02B CONCEPT VTH BELEID HADM 2023-2026 DEEL B DV20221121
Tekst van het document
CONCEPT-VTH-BELEID 2023 – 2026 DEEL B BIJLAGEN OMGEVINGS- EN KLANTGERICHT VERGUNNEN: VOORSPELBAAR TOEZICHT EN HANDHAVING
ALGEMEEN Het gemeentelijke VTH-beleid bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel geeft in een samenvatting de hoofdlijnen wat voor de gemeente de visie, uitgangspunten, doelen, prioriteiten en strategieën zijn op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Het tweede deel ligt nu voor u. Het is een bijlagenboek waar de onderwerpen uit het eerste deel gedetailleerd zijn uitgewerkt. Voorafgaand aan de bijlagen worden enkele ontwikkelingen besproken. HOOFDLIJNENAKKOORD 2022 - 2026 In mei 2022 heeft het college haar Hoofdlijnenakkoord 2022 – 2026 vastgesteld. Hierin geeft ze in het voorwoord op de volgende wijze richting aan de toekomst: Het verschil maken… Dat is waar we voor gaan de komende raadsperiode. In Horst aan de Maas staan we voor grote maatschappelijke uitdagingen. Bijvoorbeeld op het gebied van klimaat en duurzaamheid, ondernemen en de arbeidsmarkt, gezondheid en demografie. Onze samenleving verandert hoe dan ook. Het is aan ons allemaal om richting te geven aan die veranderingen. We luisteren goed naar onze inwoners, zijn koersvast, durven scherpe keuzes te maken en leggen deze ook uit. Wij zijn ons ervan bewust dat we niet iedereen tevreden kunnen stellen. We kiezen voor wat ons verbindt en ons verder brengt. Zo blijft Horst aan de Maas een fantastische gemeente om te wonen, te werken, te ondernemen en te recreëren.
In dit hoofdlijnenakkoord gaan ambitie en nuchterheid samen. Meer dan ooit tevoren streven we naar balans. We investeren in kennis, innovatie en goede samenwerking (bijvoorbeeld in de regio). Schaalvergroting kan, mits het een verantwoorde keuze is in het licht van andere opgaven. Economische ontwikkelingen moeten in balans zijn en wegen we af tegen alle aspecten waarop die ontwikkeling van invloed zijn. Dit vraagt om een samenwerkende manier van denken en doen. Gemeenteraad, College en ambtelijke organisatie: open en met vertrouwen in elkaar! Daar moeten we aan werken. Dit akkoord is er een op hoofdlijnen; een stuk waarin we vooral accenten voor vernieuwing hebben uitgelicht. Dit akkoord is bovenal richtinggevend; de belangrijkste noten zijn gekraakt. Er is vertrouwen en we geven elkaar ruimte; een mooie basis voor de komende raadsperiode. De uitwerking, die volgt. Die maken we samen de komende vier jaar. Samen het verschil maken… samen aan de slag voor meer balans in Horst aan de Maas. Voor gelukkige generaties van nu, van morgen en van de toekomst. Met dit VTH-beleid willen wij de komende periode aan deze ambitie bijdragen. Voor de uitvoering is het credo dat we omgevings- en klantgericht vergunnen en voorspelbaar toezicht houden en handhaven.
Belangrijk uitgangspunten hierbij zijn transparante besluitvorming, heldere kaders en het dienstverlenend, transparant, effectief en efficiënt inzetten van de beschikbare middelen.
Hiermee geven wij ook richting aan een goede invulling van de VTH-kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria – die bestuurlijk zijn vastgesteld in de Verordening k vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Horst aan de Maas (met invoering Omgevingswet om te zetten naar de Verordening Uitvoering & Handhaving) – gaan over vakmanschap (kritieke massa), transparantie en bestuurlijke vastlegging (procescriteria) en de minimale ondergrens binnen werkprocessen (inhoudelijke eisen en prioriteitstelling). WET VTH EN DE VERORDENING KWALITEIT VTH In april 2016 is een wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden, waarmee verbeteringen van het VTH-stelsel een wettelijke verankering hebben gekregen. Op grond van de Wet VTH en de daarvan afgeleide Verordening Kwaliteit VTH hebben gemeenten de plicht een integraal vergunningen- en handhavingsbeleid te formuleren en dat jaarlijks uit te werken in een uitvoeringsprogramma. Het college informeert de gemeenteraad en partners over het vastgestelde beleid, het uitvoeringsprogramma en doet daar jaarlijks verslag van. Verder evalueert het college de ingezette formatie en middelen. Per 1 juli 2019 is een nieuwe set kwaliteitscriteria van kracht geworden: de criteria 2.2 zijn nu leidend. Eén deskundigheidsgebied is aan de reeks toegevoegd. Die heeft betrekking op energie en duurzaamheid.
OMGEVINGSWET De Omgevingswet is een fundamentele herziening van het omgevingsrecht en huidige wetgeving. Volgens planning zal de Omgevingswet op 1 juli 2023 in werking treden. Dat geldt dan ook voor de Wet kwaliteitsborging bouwen. In de Omgevingswet zullen alle wettelijke bepalingen, besluiten en regelingen opgaan die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De wet heeft als maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Ontwerp Omgevingswet) het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeenten, provincies en waterschappen krijgen binnen de Omgevingswet meer ruimte om hun eigen beleid te bepalen. Het bestuur van de provincie stelt daartoe een omgevingsvisie en omgevingsverordening vast. Ook het gemeentebestuur stelt een omgevingsvisie op met daarin het gewenste resultaat voor de fysieke leefomgeving. Ook in Horst aan de Maas is de gemeente inmiddels gestart met de voorbereidende werkzaamheden voor de implementatie van deze wet. Voor de gemeente is de opdracht om een gebieds-dekkend omgevingsplan, met functietoedeling en met regels voor activiteiten op te stellen. In aansluiting op dit omgevingsplan worden toezichts- en handhavingsinstrumenten ingezet.
Daar waar mogelijk is in dit VTH-beleid voorgesorteerd op de doelstellingen uit de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Dit nieuwe stelsel voor de fysieke leefomgeving heeft meerdere gevolgen voor de taakuitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De gemeente bereidt zich daar via een programma “Implementatie Omgevingswet” op voor. Voor het vergunningverleningsproces en de dienstverlening heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanzienlijke gevolgen. Een belangrijk aspect is dat de duur van de vergunningenprocedure wijzigt en alle aanvragen in principe via de reguliere procedure, binnen acht weken, moeten worden afgehandeld. Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Bij vergunningaanvragen met meerdere bevoegde gezagen wordt er één aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces. Dit zal meestal de gemeente zijn. De Omgevingswet gaat uit van een gelijkwaardige informatiepositie voor alle betrokkenen, waaronder de initiatiefnemer. Dit houdt in dat de geldende regels begrijpelijk ontsloten moeten worden en dat er zaakgericht gewerkt moet worden. Op die manier kunnen initiatiefnemers het vergunningverleningsproces volgen. Verder wordt participatie bij een vergunningaanvraag verplicht.
Deze eis verplicht initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Dit alles vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden. In het geval van een complexe aanvraag zal dat naar verwachting niet binnen acht weken kunnen worden doorlopen. In samenwerking met partners zijn we aan de slag gegaan om via het model van de Omgevingstafel een uitgebreider vooroverleg in te richten dat het begeleiden van een aanvraag Omgevingswet-proof maakt. WET KWALITEITSBORGING VOOR HET BOUWEN In mei 2019 is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) door de Eerste Kamer aangenomen. Inwerkingtreding van de wet zal gelijktijdig met de invoering van de Omgevingswet plaatsvinden Door deze wetswijziging wordt een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen geïntroduceerd. Dit betekent dat bouwpartners zelf de kwaliteitsborging dienen te regelen en daarbij zelf maatregelen moeten nemen zodat aan het “Besluit bouwwerken leefomgeving (voormalig Bouwbesluit 2012) wordt voldaan. De gemeente beoordeelt als bevoegd gezag niet meer direct op de aspecten van het Besluit Bouwwerken leefomgeving maar wel op de ruimtelijke ordening, omgevingsveiligheid en de welstand van het te realiseren bouwwerk.
