bijlagen 1-7 bij motivering TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
Bijlagen motivering Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan
59
SEP 2025
Bangert en Oosterpolder BEELDKWALITEITSPLAN FASE 5B-ZUID
INHOUDSOPGAVE 0
INLEIDING
3
1
GEBIEDSINFORMATIE
4
2
HET STEDENBOUWKUNDIGPLAN Ambities van het plan Het stedenbouwkundigplan
10 12
3
BEELDKWALITEIT BEBOUWING
14
1.1
2.1 2.2
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Fase 5B-Zuid
Bebouwing en architectuur Hoogte en daken Hoeken en accenten Rooilijn en tuinen Erfafscheidingen Duurzaamheidsambities
6
8
16 24 26 28 30 32
INLEIDING De wijk Bangert en Oosterpolder is een grootschalige planontwikkeling in de noordoostelijke hoek van de gemeente Hoorn. Al sinds het begin van dit millennium wordt het gebied gefaseerd ontwikkeld. Fase 5B-Zuid ligt ten zuiden van Fase 5B-Noord en vormt hier als het ware een verlengstuk van. Het streven voor heel fase 5 is een wijk die een samenhangende buurt vormt tussen de Bangert en de Westerblokker. Dat betekent dat de buurten herkenbaar zijn met hun eigen karakter en inrichting. Dit komt tot uiting in een eigentijdse vertaling van lokale en landelijke bouwstijlen, veel individualiteit binnen de woningen en diversiteit voor kapverdraaiingen en een verspringende rooilijn. Dit beeldkwaliteitsplan is een uitwerking van het moederbeeldkwaliteitsplan voor het zuidelijke deel van fase 5B. Dit document is de onderlegger voor ruimtelijke regels die worden gesteld over het uiterlijk van bouwwerken in het Omgevingsplan gemeente Hoorn en vormt samen met het moederbeeldkwaliteitsplan het toetsingskader voor de Ruimtelijke adviescommissie (RAC). Aan de beelden die in dit beeldkwaliteitsplan worden weergegeven kunnen geen rechten worden ontleend. De beelden geven een toelichting op bepaalde aspecten of geven de sfeer van de wijk weer. Het kan voorkomen dat de beelden niet helemaal voldoen aan de gewenste beeldkwaliteitseisen.
3
1.
gebiedsinformatie 1.1 FASE 5B-ZUID
1.1 FASE 5B-ZUID FRUITTEELT IN BANGERT EN OOSTERPOLDER De Bangert is van oorsprong een fruitteeltgebied dat tussen Blokker en Westwoud/Oudijk ligt. De naam ‘Bangert’ is de Westfriese benaming voor boomgaarden. De fruitteelt in het gebied begon rond 1600 en behoort samen met de Betuwe tot de oudste fruitteeltgebieden van Nederland. In de 17e eeuw kwam de fruitteelt tot bloei doordat de Unjer plant sterk kwam opzetten in de weilanden waar tot dan toe vee graasde. Unjer is voor koeien zeer moeilijk verteerbaar en om deze reden schakelden boeren over op de fruitteelt. De percelen van de fruitgaarden zijn ongeveer 20 meter breed en omgeven door sloten. In die tuinen stonden veel hoogstambomen met vaak bessenstruiken. Alle hoogstambomen werden omstreeks 1950 gerooid. De voornaamste redenen hiervan waren economische (machinaal plukken kwam op en laagstambomen hadden een snellere productietijd). Ook werd het plukken te gevaarlijk werk en waren de bomen te hoog om het fruit goed te kunnen bespuiten, zoals toen gebruikelijk was geworden.
BEGRENZING Het plangebied is ongeveer 744 hectare. Het bestaat nu voornamelijk uit weilanden en was ooit onderdeel van het fruitteeltgebied de Bangert. Het plangebied grenst in het zuiden aan het cultuurhistorische lint Westerblokker. In het westen ligt de fase 5A-Zuid. Aan de noordzijde sluit het plangebied aan op fase 5B-Noord en in het oosten grenst het aan de Noorderdracht in Drechterland. THEMAGEBIED Fase 5B-Zuid maakt deel uit van het themagebied Hoge Hemen, zoals beschreven in het structuurplan Bangert en Oosterpolder uit 1999. Hemen kan ook worden vertaald naar huis/thuis. De Hoge Hemen worden dus vertaald naar ‘‘de hoger gelegen huizen’’. Het Hoge Hemen wordt gekenmerkt door groene openbare ruimtes die zijn omringd door woningen. De groenstructuren zijn zo groot mogelijk opgezet waarbij versnippering van groen niet wenselijk is. De woningen in de Hoge Hemen zijn, waar mogelijk, gericht op het openbare groen.
Hoewel de fruitteelt in de Bangert vanaf 1950 sterk terugliep, kan men vandaag de dag aan overgebleven kassen, fruitbomen en tuinen nog zien dat er vroeger fruit werd geteeld.
Ligging wijk Bangert en Oosterpolder in Hoorn 6
Ligging fase 5B-Zuid in de wijk Bangert en Oosterpolder
IJsselweg
De Strip
Fase 5B-Noord
Weste rb
lokker
2. het stedenbouwkundigplan 2.1 AMBITIES VAN HET PLAN 2.2 HET STEDENBOUWKUNDIGPLAN
9
2.1 AMBITIES VAN HET PLAN
10
Bestaande delen van de Kieftsloot behouden in de verkaveling
Het water wordt als fysieke scheiding gebruikt tussen de nieuwe fases en de omliggende bebouwing.
De woningen zijn met de voorzijde naar De Strip toe gericht.
Het karakter van de wijk is dorps met een groen verblijfsgebied.
Alle bebouwing is in het plan naar de hoofdstructuur toe gericht.
Er wordt ingezet op ruime groene entrees bij de langzaamverkeersverbindingen van/naar de omliggende wijk/lint.
Het water is doorvaarbaar en wordt zoveel mogelijk aangesloten op het regionale netwerk.
Doorvaarbare bruggen en duikers hebben een minimaal maat van 1.10m x 2.50m over de hoofdwaterstructuur.
De tuinen aan het water kunnen worden verlaagd om de relatie met het water te versterken.
Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en genuanceerde Noord-Hollandse kleuren.
In het gebied worden zoveel als mogelijk aan waterberging gedaan doormiddel van vijvers en wadi’s.
Er wordt zoveel mogelijk openheid naar de omgeving gecreëerd door o.a. transparante gevels, erkers en een veranda of pergola bij de voordeur.
Het plan kent een weelderige differentiatie aan kleinere bloeiende bomen.
De woningen zijn voorzien van details zoals roederamen, gootlijsten, dakoverstekken en topgevels.
Het groen is een aaneengesloten gebied en geen losse kleine stukjes groen.
Het openbaar groen is de hoofddrager van de wijk. De architectuur gaat hierbij een relatie aan met het openbaar groen.
