CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c.10 AAA - T Bijlage 10 m.e.r.-beoordelingsbesluit

Gemeenteraad 21 mei 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Helenaveenseweg 23 en ongenummerd, Sevenum.5.377 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

HORST AlD MAAS ee (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) nn nn (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) el (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

datum:

10 februari 2020

077-4779777

telefoonnr:

bijlage:

ons

kenmerk:

behandeld

20-0014715

door:

Z-MERPLICHT-2019-000918

(geanonimiseerd)

onderwerp: MER_PLB Plicht

1

kenmerk:

Milieu Effect

begeleidende brief beoordelingsbesluit

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Beste (geanonimiseerd)

een aanmeldingsnotitie M.er.-beoordeling met bijlagen bij ons ingediend. De aanmeldingsnotitie is ontvangen op 05-12-2019 en geregistreerd onder nummer Z-MERPLICHT-2019-

U heeft

De

000918.

aanmeldingsnotitie

Helenaveenseweg 23

is

ingediend wijzigen van

de bestemming

voor

het adres

te Sevenum.

Vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit De verstrekte informatie in de aanmeldingsnotitie geeft geen aanleiding voor de conclusie dat er vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteiten worden ondernomen, sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die het noodzakelijk maken dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Wij hebben dan ook besloten, dat er geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld ter voorbereiding van het besluit op een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bijgaand ontvangt u ons besluit. Bezwaar

beslissing betreffende de procedure tot het voorbereiden van een besluit voor het afgeven van een vergunning op grond van de Wabo. Als gevolg van het artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dit besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn/haar belang treft. Wel kan eenieder gebruik maken van het rechtsmiddel dat geboden wordt in het kader van de procedure voor het verlenen van een vergunning ingevolge de Wabo voor de betreffende activiteit. Dit besluit is een

Tot slot Informatie

over

het besluit kunt

ON (geanonimiseerd) + zijn mailadres:

Postbus

6005 / 5960 AA

Bezoekadres:

Wilhelminaplein 6, Horst

Horst

U kunt haar krijgen bij (geanonimiseerd) BEM (geanonimiseerd) u

_T 077-4779777 F 077-4779750

IBAN BIC

NL48RABO0123601150 RABONL2U

bereiken via haar telefoonnummer

www.horstaandemaas.nl E E

gemeente@horstaandemaas.nl facturen@horstaandemaas.nl

Pag.

Met

2 van 2

vriendelijke groet,

sa) J 2 le) ® E ® ® Y) 2 ® = © Land s 5 5 fe) J Ke) 5) 2 Ei) > © c IT e) 2 w … © od Land ke ® pn u 5 @ pd j E © Ln E) Ko) ®Ò N ® fed

(geanonimiseerd)

dnek

(geanonimiseerd) Specialist milieu

ne en

burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas M.e.r.-beoordeling ingevolge paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer Besluit

van

Gemeentelijk zaaknummer Aanvragerl/initiatiefnemer Soort bedrijf / activiteiten Adresl/locatie inrichting (locatie A): Kadastrale aanduiding locatie A: Adresl/locatie inrichting (locatie B) Kadastrale aanduiding locatie B): Datum ontvangst aanmeldingsnotitie

19.12.0049

Datum

7 februari 2020

23 te Sevenum

gemeente Sevenum,

sectie W,‚ nummers

Helenaveenseweg

te Sevenum

ong.

36, 262 178

en

en

263

179

18 november 2019 10-02-2020

op

BESLUIT

varkenshouderij Helenaveenseweg

gemeente Sevenum, sectie W‚, nummers

besluit

Verzonden

1.

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) nn (geanonimiseerd)

OP M.E.R.-AANMELDINGSNOTITIE

Aanmeldingsnotitie aanmeldingsnotitie houdt verband met het veranderen van een varkenshouderij in twee aparte GN EN (geanonimiseerd) paardenhouderijen van (geanonimiseerd) gelegen aan de Helenaveenseweg 23 (aangeduid met ‘Locatie A’) en een tegenover gelegen perceel aan de Helenaveenseweg ong. (‘Locatie B'). 11.

De

1.2.

Besluit Gelet op artikel 7.17, lid 1 van de Wm besluiten wij, dat voor de benodigde omgevingsvergunning GN NN (geanonimiseerd) ingevolge de Wabo voor de voorgenomen veranderingen van de van (geanonimiseerd) gelegen aan de Helenaveenseweg 23 en Helenaveenseweg ong., vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in het Besluit MER, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Namens

burgemeester

en

wethouders

van

Horst

aan

de Maas,

|

(geanonimise rd) Teamhoofd Team Omgeving EN (geanonimiseerd) 1.3.