De gemeente blijft verantwoordelijk voor de handhaving. Het werk verdwijnt niet, het wordt anders. Op 17 januari 2019 is een bestuursakkoord gesloten tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en de VNG over de implementatie en invoering van de wet. Het akkoord regelt de rol van de gemeente na invoering van de wet en bevat afspraken over de voorwaarden voor inwerkingtreding. Het akkoord gaat uit van invoering tegelijk met de
Omgevingswet. Die invoering zal gefaseerd plaatsvinden. Er wordt gestart met de seriematige nieuwbouw. Het eindbeeld van het Rijk is dat uiteindelijk alle categorieën bouwwerken overgaan naar de private sector. Afhankelijk van de precieze vorm waarin de voorstellen worden doorgevoerd, leidt dit (op termijn) tot consequenties voor de gemeente. Met de invoering van de Omgevingswet zal zowel beleidsmatig als op het niveau van de uitvoering hierop worden ingespeeld. Via jaarlijkse verslaglegging wordt de gemeenteraad geïnformeerd. VEILIGHEID De gemeenteraad heeft het Integraal Veiligheidsplan (IVP) vastgesteld. In dit IVP zijn de doelen vastgesteld op het terrein van veiligheid. Het IVP is daarmee een basis voor de operationele inzet op lokale veiligheidsprioriteiten door de gemeente, politie en andere organisaties. Omdat de raad het IVP vaststelt is de raad in de gelegenheid om sturing te geven aan de uitvoering van het veiligheidsbeleid. Verder heeft de burgemeester op het terrein van het veiligheidsbeleid bijzondere wettelijke bevoegdheden. Hierover legt de burgemeester verantwoording af aan de gemeenteraad. In relatie tot het veiligheidsbeleid is ook de afstemming met de Veiligheidsregio Limburg Noord (VRLN) aan de orde. Op grond van artikel 15 lid 2 van de Wet op de veiligheidsregio wordt door de VRLN een regionaal risicoprofiel (RRP) opgesteld.
Het RRP wordt in afstemming met de partners actueel gehouden. In het RRP is een overzicht van de risicovolle situaties opgenomen die tot een brand, ramp of crisis kunnen leiden, inclusief een overzicht van de soorten branden, rampen en crises die zich kunnen voordoen. Verder wordt in het RRP een analyse gemaakt waarin de weging en inschatting van de gevolgen van de soorten branden, rampen en crises zijn opgenomen. Het RRP dient als basisinformatie voor het beleidsplan van de VRLN. In het beleidsplan van de VRLN worden afwegingen gemaakt over de aanwezige en mogelijk toekomstige risico’s en hoe risico’s en crises kunnen worden beheerst. Het RRP en het VRLN-beleidsplan hebben een wisselwerking naar het gemeentelijke veiligheidsbeleid. Op gemeentelijke kaarten zijn in afstemming met de VRLN de objecten geïnventariseerd die een mogelijk risico vormen voor de omgeving dan wel een kwetsbare locatie betreft. Op de thema’s externe veiligheid, kwetsbare objecten en cultureel erfgoed en recreatie zijn de risico’s vastgelegd. Ook deze inventarisatie en analyse heeft een directe relatie naar het IVP en raakt het VTH-beleid voor de fysieke leefomgeving. Relevante onderdelen uit het RRP en het VRLN-beleidsplan en het IVP zijn integraal afgewogen in dit VTH-beleid. GEZONDHEIDSBELEID Gezondheidsbeleid is al een gemeentelijke taak en in gemeente Horst aan de Maas een speerpunt.
Dit beleid wordt met de komst van de Omgevingswet geïntegreerd in het omgevingsplan. Een van de hoofddoelen van de Omgevingswet is om gezondheid een plek te geven binnen de fysieke leefomgeving. Want de fysieke leefomgeving heeft
3
invloed op de gezondheid van burgers. De inrichting van de omgeving kan hiertoe bijdragen. Denk bijvoorbeeld aan: • een gezondere leefomgeving (bijvoorbeeld levensloopbestendig wonen, meer bewegen, sociale veiligheid, ontmoeten, groen, gezonde lucht, geluidkwaliteit); • het verminderen van gezondheidsverschillen.
De Omgevingswet biedt gemeenten en provincies de mogelijkheid om expliciet en vroegtijdig gezondheid en (fysieke) veiligheid te betrekken bij planvorming en beslissingen, die gaan over de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld door vergunningen te weigeren vanwege ernstige gezondheidsrisico’s (artikel 5.32 Omgevingswet). De vraag is nog hoe dat precies gedaan moet worden. Met dit VTH-beleid en de ontwikkeling van het omgevingsplan en het opdoen van ervaringen met de Omgevingstafel starten we met de invoering van dit nieuwe aspect van het gezondheidsbeleid.
4
INHOUD DEEL B(IJLAGEN)
ALGEMEEN ..................................................................................................... 2 BIJLAGE 1: REIKWIJDTE VTH -BELEID .................................................. 6
BIJLAGE 21: HANDHAVING BIJ OVERTREDING EIGEN ORGANISATIE OF ANDERE OVERHEID ............................................. 45
BIJLAGE 2: WETTELIJK KADER ............................................................... 7
BIJLAGE 22: INTREKKEN VERGUNNINGEN EN ONTHEFFINGEN ........................................................................................................................ 46
BIJLAGE 3: BESTUURLIJK KADER ....................................................... 10
BIJLAGE 23: WERKPROCES INTREKKE N VERGUNNINGEN ........ 47
BIJLAGE 4: BESTUUR EN ORGANISATIE ........................................... 11
BIJLAGE 24: MANIER VAN WERKEN BIJ TOEZICHT EN HANDHAVING ............................................................................................. 48
BIJLAGE 5: KWALITEITSCRITERIA VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING – ‘BIG EIGHT’ ...................................... 13
BIJLAGE 25: BASISTAKEN EN THUISTAKEN .................................... 50
BIJLAGE 6: EVALUATIE VTH-BELEID 2017 – 2020 .......................... 16 BIJLAGE 7: OMGEVINGSANALYSE GEMEENTE HORST AAN DE MAAS .............................................................................................................. 18 BIJLAGE 8: TOELICHTING RISICOANALYSE EN PRIORITERING ......................................................................................................................... 22 BIJLAGE 9: UITLEG ‘TAFEL VAN ELF’ ................................................. 24 BIJLAGE 10: RISICOANALYSE VAN DE TAAKVELDEN OMGEVINGSWET APV EN BIJZONDERE WETTEN .......................... 26 BIJLAGE 11: PREVENTIESTRATEGIE .................................................. 32 BIJLAGE 12: COMMUNICATIESTRATEGIE ......................................... 33 BIJLAGE 13: VERGUNNINGENSTRATEGIE ........................................ 34 BIJLAGE 14: HANDHAVING STRATEGIEËN (OVERZICHT) ........... 36 BIJLAGE 15: TOEZICHTSTRATEGIE ..................................................... 37 BIJLAGE 16: SANCTIESTRATEGIE ....................................................... 39 BIJLAGE 17: RICHTLIJNEN BEDRAGEN EN TERMIJNEN .............. 40 BIJLAGE 18: GEDOOGSTRATEGIE ....................................................... 42 BIJLAGE 19: AANVULLENDE STRATEGIEËN/CONFLICTBEMIDDELING ...........................................