2.2 HET STEDENBOUWKUNDIGPLAN Fase 5B-Zuid is een van de laatste fasen van de ontwikkeling van de Bangert en Oosterpolder. Deze fase sluit aan bij karakter en opzet van fase 5B-Noord die zich ten noorden van het plan bevindt. FASE 5B-ZUID De wijk Bangert en Oosterpolder beschikt over een algeheel karakter dat getypeerd wordt door de sfeer “tussen stad en land”. In aansluiting op het karakter van de vorige buurten is het dorpse karakter voor de buurt 5B-Zuid verder uitgewerkt. De buurt sluit op hoofdlijnen aan bij het karakter en opzet van 5B-Noord. Echter, er zijn nuances aangebracht, waardoor de buurt zich onderscheidt en uniek maakt. Dit vertaalt zich in een plan die in architectuur en sfeer verwijst naar het vroegere fruitteeltgebied met een eigentijdse interpretatie en uitstraling. De architectuur en materialisatie is een verzachting, wat ervoor zorgt dat deze vriendelijker en natuurlijker oogt. De stedelijke en formele uitstraling van De Strip wordt behouden en doorgezet. Zo sluit iedere buurt aan bij dit algehele karakter van de wijk Bangert en Oosterpolder, maar is er ook diversiteit te herkennen. Zo heeft de buurt 5B-Zuid een unieke beeldkwaliteit. Langs De Strip wordt ruimte gecreëerd voor een verbijzondering door middel van rug-aan-rugwoning, waardoor je ook een doorkijk krijgt naar het achterliggende tuindersgebied.
Een beeldbepalende toevoeging in deze buurt is de open uitstraling van woningen naar de groenzone. Deze loopt als ruggengraat door de buurt. Pergola’s, veranda’s en meeontworpen luifels sieren hier aan de voorgevel. De open uitstraling vanuit de woning naar het groen gebied toe wordt door deze ingrepen optimaal. Op deze manier wordt de levendigheid en gebruikskwaliteit van de groenzone vergroot.
12
De buurt heeft een diverse opzet van grondgebonden woningen. Langs de groene ruggengraat in de buurt komt de meer stedelijke opzet van woningen langs De Strip en een meer landelijke opzet van het achterliggende gebied samen. De rug-aan-rug woningen vormen een bijzondere special. Deze woningen zijn een belangrijke toevoeging aan de wijk. Aan de kopgevels vindt een verbijzondering van de bebouwing plaats. Aan de rand van de wijk worden er woningen aan het water ontwikkeld, waarbij een goede connectie met het water wordt gemaakt. De doorvaarbare waterwegen zijn in de Bangert en Oosterpolder met elkaar verbonden. Dit maakt het aantrekkelijk om op en aan het water te verblijven.
3.
Beeldkwaliteit bebouwing 3.1 BEBOUWING EN ARCHITECTUUR 3.2 HOOGTE EN DAKEN 3.3 HOEKEN EN ACCENTEN 3.4 ROOILIJN EN TUINEN 3.5 ERFAFSCHEIDINGEN 3.6 DUURZAAMHEIDSAMBITIES
3.1 BEBOUWING EN ARCHITECTUUR Fase 5B-Zuid valt binnen het themagebied Hoge Hemen. Binnen dit themagebied wordt gestreefd naar een dorps karakter die aansluit op de rest van de wijk Bangert en Oosterpolder. De typerende sfeer ‘tussen stad en land’ wordt ook binnen deze fase toegepast. Ondanks dat er aansluitingen wordt gezocht met voorgaande fases, is een unieke en eigentijdse benadering wenselijk. DEELGEBIEDEN In fase 5B-Zuid wordt onderscheid gemaakt in drie deelgebieden. Deze deelgebieden hebben eigen beeldkwaliteitseisen. De deelgebieden met bijhorende eisen, sluiten aan op hetgeen dat in fase 5B-Noord is toegepast. De deelgebieden bestaan uit • De Strip • Het Tuinderhof • De Ringsloot EIGENHEID EN VERSCHEIDENHEID Fase 5B-Zuid ligt in het verlengde van de eerdere fase 5B-Noord. Aansluiting in karakter is hierbij een vereiste. Om binnen elke fase toch eigenheid en verscheidenheid te creëren, is het wenselijk om nieuwe elementen toe te voegen. Denk hierbij aan pergola’s en veranda’s, maar ook aan diversiteit in materialen en kleuren.
16
HET TUINDERHOF
Deelgebieden in fase 5B-Zuid. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleent.
DE RINGSLOOT
DE STRIP
DE STRIP In de wijk Bangert en Oosterpolder is De Strip de belangrijkste ontsluitingsweg. Veel buurten in de wijk worden via deze weg ontsloten richting de N307 (Westfrisiaweg) en de rest van de stad.
daarvan. De accenten zijn passend bij de terughoudende architectuur.
De woningen langs De Strip worden ontsloten door een parallelweg. Deze woningen liggen hier in een strakke rooilijn en hebben een begeleidende functie. De gevelwand heeft een formeel karakter. Dit vertaalt zich in een rustige ritmiek van raampartijen. Dit geldt voor de gehele Strip. Op deze manier vormen de randen aan De Strip een architectonisch geheel. Aan De Strip bevinden zich doorkijkjes naar het achterliggende Tuinderhof.
KLEURENPALET Het kleurenpalet aan materialen is nauwkeurig op elkaar afgestemd. Het metselwerk bestaat uit aardetinten van roodbruin tot bruingeel. De horizontale belijning aan De Strip wordt gekenmerkt door licht kleurgebruik van de daklijsten. Het kleurgebruik van de kozijnen sluit aan bij het metselwerk en hebben een terughoudend karakter. De daken in de buurt hebben een donkere, antraciet kleur, zoals in de hele wijk.
ALGEMENE BOUWREGELS 1. De bebouwing bestaat overwegend uit rijwoningen. Dit past bij de algehele uitstraling van De Strip. De bebouwingswand van rijwoningen is hier langer dan in het achterliggende gebied. De bebouwingswand bestaat uit maximaal tien aaneengesloten rijwoningen. Alternatieven die dezelfde ruimtelijke kwaliteit bieden zijn met de gemeente en de supervisor bespreekbaar. 2. Aan De Strip is een strakke rooilijn van toepassing. De gevel is daarbij geen identieke wand maar heeft een ritmiek met bijvoorbeeld gevelopeningen en accenten. 3. De voorgevel en de entrees van de woningen zijn georiënteerd naar De Strip. 4. De woningen bestaan uit twee lagen met een zadelkap. 5. De woningen hebben een gemetselde erfafscheiding op het voorerf, aansluitend bij kleurstelling de woning. MATERIAALGEBRUIK De bebouwing aan De Strip zijn overwegend voorzien van metselwerk. Door de toepassing van subtiele kleurverschillen in het metselwerk of diverse metselverbanden en steenformaten kunnen details worden aangebracht. Accenten in de bebouwing worden vormgegeven in hout, of een onderhoudsarme variant 18
De daken worden voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans) of van leisteen (kunstleisteen is toegestaan).
DETAILLERING Aan De Strip moeten accenten en detaillering de horizontale belijnen versterken. Deze elementen zijn in harmonie met de architectuur en hebben een rustige uitstraling. Het is daarnaast belangrijk dat er een bepaalde variatie is in de architectuur om een eenzijdig beeld te voorkomen. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen in metselwerk, subtiele kleurvariaties of mee ontworpen dwarskappen en dakkapellen. Deze middelen zijn niet beperkend en kunnen wisselend ingezet worden. Dakranden, hoeken en materiaalovergangen worden nauwkeurig gedetailleerd. Bij de daken is het niet toegestaan om een overstek te maken groter dan 0.50 m. Installaties, zoals een warmtepomp of airconditioning, worden in de architectuur mee ontworpen. Ze mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied. Ze dienen geïntegreerd te worden in de woning, garage of berging. Is dit niet mogelijk, dan moeten ze op het maaiveld op het achtererf uit het zicht te worden geplaatst.