Bezwaar

Dit besluit is

een beslissing betreffende de procedure tot het voorbereiden van een besluit voor het afgeven van omgevingsvergunning (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e) op grond van de Wabo. Als gevolg van het artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dit besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn/haar belang treft. Wel kan eenieder gebruik maken van het rechtsmiddel dat geboden wordt in het kader van de procedure voor het verlenen van een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de betreffende een

activiteit.

Postbus 6005 / 5960 AA Horst Bezoekadres: Wilhelminaplein 6, Horst

T 077-477 F 077-477

97 77

IBAN

97 50

BIC

NL48RABO0123601150 RABONL2U

www.horstaandemaas.nl E E

gemeente@horstaandemaas.nl facturen@horstaandemaas.nl

Pag.

2 van 12

INHOUDSOPGAVE

1. 1.1

BESLUIT

OP M.E.R.-AANMELDINGSNOTITIE

Aanmeldingsnotitie

…

u

1.2 1.3

Besluit

2.

PROCEDUREEL Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Huidige situatie

2.1 2.2 2.3 2.4 3. 3.1, 3.2. 3.3. 3.4.

Bezwaar

1

…

…

Voorgenomen Procedure

1

annvenneenerernerennrernssrnnsrrerrenrnrrveerseneensenennnn

nnen

…

eenenensensensnenenenenensneneenenenenensenen

BEOORDELING De kenmerken van het project De plaats van het project De kenmerken van het potentiele Eindconclusie …

a

enerverende.

6

…

…

3

eenen

nn.

activiteiten

…

3 …

nnen

veeneman

eeens

eenen

effect

6

„10

…………

…

nnee

enennenenenenenenenenensnensenenenenenrvensenenteen

eneen

11 12

Pag. 3 van

12

PROCEDUREEL

2.

Aanmeldnotitie

2.1

m.e.r.-beoordeling

m.e.r.-beoordelingsprocedure start met het verzoek van de initiatiefnemer om een m.e.r.— beoordelingsbesluit te nemen. Op dit verzoek moeten wij binnen 6 weken beslissen. Een afschrift van het m.e.r.-beoordelingsbesluit moet bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden gevoegd. Als het m.e.r.-beoordelingsbesluit inhoudt dat een MER moet worden opgesteld, moet het MER bij het de aanvraag worden gevoegd. Anders moet het besluit dat geen MER nodig is bij de aanvraag worden gevoegd. De

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid onder b van de Wet milieubeheer (Wm) worden in het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Daarnaast worden ingevolge het vierde lid van dit artikel de categorieën van besluiten

aangewezen

genoemde

gevolgen

in het kader hebben.

waarvan

moet

worden

beoordeeld of die activiteiten de hiervoor

kan

voorgenomen activiteiten hebben op elk van de te beschouwen locaties (aangeduid met locatie Locatie B) betrekking op de oprichting van een installatie voor het houden van 50 volwassen paarden (> 3 jaar). In onderstaande tabel is een overzicht van de diercategorie, de De

A

en

drempelwaarden Tabel 1:

uit het

Besluit

drempelwaarden

milieueffectrapportage

Besluit

diercategorie

milieueffectrapportage. drempelwaarde onderdeel

paarden/pony’s (K.1

en

en

K.3)

de

drempelwaarde onderdeel

C

geen

activiteit opgenomen.

voorgenomen

>

D

Voorgenomen oprichting/ wijziging / uitbreiding |

100 dieren

100

dieren

categorie 14 onder 12°, van onderdeel D categorie is in kolom 2 een drempelwaarde van dan 100 meer grond van artikel 2, vijfde lid onder b Besluit paarden/pony’s. Op opgenomen milieueffectrapportage dient ook bij het onderschrijden van de drempelwaarde een m.e.r… beoordeling te worden uitgevoerd om vast te stellen of zich mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen. Overigens maakt het sinds de wijziging van het Besluit milieueffectrapportage van 7 juli 2017 niet (meer) uit of de drempelwaarde bij de betreffende categorie wordt overschreden (artikel 2, lid 5, onder b Besluit milieueffectrapportage). De

van

2.2

voorgenomen activiteit is genoemd het Besluit milieueffectrapportage

Huidige

in kolom

Voor

1 onder

deze

situatie

op beide locaties is laatselijk op 3 juli 2013 een melding op grond milieubeheer ingediend en is op 15 augustus 2013 de (bijbehorende) omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend voor een varkenshouderij. De eerder verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer was krachtens overgangsrecht aangemerkt worden als een omgevingsvergunning milieu en wordt sinds wijziging van het Activiteitenbesluit beschouwd als melding op grond van het Activiteitenbesluit. behoeve

van

het Activiteitenbesluit

In

tabel 2a worden

ammoniak-, aan

van

deze

inrichting

Ten

het aantal vergunde (gemelde) dieren, het huisvestingssysteem fijn stofemissie weergegeven. Het maximale aantal te houden

en

geurhet aantal dierplaatsen.