43 BIJLAGE 20: PRIVAATRECHTELIJKE HANDHAVING ....................... 44 5
BIJLAGE 1: REIKWIJDTE VTH-BELEID Nr.
Taakveld 1 Milieu Belastende Activiteit (voorheen Milieu-inrichtingen)
2 Bouwen en wonen
3 Ruimtelijke ordening 4 Brandveiligheid
5 Openbare ruimte
6 Overige activiteiten
Onderdelen Aanbieden, storten of verbranden afvalstoffen Bodem Energie Indirecte lozingen Klimaat Verwijdering asbest Aanleg, bouw- en oprichtingsfase sloop (in de zin van de sloopmelding of vergunning) Monumenten en archeologie BAG/Huisnummers Illegale sloop, bouw of aanleg Woonkwaliteit/Onveilige bewoning arbeidsmigranten Illegaal gebruik van bouwwerken en gronden en overtreding van planregels Aanlegvergunning voor vellen houtopstand Advies brandveiligheid (waaronder bouwen en evenementen) Toezicht tijdens de bouw (extern bij invoering Omgevingswet) Toezicht gebruik bouwwerken (zorginstellingen, bijeenkomst, onderwijs, sport, industrie, logies, kamerverhuur, winkel) Afvalinzameling Algemene overlast (vernielingen, graffiti, et cetera.) Evenementen Gebruik openbare ruimte en gemeentelijke eigendommen Exploitatie Horeca Hondenoverlast Parkeren Reclame Standplaatsen Terrassen Uitstallingen Zwerfafval Markten Kermissen Winkeltijden Kansspelen Klachten en meldingen Projecten Verzoeken tot handhaving
6
BIJLAGE 2: WETTELIJK KADER Het voorliggende VTH-beleid sluit aan op de taken die voortvloeien uit de: • Ontwerp Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen (momenteel Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) • Algemene plaatselijke verordening (APV) • Bijzondere wetten zoals de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen en de Wet basisregistratie personen. Voor zover het Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen betreft is het vaststellen van handhavingsbeleid en uitvoeringsbeleid wettelijk verplicht (artikel 18, 19 van de Ontwerp Omgevingswet in samenhang met de artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit en artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor)). Voor de APV en bijzondere wetten is het nu nog niet wettelijk verplicht om dergelijk beleid vast te stellen, maar in de toekomst wel voor onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het betreft een keuze van Horst aan de Maas om dit nu al mee te nemen in de op basis van de Omgevingswet beschreven strategie. Daarmee lopen wij vooruit op de aanstaande wetswijziging. Op deze manier zijn alle taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving verenigd in één beleidsdocument. Het betreft taken waaraan een vergunningen-, toezicht- en/of handhavingscomponent vastzit.
burgemeester om toezicht uit te oefenen en de herstelsancties last onder bestuursdwang en last onder dwangsom op te leggen. Het college heeft de bevoegdheid om toezichthouders als zodanig te benoemen. Daarnaast stelt het college op grond van artikel 142 Wetboek van Strafvordering Buitengewoon opsporingsambtenaren (Boa’s) aan. Deze Boa’s hebben opsporingsbevoegdheden. Naast de herstelsancties in het bestuursrecht kent het bestuursrecht ook een bestraffende sanctie. De Boa’s hebben de bevoegdheid om een bestuurlijke strafbeschikking aan te kondigen. Uiteindelijk legt de officier van justitie de strafbeschikking op. ALGEMENE WET BESTUURSRECHT In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (hoofdstuk 5) worden geen bevoegdheden tot het uitvoeren van toezicht en handhaving toebedeeld aan bestuursorganen, maar worden aan de hiertoe bevoegde bestuursorganen en daartoe aangewezen ambtenaren instrumenten gegeven (een gereedschapskist om mee te werken). De voornaamste handhavingsinstrumenten die beschreven staan, zijn de herstelsancties in titel 5.3 van hoofdstuk 5 te weten de last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1) en de last onder dwangsom (afdeling 5.3.2). Deze instrumenten bieden een bestuursorgaan de bevoegdheden om zelf de overtreding geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of te beëindigen dan wel de overtreder een dwangsom op te leggen om dit zelf te doen.
Daarnaast staat in titel 5.4 Awb een bestraffende sanctie opgenomen; te weten een bestuurlijke boete. Deze sanctie beoogt leed toe te voegen aan de overtreder en mag naast een herstelsanctie worden opgelegd.
Dit beleid vormt ook de basis voor en geeft richting aan het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Ook hiervoor geldt dat deze voor Omgevingswet wettelijk verplicht is (artikel 13.5, 13.6 en artikel 13.8 Omgevingsbesluit en artikel 7.3 Bor) en voor de APV en bijzondere wetten niet. Een jaarlijks uitvoeringsprogramma waar de verschillende beleidsvelden samenkomen versterkt de gewenste samenhang (meer integraal werken).
WET ECONOMISCHE DELICTEN Een toezichthouder kan bij het constateren van bepaalde overtreding ook kiezen voor het strafrechtelijke spoor. In de Wet economische delicten staan in artikel 1 en 1a veel verwijzingen naar wetsartikelen. Overtreding van die wettelijke artikelen is een delict in de zin van de Wet economische delicten (Wed).
Bij het afhandelen van vergunningaanvragen (Omgevingswet, APV en bijzondere wetten), het houden van toezicht en ons handhavend optreden vormen onder meer (niet uitputtend) de volgende landelijke en lokale wet- en regelgeving een rol in het VTHbeleid Horst aan de Maas.
OMGEVINGSWET (WET ALGEMENE BEPALINGEN OMGEVINGSRECHT (WABO)) De Omgevingswet is een kaderwet waarmee bevoegd gezag (bij gemeente meestal het college) een (integraal) besluit tot vergunningverlening kan nemen waarbij diverse aspecten aan de orde kunnen komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving (zoals ruimte, milieu, natuur alsook aspecten met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid). In de Omgevingswet (hoofdstuk 18 Ontwerp Omgevingswet/ hoofdstuk 5 Wabo) staan bepalingen over de uitvoering en handhaving van de Omgevingswet. Hierin is in een algemene bepaling opgenomen dat het bevoegde gezag zorg moet dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van bepalingen bepaald bij of op grond van de deze wet en een aantal in de wet genoemde wetten. Ook is daaraan toegevoegd dat het college zorg moet dragen voor een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving.
GEMEENTEWET In de Gemeentewet staat in artikel 125 lid 2 en 3 dat het college of de burgemeester een bevoegdheid heeft om handhavend op te treden. Letterlijk staat er dat het college of de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen. Wie een last onder bestuursdwang kan opleggen, mag in plaats hiervan op grond van artikel 5:32 lid 1 Awb ook een last onder dwangsom opleggen. Aan het bestuursorgaan dat deze handhavend bevoegdheden heeft, worden in de Awb ook allerlei toezichtsbevoegdheden gegeven. Dit artikel in de Gemeentewet vormt dus de wettelijke basis voor het college of de
BESLUIT OMGEVINGSRECHT In hoofdstuk 7 van de Bor wordt onder meer invulling gegeven aan diverse bepalingen over de uitvoering en handhaving. In artikel 5.7 Wabo lid 1 staat dat in een AMvB regels worden gesteld over: 1. een strategische en programmatische uitvoering en handhaving van het bepaalde bij of op grond van de betrokken wetten door de betrokken bestuursorganen; 2. een onderling afgestemde uitoefening van bevoegdheden met betrekking tot de uitvoering en handhaving, bedoeld onder a, en de daarmee samenhangende werkzaamheden tussen de bij de handhaving betrokken bestuursorganen en de onder hun gezag werkzame toezichthouders en ook over de afstemming van deze werkzaamheden op de werkzaamheden van de instanties die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of op grond van de betrokken wetten; 3. over de prioriteitstelling bij de uitvoering en handhaving voor zover die prioriteitstelling van bovenregionaal belang is.
