02B CONCEPT VTH BELEID HADM 2023-2026 DEEL B DV20221121
Tekst van het document
pensionering. Ook hierbij geldt dat de overtreder een concrete termijn voor het opheffen van de illegale situatie moet geven. Het voorgaande houdt in dat een begunstigingstermijn niet automatisch wordt verlengd als de overtreder een bezwaarschrift (eventueel met verzoek om een voorlopige voorziening) indient. Een dergelijke automatische verlenging verhoudt zich namelijk niet tot het uitgangspunt dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn zorgvuldig tot stand is gekomen en in principe niet wordt verlengd. Bovendien schept een dergelijk automatisme een ongelijke situatie ten opzichte van overtreders die in bezwaar niet om verlenging van de begunstigingstermijn verzoeken. Ook zou dit president kunnen scheppen. De uitwerking van de richtlijn dwangsom is onderdeel van de Landelijke Handhavingstrategie (bijlage 16). INVORDERING DWANGSOM Als de verbeurde dwangsommen niet vrijwillig worden betaald door de overtreder, kunnen deze via een dwangbevel worden ingevorderd. Hierbij zal eerst een voornemen tot invordering worden verstuurd, waarna de uiteindelijke invorderingsbeschikking volgt. De invordering van kosten gemaakt voor bestuursdwang en verbeurde dwangsommen wordt verzorgd door de team Financiën van de gemeente Horst aan de Maas.
MATIGEN VAN EEN DWANGSOM Als een overtreder na het verstrijken van de begunstigingstermijn aan de opgelegde last geen gehoor heeft gegeven, verbeurt de dwangsom van rechtswege. Een verbeurde dwangsom kan in uitzonderlijke gevallen op verzoek van de overtreder gematigd worden. BETALINGSREGELING De hoofdregel is dat een overtreder binnen de daarvoor gestelde termijn de kosten van toepassing van bestuursdwang of de verbeurde dwangsom betaald. Indien een overtreder (natuurlijk persoon of rechtspersoon) concreet kan aantoont dat hij de verbeurde dwangsom niet in zijn geheel of ineens kan betalen, kan in uitzonderlijke gevallen een betalingsregeling getroffen worden.
41
BIJLAGE 18: GEDOOGSTRATEGIE Gedogen is het bewust afzien van sancties in geval van overtredingen. Het is alleen toegestaan als het actief gebeurt en er moet een besluit van het bestuursorgaan aan ten grondslag liggen (een gedoogbeschikking). Gedogen is gebonden aan vrij concrete en strakke grenzen die zijn ontwikkeld in vaste jurisprudentie en zijn omschreven in de (rijks)nota 'Grenzen aan gedogen'. Het gedogen op het terrein van milieu wordt verder nog bepaald door het gezamenlijk beleidskader ‘gedogen’ dat is neergelegd in een brief van de Ministers van VROM en V&W16 en de brief van de minister van VROM die mede namens de Minister van V&W en Justitie aan de Tweede Kamer is aangeboden17. Er zal in de praktijk niet snel voor expliciet gedogen worden gekozen. Slechts in uitzonderingsgevallen en onder zorgvuldige belangenafweging kan besloten worden een situatie te gedogen. Het gedogen moet ook in omvang en tijd beperkt zijn. Het college acht gedogen – met in achtneming van de volgende uitgangspunten– aanvaardbaar: • als handhaving apert onredelijk is; • als de te handhaven regel niet in verhouding staat tot de gevolgen van handhavend optreden (disproportioneel); • als er expliciet wordt gedoogd, moet de gedoogbeschikking duidelijke en concrete voorschriften bevatten en voldoen aan de vereisten (voor het nemen) van een besluit (Awb en het zorgvuldigheidsbeginsel).