per stal en de dieren is gelijk

Pag.

4 van

Tabel 2a:

12

Vergunde

situatie

Ammoniakemissie®) emissie-

Huisvesting Stal/Locatie | Diercategorie ssysteem Helenaveenseweg 23 (locatie A) Î

berde

D

1132

Geuremissie?)

Fijn stofemissie®)

Totale ammoniak emissie

emissie-

0,15

240,3

54l

8.6508|

56

89.712

97

8,3

805,1

27,9|

2.706,3|

160

15.520

345

0,21

72,45

13,1

4,519,5

113

38.985

0,60 0,56

16,1

64,4

99

396

26,2

117

234

| Aantal | dieren

factor Ammoniak

|_ (kg/jaar)

Totale

factor

emissie

geur

(kg/jaar)

emissie factor fijn stof

geur

(OUe/s)

(OUe/s)

(ar/ir)

Totale

fijn stof emissie

|

(kg/jaar) |

1

1.602 8

2

Kraamzeuge

|D 12.100

3

Guste

D1.3.11%

en

5

dragende zeugen 3

Opfokzeugen

|D 3,2.14*

4

0,15

3

Beren

D 2.35

2

0,28

E

Vleesvarkens

|D 3.2.14f

728

0,15

6

Vleesvarkens

|D 3.216

616

4,5

7

Volwassen

K 1.100 5

5,0

240

0,15

paarden (3 jaar en

109,2

13,1 16,1|

11.720,8

99

2.772

23,0

72.072)

14.168

153

94.248

25

0

0

0

0

3.864

99

ouder) Helenaveenseweg ong (locatie B) 9

Vleesvarkens

| D.3.2.14°

Totaal

36 |

16,1

3.639

23.760

45.726

a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 29 april 2019 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 20 juli 2018 c) Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd www.rijksoverheid.nl d.d. 15 maart 2019 Mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem 2. Overige huisvestingssysteren 3. Chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30%

334.927

op

1.

geuremissiereductie fijnstofemissiereductie 4. Chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie fijnstofemissiereductie 5. Chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie fijnstofemissiereductie 6. Gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter 7. Overige huisvestingssystemen

2.3

Voorgenomen

De

voorgenomen

In tabel

2b

wordt

35%

en

35%

en

35%

activiteiten

activiteit heeft

betrekking

op

het veranderen

van

de

aparte paardenhouderijen.

fijn stofemissie dierplaatsen.

en

het voorgenomen aantal dieren en huisvesting per Het maximale aantal te houden dieren

weergegeven.

varkenshouderij

in twee

stal, de ammoniak-, geuris gelijk aan het aantal

en

Pag. 5 van

Tabel 2b:

12

Voorgenomen

situatie —

Ammoniakemissie®) emissie-

huisvestingss

Stal/locatie

| Diercategorie | ysteem

Helenaveenseweg A

23

(locatie A)

Volwassen

paarden jaar en

Geuremissie?)

Totale

ammoniak emissie

factor Ammoniak

| Aantal | dieren | (kg/jaar)

(kg/jaar)

|

emissiefactor

_——

Fijn stofemissie®)

Totale geur emissie

geur

|

emissie

|

factor fijn stof

Totale stof

fijn

| emissie

| (OUe/s) | (ar/jr) | (kg/jaar)

(OUr/s)

K 1.100%

(3

50

5

250

0

0

0

0

50

5

250

0

0

0

0

ouder) Helenaveenseweg ong (locatie B) B

Volwassen

K 1.100

paarden (3 jaar

en

ouder) Totaal

500

0

0

a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 29 april 2019 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 20 juli 2018 c) Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl d.d. 15 maart 2019 1.

overige huisvestingssystemen

2.4

Procedure

Gelet op artikel 2, vijfde lid onder b van het Besluit milieueffectrapportage. en artikel 7.16, eerste lid van de Wm dient de initiatiefnemer schriftelijk aan het bevoegd gezag mede te delen dat hij voornemens is een activiteit te ondernemen die is aangewezen krachtens 7.2, eerste lid onder a Wm. Bij de aanmeldnotitie dient de initiatiefnemer de gegevens te verstrekken die genoemd worden in artikel 7.16, tweede, derde en vierde lid Wm.