In artikel 7.2 lid 5 en 6 van het Bor staat dat het uitvoerings- en handhavingsbeleid tenminste inzicht moet geven in: • de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de op grond van het eerste en tweede lid voorgenomen activiteiten; • de methodiek die de bestuursorganen gebruiken om te bepalen of de op grond van het eerste en tweede lid gestelde doelen worden bereikt; • de daarin opgenomen objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, en • de werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen.
• de afspraken die door de bestuursorganen onderling en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt, over de samenwerking bij en de afstemming van de werkzaamheden; • de wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of op grond van de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de op grond van het eerste en tweede lid gestelde doelen te bereiken; • de rapportage van de bevindingen van degenen die toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan die bevindingen wordt gegeven, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; • de wijze waarop bestuurlijke sancties en ook de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; • de wijze waarop de bestuursorganen handelen na overtredingen die zijn begaan door of in naam van die bestuursorganen of van andere organen behorende tot de overheid.
Voor de basistaken die verplicht worden overgedragen aan een omgevingsdienst moet het uitvoerings- en handhavingsbeleid bovendien regionaal zijn afgestemd. Bovenstaande verplichtingen gelden voor de activiteiten waarvan de uitvoering en handhaving verloopt via de Wabo. Daarmee is dit geen verplichting voor alle VTH-taken. Zoals in het begin aangegeven maken we deze keuze in de uitvoering wel. VTH-VERORDENING De gemeenteraad heeft op grond van artikel 5.4 lid 1 aanhef en onder b Wabo een Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Horst aan de Maas vastgesteld (per 1 juli 2023 met Omgevingswet: Verordening Uitvoering & Handhaving). Deze verordening heeft betrekking op de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de wetten (de Wabo) en bepaald dat op de uitvoering en de handhaving van de taken de kwaliteitscriteria (bijlage 5) van toepassing zijn. ALCOHOLWET In de Alcoholwet is in artikel 3 een vergunningsplicht opgenomen voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcohol (zoals in horecabedrijven) of voor gebruik elders dan ter plaatse (zoals in slijterijen). Daarnaast bevat de wet onder meer verbodsbepalingen en ontheffingsbepalingen. In artikel 41 - 44 Alcoholwet zijn bepalingen opgenomen over het toezicht en handhaving.
In artikel 41 is onder meer bepaald dat in een gemeente de daartoe aangewezen ambtenaren (BOA (‘s)) belast zijn met toezicht. In aanvulling op de Awb krijgen deze ambtenaren extra bevoegdheden in artikel 42 Alcoholwet. WET NATUURBESCHERMING Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn opgegaan de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. In hoofdstuk 7 van deze wet is handhaving geregeld. In dit hoofdstuk staat onder andere welke bestuursorganen zijn belast met toezicht en handhaving. Er worden handhavingsinstrumenten genoemd en een koppeling gemaakt met de Omgevingswet. Veelal is de provincie in deze bevoegd gezag. ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING (APV) In de Algemene Plaatselijke Verordening Fysieke Leefomgeving Gemeente Horst aan de Maas heeft de gemeenteraad bepalingen opgenomen die betrekking hebben op openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en bescherming van milieu in de openbare ruimte. De APV bevat ook bepalingen over voor publiek toegankelijke gebouwen (denk aan horeca) en over activiteiten die van invloed zijn op de openbare ruimte. De hogere wettelijke regelingen zijn de bovengrens van de APV en de private sfeer van burgers is de ondergrens. Met andere woorden de raad mag via de APV in
8
principe niks regelen dat al in hogere wetgeving staat en mag in principe niet ingrijpen in de private sfeer van burgers. De nuances die hierin zitten, worden hier niet behandeld. PARKEERVERORDENING In de parkeerverordening Horst aan de Maas zijn diverse vergunningplichten en verbodsbepalingen met ontheffingsmogelijkheden opgenomen. De verordening is op 1 januari 2012 in werking getreden en sinds 2020 is ook de Verordening parkeren grote voertuigen van toepassing. Op de overtreding van deze verbodsbepalingen kunnen bestuurlijke strafbeschikkingen door de gemeentelijke Boa’s worden aangekondigd en worden opgelegd door het OM. De gemeentelijke Boa’s zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de verordening.
9
BIJLAGE 3: BESTUURLIJK KADER In de begroting 2022 en verder zijn middelen opgenomen voor de uitvoering van het werk rondom vergunningverlening, toezicht en handhaving. Er wordt gewerkt binnen dit VTH-beleidskader. De beschikbare financiën zijn voldoende om de taken in eerste aanleg uit te voeren. Als blijkt uit de jaarlijkse check hierop door onder andere de evaluatie, de invoering van de Omgevingswet, de provincie Limburg (het zgn. interbestuurlijk toezicht (IBT)) et cetera dat dit onvoldoende is zal hier aanvullende besluitvorming nodig zijn door het daarvoor bevoegde gezag.
10
BIJLAGE 4: BESTUUR EN ORGANISATIE
driehoeksoverleg. Bovendien is hij eerstverantwoordelijk bij rampen en zware ongevallen.
Besluitvorming op (vergunning)aanvragen, toezicht en handhaving is een kerntaak van de gemeente, die hierin duidelijk haar verantwoordelijkheden heeft en neemt. Bestuur, directie, leidinggevenden en de medewerkers van de teams hebben ieder hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Ook bij de samenwerkings- (keten-) partners. Het management en de directie hebben onder andere als taak interne processen aan te sturen. Daarvoor is het nodig om het (gewenste) verloop van primaire werkprocessen inzichtelijk te maken, te structureren en te bewaken. Naast de bestuurlijke verantwoordelijkheid, zal duidelijk moeten zijn wie operationeel verantwoordelijk is voor toezicht en handhaving (wie is verantwoordelijk voor de activiteit, (tussen)resultaten en besluitvormingsmomenten). In het kader van deze beleidsnota past het dan ook om de diverse rollen en verantwoordelijkheden van de actoren nader te beschrijven.
Actieve steun en betrokkenheid van het hele college bij het VTH-beleid is van groot belang. Vergunningverlening, toezicht en handhaving hebben namelijk raakvlakken met bijna alle gemeentelijke werkvelden en lopen doorgaans door alle portefeuilles. Dit betekent dat collegeleden zich bewust moeten zijn van VTH-aspecten met betrekking tot hun portefeuille. Het college stelt het VTH-beleid, het jaarverslag en het jaarprogramma vast.
DE ROL VAN DE GEMEENTERAAD De gemeenteraad heeft ten aanzien van enkele meer complexe omgevingsvergunningen de bevoegdheid om hieromtrent te besluiten. De raad heeft formeel geen wettelijke bevoegdheden waar het gaat om de toepassing en uitvoering van handhaving. Wel is de gemeenteraad verantwoordelijk voor het stellen van kader en de toewijzing van benodigde budgetten en kan zij het gemeentebestuur voorstellen doen waar zij wenst dat op hoofdlijnen (meer) het accent op gelegd zou moeten worden. Als taken van de gemeenteraad binnen het VTH-beleid kunnen worden genoemd: • het op de politieke agenda plaatsen van het onderwerp vergunningverlening, toezicht en handhaving; • het scheppen van randvoorwaarden - zoals formatie en budget - waarbinnen het beleid kan worden ontplooid; • het uitdragen van de gemeentelijke handhavingsvisie. DE ROL VAN DE BURGEMEESTER EN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS (HET COLLEGE) Het college stelt prioriteiten, zowel op beleidsniveau als op zaakniveau. Het college beslist zowel over de vaststelling van het VTH-beleid als over de uitvoering van de meeste VTH-taken. Daarnaast rapporteert het college over de uitvoering van het programma en wordt jaarlijks geëvalueerd of de gestelde doelen zijn behaald. Het college maakt het beleid, het programma en de rapportage kenbaar aan de raad.
