CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Brief inwoner n.a.v. onderzoeksrapport slavernijverleden Hoorn

Algemene Raadscommissie - Raadzaal 14 november 2023, gemeente HoornBij agendapunt: Meningvormende bespreking procesvoorstel vervolgonderzoek slavernijverleden Hoorn (Portefeuillehouder Nieuwenburg)2.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Onderzoeksrapport Slavernijverleden van Hoorn De samenstelling van het hedendaagse stadsbestuur is het resultaat van een modern democratisch proces. In de 17e, 18e en tot ver in de 19e eeuw lag dat heel anders. Het stadbestuur was toen het overlegorgaan van een groepje oligarchen. Dat wordt ook door de onderzoekers van het slavernijrapport onderkend. Zij schrijven: ‘Tot het aantreden van burgemeester Van Dedem in 1875 kwamen de Hoornse burgemeesters steeds uit lokale elitaire families.’ De onderzoeksvraag had daarom beter gericht kunnen zijn op de stads-elite, niet op de stads-bestuurders. Het huidige stadsbestuur trekt daarmee een verantwoordelijkheid naar zich toe die niet de zijne is. Verder stelt het rapport: ‘De laatste jaren zijn verschillende lokale en regionale overheden en ook de rijksoverheid tot het besef gekomen dat het koloniale en slavernijverleden in de geschiedschrijving tot nog toe te eenzijdig wordt belicht.’ Dat klopt. Het slavernijverleden wordt momenteel vooral bezien vanuit de positie van de (nazaten van de) zwarte slachtoffers met de focus op het leed hen aangedaan door de (toenmalige) witte daders. In de gesprekken wordt eenzijdig uitdragen van informatie niet geschuwd, ook door enkele gemeenteraadsleden niet, en opgeklopt met verontwaardiging en emotie. Ik wil ver blijven van de discussie over het beeld van J.P. Coen, gouverneur-generaal van de VOC.

Mede daarom focus ik op de WIC. Daarbij valt in de Nederlandse context een sleutelrol vast te stellen voor het land Ghana (waar de voorouders van veel zwarte Surinamers woonden) en het (Nederlandse) slavenfort Elmina, belangrijke schakels in de handel in (zwarte) mensen. Op de rol van de Nederlanders hierin valt niets af te dingen, die rol is bekend en was niet fraai (Brandmerken!). Maar: hoe kwamen deze Nederlanders aan hun slaven? Zij kochten hun slaven van inheemse stammen in Ghana, het land waar slavenhandel en slavernij al vijftien eeuwen normaal was. De

‘tot slaaf gemaakten’ werden tot slaaf gemaakt door hun zwarte broeders, en door hen verkocht. Over de inheemse slavernij en slavenhandel in Ghana is al in 2004 een 288 pagina’s dik onderzoeksrapport verschenen (ISBN 978 9988 550 32 5), geschreven door mevrouw Akousua Adoma Perbi. Zij doceert geschiedenis aan de Universiteit van Ghana, haar specialiteit is slavernij. Hieronder een (uitgebreide) samenvatting van haar bevindingen. INHEEMSE SLAVERNIJ IN GHANA. Inheemse slavernij in Ghana gaat terug tot de steen- en ijzertijd, zo rond de 1e eeuw. Het werd een vast onderdeel van de economie en cultuur ten tijde van de ‘staatsvorming’. Door een steeds meer voorkomende sedentaire levensstijl ontstonden er dorpen met een sociale en politieke organisatie waarbij slavernij en slavenhandel een vast onderdeel waren. Slaven werden gebruikt als huishoudelijk personeel, in individuele huishoudens, heiligdommen en paleizen. Slaven werden gebruikt in handel en distributie. Als dragers, als handelsagent, inkoper, verkoper. Karavanen voor de lange afstand omvatten 1.000 tot wel 2.000 mensen. Slaven werden gebruikt voor de seks en voortplanting. In alle regio’s van Ghana werden vrouwelijke slaven gebruikt voor de seks en om nakomelingen te baren. Vrouwen waren daarom ook duurder in aanschaf dan mannen. In veel gevallen werd de slavin de vrouw of concubine van haar eigenaar.

Kinderen die uit die relatie voortkwamen werden gezien als het kind van de eigenaar. Mannelijke slaven werden ingezet om bij koninklijke vrouwen kinderen te verwekken met bepaalde kenmerken. Als dat gelukt was werden de mannen vaak vermoord.