Horizontale geleiding, houten elementen
Afwisseling in kleur bakstenen
Ritmiek en formaliteit doorzetten aan De Strip
Verzachting door licht kleurgebruik en hout
Muurtjes als erfafscheiding aan De Strip
HET TUINDERHOF In het Tuinderhof staat een mix van rij-, vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen. Gezamenlijk vormen deze woningen het hart van de wijk en geven ze de wijk een afwisselend straatbeeld. In de buurt worden ook rug-aanrug woningen toegevoegd en die bevinden zich op een belangrijke plek in de wijk met verschillende zichtlijnen, ook vanaf De Strip. Detaillering van de rug-aan-rug woningen is daarom erg belangrijk. De huizen rondom het hof nemen een bijzondere plek in en krijgen een extra uitstraling doordat de gevel op de begane grond zich hier opent met grote raampartijen of openslaande deuren en het gebruik van veranda’s, luifels en pergola’s. Het groene hof is de centrale plek van de wijk, maar vervult ook een belangrijke functie als het gaat om klimaatadaptatie en infiltratie van hemelwater. ALGEMENE BOUWREGELS 1. De woningen in het Tuinderhof hebben een meer ontspannen en informele sfeer dan de woningen aan De Strip. De bouwblokken zijn korter en worden sneller onderbroken. Het bouwblok mag dan ook niet langer zijn dan zes aaneengesloten rijwoningen. Een verspringende rooilijn wordt ook als onderbreking gezien. 2. Voorgevels richten zich naar het openbaar groen of anders de rijweg. Dit stimuleert de levendigheid en gebruikskwaliteit van de groenzone.
Voorkanten die gesitueerd zijn naar achtererven van woningen is niet toegestaan uitzondering zijn de rug-aan-rug woningen. 3. Langs de centrale groenstructuur waarin wandelroutes zijn opgenomen, grenzen voornamelijk voorkanten van woningen in combinatie met openslaande deuren, pergola’s, luifels en veranda’s. 4. Woningen staan niet in een strakke rooilijn, maar verspringt door het gebied om de natuurlijke setting van het Tuinderhof te versterken. 5. Alle woningen, met uitzondering van de rug-aan-rug woningen in het midden van het plan, bestaan maximaal uit twee lagen met een zadelkap. 20
MATERIAALGEBRUIK In het Tuinderhof wordt er voor de bebouwing gebruikgemaakt van metselwerk in combinatie met hout. Dit mag ook een onderhoudsarme variant zijn. Door de toepassing van kleurverschillen in het metselwerk of diverse metselverbanden en steenformaten kunnen details en accenten worden aangebracht. De daken worden, net zoals in de rest van de buurt, voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans), van leisteen (kunstleisteen is toegestaan) of zijn van riet (of een onderhoudsvrije variant daarvan). Een pergola, veranda of luifel zijn in het Tuinderhof een gewenste ontwikkeling voor de woningen die aan het openbare groen zijn gesitueerd. Het gebruik van natuurlijke materialen zoals hout zorgen voor een zachte aansluiting. Zachte en natuurlijke materialen zijn noodzakelijk om de gewenste beeldkwaliteit te behalen. KLEURENPALET Het kleurenpalet voor het Tuinderhof is een verzachting en nuance op de woningen van De Strip. Het metselwerk is in de range van roodbruin, bruin en geel. Dit mag gemêleerd zijn, maar een rustige, samenhangende uitstraling met de natuurlijke materialen is hierbij een voorwaarde. Kleurgebruik van kozijnen en daklijsten is passend bij de uitstraling van de gevel en benadrukken de individualiteit van de huizen, maar harmoniseren in het totaalbeeld.
Om een zachte uitstraling te waarborgen, is het belangrijk dat opvallende detaillering met een groot contrast wordt voorkomen. De daken zijn eenvoudig en hebben een donkere, antraciet kleur, zoals in de hele wijk. DETAILLERING Variatie in uitstraling is belangrijk voor een divers straatbeeld. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen in metselwerk, kleurvariaties of mee ontworpen erkers en dakkapellen. Deze middelen worden niet beperkt per woning en kunnen wisselend ingezet worden. Incidenteel kan er rondom de ramen een eigentijdse interpretatie van landelijke verbijzonderingen worden toegepast zoals luiken. De belangrijkste verbijzondering binnen
het Tuinderhof zijn de plaatsing van pergola’s, veranda’s en luifels aan de voorgevel. Deze elementen kunnen over de gehele gevel doorlopen. Dakranden, hoeken en materiaalovergangen zijn strak en ingetogen, maar worden nauwkeurig gedetailleerd. Traditionele afgetimmerde goten met ombouwde hoeken passen niet in een moderne vertaling van een landelijk karakter.
Luifels en pergola’s als verbijzondering van de woning
Kleurgebruik van kozijnen en daklijsten passend bij de gevel
Verbijzondering doormiddel van pergola’s
Installaties, zoals een warmtepomp of airconditioning, worden in de architectuur mee ontworpen. Ze mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied. Ze dienen geïntegreerd te worden in de woning, garage of berging. Is dit niet mogelijk, dan dienen ze op het achtererf recht achter de woning te worden geplaatst.
Natuurlijke materialen als accent of toevoeging in het straatbeeld
Rug-aan-rug woningen met een modern-landelijke utistraling
Open uitstraling door het gebruik van grote raampartijen.
DE RINGSLOOT De woningen in het deelgebied Ringsloot bestaan uit vrijstaande, en twee-ondereen-kap woningen. Alle woningen liggen met de achtertuinen aan de doorlopende waterstructuur. Het water is herkenbaar en beeldbepalend voor heel fase 5 van de wijk Bangert en Oosterpolder. De woningen in het deelgebied Ringsloot hebben een informeel karakter en geven een ontspannen sfeer aan de buurt. De connectie en samenhang van de woning met het water vormen een belangrijk uitgangspunt. De woningen zijn voorzien van moderne architectuur met veel gebruik van natuurlijke materialen zoals hout en glas. ALGEMENE BOUWREGELS 1. Bebouwing die langs het water is gevestigd, bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningbouw. De bebouwing heeft een individueel karakter. Op bepaalde locaties dient een verbijzondering te worden aangebracht. Deze verbijzonderingen zijn op logische plekken aangebracht, zoals op zichtlijnen.
KLEURENPALET Het kleurenpalet aan de Ringsloot sluit aan bij het informele en natuurlijke karakter van het Tuinderhof. Het kleurenpalet bestaat uit bruin tot geel. Daarnaast wordt het kleurenpalet aangevuld met een donkere teint baksteen. Metselwerk en hout wisselen elkaar af. Ook antracietgrijs voor houtaccenten mag in dit deelgebied worden toegepast. Het metselwerk mag een gemêleerde uitstraling hebben. In dit deel van de wijk wordt er ingezet op meerdere kleuren metselwerk waarbij er maximaal drie woningen naast elkaar dezelfde tint bakstenen hebben. Kleurgebruik van kozijnen en daklijsten is passend bij de uitstraling van de gevel en benadrukken de individualiteit van de huizen, maar harmoniseren in het totaalbeeld. De daken in het deelplan hebben een donkere, antraciet kleur of een rieten kap.