Daarbij heeft de burgemeester eigenstandige vergunningverlenings- en handhavingsbevoegdheden op het gebied van Algemeen bestuur, Openbare Orde en Veiligheid en de Alcoholwet. Voor het handhavingsbeleid is een belangrijke rol weggelegd voor de portefeuillehouder ‘openbare orde en veiligheid’ en ‘handhaving’. Voorts is de burgemeester bestuurlijk verantwoordelijk voor het verkrijgen van structureel draagvlak en ‘medeaansturing’ van de lokale politie via het zogenaamde
DE ROL VAN DIRECTIE EN MANAGEMENT Vergunningverlening, toezicht en handhaving hebben raakvlakken met bijna alle gemeentelijke werkvelden. Een actieve bijdrage hiervan is dan ook belangrijk en voor directie en management is dan ook een rol weggelegd, daar waar het betreft: • het betrekken van het totale management bij het integraal VTH-beleid; • het zorg dragen voor een goede coördinatie en samenwerking tussen de verschillende beleidsvelden; • de aanjaagfunctie bij ontwikkelingen die van invloed zijn op het beleid. DE ROL VAN AMBTELIJKE FORMATIE VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING De vergunningverleners, toezichthouders en handhavers geven uitvoering aan het vastgestelde beleid. De exacte formatie hangt af van de ambities die in het jaarlijks vast te stellen VTH-programma neergelegd worden. DE ROL VAN (KETEN)- SAMENWERKINGSPARTNERS Het doel is samen met politie, justitie, burgers, bedrijven en instellingen verder te werken aan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Eenieder zal daarom op zijn of haar eigen verantwoordelijkheid worden aangesproken; elk individu, elke organisatie kan namelijk op eigen wijze in meer of mindere mate een bijdrage leveren aan een veilige leefomgeving. De samenwerking op verschillende niveaus zal de komende periode worden geïntensiveerd, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande overlegvormen.
COÖRDINATIE EN AFSTEMMING Bij nieuwe plannen voor bedrijfsvestigingen of het bouwen van bedrijven moeten vaak meerdere vergunningsprocedures worden doorlopen. Daarnaast zal in het bijzonder bij handhavingszaken, duidelijkheid moeten worden gegeven in de achtergronden ten aanzien van de te voeren handhavingsstrategie en zal er in het kader van regionale handhavingsacties, samengewerkt moeten worden. Het is van groot belang dat procedures goed op elkaar worden afgestemd. Via regelmatige overleggen met de andere gemeentelijke disciplines, worden alle te doorlopen procedures op elkaar
11
afgestemd. Dit bevordert de eenduidigheid en daarmee de consistentie van het gemeentelijk beleid tegenover burgers, bedrijven en instellingen. In de regio Limburg Noord ontmoeten de beleidsmedewerkers of coördinatoren Vergunningen, Toezicht en Handhaving elkaar periodiek nog te weinig rondom thema’s als opleidingen, het VTHbeleid en producten als jaarverslag en jaarprogramma. Horst aan de Maas stelt zich tot doel deze onderlinge ambtelijke afstemming en samenwerking te intensiveren.
12
BIJLAGE 5: KWALITEITSCRITERIA VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING – ‘BIG EIGHT’ Er gelden kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De kwaliteitscriteria voor de kritische massa (deskundigheid en ervaring) zijn verplicht voor VTH-taken.
HET SPOORBOEKJE KWALITEIT: DE ‘BIG EIGHT’ STAP VOOR STAP Eisen aan de inrichting van processen zijn wettelijk vastgelegd in de Wabo en de daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur. Dit zijn de zogenaamde procescriteria. De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de sluitende beleidscyclus, de ‘BIG EIGHT’ -cyclus.
UNIFORME UITVOERINGSKWALITEIT Een van de doelstellingen voor het bundelen van omgevingsrecht regels in de Omgevingswet is om de dienstverlening door overheden te verbeteren. Het realiseren van de verbeter- en maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheden. Het vraagt om een goede en uniforme borging van de uitvoeringskwaliteit.
RAPPORTAGE EN EVALUATIE In essentie betreft deze stap het analyseren van allerlei relevante elementen dan wel veranderingen voor de vergunningverlening, toezicht en handhavingsorganisatie. Ten behoeve van het onderdeel ‘rapportage en evaluatie’ van de ‘BIG EIGHT’ worden minimaal: 1. vierjaarlijks de risico’s in kaart gebracht met een risicoanalyse (Bor artikel 7.2).; 2. jaarlijks verantwoordingsrapportages opgesteld (Bor artikel 7.7); 3. vierjaarlijks een beleidsevaluatie uitgevoerd (Bor artikel 7.7).
WET KWALITEITSBORGING BOUWEN Afdeling 18.3 van de Ontwerp Omgevingswet biedt de grondslag voor de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en handhaving. Deze afdeling vindt zijn oorsprong in paragraaf 5.2 van de Wabo. Er zijn regels over de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken:
Een jaarverslag bevat duidelijke conclusies over de mate van uitvoering van het uitvoeringsprogramma. De beleidsevaluatie gaat in op de bijdrage aan beleidsdoelen, de beheersing van risico’s en of beleid, prioriteiten en/of programma bijgesteld dienen te worden. De resultaten uit de beleidsevaluatie en de jaarrapportage kunnen ertoe leiden dat de risicoanalyse bijgesteld dient te worden.
Artikel 18.20 ontwerp Omgevingswet beschrijft een zorgplicht voor in principe alle VTHtaken van het bevoegd gezag. Het artikel laat open hoe bevoegd gezagen dit invullen. Een optie is om dit via een verordening te doen. In Horst aan de Maas hebben wij dit ingevuld met de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Horst aan de Maas. Met de komst van de Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen moet deze aangepast worden.