Slaven werden gebruikt door het leger. Behalve in het gevecht werden slaven ingezet om water te halen, hout te sprokkelen, voedsel te regelen en kleding, voor koeriersdiensten. Voor vrijwel alles, behalve commandoposten. Op een populatie van 1 miljoen Ashanti waren naar schatting 350.000 krijgers waarvan het grootste deel slaven. Slaven werden gebruikt als offer. Vrijwel elke etnische groep in Ghana deed aan religieus gemotiveerde mensenoffers. Gewone mensen offerden meestal eieren, kippen of schapen. Koningen en stamhoofden offerden ook mensen. In 1817 offerde een Ashanti koning 280 gram goudstof en 3 of 4 slaven. In 1870 tijdens de Adae-viering werden 70 slaven geofferd. Rond 1880, bij de dood van de moeder van Opoku werden 200 slaven geofferd. In 1887, bij de dood van de oom van een Ashanti leider: 200. Ook bij de herinnering aan de dood van een belangrijk persoon werden slaven geofferd. Het aantal hing samen met de status van de overledene. Slaven werden gebruikt in de landbouw. Kleine boerderijen zowel als plantages maakten gebruik van mannelijke en vrouwelijke slaven. De ploeg was onbekend en dieren werden niet ingezet voor de landbouw. Slaven werden gebruikt voor het verzamelen, bijvoorbeeld van kolanoten. (De kolanoot werd een van de belangrijkste exportproducten ten tijde van de trans-Saharahandel.

Vanwege drie eigenschappen: onderdrukken van het honger gevoel, onderdrukken van dorst, onderdrukken van slaapbehoefte. Van grote waarde voor hen die de barre omstandigheden langs de handelsroute door de woestijn moesten weerstaan. Met name voor moslims, die geen alcohol of tabak mochten gebruiken.) Slaven werden gebruikt als veehoeders. Slaven werden gebruikt als jagers. Wild werd gejaagd (hoofdzakelijk) vanwege het vlees. Olifanten voor hun ivoren slachttanden. Slaven werden gebruikt om te vissen. Binnenslands in meren en rivieren, aan zee dicht langs de kust of in open water.

Slaven werden gebruikt in de industrie. Slaven werden gebruikt als mijnwerkers om goud te delven (zo’n 40.000 per jaar in de topjaren). De productie van goud was geheel in handen van Ghanese koningen, stamhoofden (en enkele individuen). Vonden Europeanen goud in de grond dan werd die grond door een inheemse priester onmiddellijk heilig verklaard en de Europeanen verbannen. Slaven werden gebruikt in de ijzerwinning. Vanaf de 4e eeuw werd ijzererts gewonnen en gesmolten in ovens, gebouwd en bediend door slaven. Slaven werden gebruikt in de zoutwinning. Slaven werden gebruikt in de rubberproductie. Tappen, bewerken, transporteren en verhandelen was allemaal slavenwerk. Slaven werden gebruikt in kunst en ambacht. Pottenbakken, manden vlechten, stoffen weven, houtsnijwerk, metaal bewerken/smeden, zeep maken, kralen maken, leer bewerken. Wat deze opsomming aantoont is dat slavernij in Ghana breed was geaccepteerd. Het was een essentieel onderdeel van de nationale economie, de Ghanese maatschappij was ervan afhankelijk. Oorlogen leverden krijgsgevangenen op die steevast in slavernij belandden. Vele van deze oorlogen kwamen voort uit door trots gedreven agressie, zucht naar gebiedsuitbreiding en vergelding. Mensen kidnappen en als slaaf verhandelen werd een geaccepteerd beroep. In het Ghanese binnenland hadden vrijwel alle regio’s in Ghana slavenmarkten, in totaal ruim zestig.

Die waren bereikbaar via negen belangrijke slavenroutes die uitwaaierden van Kumasi, de hoofdstad van het Ashanti-volk. (De Ashanti waren de grootste slavenhandelaars en slaveneigenaars in Ghana. Zij roofden jaarlijks mensen weg bij hun buurvolk, de Peki, als de grensrivier laag stond.) Deze routes waren toegankelijk voor de slavenhandelaren die voor de stamleiders handel dreven, voor handelaren die voor zichzelf werkten en privé personen. Niemand werd uitgesloten.