SITUATIES DIE VAN GEDOGEN ZIJN UITGESLOTEN Er wordt niet tot gedogen overgegaan in de volgende situaties: • indien aan de zijde van de overtreder - naar mening van de gemeente - sprake is van recidiverend dan wel calculerend gedrag; • indien blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met enig andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en kenbaar is gemaakt dat met bestuurlijke handhavingsinstrumenten tegen deze overtreding zal worden opgetreden, eventueel ook door een ander bevoegd gezag. WRAKEN Het kan voorkomen dat een overtreding wordt geconstateerd waarbij op basis van de prioritering niet direct actie wordt ondernomen bijvoorbeeld door gebrek aan beschikbare capaciteit. In dat geval kan een wrakingsbrief worden gestuurd. Hierin wordt de overtreder in kennis gesteld van de overtreding waarbij hij/zij op zijn/haar eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen om de overtreding ongedaan te maken. Ook wordt hiermee het recht uitgesproken om in de toekomst alsnog sanctionerend op te treden. Zodra in de uitvoering of beleidsmatig aan deze overtredingen meer prioriteit wordt gegeven, dan wordt bepaald of tegen die overtredingen alsnog wordt opgetreden.
SITUATIES DIE MOGELIJK VOOR GEDOGEN IN AANMERKING KOMEN Op basis van de jurisprudentie kunnen de volgende inhoudelijke en procedurele voorwaarden worden onderscheiden om te gedogen: • de te gedogen activiteit is verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving; • er bestaat concreet uitzicht op legalisatie van de te gedogen activiteit. De termijn of gedoogperiode zal daarbij beperkt zijn; • indien vooruitlopend op besluitvorming over vergunningverlening wordt gedoogd, is een ontvankelijke vergunningaanvraag ingediend. Er is tevens een inschatting gemaakt dat de activiteit vergun baar is; • er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die gedogen in het concrete geval rechtvaardigen; • er vooraf overeenstemming is over de voorwaarden van de gedoogbeschikking. De voorwaarden zijn erop gericht om tot een verantwoorde situatie te komen; In geval van overmacht zijn de eerste drie aandacht voorwaarden niet van toepassing.
42
BIJLAGE 19: AANVULLENDE STRATEGIEËN/CONFLICTBEMIDDELING
MEDIATION/ BUURTBEMIDDELING De gemeente wordt met grote regelmaat gevraagd handhavend op te treden ten aanzien van een vermeende overtreding die door de buren is/zou zijn begaan. In veel gevallen gaat het niet om de overtreding zelf. Vaak ligt er een andere oorzaak ten grondslag aan het verzoek om handhaving en is er sprake van een burenruzie. Daarom kiezen we ervoor om zoveel mogelijk het gesprek aan te gaan met partijen, onder begeleiding van een gesprekspartner van de gemeente. In de meer complexe gevallen kan de gemeente aan partijen voorstellen om mee te doen aan een mediation traject, waarbij we gebruik maken van de regionale mediationpool waar Gemeente Horst aan de Maas in participeert. Het gaat om zaken waarbij de subjectieve overlast of beleving wellicht groter is dan de feitelijke impact door de gestelde overtreding. Met enige regelmaat komen we ook verstoorde verhoudingen tegen waarbij de juridische escalatie niet altijd in verhouding staat tot de feitelijke situatie. In dat geval kiezen we dus voor een gesprek, buurtbemiddeling (via Synthese) of mediation. De ervaring leert dat hiermee veel zaken opgelost worden, zonder in een juridische procedure terecht te komen. Deze manier van werken willen we continueren.
43
BIJLAGE 20: PRIVAATRECHTELIJKE HANDHAVING In aanvulling op de hiervoor behandelde bestuurlijke handhavingsbevoegdheid heeft de gemeente ook privaatrechtelijke handhavingsmogelijkheden. De overheid mag in principe alleen dan gebruik maken van de privaatrechtelijke weg als geen bestuursrechtelijke weg voorhanden is waarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt of indien een ander belang gediend wordt dan het publiekrechtelijke belang. Onder bepaalde omstandigheden kan privaatrechtelijk worden opgetreden, bijvoorbeeld in geval van: 1. het plegen van een onrechtmatige daad door een natuurlijk- of rechtspersoon jegens de gemeente; 2. het niet-nakomen van een overeenkomst met de gemeente door een natuurlijkof rechtspersoon; 3. de eigenaarsbevoegdheid van de gemeente, zoals ingebruikneming van gemeentegrond.