DETAILLERING Het is belangrijk dat er een bepaalde variatie is in de architectuur om een eenzijdig beeld te voorkomen. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen 2. De woningen liggen met de achterkanten naar in metselwerk, subtiele kleurvariaties of de ringsloot toe georiënteerd. De tuin zoekt mee ontworpen erkers en dakkapellen. Ook daarbij aansluiting met het water. kan er gedacht worden aan mee ontworpen uitbouwen en schoorstenen. Deze middelen zijn 3. Woningen hebben maximaal twee bouwlagen niet beperkend en kunnen wisselend ingezet met eenvoudige kapvorm, zoals een zadeldak. worden. Incidenteel kan er rondom de ramen Afknottingen zijn niet toegestaan. een eigentijdse interpretatie van klassieke verbijzonderingen worden toegepast zoals 4.De woningen staan niet in een strakke rooilijn. roedes of luiken. Traditionele afgetimmerde Dit versterkt het informele en vriendelijke goten met ombouwde hoeken passen niet in een karakter van de Ringsloot. moderne vertaling van een landelijk karakter. MATERIAALGEBRUIK Voor dit themagebied ligt het uitgangspunt voor materiaalgebruik op natuurlijke materialen zoals hout, dit mag ook een onderhoudsarme variant zijn, in combinatie met metselwerk. Door de toepassing van subtiele kleurverschillen en gebruik van materiaalwisselingen kunnen details worden aangebracht.
De daken worden, net zoals in de rest van de buurt, voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans), van leisteen (kunstleisteen is toegestaan) of zijn van riet (of een onderhoudsvrije variant daarvan). 22
Dakranden, hoeken en materiaalovergangen worden nauwkeurig gedetailleerd. Overstekken zijn toegestaan, mits deze meeontworpen worden met de moderne architectuur. Installaties, zoals een warmtepomp of airconditioning, worden in de architectuur mee ontworpen. Ze mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied. Ze dienen geïntegreerd te worden in de woning, garage of berging. Is dit niet mogelijk, dan dienen ze op het achtererf recht achter de woning te worden geplaatst.
Detaillering is zorgvuldig meeontworpen
Woningen met een architectonisch accent
Houten accenten in het gevelbeeld zorgen voor variatie
Daken zijn voorzien van een antraciete, eenvoudige kap
Woningen met een architectonisch accent
Woningen mogen ook een rietendak hebben
3.2 HOOGTE EN DAKEN Het karakter van de wijk wordt mede bepaald door het daklandschap en de bouw- en goothoogte. BOUW- EN GOOTHOOGTE De bebouwing binnen de wijk bestaat maximaal uit twee lagen met een kap. Dit komt neer op een maximale bouwhoogte van elf meter en een maximale goothoogte van acht meter. De overwegend lage bouw- en goothoogte zijn karakteristiek voor het dorpse karakter. Binnen het plan is ruimte voor afwisseling. Voor de woningen aan De Strip geld dat deze allen uit twee bouwlagen met een kap bestaan. Op deze manier vormen alle woningen aan De Strip één geheel in hoogte waardoor er een algeheel beeld vanaf De Strip ontstaat. Voor de rug-aan-rug woningen in het midden van het plan geldt dat er een maximale bouwhoogte van acht meter wordt aangehouden met een maximale goothoogte van vijf meter. BIJGEBOUWEN De maximale goothoogte van bijgebouwen is 3.00m hoog. KAPVORMEN De toegestane kapvormen sluiten aan bij voorgaande fase 5B-Noord, maar is een meer landelijke interpretatie met eenvoudige kapvormen zoals een zadeldak. Kapvormen die niet zijn toegestaan zijn: schilddaken, afknottingen brengen een groot volume met zich mee een passen daardoor niet in het karakter.
een verdraaiing (kopgevel richting de straat) of verspringing in de nok- en gootlijn. DAKHELLING De dakhelling van de woningen ligt tussen de 20 en 60 graden. Dit zorgt ervoor dat de dakvlakken een hoog rendement opleveren voor PV-cellen aan de zuidwest of zuidoostzijde (volgens tabel van Hespul). MATERIALISATIE De woningen in het deelplan hebben rieten of een antracietkleurige kap. De antracietkleurige kappen zijn van hoogwaardig materiaal zoals keramische pannen of leien (geen laag waardige materialen zoals shingels of betonnen pannen). Als PV-cellen worden toegepast, worden deze meegenomen in het ontwerp (in het dakvlak of als opbouw) zodat er een rustig en net beeld ontstaat met regelmatige vlakken. PV-cellen hebben een antraciete of zwarte kleur, zonder lichte (aluminium) lijsten. Bij een dakvlak dat volledig uit PV-cellen bestaat, is de combinatie met een zwarte rubberfolie (EPDM) ook toegestaan.
PV-panelen in nette, regelmatige vlakken
KAPRICHTINGEN Om deze fase een dorps beeld te geven, is er veel variatie in kaprichting gewenst. Bij de tweekappers wordt een wisselende kaprichting toegepast, dus niet enkel langskappen of dwarskappen. De rijwoningen hebben geen lange doorgaande kappen, maar per rij op ten minste één plek 24
Niet: onsamenhangende vlakken en lichte lijsten
3.3 HOEKEN EN ACCENTEN Markante locaties in de wijk vragen om bebouwing met extra architectonische aandacht. Deze markante locaties liggen in zichtlijnen, op hoekpunten of aan de groene ruggengraat van de buurt. Ze zijn bepalend voor de uitstraling en sfeer. HOEK BEBOUWING De aangegeven bebouwing op belangrijke hoeken krijgt een tweezijdige uitstraling. Dit betekent dat de gevel van de woning zich naar twee straten toe richt. De twee representatieve zijden zijn grotendeels transparant vormgegeven door het toepassen van gevelopeningen of voordeuren. Openheid in de uitstraling is nodig voor de hoekbebouwing. Op deze manier ontstaat er een relatie en contact met het openbaar gebied. ACCENTEN Een aantal plekken die zich recht in een zichtlijn bevinden, krijgen een architectonisch accent. Dit kan bijvoorbeeld door juist daar de kapverdraaiingen te leggen, een verticaal element of accent in materiaal toe te passen. Verticale elementen zijn onder andere meeontworpen dakopbouwen of schijnschoorstenen.
Bovendien zijn openslaande deuren een goede optie. De veranda’s, luifels of pergola’s beslaan maximaal de helft van de voortuin met een maximale diepte van 2.00m. Dit betekent dat de bouwwerken niet kunnen dienen als erfafscheiding. Alle woningen beschikken over een groene haag, dit waarborgt de groene uitstraling van de wijk. Niet alle aangegeven locaties, zoals op de volgende pagina, hoeven te worden voorzien van een pergola, veranda of openslaande deuren. Voor fase 5B-Zuid geldt dat minstens vijf van de veertien opgegeven locaties een verbijzondering krijgen.
Mee ontworpen luifel aan de voorzijde van de woning
De kopgevels van de woningen aan De Strip hebben een verbijzondering met een hoekse uitstraling. RUIMTELIJKE KANSEN De grote groenstructuur in het midden van het plan vormt de ruggengraat van het stedenbouwkundig plan. Dit zorgt voor ruimtelijke kansen. Rondom de groenzone wordt maximaal ingezet op de uitstraling en openheid van de woningen richting het groen. Dit kan bijvoorbeeld door aan de voorzijde een verblijfsruimte te creëren in de vorm van een meeontworpen veranda, luifel of pergola. Door het gebruik van natuurlijke materialen, ontstaat er een zachte overgang naar de groenzone. Deze elementen vormen een ondergeschikte toevoeging in het straatbeeld. 26
Een pergola aan de voorzijde van de woningen
Een luifel als accent
Locaties met mogelijke voordeur zijgevel Locaties met ruimtelijke kansen Accenten in de architectuur Hoeken en accenten in fase 5B-Zuid. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleent.