Op basis

van

omtrent

de

de

ingediende aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. vraag

De gevolgde procedure 7.19, eerste en tweede

is opgenomen in de artikelen lid en 7.20a van de Wm.

7.16, 7.17,

eerste

tot

en

met

vierde

lid, 7.18,

EÊ Ê

Pag.

6 van

12

BEOORDELING

3.

derde lid Wm moet bij de beslissing rekening gehouden worden met uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu en de criteria die in bijlage III van mer-richtlijn zijn aangegeven. Deze criteria zijn: 1. De kenmerken van het project. Hierbij moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering, ; risico’s voor de menselijke gezondheid locatie van het project. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden 2.

De waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande en goedgekeurde grondgebruik; kwaliteit en het regeneratieve vermogen van -__de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, de natuurlijke hulpbronnen in het gebied en de ondergrond ervan; -__het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, oeverformaties, riviermondingen; kustgebieden; berg- en bosgebieden; natuurreservaten en -parken; gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) en Richtlijn 2009/147/EG; f. gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. De kenmerken van de potentiële effecten.

Bij de waarschijnlijk aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect (geografische zone en omvang van de getroffen bevolking); de aard van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de intensiteit en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen

Op grond de

van

resultaten

artikel

van

7.17,

eerder

-

-__

-

-__

-__

-

-

panoe

-

-

-

-

-

-

-

-

3.1. De Voor

De

kenmerken

van

het

project

omvang van het project de beschrijving van de omvang

beschrijving

van

de

voorgenomen

project verwijzen verandering. van

het

wij

naar

de

hiervoor

opgenomen

het project is beperkt. De effecten zullen dan ook lokaal zijn en in het kader van procedure afdoende kunnen worden beoordeeld. De cumulatie met andere projecten In de omgeving bevinden zich enkele (agrarische) bedrijven. Voor zover van toepassing wordt cumulatie besproken bij de hierop van toepassing zijnde aspecten, die hieronder zijn uitgewerkt. De omvang

de volgende

van

Pag.

7 van

12

Het

gebruik van natuurlijke hulpbronnen de inrichting zijn de voor de activiteiten gebruikelijke grondstoffen, producten en energie Er worden geen schaarse natuurlijke hulpbronnen of bijzondere hoeveelheden gebruikt. nodig. De productie van afvalstoffen Bij de activiteiten komt in beperkte mate afval vrij. Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning en het bedrijfswater wordt geloosd op het riool. Binnen

Verontreiniging

en

Door

van

het

houden

hinder

dieren is er sprake van emissie van ammoniak, geur en fijn stof. Deze bij het verlenen van de omgevingsvergunning in detail getoetst. Voor de exacte berekeningen en beoordelingen wordt dan ook verwezen naar het (ontwerp)besluit op de aanvraag dat te zijner tijd ter inzage wordt gelegd. elementen

worden

Ammoniakemissie uit de stallen bevat ammoniak. Ammoniak kan indirect schade veroorzaken doordat gronden die daarvoor gevoelig zijn, kunnen verzuren. Dit kan ten koste gaan van natuurwaarden op die gronden. Ammoniak kan ook direct schade veroorzaken als gevoelige De ventilatielucht

gewassen op zeer korte afstand van de stallen worden verbouwd. De regelgeving met betrekking tot ammoniak is vastgelegd in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit emissiearme huisvesting en de Wet natuurbescherming (Wnb).

onderhavige situatie zal de ammoniakuitstoot afnemen. In de situatie overeenkomstig de gemelde situatie stoot het bedrijf jaarlijks 3.639 kg ammoniak uit. In de voorgenomen omvang dit van beide locaties samen 500,0 kg ammoniak zijn. In

ammoniak

zal

veehouderij (Wav) en zeer kwetsbare gebieden veehouderij (Wav) bevat het toetsingskader voor de beoordeling van de dierenverblijven. Hetzelfde toetsingskader is overgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bepalend hierbij is de ligging van het bedrijf ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden. De speciale eisen uit de Wav gelden als een dierenverblijf van de veehouderij is gelegen binnen ene afstand van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Wet

en

De Wet ammoniak en ammoniakemissie uit

Het circa

meest dichtbij 4.700 meter

om

een

MER

gelegen

zeer

kwetsbare

afstand

van

de veehouderij.

gebied, De

bekend

als

Deurnsche

afstand

tot

zeer

Peel

kwetsbaar

&

Mariapeel ligt op gebied is geen reden

te eisen.