STRATEGISCH BELEIDSKADER De uitgevoerde beleidsevaluatie, de jaarverslagen en actuele risicoanalyse leggen de basis voor de volgende stap in het proces, het strategisch beleidskader. Op basis van de risicoanalyse worden prioriteiten gesteld. Vervolgens worden in het beleid doelstellingen vastgelegd die de organisatie wil behalen ten aanzien van deze prioriteiten (Bor artikel 7.2). Hierbij moet het ambitieniveau in lijn zijn met capaciteit (Bor artikel 7.5). Daarnaast draagt het bestuursorgaan er zorg voor, dat dit beleid en het handhavingsbeleid van de andere betrokken bestuursorganen en de organen die belast zijn met de (strafrechtelijke) handhaving onderling worden afgestemd zoals andere gemeenten, de politie en brandweer (Bor artikel 7.2). I
Artikel 18.23 ontwerp Omgevingswet gaat over de taken die onder het basistakenpakket vallen. Hiervoor geldt dat het kwaliteitsniveau via een verordening moet vastliggen. Omdat deze taken verplicht zijn ondergebracht bij omgevingsdiensten moeten ook zij afspraken maken over de formulering van de kwaliteitscriteria. Deze zijn geborgd via de ‘Big Eight’ cyclus. VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING OMGEVINGSRECHT HORST AAN DE MAAS Horst aan de maas heeft op basis van de VNG-modelverordening VTH de Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Horst aan de Maas vastgesteld. Op het moment dat de Omgevingswet definitief in werking is moet deze aansluitend worden afgestemd op de Omgevingswet. 6: DE ‘BIG EIGHT’ -8 CYCLUS
OPERATIONEEL BELEIDSKADER Op basis van de risicoanalyse zijn de prioriteiten gesteld en met het strategisch beleidskader is bepaald welke doelen de organisatie wil behalen. Met het operationeel beleidskader voor toezicht en handhaving wordt duidelijk welke nalevingsstrategie op welke doelgroep wordt toegepast om het nalevingsgedrag te verbeteren, om zodoende de gestelde doelen te behalen (Bor artikel 7.2). De nalevingstrategie bestaat uit een preventiestrategie (hoe overtredingen te voorkomen?), toezichtstrategie (hoe zicht houden op naleefgedrag?), gedoogstrategie (hoe handelen bij het afzien van handhaving?) en een sanctiestrategie (hoe repressief optreden?). Voor de laatste is een landelijke norm ontwikkeld, de Landelijke handhavingstrategie. In feite zijn de
13
strategieën zoals ze nu in het land gebruikt worden geen strategieën, maar een omschrijving van de beschikbare instrumenten. Op het moment dat een mix van deze instrumenten wordt ingezet om een doel te bereiken is er sprake van een strategie (bijvoorbeeld: de calculerende overtreder kan beter aangepakt worden met een (hoge) boete, dan een onbewuste overtreder die niet bekend is met de wet- en regelgeving). PROGRAMMA EN ORGANISATIE Centraal bij de ‘Programma en organisatie’ (ook wel planning en control fase genoemd) staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen die nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen bereiken (Bor artikel 7.5). Dit wordt jaarlijks vastgelegd in een uitvoeringsprogramma (Bor artikel 7.3). Een uitvoeringsprogramma omvat tenminste: 1. een duidelijke verbinding met de gestelde prioriteiten en doelstellingen; 2. een weergave van de concrete activiteiten voor vergunningverlening en toezicht & handhaving, inclusief de bijbehorende capaciteit en middelen. Ook worden er op operationeel niveau afspraken gemaakt over de afstemming en samenwerking met andere VTH-partners, bijvoorbeeld over een specifiek probleem of project dat samen wordt opgepakt. VOORBEREIDING, UITVOERING EN MONITORING
VOORBEREIDING Om ervoor te zorgen dat de ambtelijke organisatie op een juiste wijze uitvoering geeft aan het VTH-uitvoeringsprogramma en het VTH-beleid, handelt de organisatie op grond van vooraf vastgestelde procedures, processen en protocollen (Bor artikel 7.4). UITVOERING De kern van deze stap betreft de uitvoering van de te verlenen vergunningen en het controlebezoek zelf (inclusief de hieruit volgende acties). Vergunningverlening moet gescheiden zijn van toezicht en handhaving. Verder moet de organisatie 24-uur bereikbaar zijn, dan wel dit georganiseerd hebben, bijvoorbeeld in samenwerking met andere overheidspartijen. Ook moet voorkomen worden dat één persoon langdurige tijd toezicht houdt op één inrichting, daarom moet personeel regelmatig gerouleerd worden (Bor artikel 7.4). MONITORING De laatste processtap in de ‘BIG EIGHT’ is de monitoring. De organisatie monitort met behulp van een geautomatiseerd systeem de resultaten en de voortgang van de uitvoering van het beleid en het uitvoeringsprogramma. De monitoringsresultaten
worden weergegeven in het jaarverslag en gebruikt voor bijsturing van de operationele cyclus en voor input op de beleidsevaluatie (Bor artikel 7.4). DE CYCLUS DOOR HET JAAR HEEN Het proces van programmeren en komen tot werkafspraken voor het volgende kalenderjaar start in het eerste kwartaal (feb/mrt) met het opstellen en bespreken van de uitgangspunten, richtlijnen en financiën van de meerjarennota. Gevoed door: bestaand beleid, bestuurlijke prioriteiten, wensen om bij te sturen en al lopende programma’s en werkplannen. Daaropvolgend vindt rond mei/juni de bestuurlijke behandeling plaats van de kadernota en de beleidsbegroting. In de kadernota zijn de resultaten en wensen voor komend kalenderjaar verwoord, de kwaliteitsdoelstellingen op strategisch niveau bepaald, maar ook op inhoudelijke aspecten ten aanzien van beheer. Een indicatie van de benodigde budgetten (op basis van de strategische kwaliteitsdoelstellingen) en het financieel perspectief wordt opgenomen in de beleidsbegroting. Richting het einde van het jaar (okt/nov) vindt dan tot slot de ambtelijke en bestuurlijk behandeling van de begroting plaats. De praktische vertaling van de beleidsdoelstellingen vindt plaats in de uitvoering en verantwoording, zoals uitgewerkt in de onderste cirkel van de ‘Big Eight’. Het kalenderjaar start met het definitief vaststellen van ‘de werkplannen’.
In de ‘werkplannen’ wordt gedetailleerd opgenomen welke producten en diensten worden geleverd en op welke wijze verantwoording wordt afgelegd. De werkplanning en verantwoording vindt uiteraard plaats door de partner waaraan activiteiten zijn uitbesteed, maar ook voor werk dat ‘in eigen huis’ wordt verricht. Vervolgens zijn afspraken gemaakt dat op een aantal momenten gerapporteerd wordt over de voortgang: meer gedetailleerd (schriftelijk 4 keer per jaar). Informatie-uitwisseling vindt plaats over: • voortgang in aantallen van geplande werkzaamheden; • financiële uitputting; • toelichting op afwijkingen; • bestuurlijk relevante bijzonderheden; • rapportage over participant overstijgende werkzaamheden. De inhoud en mate van detaillering van de rapportages verschilt per partner. Om tot een intercollegiale afstemming en vergelijking tussen diensten/afdelingen te komen wordt ingezet op meer uniforme indicatoren waarover gerapporteerd wordt. De periodieke overleggen en de voortgangsrapportages resulteren uiteindelijk in de jaarlijkse eindrapportage. De concepten van deze rapportage (van november tot januari) worden ook gebruikt als input voor de definitieve versie van de werkplannen en afdelingsplanningen voor het nieuwe kalenderjaar.
De definitieve jaarrapportage over het afgelopen kalenderjaar wordt rond februari vastgesteld in dezelfde periode als het vaststellen van de nieuwe werkplannen voor het lopende kalenderjaar, waarmee de cirkels rond zijn.
14
VTH-beleid *Visie op VTH *Meetbare doelstellingen o.b.v. prioriteiten Wat willen we en waarom?
VTH-strategie Vergunningstrategie
Risicoanalyse/
*Naleefstrategie
Omgevingsanalyse
*Toezichtstrategie
*Risico = Kans * Effect
*Sanctiestrategie
Welke veranderingen verwachte
*Gedoogstrategie
we?
Welke instrumenten kunnen
Waar liggen de risico's?
we inzetten om doelen te
Jaarverslag
bereiken?
VTH uitvoeringsprogramma *Uitvoeringsprogramma
Resultaten VTH inzichtelijk
*Uitvoeringsorganisatie
Hoe heeft VTH bijgedragen aan
*Kritieke massa
de beleidsdoelstellingen?
*Borging personele en financiële middelen *Borging kwaliteit Welke activiteiten voeren wij dit
Protocollen en werkinstructies
jaar uit om de doelen te bereiken?
*Voorbereiden en uitvoeren
Voortgang en
*Informatie-uitwisseling
resultaten monitoren
*In- en externe afstemming
*Diepgang controle
Hoe zorgen we dat de kwaliteit
*Toezichtfrequentie
gewaarborgd blijft?
*Overtredingen *Ontwikkelingen naleefgedrag De daadwerkelijke uitvoering *Geautomatiseerd systeem registratie *Bibliotheek/naslagwerken
Monitoringresultaten zijn de input voor de evaluatie?