3.4 ROOILIJN EN TUINEN De diepte van de voortuin en waar de rooilijn ligt, bepalen voor een groot gedeelte hoe de sfeer op straat voelt. De wijk wordt gekenmerkt door het dorpse karakter. Om de gewenste sfeer te behalen worden er minimale en maximale dieptes van rooilijnen en voortuinen meegegeven. ROOILIJN In de wijk wordt er, behalve aan De Strip en de rug-aan-rug-woningen geen strakke rooilijn aangehouden. De afwisseling in rooilijnen zorgt voor een luchtig en organisch beeld. Dit past bij het dorpse karakter van de wijk en geeft ruimte aan groene voortuinen. Om de gewenste afwisseling te krijgen is een verspringing van de rooilijn tussen kavels wenselijk. Bij de Strip wordt er wel een strakke rooilijn gehanteerd en deze ligt op minimaal 3.00m afstand vanaf de erfgrens. Voor de rug-aan-rug woningen wordt voor deze regel een uitzondering gemaakt. De gevelrooilijn mag hier verder van de erfgrens af liggen, aangezien de private buitenruimte aan de voorzijde van de woning de enige buitenruimte van de woning betreft. VOORTUIN Het is gewenst om de voortuin een groene invulling te geven. Op deze manier wordt er niet alleen bijgedragen aan het dorpse karakter van de wijk, maar bijvoorbeeld ook aan de klimaatopgaven. Groen in de tuin geeft, naast een fijne sfeer, veel meer voordelen vergeleken met een volledig verharde tuin.
Planten, grassen en bomen hebben namelijk een verkoelende werking door schaduw en verdamping. Daarnaast houdt het groen veel minder warmte vast dan wanneer er gekozen wordt voor bestrating. Een variatie aan groene voortuinen werkt mee aan de biodiversiteit van de stad. Een groenvak in de vaste grond zorgt ervoor dat het hemelwater makkelijker wordt opgenomen en afgevoerd. Halfverharding kan hiervoor ook worden toegepast. Dit kan ook voor de inritten 28
en parkeerplaatsen worden gebruikt. ACHTERTUIN Sommige woningen hebben een tuin aan het water. Aan het water wordt een groen talud aangebracht. Op sommige delen kan er ook gekozen worden om een verlaagd deel te realiseren. Op deze manier wordt de relatie met het water nog meer versterkt. Hierover staat meer beschreven in het volgende hoofdstuk. PARKEREN EIGEN TERREIN De vrijstaande-, en twee-onder-een-kap woningen beschikken over een eigen inrit. Elke inrit geeft toegang tot het parkeren van twee auto’s op eigen terrein. Op deze manier wordt de parkeerdruk in het openbaar gebied zoveel mogelijk ontlast. De parkeerplaatsen liggen uitsluitend naast elkaar. Parkeren vindt zoveel als mogelijk plaats achter de voorgevel, maar als dit aantoonbaar tot problemen leidt dan kan de gemeente beslissen om hier in individuele gevallen vanaf te wijken. De parkeerplaatsen op eigen terrein hebben een afmeting van minimaal 2.50 m bij 5.00 m. Om voldoende ruimte te bieden voor passeren en/of uitstappen naast een harde barrière (zoals een schutting, muur, garage etc.), wordt naast elke parkeerplaats minimaal 0.45m vrije ruimte vrijgelaten. Wanneer de parkeerplaatsen in de lengte aan een harde barrière grenzen wordt de lengte van de parkeerplaats vergroot met 0.50 m.
Strakke rooilijn Wisselende rooilijn Parkeerplaats eigen terrein Rooilijn en parkeren eigen terrein in fase 5B-Zuid. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleent.
3.5 ERFAFSCHEIDINGEN ERFAFSCHEIDING VOORZIJDE WONINGEN AAN DE STRIP Langs De Strip gelden dezelfde beeldkwaliteitseisen als in de voorgaande fases. Dit betekent dat er wordt ingezet op gemetselde muurtjes van 0.60 m hoog. Op deze manier blijft er een continu, herkenbaar beeld langs de Strip bestaan. Het gemetselde muurtje is passend in kleurstelling bij de woning. ERFAFSCHEIDING VOORZIJDE WONING Aan de voorzijde van de woningen in de rest van de buurt, wordt er ingezet op een groene uitstraling. Voor de woning moet een haag worden aangeplant in de eindhoogte van 0.50 m. De haag wordt twee rijen dik aangeplant. Op deze manier ontstaat er gelijk na oplevering een groen beeld in de straat. ERFAFSCHEIDING ACHTERZIJDE WONING Grenzend aan openbaar gebied Wanneer de achterzijde van de woningen grenzen aan openbaar gebied is een groene, kwalitatief hoogwaardige erfafscheiding een voorwaarde. Er kan gekozen worden voor een wintergroene haag van 1.80 m of een begroeid staafmat hekwerk van 1.80 m. Niet grenzend aan openbaar gebied De overige erfafscheidingen langs het openbaar gebied worden uniform (projectmatig) aangebracht, om daarmee verrommeling te voorkomen. ERFAFSCHEIDING AAN HET WATER Ook zijn er langs het water beeldkwaliteitseisen. De kavels aan het water worden opgeleverd met een talud 1:1,5 vanaf het waterpeil tot kavelhoogte. Om het contact met het water
te bevorderen en een open uitstraling aan het water te behouden, dient een beschoeiing maximaal 0,30 meter hoog te zijn ten opzichte van het waterpeil. Geadviseerd wordt om deze beschoeiing in hout (of natuurlijk ogend materiaal) uit te voeren met een hoog duurzaamheidslabel. Ter plaatse van de blauwe, onderbroken lijn mag er een beschoeiing van maximaal 0,30 meter ten opzichte van het waterpeil aangelegd worden. Het talud (1:1,5) dient in stand te worden gehouden. Door een talud ontstaat er zachte overgang van het water naar de tuin Ter plaatse van de blauwe, doorgetrokken lijn mag er, naast een beschoeiing van 0.30 m, een horizontale vlonder aangelegd te worden. Deze vlonder is minimaal 1,5 meter diep. Deze vlonder biedt de mogelijkheid om een zitplek te creëren aan het water. Op deze manier wordt het contact met het water gestimuleerd. Vervolgens kan er een talud aangelegd worden of een damwand/keermuur om het hoogteverschil te overbruggen. ERFAFSCHEIDING ZIJERF WONING Als een zijerf aan openbaar gebied grenst, is een groene erfafscheiding een vereiste. Een haag vanaf de voortuin tot de aan voorgevelrooilijn van 0.50m hoog is verplicht. Vanaf de voorgevelrooilijn naar de achterzijde van de woning wordt er een volledig wintergroene haag en/of begroeid staafmathekwerk van maximaal 1.80m geplaatst.
Op deze manier loopt de erfafscheiding vanaf de voorzijde mooi over tot in het zijerf met 0.50 m.
Legenda pagina 31 Gemetseld muurtje van 0.60m hoog, passend bij de woning. Wintergroene haag van 1.80m en/of begroeid staafmat hekwerk van 1.80m. Wintergroene haag/begroeid staafmat hekwerk van 1.80m of haag van 0.50m, twee rijen dik in eindhoogte aangeplant Haag in eindhoogte aangeplant van 0.50m, twee rijen dik. Groen talud 1:1,5, eventueel met beschoeiing van max 0.30m. Ook keuze voor een verlaagd deel. Groen talud 1:1,5, eventueel met beschoeiing van max 0.30m.
30
Type erfafscheidingen in fase 5B-Zuid. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleent.