(BBT) en Besluit emissiearme huisvesting bij toetsing van de ammoniakemissie rekening worden gehouden met het Besluit emissiearme huisvesting voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting). Op grond van het Besluit emissiearme huisvesting mogen alleen nog huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde, toegepast worden. Voor paarden gelden geen maximale emissiewaarden. Beste Naast

Beschikbare de

Wav

technieken

moet

de

Wet natuurbescherming omgeving van de inrichting ligt een beschermd gebied Wet natuurbescherming (Wnb), te weten: Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen op een afstand van 1. Gebieden In de

Voor

de

wijziging

de voorgenomen

Natura circa

2000-gebied,

4.700

meter

van

die

valt onder

de

inrichting.

is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Als gevolg van veranderingen neemt de totale ammoniakemissie af van 3.639 kg/jaar naar 500

kg/jaar. Conclusie:

De

de

voorgenomen

ammoniakemissie

vormt

geen

reden

om

een

MER

te

eisen.

Pag. 8 van

12

Geur

Voorgrondbelasting Het Activiteitenbesluit milieubeheer regelt, grotendeels overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die geldt voor aanvragen omgevingsvergunning, de geurbelasting op gevoelige objecten door middel van geurnormen en afstandsnormen. Uitgangspunt is de geurnorm en een berekening van de geurbelasting met het model V-Stacks vergunning, dat is voorgeschreven in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Als een gevoelig object deel uitmaakt van een andere veehouderij of sinds 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij, geldt een minimale afstand in plaats van een wettelijke geurnorm. Deze minimale afstand geldt voor de kortste afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object. Voor

de

zodat

voldaan moet

lid

1

diercategorie paarden (ouder

Wgv

Tabel 3:

worden

aan

een

dan

opgenomen

afstandsnormen

Toetsing

artikel

aan

4,

3

jaar)

is geen geuremissiefactor opgenomen afstand. Toetsing van de plannen aan de

minimale levert

lid 1 van

de

| afstandsnorm Wgv (m)

nee

50

24

nee

50

17

nee

50

16a

nee

50

nee

50

Helenaveenseweg Helenaveenseweg Op

Den

Bergen

7

4

Wgv

bebouwde

Helenaveenseweg

Rgv,

de volgende tabel op:

Geurgevoelig object Helenaveenseweg 20

kom

in de

in artikel

voldoet

aan

afstandsnorm

ja ja ja ja ja _

De tabel laat zien dat de plannen Activiteitenbesluit milieubeheer. Verder

voldoen

de

aan

Wgv

en

dezelfde

afstandseisen

uit het

de Wgv en het Activiteitenbesluit nog een norm voor de afstand van de buitenzijde dichtstbijzijnde dierenverblijf tot de buitenzijde van een gevoelig object. De minimale afstand dient 25 meter te bedragen bij een gevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bij een gevoelig object binnen de bebouwde kom. De voorgenomen activiteit voldoet aan deze afstandsnormen; zie voorgaande tabel. van

bevatten

het

Luchtkwaliteit Wabo

en

Wet

milieubeheer

Op grond van de Wet milieubeheer gelden de bepalingen van artikel 5.2 en de daarbij behorende bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen. Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij de uitoefenen rekening met de in bijlage 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM1o en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen en de richtwaarden voor ozon, nikkel, arseen, cadmium en benzo(a)pyreen. Besluit emissiearme

huisvestingssystemen

voor

landbouwhuisdieren

(Besluit

emissiearme

huisvesting) In

het Besluit emissiearme huisvesting is bepaald dat in een dierenverblijf dat is opgericht op of na juli 2015 geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM1o) die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes (PM1o) die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen. Alleen voor pluimvee zijn in het Besluit emissiearme huisvesting maximale emissiewaarden opgenomen voor zwevende deeltjes (PM40). 1

De

gevolgen van de voorgenomen activiteiten voor de luchtkwaliteit Onderhavige inrichting betreft een veehouderij. Bij veehouderijen is in het kader van de genoemde luchtkwaliteitseisen met name de emissie van zwevende deeltjes (PM:o), ofwel de fijn stofemissie, van belang.

Pag.