Capaciteit, resultaat en middelen inzichtelijk
SCHEMA WEERGAVE ‘BIG EIGHT’ -8
BIJLAGE 6: EVALUATIE VTH-BELEID 2017 – 2020
WAT HEBBEN WE GEDAAN
In dit hoofdstuk wordt het VTH-beleid 2017-2020 en de aanvullende notitie herijking VTH-beleid 2019 geëvalueerd (periode 2017-2022). Het beleid strekte zich tot toezicht en handhaving van de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zoals: bouwen, ruimtelijke ordening, milieu, brandveiligheid en de openbare ruimte. Deze evaluatie is een aanvulling op de jaarverslagen 2019 en 2021 en het uitvoeringsprogramma 2021 en 2022. Hieronder volgt een korte terugblik en de belangrijkste punten worden nader toegelicht.
ORGANISATIEONTWIKKELING Zowel in politiek als samenleving is de voorbije beleidsperiode het besef doorgedrongen dat een er flink tandje moet worden bijgezet op het gebied van toezicht en handhaving in Horst aan de Maas. Dit kwam o.a. tot uitdrukking in gesprekken over maatschappelijke thema’s zoals veiligheid, intensieve veehouderij en huisvesting arbeidsmigranten. Daarop zijn de volgende oplossingsrichtingen geformuleerd en opgepakt: • verbeteren ingang en proces vergunningverlening; • meer regie op toezicht en handhaving; • uitbreiding capaciteit toezicht en handhaving; • vergroten zichtbaarheid toezicht en handhaving; • verbeteren integraliteit tussen afdelingen.
DE VISIE IN HET VTH-BELEID LUIDDE: De gemeente Horst aan de Maas stelt een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Binnen het vastgestelde beleid is regelgeving vooral gericht op het mogelijk maken van individuele-, gemeenschaps- en ondernemersinitiatieven. Bij het uitvoeren van onze taken nemen we een dienstbare houding aan ten opzichte van de aanvrager, waarbij de verantwoordelijkheid blijft liggen waar deze hoort. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventie voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. GESTELDE BELEIDSDOELEN In het VTH-beleid zijn doelstellingen geformuleerd. Volgens deze doelstellingen is handhaving niet een opzichzelfstaand onderdeel, maar vormt het een belangrijk onderdeel van de publieke taak en is het onlosmakelijk verbonden met het vergunningen melding stelsel binnen de wet- en regelgeving.
De hoofddoelstelling is in het VTHbeleid gespecificeerd en vertaald naar algemene en specifieke doelstellingen. DE DOELSTELLINGEN 1. Daar waar dit wettelijk nodig is toestemmingen verlenen en hierdoor klantgericht en vraag gestuurd mogelijk maken van activiteiten van inwoners en bedrijven tegen zo beperkt mogelijke (administratieve) lasten. 2. Meer eigen verantwoordelijkheid bij vergunninghouders en –aanvragers en efficiënter toezicht op de naleving van vergunningvoorschriften. 3. Handelingen in strijd met geldende regels beëindigen als waarborg voor een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving.
TEAM OMGEVING In 2021 en 2022 is binnen team Omgeving, mede ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet, ingezet op het verbeteren van de werkprocessen van vergunningverlening. Zo is er een centrale ingang ingekomen voor een snelle triage van vergunningsaanvragen en twee omgevingsregisseurs voor de begeleiding van complexe vergunning aanvragen. TOEZICHT EN HANDHAVING In 2021 is de gemeenschappelijke regeling met Venray op toezicht en handhaving beëindigd. Tot en met 2024 worden er steeds minder uren afgenomen bij Venray en wordt er een eigen team toezicht en handhaving binnen de gemeente Horst aan de Maas opgericht. Doel van het terughalen van de taken is om de organisatie en aansturing van toezicht en handhaving te vereenvoudigen. In 2022 is het team APV-vergunningen, Toezicht en Handhaving opgericht en is de capaciteit uitgebreid. INFORMATIE GESTUURD TOEZICHT EN HANDHAVING Daarnaast wordt gebouwd aan informatie gestuurd handhaven. Extra aandacht voor processen, uniformering, registratie en duiding is nodig om beter te kunnen sturen. Voor de programma’s intensieve veehouderij en huisvesting arbeidsmigranten zijn hiervoor dashboards in ontwikkeling. In die dashboards bundelen we data uit onze systemen tot actuele sturingsinformatie. Zo kunnen we bijvoorbeeld locaties en inrichtingen koppelen aan vergunningen en meldingen.
ZICHTBAARHEID EN SAMENWERKING De ambitie is om in de toekomst meer te gaan sturen op en verantwoorden over de maatschappelijke effecten van VTH, zoals de preventieve werking die uitgaat van meer zichtbaarheid (toezicht).
SAMENVATTING In de afgelopen beleidsperiode (2017–2022) is, naar aanleiding van de nieuwe VTH weten regelgeving, voor het eerst ervaring opgedaan met beleidsmatig én integraal toezicht en handhaving. Uit de jaarverslagen, doelstellingen en organisatieontwikkelingen blijkt dat het leren en implementeren niet altijd volgens het proces en met gewenste route en snelheid is verwezenlijkt dan was voorgenomen. Hierin zijn met de komst van het nieuwe team het afgelopen jaar stappen vooruit gezet waarmee in de komende beleidsperiode het proces en de route verder worden uitgewerkt. Met name zal worden ingezet op meer en beter informatie gestuurd toezicht en handhaving en integraal werken.
17
BIJLAGE 7: OMGEVINGSANALYSE GEMEENTE HORST AAN DE MAAS Het doel van de omgevingsanalyse is om sturing te geven aan de inspanningen van het toezicht en de handhaving. De probleemanalyse vormt daarmee de basis voor het stellen van prioriteiten, het formuleren van doelstellingen en het uiteindelijk vaststellen van een uitvoeringsprogramma.
Horst aan de Maas herbergt, als onderdeel van Greenport Venlo, belangrijke onderwijsen onderzoek voorzieningen en innovatieve en beeldbepalende ondernemingen. Agribusiness, boomteelt, glastuinbouw, maakindustrie, detailhandel en recreatie en toerisme zijn de belangrijkste sectoren binnen de plaatselijke economie. In de gemeente zijn enkele relatief kleine bedrijventerreinen aanwezig, aansluitend aan de dorpen. De grootste bedrijventerreinen (Melderslosche Weiden, Hoogveld en Berghem) bevinden zich ten zuiden van Horst en ten noorden van Sevenum. Opvallend is de aanwezigheid van enkele grotere recreatieve voorzieningen, in de vorm van (gecombineerde) recreatieparken, Toverland, camping (Schatberg) en een aantal golfbanen. Deze liggen voornamelijk nabij de Midden Peelweg en de Maas. Het grootste deel van het landschap wordt agrarisch gebruikt. Deze bedrijven bepalen voor een belangrijk deel het beeld in het buitengebied. Verspreidt over het landschap komen grotere en kleinere clusters van glastuinbouwbedrijven voor. Met name het gebied tussen America, Meterik, Horst en Hegelsom is om die reden ‘versnipperd’. De gemeente Horst aan de Maas is via het bovenlokale wegennet goed bereikbaar. De A73, die door de gemeente loopt, vormt in noord-zuidrichting de belangrijkste ontsluitingas (enerzijds richting Nijmegen en anderzijds richting Roermond/Maastricht).
In de gemeente liggen twee op- en afritten van deze snelweg (nummers 10, 11). Voorts hebben in noord-zuidrichting de provinciale Midden Peelweg (N277) en de voormalige provinciale weg (N555), die de Maasdorpen verbindt, een belangrijke functie. In oost-westrichting vormt de A67 een belangrijke ontsluitingsas (enerzijds richting Eindhoven en anderzijds richting Duisburg). Deze autosnelweg raakt aan de zuidzijde de gemeentegrens. Het knooppunt Zaarderheiken (A67-A73) en de op- en afritten 38 en 39 zijn voor de gemeente de voornaamste aansluitings- punten richting het lokale wegennet. In oost-westrichting heeft de provinciale weg ten zuiden van Venray (N270) in regionaal verband een belangrijke functie.