3.6 DUURZAAMHEIDSAMBITIES Toekomstbestendige nieuwbouw vraagt om integraal werken. Samen opzoek gaan naar gebiedsspecifieke kansen en uitdagingen, en zo vroeg mogelijk het goede gesprek voeren. Van ingebouwde nestkasten tot aan het aanbieden van deelmobiliteit. Maatregelen nemen wij graag zo vroeg mogelijk in het ontwerp. Want hoe eerder, hoe beter, hoe makkelijker en goedkoper het eindresultaat. BANGERT & OOSTERPOLDER FASE 5B ZUID EN A ZUID In 2010 zijn er al afspraken gemaakt tussen ontwikkelaren en de gemeente Hoorn. Het Convenant Toekomstbestendig Bouwen staan daar los van. Er is veel veranderd sinds 2009. Doel is om samen kansen te signaleren en te benutten. CONVENANT TOEKOMSTBESTENDIG BOUWEN Bij gebiedsontwikkeling hanteert de gemeente Hoorn het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Niveau Brons van het toetsingskader is hierbij het vertrekpunt. Het toetsingskader bestaat uit zes duurzaamheidsthema’s. Per thema wordt afgewogen welke maatregelen er worden getroffen.
32
TOETSINGSKADER De doelen en indicatoren van het convenant zijn zo gekozen dat bestaande meetmethoden, normeringen en andere instrumenten goed bruikbaar blijven zodat plannen hieraan kunnen worden getoetst in ontwerp en realisatie. Voor een aantal van de indicatoren bestaan wettelijke eisen. Bijvoorbeeld voor de MPG score en de BENG. Bovenop de wettelijke eisen stelt dit convenant op alle indicatoren een extra ambitie (brons, zilver of goud). De indicatoren en ambitieniveaus dienen als een instrument om de gevraagde ambitie per nieuwbouwproject door de gemeente zelf te toetsen. AANPAK TOEKOMSTBESTENDIG BOUWEN De afbeelding hieronder laat de aanpak van het toekomstbestendig bouwen zien in drie overzichtelijke stappen.
Beeldkwaliteitsplan 5B-Zuid
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
Bijlage 2 Aanmeldnotitie
95
Memo Opdrachtgever:
Gemeente Hoorn
Projectnummer:
P003160 en P003163
Onderwerp:
project-mer-beoordeling woningbouw Bangert en Oosterpolder fase 5B Zuid en fase A Zuid
Datum:
2 mei 2025
Auteur:
1.
Inleiding
1.1
PLANIDEE EN PLANLOCATIE
De wijk Bangert en Oosterpolder is een grootschalige planontwikkeling in de noordoostelijke hoek van de gemeente Hoorn. Al sinds het begin van dit millennium wordt het gebied gefaseerd ontwikkeld. Nu zijn fase A Zuid en fase 5B Zuid aan de beurt. Het streven voor heel fase 5 is een wijk die een samenhangende buurt vormt tussen de Bangert en de Westerblokker. Dat betekent dat de buurten herkenbaar zijn met hun eigen karakter en inrichting. In totaal worden in fase 5B Zuid 154 woningen gerealiseerd. In fase A Zuid worden 102 woningen gebouwd. Op afbeelding 1 is een overzichtstekening van de twee fasen opgenomen. Bangert en Oosterpolder fase 5B en A Zuid worden gelijktijdig ontworpen, zij het dat twee losse TAM-IMRO procedures worden gebruikt voor beide deelgebieden. Wel wordt de ontwikkeling van de twee deelfasen her en der tezamen beschreven en beschouwd, zo ook in deze m.e.r.-beoordeling.
Afbeelding 1. Overzicht Bangert en Oosterpolder fase 5B Zuid (noordelijk deel) en fase A Zuid (zuidelijk deel)
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
2
1.2
AANLEIDING
Zoals gesteld is de gemeente Hoorn al jaren bezig met de doorontwikkeling van Bangert en Oosterpolder. Voorliggende fasen 5B Zuid en fase A Zuid sluiten aan op deze doorontwikkeling en was voorzien in de plannen die de gemeente heeft geschetst in divers gemeentelijk beleid voor Bangert en Oosterpolder. Het gemeentelijk omgevingsplan van Hoorn bestaat vooralsnog uit het omgevingsplan van rechtswege. Voor deze locatie is dit het geldende bestemmingsplan en de bruidsschat. De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader. Hiervoor moet het planologisch regime gewijzigd worden, dan wel moet hierop worden afgeweken. Er is gekozen voor de realisatie via een wijziging van het omgevingsplan middels TAM-IMRO. De twee fasen volgen elk hun eigen, separate procedure. De wijziging heeft betrekking op het wijzigen naar een woonfunctie met passende bouwmogelijkheden. Het opstellen van een project-mer-beoordeling is hiervoor noodzakelijk. De activiteit die hierbij mogelijk zal worden gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen, maar wordt in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. Dat betekent dat voor die projecten geen directe project-mer-plicht geldt.
Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Omdat het project zal leiden tot een gehele functiewijziging van het plangebied, waarbij onbebouwd grasland wordt getransformeerd naar woningen, is het opstellen van een project-mer beoordeling noodzakelijk. 1.3
INITIATIEFNEMER EN BEVOEGD GEZAG
De gemeente Hoorn is de initiatiefnemer in het op gang brengen van deze ontwikkeling en heeft opdracht gegeven voor het opstellen van de wijziging van het Omgevingsplan, waar deze project-merbeoordeling onderdeel van uit maakt. Gemeente Hoorn is daarnaast ook het bevoegd gezag. 1.4
PLANOLOGISCHE INPASSING
In het plangebied gelden tot op het moment van inwerkingtreding van de wijziging op het omgevingsplan diverse bestemmingsplannen als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Gebied A Zuid is onderdeel van het bestemmingsplan ‘Bangert en Oosterpolder’ (vastgesteld op 3 oktober 2006), waarin het de bestemming ‘Woondoeleinden (uit te werken)’ en ‘Verkeer’ heeft. Ook loopt er een veiligheidszone voor een aardgastransportleiding over het zuiden van het plangebied.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
3
Daarnaast geldt voor een deel van het gebied het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1992’ (vastgesteld op 9 februari 1993). Hierin heeft het gebied grotendeels een agrarische bestemming. Gebied 5B Zuid is onderdeel van het bestemmingsplan ‘Bangert en Oosterpolder’ (vastgesteld op 3 oktober 2006), waarin het de bestemming ‘Woondoeleinden (uit te werken)’ en ‘Groenvoorzieningen 3’ heeft. Daarnaast geldt voor een deel van het gebied het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1992’ (vastgesteld op 9 februari 1993). Hierin heeft het gebied grotendeels een agrarische bestemming. Er zijn ook andere gemeentelijke facet-, veeg- en herzieningsplannen op de twee locaties van toepassing. De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader. Daarom zal een wijziging op het omgevingsplan worden vastgesteld, waarmee een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor het toekomstig gewenst gebruik en het bouwen wordt geboden. 1.5
PROCEDURELE ASPECTEN1
Het bevoegd gezag beslist over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de merbeoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Zie hiervoor artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. Uitkomst mer-beoordeling: er moet een mer gemaakt worden Als het project mogelijk aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dan beslist het bevoegd gezag dat er een mer nodig is. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie ingediend voorafgaand aan de aanvraag Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. De aanvrager wordt gewezen op bezwaar en beroepsmogelijkheden. Er moet eerst een MER worden uitgevoerd voordat het bevoegd gezag kan beslissen over de aanvraag. Totdat het MER is opgesteld en ingediend, laat het bevoegd gezag een eventuele aanvraag buiten behandeling. Het bevoegd gezag neemt de beslissing op de mer-beoordeling en de motivering ook op in het (ontwerp)besluit. De initiatiefnemer heeft de aanmeldnotitie en aanvraag samen ingediend
1
https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/project-mer-beoordeling/
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
4
Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en wijst de aanvraag af, omdat er geen MER bij de aanvraag zit (artikel 16.49, lid 4 Omgevingswet). Het bevoegd gezag stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. De motivering van de beslissing wordt opgenomen in het besluit. Uitkomst mer-beoordeling: er hoeft geen mer gemaakt te worden Als aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten, beslist het bevoegd gezag dat er geen mer nodig is. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie ingediend voorafgaand aan de aanvraag Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. Het bevoegd gezag neemt de bijbehorende motivering later op in het (ontwerp)besluit. De initiatiefnemer heeft de aanmeldnotitie en aanvraag samen ingediend Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de project-mer-beoordeling met de motivering op in het (ontwerp)besluit op de aanvraag. Dit staat in artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. 1.6
INHOUDELIJKE EISEN AAN DE MER-BEOORDELING
In de beoordeling worden de milieueffecten van het voornemen beschreven. In de praktijk wordt de beoordeling vaak in de vorm van een aparte notitie geschreven (aanmeldnotitie). Deze beoordeling is vormvrij, maar er zijn wel eisen aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de mer-richtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Een mededeling moet een beschrijving bevatten van: •
het project: de fysieke kenmerken en de locatie;
•
de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
•
wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
In de beoordeling kan ook een beschrijving opgenomen worden van de kenmerken van het voorgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen. Een mer is dan niet nodig, zie artikel 11.10, lid 3, van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU2). De initiatiefnemer levert deze informatie vaak aan bij het bevoegd gezag. De 3 hoofdcriteria zijn:
2
https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2011/92
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
5
1.