9 van

Voor

12

zwevende

deeltjes (PM:o) gelden de volgende grenswaarden: microgram per m3 (ugq/m3 ) als jaargemiddelde concentratie; =__50 microgram per m3 (ug/m3 ) als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM>,5) gelden de volgende grenswaarden: -__25 microgram per m?, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. -__40

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 staat beschreven op welke plaatsen er getoetst dient te worden. Het toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium speelt hierbij een grote rol. Volgens het toepasbaarheidsbeginsel hoeft op een aantal locaties de luchtkwaliteit niet vastgesteld te worden. Deze locaties betreffen terreinen van andere inrichtingen, wegen en plaatsen waar het publiek in de praktijk niet zal verblijven (zoals natuurgebieden met een hek erom, terreinen van het ministerie van Defensie, akkers en spoorwegen). Voor de blootstellingstijd geldt dat deze significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school, winkel, loods of sportterrein zijn. Op plaatsen waar geen sprake is van significante blootstelling hoeft de luchtkwaliteit niet beoordeeld te worden. Uit de

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 blijkt dat agrarische bedrijven met standaard 3 (SRM3) berekend moeten worden. Het luchtkwaliteitsmodel ISL3a (welke voldoet aan SRM3) is specifiek bedoeld om de gevolgen van (agrarische en industriële) puntbronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te bepalen. Fijn stof komt vooral vrij vanwege de emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. De beoordeling richt zich dan ook met name op de concentratie fijn stof afkomstig van het rekenmethode

houden

dieren.

van

Emissiefactoren

fijn stof Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moet voor de berekening van concentraties van fijn stof gebruik worden gemaakt van de meest actuele emissiegegevens zijn gepubliceerd (voor het laatst in maart 2017) op de website van het Ministerie van Op grond

van

Infrastructuur

de

en

welke

Milieu,

Toetsing fijnstof afkomstig van dieren De bedrijven die worden gerealiseerd aan de Helenaveenseweg betreffen beide paardenhouderijen. Voor de diercategorie paarden (ouder dan drie jaar) is geen emissiefactor voor fijnstof vastgesteld. Doordat er in de beoogde situatie een varkenshouderij is beëindigd is er een afname van zowel emissie fijnstof (PM:o) als zeer fijnstof (PM). Toetsing fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen Ook verkeersbewegingen zorgen voor emissies van fijn stof en daarnaast ook voor de emissie van stikstofdioxide. De fijn stof emissie afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijking met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt. Ook de emissie van stikstofoxide is zeer beperkt. Dit blijkt uit de berekening met de NIBM tool van Infomil. NIBM staat hierbij voor Niet In Betekenende Mate. Uit deze berekening is gebleken dat de emissie van fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen NIBM is en derhalve als niet significant aan te merken is. Conclusie:

De

Geluid

verkeer

en

luchtkwaliteit vormt

In de

nog te volgen procedure criterium van een goed woon-

geen

reden

om

een

MER

te

eisen.

het aspect geluid getoetst worden aan de richtafstand en het en leefklimaat. Voor geluid zal verder voldaan moeten worden aan de geluidgrenswaarden die gelden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Als daar aanleiding voor is zal dan een rapportage van akoestisch onderzoek worden verlangd. Zo nodig zullen in dat rapport geluidreducerende maatregelen moeten worden uitgewerkt. De

beoogde paardenhouderijen

zal

hebben

geen

bijzondere

omvang,

zodat

het aantal

Ë Í

Pag. 10

12

van

transportbewegingen

beperkt zal zijn.

Verder

worden

geen

overheersende

geluidbronnen

verwacht.

Het

aspect geluid zal worden beoordeeld aan de hand van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening Milieubeheer (VROM). De Handreiking gaat uit van gebiedstyperingen en daarbij horende richtwaarden. Wat betreft cumulatie is in de rechtspraak bepaald dat al aanwezige andere geluidbronnen tot uitdrukking komen in het referentieniveau van het omgevingsgeluid en in zoverre zijn meegenomen in de in de Handreiking gehanteerde richtwaarden. Conclusie:

aspecten geluid

De

verkeer

en

vormen

geen

reden

om

een

MER

te eisen,

Overige kenmerken en gevolgen Er zijn ook gevolgen voor bodem, afvalwater en energie aan de orde. Gelet op de algemeen geldende regels die volgens het Activiteitenbesluit van toepassing zijn, treft de initiatiefnemer voldoende maatregelen om gevaar, schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel beperken tot het wettelijk toegestane niveau. Conclusie: Risico De

aard

Overige

kenmerken

zware

ongevallen,

van van

de

bedrijfsvoering,

activiteiten

van

extra

voor

risico

gevolgen

en

een

de

vormen

geen

reden

om

een

en

MER

paardenhouderij zijn niet van dien aard omgeving op ongevallen herbergen.