ALGEMEEN De gemeente Horst aan de Maas bestaat uit 16 dorpen: America, Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Evertsoord, Griendtsveen, Grubbenvorst, Hegelsom, Horst, Kronenberg, Lottum, Meerlo, Melderslo, Meterik, Sevenum, Swolgen en Tienray. Horst is het grootste dorp met 12.620 inwoners en Evertsoord met 265 inwoners de kleinste. Een groot deel van de kleine dorpen bevindt zich in het rivierdallandschap. Grubbenvorst vormt hierop, als een van de drie grotere dorpen, een uitzondering. In het zandgrondenland- schap komen de grootste dorpen Horst en Sevenum voor. In het hoogveen- ontginningenlandschap ligt Griendtsveen en in de nabijheid daarvan Evertsoord.
Ook per spoor is de gemeente goed bereikbaar. Twee spoorlijnen (Venlo- Eindhoven en Venlo-Nijmegen) doorkruisen de gemeente. De gemeente kent een NS-Station (HorstSevenum) op de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Verder wordt een haalbaarheidsonderzoek gedaan naar station Grubbenvorst. De Maas vormt de oostelijke grens van de gemeente. Deze rivier is belangrijk voor de economie en het toerisme van het gebied en is een belangrijke vaar- route. Via het water is de gemeente echter niet direct ontsloten. De Maas heeft - voor de gemeente - met name een toeristische functie. In de buur- gemeenten Venray (Wanssum) en Venlo zijn containerhavens aanwezig. De gemeente beschikt via een drietal veerponten (in Broekhuizen, Lottum en Grubbenvorst) over een verbinding naar de overzijde van de Maas. (Bron: Structuurvisie Horst aan de Maas)
18
SPECIFICATIE PER TAAKVELD
als gevolg te hebben. Deze preventieve activiteit sluit aan op de doelstelling uit de Landelijke handhavingstrategie, die in dit beleid is opgenomen.
SPECIFICATIE MILIEU Binnen het bedrijvenbestand bevinden zich enkele grotere industriële en agrarische bedrijven, waarvan enkelen meer dan gemiddeld aandacht hebben in verband met aanhoudende geuroverlast (mestverwerkers). De uitvoering van de Milieutaken is ondergebracht bij de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord (RUD LN). Daarnaast zijn er veel zacht fruittelers welke aanzienlijk bijdragen aan geluidsoverlast (knal apparatuur). Hiervoor is specifiek beleid ontwikkeld.
SPECIFICATIE APV EN BIJZONDERE WETTEN Binnen het taakveld APV en bijzondere wetten wordt toezicht gehouden op verschillende terreinen. Voorbeelden hiervan zijn: ● controle (coördinatie) vóór en tijdens (grotere) evenementen; ● controle op het onjuist aanbieden en/of storten van afval in de openbare ruimte; ● controle op het onjuist plaatsen van objecten op en langs de openbare weg; ● controle op illegale reclame langs de openbare weg; ● controle op parkeerexcessen buiten zone-parkeren; ● controle op hondenoverlast.
SPECIFICATIE BOUWEN EN WONEN & RUIMTELIJKE ORDENING In de gemeente Horst aan de Maas worden jaarlijks ruim 400 omgevingsvergunningen aangevraagd. Het grootste gedeelte van de aangevraagde omgevingsvergunningen heeft betrekking op de activiteit “bouwen”. Verder zijn er aanvragen en of meldingen gedaan die betrekking hebben op sloop, monumenten/archeologie, omgevingsvergunningen voor werken of werkzaamheden en overige activiteiten die vallen onder bouwen en wonen en ruimtelijke ordening. Tijdens de aankomende beleidsperiode is er sprake van de overgang naar de Omgevingswet. Hierdoor kan er een toename zijn van vergunningsvrij bouwen. Het aantal vergunningplichtige activiteiten kan afnemen. Momenteel is er ook sprake van de stikstof- en PFAS-problematiek, met gevolg dat er met name voor grote bouwprojecten er een extra aandachtspunt is voordat deze gerealiseerd kunnen worden. Toezicht en handhaving krijgt een andere vorm (in veel opzichten nog onduidelijk) onder de “Wet kwaliteitsborging bouwen”. Dat betekent een volledig andere werkwijze voor het bouw- en gebruikstoezicht. De komende beleidsperiode willen wij gebruiken om ervaring op te doen en onze processen te borgen binnen de Omgevingswet.
SPECIFICATIE BRANDVEILIGHEID (BOUWWERKEN EN EVENEMENTEN) Het objectenbestand van onze gemeente, waarmee de veiligheidsregio (VRLN) uitvoering geeft aan de uitvoeringsovereenkomst bestaat uit objecten en evenementen met een verhoogd risico, zoals vergunning- en melding plichtige bouwwerken brandveilig gebruik, evenementen, gebruik brandbeveiligingsverordening en bouwwerken algemeen gebruik. Deze laatste categorie objecten bestaat voor een groot deel uit gebouwen welke opgenomen zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het objectenbestand, waarvoor de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk is, wordt continu geactualiseerd. Naast toezicht zet de VRLN gerichte communicatie over veiligheid in. Daarbij wordt actief en gericht gewerkt aan bewustwording over veiligheid, bieden van handelingsperspectief en uiteindelijk gedragsbeïnvloeding. Daarmee wordt beoogd incidenten te voorkomen en, als die plaatsvinden, minder slachtoffers en minder schade
De gemeente is ook verantwoordelijk voor de uitvoering van de Alcoholwet. De burgemeester is daarin bevoegd gezag voor de vergunningverlening, het toezicht op de naleving en de handhaving van de wet- en regelgeving. Daarnaast vallen meerdere bijzondere wetten binnen dit onderwerp. Zoals de Wet op de Kansspelen, Marktverordening, standplaatsenverordening, Winkeltijdenwet, Huisvestingswet 2014, Wet Bibob, Opiumwet, Vuurwerkbesluit, Wet basisregistratie personen (BRP), Wegenverkeerswet 1994 en de Wet op de kansspelen (WOK). ONDERBOUWING PRIORITEITEN
METHODIEK RISICOMODEL Centraal in de systematiek van het risicomodel staat de formule: Effect (negatief effect - gevolg) X Kans (de kans dat dit effect voorkomt – naleefbeeld, overtredingenbeeld) = Risico Deze formule is een internationaal geaccepteerde en veel gebruikte methode om een adequate inschatting te kunnen maken van de benodigde prioriteit van (onder andere) handhavingstaken. Het risico wordt berekend door de scores van het negatief effect te vermenigvuldigen met de kans op niet naleving. De volgende aspecten worden gescoord: • effect: hoe groot zijn de negatieve gevolgen als regels niet worden nageleefd; • kans: op niet-naleving: hoe groot is de kans dat een doelgroep de regels niet naleeft? De elementen Effect en Kans zijn opgebouwd uit een aantal thema's en variabelen. De thema’s zijn standaard van toepassing op elk taakveld, ook kunnen er nog variabelen binnen een thema zijn welke per taakveld verschillen.
19
De negatieve effecten die zich kunnen voordoen zijn vertaald naar de volgende gebieden.
RISICO’S Effecten C R I T E R I A
Naleving
Volksgezondheid
Attitude
Duurzaamheid
Naleving
Fysieke veiligheid
Ervaringscijfers
• • • •
Volksgezondheid (gebruik toxische stoffen, locatie met asbest, emissie naar lucht); Duurzaamheid (bodem, water, lucht, natuur, klimaat, circulariteit); Fysieke veiligheid (gevaar indicatie VNG, opslag en gebruik gevaarlijke stoffen); Sociale kwaliteit (overlast & leefbaarheid (overlast als gevolg van geur, geluid, licht, stof en verkeer);