02c.3 AAA Flora en fauna-inspectie
Tekst van het document
Flora-
en
fauna-inspectie Daniëlweg ong.
In
opdracht van: (geanonimiseerd) 16 maart 2023
(geanonimiseerd) rn (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
Faunaconsult Tegelseweg 5951
3
GK Belfeld
Tel: 077-4642999
www. faunaconsult.nl
te Melderslo
Flora-
en
fauna-inspectie Daniëlweg
Cpdrachtgever: Cpstellers/controle: Veldwerk:
Faunaconsult
B.V.
daarmee
de
ong. te Melderslo
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en geven concreet Invulling aan de participatiewet. aan
Flora-
Faunaconsult
en
fauna-inspectie Daniëlweg
ong. te Melderslo
1
Inhoud 1 2 3
Inleiding. De Wet natuurbescherming Werkwijze 3. 1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden 3. 2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie 4 Aanwezige beschermde planten en dieren. 4. 1 Beschrijving plangebied 4. 2 Bevindingen. 5 Mogelijke effecten Conclusies 6 Literatuur Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime
3 4 5 5 5 6 6 6 8 9 10 11
.. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .
. .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .
. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .
. .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .
. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .
. .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . .
. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . .. . . .. . . .. . . .. . . .. . . . ..
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
2
1
Inleiding
Bureau Leefomgeving begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling aan de Daniëlweg ong. te Melderslo en heeft ecologisch adviesbureau Faunaconsult B. V. opdracht gegeven op deze locatie een flora- en fauna-inspectie uit te voeren. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving. .
.
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
3
2
De Wet natuurbescherming
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. ,
De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime) : - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3. 1 van de Wnb) Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3. 2 van de Wnb) ; - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3. 2 vallen (paragraaf 3. 3 van de Wnb) Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld.
Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd) .
.
.
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017) Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. .
Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1. 11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
4
3
Werkwijze
3. 1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De vegetatie in het plangebied wordt verwijderd. Vervolgens wordt er een woning met bijbehorende tuin en wat verharding gerealiseerd. Zie figuur 3. 1 voor een schets van de voorgestane situatie.
Figuur 3. 1. Schets van de voorgestane situatie. Bron: Van de Ligt Advies.
3. 2
Werkwijze flora- en fauna-inspectie
De inspectie is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een bronnenonderzoek. Op 8 maart 2023 heeft Faunaconsult B. V. het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werden planten geïnventariseerd en werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied geschikte habitats biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het bureauonderzoek is gebaseerd
op
vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen
en
waarnemingen
van
soorten:
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www. natura2000. nl/gebieden) ; RAVON (www. ravon. nl) ; - FLORON (www. floron. nl) ; - SOVON (www. sovon. nl) ; - Zoogdiervereniging (www. zoogdiervereniging. nl) ; - NDFF Verspreidingsatlas (www. verspreidingsatlas. nl) -
.
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
5
4
Aanwezige beschermde planten
4. 1
Beschrijving plangebied
en
dieren
Het plangebied bevindt zich in de noordwesthoek van het dorp Melderslo. Aan de west- en oostzijde grenzen vrijstaande woningen. Ten noorden bevindt zich de Daniëlweg met daarachter woningen. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een weiland. Het plangebied zelf bestaat uit een weiland met aan de noordzijde wat opgaande vegetatie, waaronder enkele kleine naaldbomen.
Figuur 4. 1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) . Bron: Google Maps.
4. 2
Bevindingen
Zoogdieren en vogels In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. Daardoor is het voorkomen van huismus- en gierzwaluwnesten en verblijven van gebouw-bewonende vleermuissoorten uitgesloten. In het plangebied bevinden zich enkele kleine bomen. Deze bevatten geen (roof) vogelnesten of eekhoornnesten. Door het ontbreken van holtes in de bomen is het voorkomen van uilennesten en verblijven van boom-bewonende vleermuissoorten uitgesloten. Lijnvormige opgaande vegetatie die kan fungeren als vliegroute/belangrijk bevindt zich aan de Daniëlweg in de vorm van een laan zomereiken. Omdat vaste vliegroutes en foerageergebieden onder de Wnb als vaste rust- en verblijfplaats worden gezien, is een aantal vleermuissoorten in tabel 4. 4 opgenomen.
Tijdens het veldbezoek is de koolmees waargenomen. De weide in het plangebied vormt potentieel foerageergebied voor de steenuil. In de omgeving zijn tijdens het veldbezoek echter geen steenuilennestkasten waargenomen en omwonenden lieten weten nooit een steenuil te hebben gehoord of gezien. Het is daardoor onwaarschijnlijk dat het plangebied fungeert als foerageergebied voor de steenuil.
