitsbijdrage van € 40.000,= niet voldaan te worden. Dit wordt bepaald middels een puntensysteem. Er zijn zowel ruimtelijke als volkshuisvestelijke criteria waarop punten gescoord kunnen worden.

Indien een initiatief 8 of meer punten scoort binnen het Lokaal Afwegingskader dan is er sprake van een juiste woning op een juiste plek. Tabel 1.Lokaal Afwegingskader

Omschrijving

Mogelijke score 2

Score bouwplan 2

bestaand

3

0

De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst. De locatie maakt onderdeel uit een woonwijk. De nieuwe woning zorgt voor een verdere verdichting van de woonwijk. Gesteld kan worden dat met het oprichten van de nieuwe woning op deze locatie sprake is van inbreiding. Niet van toepassing.

Hergebruik monumentaal vastgoed Herontwikkelingslocatie

8

0

Niet van toepassing.

4

0

Niet van toepassing.

Inbreiding

Hergebruik vastgoed

Vastgesteld

Motivatie

20

Levensloopbestendige woning

2

2

Huurwoning kleine kern Huurwoning groeikern Kleine huisvesting

5 2 2

0 0 2

Flexibel Gevarieerde wijkopbouw Duurzaamheid

1 2

0 0

2

2

Totaal punten

De woning wordt levensloopbestendig ingericht, de woning zal dan ook ideaal zijn voor bewoning door ouderen. Dit is verankerd in de regels door de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’. Niet van toepassing. Niet van toepassing. De woning zal een gebruiksoppervlakte beslaan van maximaal 120 m2, dit is mede verankerd in de regels. Niet van toepassing. Niet van toepassing. De woning wordt duurzaam en zeer energiezuinig uitgevoerd.

8

Aan de hand van deze motivatie is aangetoond dat het initiatief 8 punten behaald heeft. Een afdracht in het kader van de structuurvisie is in dit geval niet aan de orde. 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de raad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de maas de ambities voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds.

Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. 3. Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas.

Vastgesteld

21

▪

▪

▪

▪

▪

Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma. Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. Participatie & communicatie.

Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp.

De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters) woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Met onderhavig initiatief wordt een nieuwe levensloopbestendige woning opgericht, zijnde een nultredenwoning. In het Masterplan Wonen is opgenomen dat gebouwd dient te worden naar behoefte en dat binnen de gemeente behoefte is aan nultredenwoningen woningen. Het initiatief tot het oprichten van één levensloopbestendige woning past derhalve binnen het Masterplan Wonen van de gemeente Horst aan de Maas. 3.4.3 Reserve bovenwijkse voorzieningen De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 7 maart 2017 de Nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 vastgesteld. Met de nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 worden op basis van de huidige inzichten bovenwijkse voorzieningen in kaart gebracht die conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor kostenverhaal in aanmerking komen. Dit zijn voorzieningen van infrastructurele aard die in de periode tot en met ongeveer 2027 voorzien zijn en die meer dan een wijk bedienen.

Anderzijds wordt op basis van de gebiedsontwikkelingen die in de periode 2027 voorzien zijn berekend wat de afdracht aan de reserve dient te zijn om deze bovenwijkse voorzieningen voor zover ze toe te rekenen zijn aan die gebiedsontwikkeling, te bekostigen. De afdracht bovenwijkse voorzieningen bedraagt €9,- per m2 kavel.

Vastgesteld

22

3.5

Conclusie

Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de realisatie van de nieuwe woning. Het oprichten van één woning is geen stedelijke ontwikkeling op basis van ladder voor duurzame verstedelijking. De woning wordt opgericht in de bebouwde kom van Broekhuizenvorst en sluit aan bij de functionele en ruimtelijke karakteristiek van de omgeving. Met het initiatief wordt invulling gegeven aan de concrete behoefte van maar geschikte woningen voor ouderen (een levensloopbestendige woning). Op basis van de structuurvisie is sprake van de juiste woning op de juiste plek, daarom is een kwaliteitsverbetering c.q. bijdrage niet benodigd.

Vastgesteld

23

4.

PLANBESCHRIJVING

Initiatiefnemer wenst een nieuwe woning op te richten aan Op de Spekt ongenummerd in Broekhuizenvorst. De locatie betreft in de huidige situatie de tuin behorende bij zijn gezinswoning Op de Spekt 19. Ten westen van de huidige woning wilt de initiatiefnemer de levensloopbestendige woning bouwen.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning binnen het plangebied; ▪ Er mag uitsluitend een levensloopbestendige woning worden gerealiseerd; ▪ De woning heeft een gebruiksoppervlakte van maximaal 120 m2; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Maaskernen” zoals dat thans voor de kern van Broekhuizenvorst geldt; ▪ Aan het plangebied dient de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ te worden toegekend ter bescherming van de Venloschol. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken voor het oprichten van één levensloopbestendige woning, ten westen van de woning Op de Spekt 19. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin een deel van de tuinbestemming is omgezet naar een woonbestemming. Daarnaast is aan het plangebied een bouwvlak toegekend met de aanduiding ‘vrijstaand’ en de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ zodat de bouw van één vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt.

Er mag uitsluitend een levensloopbestendige woning worden gerealiseerd, daarom is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’ toegekend. Voor de woning zijn de maatvoeringen maximum goothoogte: 3 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 6 m’ opgenomen. Het plangebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11184907/1