te

te eisen.

dat

zij, bij

normale

een

De

gebruikte stoffen of technologieën die risico van ongevallen met zich meebrengen, zullen gereguleerd worden in de nog te verlenen omgevingsvergunning en in de algemeen geldende regels die volgens het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Hierbij zal getoetst worden of aan daarop van toepassing zijnde wet- en regelgeving voldaan wordt en zullen, indien nodig, voorschriften

aanvullende

worden opgenomen.

|

Bij een normale bedrijfsvoering is er geen sprake van een risico op ongevallen die buiten inrichting gevolgen kunnen hebben. Wij kunnen ons dan in redelijkheid op het standpunt dat de risico’s van ongevallen geen aanleiding geven om een MER te verlangen voor de

3.2.

Risico ‘s

De

de stellen

activiteit.

voorgenomen Conclusie:

de

plaats

ongevallen

van

van

het

vormen

geen

reden

om

een

MER

te eisen.

project

Het

bestaande grondgebruik plaats van de voorgenomen activiteit blijkt voldoende duidelijk uit de aanmeldingsnotitie. In aanvulling daarop stellen we vast dat de veehouderij is gelegen buiten de bebouwde kom van de meest dichtbijgelegen kern Sevenum in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De omgeving heeft voornamelijk een agrarisch karakter. Wij concluderen dat de voorgenomen activiteiten passen bij de functie die het gebied vervult. De

relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, kwaliteit en het regeneratieve natuurlijke hulpbronnen in het gebied en de ondergrond ervan De

vermogen

van

de

natuurlijke hulpbronnen van het gebied zijn de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Voor het overige is er geen sprake van in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn (in de breedste zin des woords bedoeld) en waarvoor het project enig gevolg zou kunnen hebben. De

Het opnamevermogen

van

het

natuurlijke

milieu

Natuur

Als gevolg

van

de voorgenomen

veranderingen

neemt

de totale ammoniakemissie

af

van

3.639

Pag.

11

van

12

kg/jaar naar 500 kg/jaar. natuurbescherming.

De

stikstofdepositie

zal

overigens

worden

getoetst

op

grond

van

de Wet

Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen door de Wet natuurbescherming beschermde plant- of diersoorten in het geding raken. De Wet natuurbescherming verbiedt het verrichten van handelingen die schadelijk voor beschermde dier- en plantensoorten zonder ontheffing van gedeputeerde staten van de provincie, De aanmeldnotitie gaat in op de gevolgen van de voorgenomen activiteiten op beschermde plantof diersoorten in de omgeving. Het blijkt dat het nog niet duidelijk is of dier- en plantensoorten die door de Wet natuurbescherming worden beschermd, in het geding zijn. In de aanmeldingsnotitie is aangegeven dat daarom een nader onderzoek uitgevoerd gaat worden of de beoogde

ontwikkelingen negatieve Voor

enkele

soorten

zal

effecten

er

naar

beschermde

soorten.

met

gedaan vogels algemeen rekening niet gebouwd worden tijdens ook onderzoek

voor

voorzorg gehandeld moeten worden. Zo zal er een telling worden categorie 1 t/m 3 horen. Met de vogels die in categorie 4 horen zal gehouden moeten worden tijdens de werkzaamheden, zo mag er bijvoorbeeld

die

van

hebben

in

het broedseizoen

het voorkomen

van

(grofweg 15 maart- 15 augustus). uitgevoerd moeten worden.

Stilte- en grondwaterbeschermingsgebieden In de directe omgeving van de inrichting bevinden zich geen

grondwaterbeschermingsgebieden. inrichting. Landschappen

van

Uit de kaarten niet is gelegen

behorend in

Het

Daarnaast

zal er

vleermuizen

stiltegebieden dichtstbijzijnde stiltegebied bevindt

of zich

op

4,5

km

van

de

historisch, cultureel of archeologisch belang bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) blijkt dat de inrichting een landschap van internationaal, nationaal, provinciaal of regionaal belang.