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
6
Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (z. d. ) waren er in 2014, in het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt, twee (niet nader getoonde) territoria van kwetsbare soorten (roofvogels/uilen) aanwezig. Deze soorten hebben echter met zekerheid geen nest in of nabij het plangebied. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen vogelsoorten als de roodborst of merel in de opgaande vegetatie in het plangebied gaan broeden. Dassenburchten, -snuitputjes, -latrines etc. en holen van andere internationaal beschermde zoogdieren zijn afwezig. Voor de wezel biedt de vegetatie in noorden van het plangebied in principe voldoende dekking. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen ook in het plangebied voorkomen. Amfibieën, reptielen en overige diersoorten Wateren, die kunnen fungeren als voortplantingswater of leefgebied voor amfibieën en vissen, zijn in en rond het plangebied afwezig. Streng beschermde amfibieënsoorten zijn daardoor, en wegens het aanwezige biotoop, niet te verwachten in het plangebied. De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen mogelijk wel als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied.
Planten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene, niet-beschermde plantensoorten waargenomen als grove den, taxus, vlinderstruik, sneeuwbal, vogelmuur, winterpostelein, zachte ooievaarsbek en paardenbloem. De Provincie Limburg (z. d. ) heeft het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt in 2012 onderzocht op het voorkomen van beschermde of bijzondere planten. Deze waren afwezig in en rond het plangebied. Tabel 4. 2 geeft een overzicht van de beschermde soorten die (mogelijk) voortplantingsplaatsen rustplaatsen in het plangebied hebben.
en
Tabel 4. 2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Vogels Nederlandse naam en wetenschappelijke naam Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Wezel (Mustala nivalis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo)
met strenger beschermd nest
Internationaal beschermde
Overige beschermde
soorten
soorten
X X X
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
X X X X X X
ong.
te Melderslo
7
Mogelijke effecten
5
Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels als roodborst en merel worden verstoord of gedood. Wanneer hun jongen te lang worden achtergelaten en eieren te lang niet worden bebroed kan dit leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. -
Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. -
De laanbomen aan de Daniëlweg fungeren mogelijk als vaste vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. Indien er vanaf het plangebied buitenverlichting op de laanbomen wordt gericht, kan dit een verstoring van de vliegroute opleveren. -
In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In het volgende hoofdstuk wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5. 1. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in het plangebied broedende vogels Vleermuizen
Vogels
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Internationaal beschermde soorten Overige soorten
een
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3. 1 3. 1 3. 5 3. 5 3. 5 3. 5 3. 10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X
X X
Artikel 3. 1 (m. b. t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3. 5 (m. b. t. Internationaal beschermde soorten) : - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3. 10 lid 1 (m. b. t. A-soorten) : het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3. 10 lid 3 Wnb) .
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
8
6
Conclusies
Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetatie buiten de periode 15 maart 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. —
Vleermuizen:
verstoring vliegroutes en foerageergebied De laanbomen aan de Daniëlweg fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Deze bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst, van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals kan worden led armaturen voor ledlampen. Hierbij gekozen amberkleurige UV-vrije of rood licht et (geanonimiseerd) (Zoogdiervereniging, 2011) WM al, 2017). Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb);, deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Ten
aanzien
de wezel dient er buiten de kwetsbare periode gewerkt. De vegetatie dient daarom buiten de periode 15 maart (als aanbevolen door (geanonimiseerd) ME 2017). van
Flora-
Faunaconsult
en
kleine
van -
1
marterachtigen te worden september te worden verwijderd
fauna-inspectie Daniëlweg
ong. te Melderslo
9
Literatuur S. (geanonimiseerd) B
2017.
Handreiking
Kleine
Marters
in relatie
tot
soortbescherming.
Versie
11
oktober 2017.
Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Provincie Provincie (z.d). Limburg. Limburg. Natuurgegevens www.natuurgegevenslimburg.nl.
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) an , en (geanonimiseerd) 2017. Response of bats to light with different spectra: lightEN (geanonimiseerd) ON shy and agile bat-presence is affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org 2011. Een kleur voor Zoogdiervereniging, vleermuisvriendelijke verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/een-vleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting
Flora-
Faunaconsult
en
fauna-inspectie Daniëlweg
ong. te Melderslo
10
Bijlage 1: Toelichting
per
beschermingsregime
Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3. 1 tot en met 3. 4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3. 1 en 3. 2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3. 1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3. 1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3. 1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3. 1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3. 2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.
2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3. 4 lid 1 Wnb) .
Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
11
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3. 5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3. 6 lid 2 Wnb) .
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3. 8 lid 2 en 3. 9 lid 2 Wnb) Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3. 8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets) ; • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt
gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. .
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
12
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’) Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’) Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. .
.
Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3. 10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3. 10 lid 3 Wnb) Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. .
Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3. 8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets) ; • • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden
mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3. 8 lid 2) : in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
13
-
-
-
-
-
ter voorkoming
schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang. van
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Flora- en fauna-inspectie Daniëlweg
ong.
te Melderslo
14