de kenmerken van het project;
2.
de plaats van het project;
3.
de kenmerken van de potentiële effecten.
2. Beoordeling Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
Hoofdthema 1: Kenmerken van het project A.
De omvang en het ont-
J.11 ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw
werp van het gehele pro-
van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit
ject.
onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen maar wordt
Nee
in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. De twee locaties zijn nu onbebouwde graslanden. In totaal worden in fase 5B Zuid 154 woningen gerealiseerd. In fase A Zuid worden 102 woningen gebouwd. B.
De cumulatie met andere
In de directe omgeving zijn geen andere grootschalige ontwikke-
projecten.
lingen voorzien. Er is in die zin dan ook geen sprake van cumu-
Nee
latie van effecten met andere projecten. C.
Gebruik van natuurlijke
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van reali-
hulpbronnen.
satie van de gebouwde omgeving zal in principe plaatsvinden op
Nee
een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER zou moeten worden uitgevoerd. Reguliere woonbebouwing wordt doorgaans gerealiseerd met onder meer steenachtige materialen, beton, staal, glas en hout. Het gaat hierbij om grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. D.
De productie van afval-
Afvalstoffen komen vrij en/of ontstaan als gevolg van normaal
stoffen.
gebruik van bebouwing. Bouwafval kan bij de aanleg - evenals
Nee
afval in de gebruiksfase - op de gebruikelijke wijze worden ingezameld en verwerkt. Het gaat hierbij om afvalsoorten die geschikt zijn voor hergebruik. Over het algemeen kan ruim 90% van het bouwafval worden ingezet als grondstof voor nieuwe producten. Het is daarom essentieel om bouwafval goed te scheiden. Dit begint op de bouwplaats. Huishoudelijk afval wordt op de gebruikelijke wijze ingezameld en verwerkt. E.
Verontreiniging en hinder.
datum 02-05-2025
Aanlegfase: enkel tijdens de bouw.
projectnummer P003160 en P003163
Nee
6
Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
Gebruiksfase: er vindt toename van verkeer als gevolg van het planvoornemen met consequenties voor geluid en luchtkwaliteit in de directe omgeving van de planlocatie plaats maar dit leidt, gelet op de afstand tot omliggende functies, niet tot relevante milieueffecten. Gelet op de omvang van het plan draagt het planvoornemen namelijk slechts in ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit. Effecten op de omgeving als gevolg van verkeerslawaai zijn eveneens beperkt aangezien de toename van het aantal verkeersbewegingen zeer gering is en deze opgaan in de gebruikelijke verkeersstromen. Een eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebied als gevolg van het planvoornemen is middels een Aeriusberekening in beeld gebracht. Hieruit komt naar voren dat significant negatieve effecten kan worden uitgesloten. De milieueffecten die vanuit de omgeving op het plangebied optreden (zoals geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai en functies in de directe omgeving) zijn bestudeerd. Hierbij is geen sprake van schadelijke effecten. Bij de woningen kan worden voldaan aan het binnenniveau. F.
Het risico van zware onge-
Dit voornemen zorgt voor de realisatie van nieuwe kwetsbare
vallen
rampen,
bebouwing in de vorm van woningen. De externe veiligheidsas-
waaronder rampen door
en/of
pecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over
klimaatverandering.
de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de
Nee
aanwezigheid van risicovolle milieubelastende activiteiten, zijn geïnventariseerd en onderzocht in een externe veiligheidsrapportage bijgevoegd bij de motivering van de TAM-plannen. In het kader van de externe veiligheid is met name het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen relevant. Het plangebied bevindt zich namelijk binnen het aandachtsgebied van een tweetal aardgasbuisleidingen. Voor de beoogde ontwikkeling is om deze reden een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
7
Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: -
Er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar.
-
Uit de QRA volgt dat de oriëntatiewaarde zowel in de huidige als in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Het groepsrisico neemt bovendien niet met meer dan 10% toe ten opzichte van de huidige situatie.
Voor alle beschouwde risicobronnen neemt het groepsrisico niet met meer dan 10% toe en wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Desalniettemin zal rekening gehouden moeten worden met het groepsrisico ingeval sprake is van een ligging binnen een aandachtsgebied. Hiertoe worden onder andere de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het aandachtsgebied bevinden beschouwd. In de voorliggende situatie zal het voor de aanwezige personen goed mogelijk zijn om van de risicobron weg te vluchten ingeval van een calamiteit en is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. De aanwezige personen betreffen bovendien naar verwachting hoofdzakelijk volwassenen. Mogelijke kinderen binnen het plangebied zullen doorgaans onder toezicht van volwassenen aanwezig zijn. Daarom wordt aangenomen dat er in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Zodoende zal er geen sprake zijn van een hoge concentratie van 'verminderd zelfredzame' personen. De personen die aanwezig zijn kunnen zelfstandig vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Kinderen kunnen daarbij begeleid worden door volwassenen.
Bij de verdere uitwerking zal daarbij rekening gehouden worden met adequate vluchtwegen voor de aanwezige personen. Daarnaast dient de toekomstige bevolking goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Het is van
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
8
Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
belang dat zij daarbij op de hoogte zijn van de schuil- en vluchtmogelijkheden. Alsmede moet bij de verdere planuitwerking zorg worden gedragen voor de realisatie van werkende communicatie- en waarschuwingsmiddelen, waarmee de aanwezige personen tijdig op de hoogte worden gesteld. Er kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. G.
Risico’s voor de menselijke
Het planvoornemen maakt geen ruimtelijke ontwikkeling moge-
gezondheid.
lijk met effecten op de volksgezondheid (zoals hinderveroorza-
Nee
kende objecten/activiteiten). Hoofdthema 2: Plaats van het project A.