44
BIJLAGE 21: HANDHAVING BIJ OVERTREDING EIGEN ORGANISATIE OF ANDERE OVERHEID Handhaving van voorschriften bij een object van een andere overheid of van een onderdeel van de eigen organisatie is niet anders dan handhaving van voorschriften bij derden. Als er sprake is van een incident, ongewoon voorval of overtreding door de eigen organisatie, dan heeft dit altijd prioriteit.
45
BIJLAGE 22: INTREKKEN VERGUNNINGEN EN ONTHEFFINGEN Na het verlenen van een vergunning of ontheffing wordt vaak snel gevolg gegeven aan de uitvoering of ingebruikname. Het komt ook voor dat geen of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende vergunning of ontheffing. Het kan daardoor voorkomen dat ongebruikte vergunningen of ontheffingen jaren geleden zijn verleend en niet zijn ingetrokken. De houder van de vergunning of ontheffing behoudt nog steeds het recht om hiervan gebruik te maken. Om uiteenlopende redenen is het ongewenst om verleende vergunningen en ontheffingen in stand te laten zonder dat daar binnen een bepaalde termijn gebruik van wordt gemaakt. Voor de rechtszekerheid van omwonenden en belanghebbenden is het ongewenst oude vergunningen en ontheffingen in stand te houden. Doordat de bekendmaking van deze besluiten lang geleden kunnen hebben plaatsgevonden, kunnen zij alsnog verrast worden door de activiteiten. Ook vanuit administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijke (bouw)archief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie. Tevens is voor het beheer van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) een actuele administratie nodig. Aanleiding voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen kan zijn handhaving, waarbij het intrekken van een vergunning als sanctie wordt gezien.
Intrekken op verzoek van de vergunninghouder of belanghebbende. Ook kan ambtshalve de procedure tot het intrekken van vergunningen of ontheffingen worden gestart.
TERMIJNEN Een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” kan worden ingetrokken wanneer gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Voor bouwen, slopen of aanleggen geldt een termijn op 26 weken of een in de omgevingsvergunning opgenomen termijn. Na verstrijken van die termijn kan de intrekkingsprocedure actief worden opgestart als er een wijziging heeft plaatsgevonden in de grondslagen van de verleende vergunning zoals wijzingen in het bestemmingsplan, eisen bouwbesluit. Indien de vergunninghouder niet reageert op het voornemen tot intrekking, wordt besloten de omgevingsvergunning sowieso in te trekken. Indien door de vergunninghouder gronden worden aangevoerd waarom er nog geen uitvoering is gegeven aan de omgevingsvergunning zal onderzocht moten plaatsvinden en een afweging moeten worden gemaakt. In familiaire kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de vergunninghouder de reden goed kan worden beargumenteerd worden afgezien van intrekking. Wanneer er een gegronde reden is om af te zien van intrekking zal een periode van maximaal één jaar worden gesteld waarbinnen de vergunninghouder alsnog van de vergunning gebruik dient te maken.
INTREKKEN OVERIGE VERGUNNINGEN EN ONTHEFFINGEN Tenzij wettelijk een andere minimumtermijn is bepaald, worden overige vergunningen en ontheffingen na een termijn van één jaar ingetrokken. De stappen en overwegingen in de besluitvorming vinden plaats op dezelfde wijze als omschreven bij omgevingsvergunningen, met inachtneming van de geldende wettelijke voorschriften.