Verder

blijkt dat de inrichting is gelegen in een gebied met een op het gebied van archeologie tweeledige verwachtingswaarde. In deelgebied A is een lage verwachtingswaarde. In deelgebied B is echter ook sprake van delen met een hoge verwachtingswaarde. Dit zal verder moeten worden onderzocht in het kader van de bestemming. Dit vormt geen reden een MER te verlangen. Planologische aspecten Er is sprake van het realiseren van twee paardenhouderijen, in plaats van één intensieve veehouderij in het buitengebied van Sevenum. In de omgeving liggen een aantal (agrarische) bedrijven en enkele burgerwoningen. De aanvaardbaarheid hiervan wordt afgewogen in een te doorlopen procedure. wij zien in de plaats van het project, aanleiding om een MER te eisen.

Conclusie: geen

3.3.

De

Orde

van

Gelet

op

kenmerken

van

het

potentiele

in combinatie

met

kenmerken

van

het

project,

effect

en het ruimtelijk bereik van het effect voorgaande zijn de orde van grootte en het ruimtelijke bereik van de effecten beperkt. De depositie op natuurgebieden door de emissie van ammoniak wordt in de procedure op een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of als activiteit natuur als onderdeel van de aanvraag om omgevingsvergunning getoetst. Bij de beoordeling van de aanvraag Wet natuurbescherming of omgevingsvergunning zal worden getoetst of het project een significant verstorend effect kan hebben op het gebied dat wordt beschermd door de Wet natuurbescherming. Zie hiervoor ook bovenstaande paragraaf “Gebieden Wet natuurbescherming”.

grootte

het

Pag.

De

12 van

aard

12

het

van

effect

De

voorgenomen wijziging van het bedrijf heeft een effect op ammoniak, geur, fijnstof, geluid, verkeer en veiligheid. Als gevolg van de verandering van varkensstal in paardenhouderij zal het effect van al deze factoren afnemen. De aard van de effecten zijn hiervoor beschreven en niet

zijn

bijzonder. Het

grensoverschrijdende

karakter

van

het effect

De

voorgenomen activiteit is gelegen op een afstand van ca. 14 km afstand van de landsgrens Duitsland. Gelet op deze afstand zijn geen effecten buiten de landsgrens te verwachten. De Als

complexiteit van het effect uitbreiding wordt in de aangevraagde situatie aan de wettelijke normen voor ammoniak, geur, luchtkwaliteit, geluid en volksgezondheid voldaan. De intensiteit en complexiteit van het effect van de voorgenomen veranderingen zijn zeer gering. De

intensiteit

en

gevolg

de

met

van

de

voorgenomen

De

waarschijnlijkheid van het effect de uitbreiding is gerealiseerd zal de aangegeven emissie worden activiteiten zullen zekere, maar beperkte milieueffecten hebben.

De

verwachte

Zodra

uitgestoten.

aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect voorgenomen activiteit zal een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo moeten worden aangevraagd. Deze vergunning zal voor onbepaalde tijd worden aangevraagd. het verlenen van Voor

de

de

omgevingsvergunning zal getoetst regelgeving en aan het rijksbeleid.

worden

De

effecten

cumulatie

projecten De ammoniak-, cumulatieve De

effecten

van

geur-

effecten

mogelijkheid

om

en

van

de

met

3.4.

(BBT)

moeten

van

andere

effecten

doeltreffend

aan

bestaande

fijn stofemissies nemen af. Er is dus sprake ammoniak, geur en fijn stof.

Met de wettelijke bepalingen en effecten te verminderen worden technieken

de

of de activiteit voldoet

van

de

Bij vigerende

wet-

en

en/of goedgekeurde een

afname

van

te verminderen

in de

benodigde vergunningen zullen de mogelijkheden om beoordeeld. Voor een inrichting zullen de beste beschikbare worden toegepast.

Eindconclusie

Toetsing van de plannen van de paardenhouderijen op de locaties Helenaveenseweg 23 en Helenaveenseweg ong. te Sevenum aan de genoemde criteria voor de m.e.r.beoordelingsprocedure, heeft ons tot de conclusie gebracht dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen. Hierdoor is het opstellen van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk. De

gevolgen voor het milieu worden nog wel meegewogen in de te volgen procedure. Voorgaande beoordeling en dit besluit houden dan ook niet in geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu, dat aan wettelijke grenswaarden en voorwaarden (onder meer het Activiteitenbesluit milieubeheer) of aan andere wet- en regelgeving wordt voldaan. De potentiele nadelige gevolgen voor het milieu zijn echter niet zodanig belangrijk dat deze in een MER moeten worden uitgewerkt, maar deze zullen in de vervolgprocedure nog worden beoordeeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14047558/1