Het bestaande (en goed-
De gronden zijn nu voor het grootste deel onbebouwd. Het be-
gekeurde) grondgebruik.
treffen graslanden.
Nee
Beide gebieden maken deel uit van het themagebied Hoge Hemen, zoals beschreven in het structuurplan Bangert en Oosterpolder uit 1999. Hemen kan worden vertaald naar huis/thuis. De Hoge Hemen worden dus vertaald naar ‘‘de hoger gelegen huizen’’. Het Hoge Hemen wordt gekenmerkt door groene openbare ruimtesen profielen. De openbare groene buitenruimtes worden omringd door woningen. Ook liggen er grote groenstructuren door de wijk heen. De woningen in de Hoge Hemen zijn, waar mogelijk, gericht op het openbare groen. B.
Relatieve rijkdom aan en
Het plangebied heeft beperkte ecologische waarde. Gebieden
de kwaliteit en het regene-
met hogere natuurwaarden, zoals de vier dichtstbijzijnde Natura
ratievermogen van de na-
2000-gebieden Markermeer & IJmeer, Polder Zeevang, Eilands-
tuurlijke hulpbronnen van
polder en IJsselmeer, liggen op een afstand van respectievelijk 3,
het gebied.
12, 16 en 10 km vanaf het plangebied. Deze worden niet negatief
Nee
beïnvloed. Het wordt ervan gescheiden door bebouwing, agrarisch gebied en wegen. Hierdoor kunnen de meeste negatieve effecten, zoals verstoring door licht of geluid, worden uitgesloten. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten binnen Natura 2000gebieden.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
9
Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
Daarnaast leiden de plannen niet tot vermindering van de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden niet aangetast. Negatieve effecten op het NNN kunnen hierdoor worden uitgesloten. Tot slot gaat met de uitvoering van de plannen geen Bos- en natuurgebieden buiten het NNN en akker-/weidevogelleefgebied verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten. C.
Het
opnamevermogen
Ten behoeve van het project zijn ecologische onderzoeken uit-
van het natuurlijke milieu,
gevoerd. Uit de ecologische toetsing komt naar voren dat de ont-
met in het bijzonder aan-
wikkeling niet leidt tot schadelijke handelingen, mits wordt voor-
dacht voor gevoelige ge-
komen dat door werkzaamheden tijdens de realisatie broe-
bieden.
dende vogels en hun nesten worden aangetast of verstoord.
Nee
Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect A.
De aard, de orde van
De effecten als gevolg van het bouwproject zullen beperkt blij-
grootte en het ruimtelijk
ven. De locaties zijn gelegen aan de wegen Westerblokker en De
bereik van de effecten (bij-
Strip. Ook grenst de geplande woningbouwlocatie aan de eerder
voorbeeld geografisch ge-
gerealiseerde bebouwing van Bangert en Oosterpolder, de lint-
bied en omvang van de
bebouwing van Westerblokker en een aantal bedrijven. De di-
bevolking
recte omgeving van de locaties bestaat aldus veelal uit andere
die getroffen
kan worden).
Nee
woningen en een paar bedrijven. Op basis van het huidige planologische regime zijn al bebouwing en stedelijke functies mogelijk in de directe omgeving van het plangebied. De afstand tussen de woningen die zicht kunnen hebben op de woningbouw is acceptabel en de woningen worden met een zorgvuldige architectonische uitwerking, op een goede manier ingepast in het straatbeeld. Het plangebied ligt verder op grote afstand van gebieden met beschermde natuurwaarden (zie 2B). Het bereik van het planvoornemen reikt niet tot Natura 2000-gebied.
B.
Het grensoverschrijdende
Van grensoverschrijdende milieueffecten is geen sprake.
Nee
karakter van het effect.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
10
Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
C.
De intensiteit en de com-
De potentieel aanzienlijke effecten op de directe woon- en leef-
plexiteit van het effect.
omgeving wijzigen niet significant als gevolg van de ontwikkeling
Nee
van het plangebied. Het effect is beperkt tot het plangebied en de nabije omgeving. Relevante milieuaspecten voor onderzoek zijn erfgoed, bodem, natuurwaarden, externe veiligheid, geluidhinder, water, bedrijvenhinder en luchtkwaliteit. In de motivering bij het wijzigingsbesluit van de twee woningbouwfasen is nader op deze aspecten ingegaan waaruit geen redenen blijken om aan te nemen dat sprake is van onoverkomelijke belemmeringen voor planontwikkeling op deze planlocaties. D
De waarschijnlijkheid van
De effecten duren zo lang de planlocatie voor de toekomstige
het effect, de verwachte
functie in gebruik zal zijn. De effecten zijn uitsluitend omkeer-
aanvang, de duur, de fre-
baar door het gebruik te beëindigen en de hiertoe gerealiseerde
quentie en de omkeer-
bebouwing op te ruimen. Omdat mag worden uitgegaan van een
baarheid van het effect.
duurzaam gebouwde omgeving, gaat het hierbij dan ook in ze-
Nee
kere zin om een onomkeerbare ontwikkeling. E.
F.
De cumulatie van effecten
In de directe omgeving zijn geen andere (grootschalige) ontwik-
met de effecten van an-
kelingen voorzien. Er is in die zin dan ook geen sprake van cu-
dere projecten.
mulatie van effecten met andere projecten.
De mogelijkheid om de ef-
Er zijn als gevolg van het planvoornemen geen effecten op de
fecten doeltreffend te ver-
omgeving te verwachten waarvoor op voorhand mitigerende
minderen.
maatregelen aan de orde zijn.
Nee
Nee
3. Conclusie In deze m.e.r-beoordeling zijn de gevolgen geanalyseerd van de realisatie van woningen ter uitbreiding van Bangert en Oosterpolder in gemeente Hoorn. Op locatie fase A Zuid worden 102 woningen gebouwd en op locatie fase 5B Zuid 154 woningen. De studie is vormgegeven aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft een relatief geringe omvang. Wanneer geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ bestaan voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
11
Uit voorliggende motivering kan worden opgemaakt dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd kan worden, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r.-procedure zinvol maken. Een m.e.r.- procedure wordt niet noodzakelijk geacht.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
12
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
Bijlage 3 Externe veiligheid onderzoek
109
Kwantitatieve Risicoanalyse Huidige situatie Bangert Door: Peutz
Samenvatting QRA huidige situatie Bangert
Pagina 2 van 24
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................. 2 1 Inleiding ................................................................................................................. 5 2 Invoergegevens ....................................................................................................... 6 2.1 Interessegebied ................................................................................................ 6 2.2 Relevante leidingen ........................................................................................... 6 2.3 Populatie.......................................................................................................... 8 3 Plaatsgebonden risico ............................................................................................. 10 3.1 Figuur 3.1 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 10 3.2 Figuur 3.2 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-04-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 10 3.3 Figuur 3.3 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-05-deel-1 van N.V.
Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 11 3.4 Figuur 3.4 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-09-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 11 3.5 Figuur 3.5 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-12-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 12 3.6 Figuur 3.6 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-14-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 12 3.7 Figuur 3.7 Plaatsgebonden risico voor 8927_leiding-W-573-15-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 13 4 Groepsrisico screening ............................................................................................ 14 4.1 Figuur 4.1 Groepsrisico screening voor 8927_leiding-W-573-01-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie ............................................................................................ 14 4.2 Figuur 4.2 Groepsrisico screening voor 8927_leiding-W-573-04-deel-1 van N.V.