VOORBEREIDINGSPROCEDURE Op basis van de Omgevingswet (Wabo) kan het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk de omgevingsvergunning intrekken via een reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure. In artikel 16.64 Ontwerp Omgevingswet (3.15 Wabo) staat de procedure van intrekking beschreven. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het op verzoek van vergunninghouder of ambtshalve (gedeeltelijk) intrekken van de omgevingsvergunning. Uitgangspunt is dat het ambtshalve intrekken van een omgevingsvergunning dezelfde procedure kent als het verlenen ervan. INTREKKINGSGRONDEN Het college kan onder bepaalde omstandigheden een omgevingsvergunning intrekken conform artikel 5.40 Ontwerp Omgevingswet (2.33 Wabo). De intrekkingsgronden zijn onderverdeeld in imperatieve (moeten) en facultatieve (mogen) intrekkingsgronden. Bij imperatieve intrekkingsgronden kan de gemeente geen gebruik maken van haar beleidsvrijheid, in het geval van facultatieve intrekkingsgronden kan een omgevingsvergunning alleen worden ingetrokken voor zover het nodig is om aan de grond tot intrekking te voldoen.
46
BIJLAGE 23: WERKPROCES INTREKKEN VERGUNNINGEN
Vergunning is
Geen uitvoering
verleend
aan Vergunning
noodzakelijk. Tevens dient de Basisregistratie van Adressen en gebouwen (BAG), bijvoorbeeld in verband met taxaties in het kader van de WOZ, actueel te zijn. BELEID De procedures zoals opgenomen in de ontwerp de Omgevingswet zijn leidend voor de gemeente. Hierbij kan globaal een aantal situaties voorkomen:
Vergunning wordt
Vergunning is
ingetrokken
ingetrokken
Het is raadzaam om omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, niet oneindig te laten voortbestaan en, na afweging van de relevante belangen, actief tot intrekking daarvan over te gaan. Ook is het voor omwonenden is het onplezierig als zij worden geconfronteerd met oude bouwrechten, waartegen zij geen rechtsmiddelen meer kunnen aanwenden. In artikel 5.40 ontwerp Omgevingswet (2.33 Wabo) zijn de mogelijkheden genoemd voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning in te trekken. Door of namens het college kunnen op grond van het gestelde in de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken.
• • • •
Geconstateerd kan worden dat het intrekkingsbeleid vooral gericht is op sanctioneren. Het ongebruik laten voortbestaan van vergunde rechten is om meerdere redenen ongewenst. Daarom stellen wij de volgende aanvullende beleidsregels. 1.
STRATEGIE De wet kent een aantal gronden om een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, zoals: • hiertoe een verzoek is ontvangen; • sprake is van ontoelaatbare nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving; die onvoldoende door wijziging van de voorschriften kunnen worden beperkt; • de activiteiten langer hebben stilgelegen dan wettelijk of beleidsmatig is vastgesteld; • het niet mogelijk blijkt door wijziging van voorschriften de brandveiligheid met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk voldoende te beschermen; • de vergunninghouder dat op eigen verzoek doet. De procedure waarbij een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken moet rekening houden met de procedure waarmee de vergunning tot stand is gekomen. De intrekkingsprocedure moet namelijk gelijk zijn aan de procedure waarmee de omgevingsvergunning tot stand is gekomen. De gemeente zal altijd, voorafgaand aan de procedure, een brief sturen waarin het voornemen tot intrekken wordt toegelicht aan de vergunninghouder. De gemeente zal daar waar nodig een actief intrekkingsbeleid voeren. Ook moet het gemeentelijk bestand van omgevingsvergunningen overeen te stemmen met de feitelijke situatie buiten. Bij onderzoeken in verband met calamiteiten is dat zelfs
er wordt een verzoek tot intrekking gedaan. De gemeente zal dit verzoek in behandeling nemen volgens, in overeenstemming met hetgeen is gesteld in de Omgevingswet en de andere relevante regelgeving; het intrekken is onvermijdelijk gezien verdragen of calamiteiten; de intrekking is een gevolg van toezicht en wordt ingezet als sanctiemiddel; het intrekken is onderdeel van de afweging om geconstateerde overtredingen op een zo efficiënte en effectieve wijze aan te pakken teneinde het achterliggende belang te kunnen beschermen.
2. 3.
4.
5.