Met de succesvolle groei van de landbouw groeide ook de internationale handel en na de opkomst van machtige Moslimstaten (v.a. het jaar 650) nam het belang van de trans-Saharahandel toe. De Ghanezen ruilden hun goud tegen struisvogelveren, kralen, schelpen, parfum, huiden/leer, paarden en slaven. Ook ontwikkelde Ghana handel langs de kuststrook, van Senegal tot Nigeria en ook daar werd goud geruild tegen, onder meer, slaven. Slaven leefden veelal met hun eigenaren in hetzelfde huis. Had een uitzonderlijk rijke eigenaar een uitgebreid gebied onder zijn beheer dan woonden slaven op afstand in eigen huisjes, dicht bij de akkers. In paleizen hadden slaven hun eigen vertrekken. Slaven hadden bepaalde rechten. Recht op voedsel, kleding, huisvesting, trouwen, eigen inkomen verdienen, rechtszaak beginnen, getuigen en, opvallend, zelf slaven aanschaffen. Maar slaven hadden veel meer plichten. Een slaaf kon geofferd worden. Een slaaf droeg een stigma. Een slaaf moest zich naar zijn minderwaardige status kleden. Een slaaf kon geweigerd worden in en door het gezelschap van vrije mannen en vrouwen. Slaven moesten harder werken dan vrije mensen. Slaven werden niet geacht zelfstandig beslissingen te nemen. Persoonlijk eigendom viel, bij overlijden van de slaaf, toe aan zijn/haar eigenaar.

Een slaaf werd niet fatsoenlijk begraven maar, weloverwogen, ‘oneervol’ en vaak gewoon achtergelaten op een veld voor de aaseters. AFSCHAFFING VAN DE INHEEMSE SLAVERNIJ IN GHANA De afschaffing van de inheemse slavernij was een moeilijk, traag en pijnlijk proces. Het systeem dat al eeuwenlang onderdeel uitmaakte van het politiek, sociaal en economisch leven was niet in één keer teniet gedaan. De auteur onderscheidt hierin vier opeenvolgende stadia. Eerste stadium (1807-1873) De Britten schaffen de Atlantische Slavenhandel af en concentreerden zich daar op. De nieuwe wetten golden met name voor de Britse

(kust)gebieden en voor Britse onderdanen. Inheemse slavernij werd getolereerd en/of genegeerd. Tweede stadium (1874-1896) De Britten verbieden aankoop, verkoop en verpanden van mensen. Maar de handel in slaven, Atlantisch zowel als inheems, ging toch door. Derde stadium (1896-1908) Afschaffing werd ook opgelegd in Ashanti-land en de Noordelijke territoria. De Britten tolereerden het instituut slavernij maar verboden het openlijk kopen en verkopen van slaven. Vierde stadium (1908-1928) Op 22 juni 1908 werd ‘The Abolition of Slavery Declaration Ordinance’ bekend gemaakt. De wettelijke status als slaaf werd afgeschaft. Geen enkel rechtsprekend lichaam in het land kon meer een rechtszaak voeren als die gebaseerd was op de aanname dat iemand een slaaf zou zijn. Dit leidde onmiddellijk tot protesten, met name van de Ashanti. NAWEEEN In 1908 en 1911 werden nog een aantal overtreders van de antislavernijwet tot 7 jaar gevangenisstraf veroordeeld. In 1918 eiste een vrouw dat zij kon terugkeren naar haar geboorteland. Het stamhoofd, haar ‘eigenaar’, wilde dat niet toestaan omdat hij vreesde dat al zijn andere slaven haar voorbeeld zouden volgen. In 1921 wilde een Nkawie-man een familielid uit slavernij verlossen. De ‘eigenaar’ weigerde met het argument dat hij deze man gekocht had van een andere dan de Nkawie-stam.

De eenvoudigste manier om je vrijheid te verwezenlijken was je aan te sluiten bij de ‘Basel Mission Church’. In 1927 protesteerden de stamhoofden heftig bij de Britse autoriteiten omdat hun onderdanen dan hun plicht verzaakte. Dat bezwaar gold niet als het om vrije mensen ging, maar wel als het ‘bevrijde slaven’ betrof.