Vergunde rechten die door het niet bouwen van bedrijfsgebouwen feitelijk onbenut zijn gebleven mogen de resterende milieuruimte voor andere ontwikkelingen in de directe omgeving niet nodeloos beperken en of zelfs onmogelijk maken. Zij mogen geen verschil in de feitelijke en de theoretische milieuomstandigheden van een gebied tot gevolg hebben. De vergunningssituatie moet overeenkomen met de ruimtelijke bestemming van een perceel. Nieuwe planologische en stedenbouwkundige inzichten mogen niet worden doorkruist door in het verleden vergunde bouwwerken en activiteiten die onderdeel uitmaken van een inrichting die niet zijn gerealiseerd. Een vergunning voor de bouw van een bouwwerk en/of gebouw die langere tijd geleden is verleend moet voldoen aan de nieuwere bouwtechnische eisen zoals bijvoorbeeld brandveiligheid, energiezuinigheid en constructieve veiligheid en de eisen die gelden voor een duurzame veehouderij. Bouwwerken die pas na lange tijd na vergunningverlening worden opgericht, moeten voldoen aan de best beschikbare technieken in het kader van de milieuregelgeving.
47
BIJLAGE 24: MANIER VAN WERKEN BIJ TOEZICHT EN HANDHAVING Doordat we controles uitvoeren, kunnen we overtredingen en illegale activiteiten opsporen en vaststellen. Van de controle maken we een notitie, die in het digitale systeem wordt opgeslagen. Als de toezichthouder bij de controle een overtreding vaststelt, dan handelt de jurist dit naar prioritering af. De werkwijze in onze gemeente is gebaseerd op het beginsel dat toezicht in eerste instantie een preventieve werking moet hebben die eruit bestaat dat wettelijke voorschriften worden nageleefd zonder sanctionering. Overtredingen kunnen zo al in een vroegtijdig stadium worden voorkomen. In de praktijk blijkt dat in veel gevallen toezichthouders met aansporingen en waarschuwingen ervoor (kunnen) zorgen dat bestuursrechtelijke sanctie-instrumenten niet hoeven te worden ingezet. Daarbij staat de burger centraal, wat betekent dat onze dienstverlening altijd gericht is op klantvriendelijkheid richting de burger. Als er, na afweging van alle belangen, niet hoeft te worden opgetreden doen we dat niet. De manier van werken bij toezicht en handhaving krijgt vorm in een soort controle. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in preventief, actief en reactief toezicht. PARTNERS
REGIONALE UITVOERINGSDIENST REGIO LIMBURG NOORD (RUD LN) In 2010 ontstond de wettelijke verplichting om op regionale schaal samen te werken in de vorm van regionale uitvoeringsdiensten (ook wel omgevingsdienst genoemd) om op die manier voldoende expertise te borgen op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In onze regio leidde dat tot de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord (RUD LN). Dit is een netwerkorganisatie. Hetgeen inhoudt dat de medewerkers van de RUD LN in dienst zijn van de deelnemende gemeenten en dat het werk jaarlijks vooraf volgens een VTH-uitvoeringsprogramma wordt verdeeld over de deelnemende gemeenten. Waarbij eerst wordt gekeken of de eigen toezichthouders de benodigde kennis en expertise hebben. Is dat niet het geval dan wordt de zaak verdeeld via het coördinatiecentrum van de RUD LN. Een toezichthouder kan dus zowel werken onder de vlag van de gemeente als onder die van de RUD LN, afhankelijk van welke taak deze uitvoert. Binnen de RUD NL heeft de gemeente Horst aan de Maas de zogenaamde basistaken belegd (bijlage 26). De RUD LN gaat steeds meer over op risico gestuurde en informatie gestuurde handhaving. Dit houdt in dat de inzet van middelen wordt gebaseerd op analyses, zodat toezicht wordt gehouden dáár waar nodig is.
Hiermee wordt zo effectief en efficiënt omgegaan met de middelen die de gemeenten beschikbaar stellen en is de winst voor de gezonde duurzame fysieke leefomgeving het hoogst.
Ook gaat de RUD NL over op programmatisch toezicht. Dit is een probleemgerichte aanpak waarbij het gedrag van de mensen (doelgroepen) als uitgangspunt wordt genomen voor de te bepalen toezicht- en handhavingsstrategie. Door op een systematische manier de doelgroepen en hun naleefgedrag te bepalen kunnen de meest effectieve handhavingsinstrumenten worden toegepast. Dit leidt tot een verhoging van de kwaliteit van de dienstverlening van de RUD NL en de effectiviteit en efficiëntie van toezicht en handhaving. Het programmatische karakter maakt het mogelijk dat de RUD NL voor al haar gemeenten een zo veel mogelijke uniforme werkwijze kan realiseren. Dit komt het gelijke speelveld en het rechtsgevoel van de inwoners ten goede. Door informatie gestuurd en met meetbare doelstellingen te werken kunnen wij in een jaarlijkse cyclus het effect meten, rapporteren en onze capaciteit zo doelgericht mogelijk aanpassen en inzetten. De gemeenten en de RUD NL kunnen samen de indicatoren bepalen die in het jaarverslag worden opgenomen. Dit stelt de RUD NL in staat om in het gemeentelijke jaarverslag een rapportage op basis van outcome te geven, zodat duidelijk wordt in hoeverre de beleidsdoelen worden gehaald. NB. Ten tijde van het op stellen van dit beleidsplan loopt bij de omgevingsdienst een project ter kwaliteitsverbetering.
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VENRAY – HORST AAN DE MAAS Sinds 2000 is toezicht en handhaving in gemeente Horst aan de Maas met een gemeenschappelijke regeling in zijn geheel belegd bij de gemeente Venray. De GR met Venray wordt geleidelijk ontbonden. Tot en met 2024 wordt het aantal uren dat Venray uitvoert afgebouwd. Gelijktijdig wordt in Gemeente Horst aan de Maas een eigen team toezicht en handhaving opgebouwd. Ter verduidelijking er wordt in deze ook onderscheid gemaakt tussen de basistaken (RUD LN) en thuistaken. Een uitgebreid overzicht van deze taken is toegevoegd als bijlage 26. De basistaken hebben betrekking op de meer complexe milieutaken en worden onder regie van RUD LN uitgevoerd. Onder de thuistaken vallen onder meer de simpele milieutaken, bouwen, reclame, inritten, kappen en slopen (zgn. BRIKS-taken), klachten en meldingen, die niet-milieu-gerelateerd zijn en het casemanagement voor vergunningaanvragen. De thuistaken worden daarmee enerzijds door de VTH-medewerkers van Gemeente Horst aan de Maas uitgevoerd en anderzijds uitbesteed aan gemeente Venray. DE POLITIE EN OPENBAAR MINISTERIE (OM) In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen en/of situaties waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming met de politie en het OM plaats.
Daarnaast vindt er op dossierniveau ook afstemming plaats met de politie en het OM, bijvoorbeeld bij de aanpak van ondermijning, een constatering van een hennepkwekerij in een woning of het sluiten van een horeca-inrichting.
48
VEILIGHEIDSREGIO LIMBURG NOORD (VRLN) Op gebied van risicobeheersing en brandveiligheid worden de toezichtstaken uitgevoerd door collega’s van de VRLN. Concreet gaat het om toezicht en advisering met betrekking tot brandveiligheid bij vergunningprocedures en evenementenvergunningaanvragen. Daarnaast controleren zij objecten conform een met de gemeente afgestemd uitvoeringsprogramma brandveiligheid. OVERIGE Daarnaast wordt samengewerkt met overige ketenpartners als een onderwerp of casus daarom vraagt. Hierbij kan gedacht worden aan politie, openbaar ministerie, Waterschap en overige overheidsinstanties. INTEGRALE AANPAK Controles worden zoveel mogelijk integraal uitgevoerd (zie ook bijlage 16). Welke vorm van integraal toezicht gehanteerd wordt, hangt sterk af van de situatie van de inwoner of het bedrijf. Deze integrale aanpak ligt in lijn met het uitgangspunt dat er zo min mogelijk (administratieve) lasten zijn voor bewoners, ondernemers, et cetera. Ook wordt hiermee tegemoetgekomen aan de eisen in de Omgevingswet (Wabo) aan het toezicht worden gesteld waarin is voorgeschreven dat het bestuursorgaan zijn controles moet afstemmen en coördineren om te voorkomen dat gemeentelijke toezichthouders en andere toezichthouders (bijvoorbeeld de VRLN) onwetend van elkaar bedrijven bezoeken.