DE INVLOED VAN DE EUROPEANEN De eerste Europeanen in Ghana (1471, de Portugezen) namen deel aan de bestaande handel in de kuststreken. Zij fungeerden als handelsagenten en vervoerders voor allerhande goederen (katoenen stoffen, panterhuiden, palmolie, schelpen én slaven) uit West Afrika naar Ghana, in ruil voor goud. Dit duurde ongeveer een eeuw. De Portugezen brachten hun handelswaar naar hun fort El Mina (gebouwd in 1482, later door de Nederlanders veroverd). De plaats Elmina, oorspronkelijk een klein vissersplaatje, groeide daardoor uit tot een belangrijke handelsplaats. De handel met de Europeanen beïnvloedde het Ghanese economisch beleid. Door het succes van de landbouw en handel konden een aantal Ghanese families en stammen zich verrijken. Zij gebruikten hun macht om handelscontacten met de Europeanen vorm te geven. In hun streven naar meer Europese goederen begonnen zij slaven te roven om in de goudmijnen aan het werk te zetten. Van de 15e tot halverwege de 17e eeuw was goudexport een belangrijke handelsactiviteit. De vraag naar goud intensiveerde de inheemse slavernij, er werden steeds meer slaven ingezet om goud te delven. Ghana heeft van de 1e tot de 15e eeuw veel slaven geïmporteerd voor ‘binnenlands gebruik’ en betaalde daarvoor dus met goud. Rond 1650 kantelde de Europese vraag (vanwege de kolonievorming in de wereld) van goud naar slaven.

De ‘Goudkust’ veranderde (bij wijze van spreken) in ‘Slavenkust’. Ghana werd nu de leverancier van slaven. De winstgevendheid van de inheemse slavenhandel en de Atlantische slavenhandel was groot. Hebzucht droeg bij aan een verharding in de Ghanese maatschappij. Slavernij werd als straf vaker opgelegd bij overtredingen waarbij eerder een boete voldeed. Omdat, uit angst voor opstand, de inheemse slavengemeenschap niet groter mocht worden dan die van de vrije mensen reguleerde men de aantallen door boventallige slaven aan de Europeanen te verkopen.

Oorlogsvoering, mede om krijgsgevangenen te generen die als slaaf verkocht konden worden, nam toe. Het leveren van buskruit en vuurwapens had invloed op het aantal en de aard van deze oorlogen. Ook het kidnappen van mensen (Slave-raiding) nam toe. Tot zover het rapport van mevrouw Akousua Adoma Perbi. CONCLUSIE De trans-Atlantische slavenhandel leidde niet tot de uitvinding van de zwarte slavernij, die bestond toen, in Ghana, al 15 eeuwen. De twee systemen bestonden vanaf ongeveer 1650 naast elkaar en hielden elkaar in stand. De Europeanen hebben er met name schaalgrootte en geografische spreiding aan toegevoegd. En tenslotte: afschaffing. Want in 1807 verbood Engeland de slavenhandel. Vervolgens werd in 1835 de slavernij door het Britse parlement verboden. Ondanks Britse pogingen tot handhaving bleken beide verschijnselen nogal hardnekkig. Het duurde tot 1928, dus zo’n honderd jaar, voordat de laatste verschijnselen van slavenhandel en slavernij uit het openbare leven in Ghana verdwenen waren. Tijdens de dialoogavond (6 september) en tijdens de Commissie vergadering van de gemeenteraad (12 september) werd veelvuldig gewezen op het belang van educatie. In het kader van deze veel genoemde educatie is het goed om van het rapport van mevrouw Akousua Adoma Perbi kennis te nemen.

Dit alles wetende lijkt de betrokkenheid van het toenmalige ‘Hoornse stadsbestuur’ (het groepje oligarchen dat toen de dienst uitmaakte) bescheiden. Hoornse ‘ondernemers’ zijn, in een periode van ongeveer 200 jaar, betrokken geweest bij het verhandelen van 17.000 ‘tot slaaf gemaakten’. In diezelfde periode werden in Elmina ongeveer 200.000 zwarte mensen op de markt gebracht - door hun zwarte broeders. Het leed dat daarmee werd aangericht wordt er niet minder om. Wel kantelt het perspectief in dit gevoelige dossier als we willen vaststellen wie de ‘daders’ waren.

Laat daarom niet de emoties rond slavenhandel en slavernij leidend zijn voor het gemeentebeleid in dezen. Zeker niet als die geuit worden door (actie)groepen die zich eenzijdig informeren en zich niet minder eenzijdig uiten. Laten we onze aandacht en energie richten op de hedendaagse problemen rond (institutionele) discriminatie en daar verandering in brengen. Kennis vergaren, educatie, lijkt mij daarbij een goed begin. Klaas M. Bisschop Zwaag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=6f9c9aff-d7ac-4048-96a4-cd7575d1ee57