Indien gecoördineerd toezicht niet mogelijk is, blijven de controles vanuit de verschillende vakgebieden uitgevoerd worden. Gebiedsgericht toezicht vormt de basis van het algemeen toezicht in de fysieke leefomgeving.
49
BIJLAGE 25: BASISTAKEN EN THUISTAKEN
BASISTAKEN (O.G.V. OMGEVINGSWET(WABO) RUD LN Taken opgenomen in Package Deal (laatstelijk aangepast 21 april 2017) VERGUNNINGVERLENING, MELDING • Alle activiteiten ter voorbereiding van omgevingsvergunningverlening waarvoor GS of B&W het bevoegd gezag is (IPPC-industrieel, IPPC • Activiteiten waarvoor voorheen een vergunningsplicht gold en waarvoor een individuele toets plaatsvindt, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) • Alle inrichtingen (al dan niet meldingsplichtig) die activiteiten uitvoeren in één of meerdere van de branches onder 3. MILIEUTOEZICHT • Alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten • Bedrijfsmatige sloopactiviteiten • Vergunningsplichtige inrichtingen • Activiteiten waarvoor vergunningsplicht geldt • Activiteiten met stoffen en preparaten (EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie chemische stoffen), afvalstoffen (lozen, storten, verzamelen en transport) MILIEUTOEZICHT BIJ MELDINGSPLICHTIGE INRICHTINGEN • glastuinbouw en open teelt • veehouderijen behalve melkrundveehouderijen • champignonkwekerijen • loonwerkers • metaal- en elektrotechnische industrie • afvalsector (opslag en be- en verwerking, inclusief autodemontage) • industriële vervaardiging van voedingsmiddelen • groothandel in voedingsmiddelen • koel- en vrieshuizen • veilingen van landbouw-, tuinbouw- en visserijproducten • textielindustrie • kunststofindustrie (verwerking
thermoplasten) • schietbanen • ijsbanen en skihellingen • betonmortelindustrie en betonproductenindustrie, o.m. vervaardiging cement, gips en kalk • windturbines • warmtekracht- installaties • vervaardigen papier en kartonwaren
• crematoria • grafische industrie • textielreinigingsbedrijven • timmerfabrieken waar coaten plaats vindt • chemische behandeling van natuursteen • opslag vuurwerk • rioolwaterzuiveringsinstallaties • bodemsaneringen • laboratoria • bunkerstations • foto-ontwikkelcentrales • havensector • (niet-academische) ziekenhuizen MILIEUTOEZICHT BIJ • activiteiten rondom natuurlijke hulpbronnen (olie-, gaswinning) • bodemkwaliteit, bodemsanering • (ketengericht) gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen, asbest c.a. THUISTAKEN (GEMEENTELIJKE TAKEN) (Nb. Vergunningsplichtig met milieudeel: altijd RUD NL) Niet-basistaken • (Milieu)toetsing en (milieu)toezicht van activiteiten o.g.v. het Activiteitenbesluit van (niet- vergunningsplichtige) meldingsplichtige inrichtingen, die níet tot het basistakenpakker behoren. (bijv. melkrundveehouderijen, horeca-inrichtingen) • Opsporen van milieudelicten 19 OVERIGE TAKEN • BRIKS-taken (Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen) • Klachten/meldingen niet milieu-gerelateerd • Casemanagement • Handhaving • Meldingen asbest, bodem, bouwstoffen • Juridisch advies bij vergunningverlening of handhaving • Milieuadvies ruimtelijke plannen • APV-taken (kappen, inritten, geluidmeten bij evenementen)
50