Bijlage Ruimtelijke Realiseren twee bouwvlakken op de locaties naast Westerblokker 20 en 22
Tekst van het document
Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: 1. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; 2. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; 3. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het projectgebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen bij het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten aandacht besteed moet worden aan de effecten van een plasbrand. Het kan zijn dat er extra bouwkundige maatregelen nodig zijn om de zelfredzaamheid van de personen te verhogen. Beoordeling Op circa 140 meter ten zuiden van de planlocatie zijn twee buisleidingen gelegen aan weerszijden van het spoor. Dit is weergegeven in de navolgende afbeelding.
26
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
Afbeelding: projectgebied in relatie tot de buisleidingen (bron: Atlas Leefomgeving)
De meest noordelijke buisleiding betreft de aardgasleiding W-573-04 van de Gasunie. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 168 mm en een werkdruk van 40 bar. Voor een dergelijke buisleiding dient een richtafstand van 70 meter aangehouden te worden. De zuidelijke buisleiding betreft ook een aardgasleiding van Gasunie, namelijk W-573-12. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 219 mm en een werkdruk van 40 bar. Voor deze buisleiding dient een richtafstand van 95 meter gehanteerd te worden. Beide buisleidingen bevinden zich daarmee op voldoende afstand van het projectgebied. In de directe omgeving zijn geen Bevi-bedrijven of verkeers-, spoor- en vaarwegen aanwezig waar (relevant) transport van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt. Het nabijgelegen tankstation heeft geen LPG-uitgifte, waardoor dit bedrijf niet relevant is op het gebied van externe veiligheid. Wel wordt er op het gebied van milieuzonering op in gegaan in paragraaf 3.4. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.4 Milieuzonering Ten aanzien van de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt hierbij is dat bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van een milieugevoelige functie, sprake is van een aanvaardbaar leef- en verblijfsklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient milieuzonering te worden toegepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Het doel van de VNG-publicatie is het bieden van een handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk en de publicatie biedt mogelijkheden voor maatwerk en flexibiliteit bij het inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving en bij het inpassen van woningen en andere gevoelige functies nabij bedrijven. 27
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
Beoordeling Ten noorden van het projectgebied is een tankstation zonder LPG-installatie aanwezig. In de richtafstandenlijst van de VNG-publicatie is dit een milieucategorie 2-bedrijf met een richtafstand van 30 meter voor een gebied dat kan worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Aangezien het een dorpslint betreft waarin naast wonen ook andere functies voorkomen kan het gebied worden beschouwd als 'gemengd gebied' in plaats van 'rustige woonwijk'. De richtafstand mag hiermee worden teruggebracht met één stap. De richtafstand wordt hiermee 10 meter. De afstand tussen het tankstation en het projectgebied is groter dan 10 meter. Bovendien zijn er reeds woningen gesitueerd in de omgeving van het tankstation, waaronder Westerblokker 20. Beoordeeld wordt daarom dat aangezien er wordt voldaan aan de gereduceerde richtafstand er geen belemmering optreedt in de bedrijfsvoering van het tankstation en dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder zijn er geen relevante bedrijven of functies die nadere beschouwing vragen op het aspect van milieuzonering. De zuidelijk aanwezige sportvelden en autosloperij liggen op voldoende afstand van voorliggend projectgebied.
3.5 Luchtkwaliteit Bij ruimtelijke plannen is een toets aan de 'Wet luchtkwaliteit' (Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) benodigd. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden; 2. het project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van fijnstof en stikstofdioxide; 4.
het project is opgenomen binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. Voor woningbouwlocaties zijn de volgende twee categorieën opgenomen: 1. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; 2. Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
28
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
Beoordeling De ontwikkeling die met voorliggend project wordt mogelijk gemaakt is dermate klein dat het is te beschouwen als NIBM. Voorts is ook gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te bieden vanuit het aspect luchtkwaliteit. De tabel hierna toont de achtergrondwaarden in relatie tot de advieswaarden van de WHO en de wettelijke grenswaarden.
Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Achtergrondwaarde (µg/m3)
Advieswaarde WHO (µg/m3)
Wettelijke grenswaarde (µg/m3)
11 14 7
10 15 5
40 40 25
Uit de tabel volgt dat de achtergrondwaarden onder of net boven de advieswaarden van de WHO liggen en ruim onder de wettelijke grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse is dusdanig dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.6 Ecologie Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming. Onderzoek Door Els & Linde is een quickscan ecologie uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op 18 september 2023 is door een ecoloog een bezoek gebracht aan de projectlocatie. Ter plekke is beoordeeld of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn, die schade kunnen ondervinden van de ontwikkelingen. Daarbij is gezocht naar sporen van dieren en is op basis van de begroeiing, bebouwing en de opbouw van het landschap, geschat of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. Beschermde gebieden Op ruim 3 km ligt het gebied ‘Markermeer & IJmeer’ ten zuiden van de planlocatie.
De afstand tot een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelig habitat, de Eilandspolder, is ruim 12 km. De kans dat er een significante wijziging in de emissie is, is gezien de omvang van de werkzaamheden vrijwel afwezig. Een berekening van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied wordt daarom niet nodig geacht. Toch 29
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
is een onderzoek naar stikstofdepositie opgenomen, zie paragraaf 3.7. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de werkzaamheden, kunnen worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op ruim 2,4 km afstand. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt geen effect verwacht. Bovendien kent NNN geen externe werking. Het Bijzonder Provinciaal Landschap is op 0,5 kilometer afstand en kent geen externe werking. Op het BPL worden daarom geen effecten verwacht. Beschermde soorten Op de planlocatie kan de aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluw, huismus en watergebonden organismen worden uitgesloten door het ontbreken van geschikte bomen, bebouwing en water. Op voorhand kan de aanwezigheid van marterachtigen niet worden uitgesloten. Dit omdat het perceel is aangesloten op een weiland. De haag aan de zuidkant van het perceel biedt dekking voor deze dieren. Een afdoend onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk en wordt momenteel uitgevoerd. Gezien de aangrenzende gronden waar de soort naar kan uitwijken wordt een ontheffing bij eventuele aanwezigheid van marterachtigen verleenbaar geacht. Conclusie Er wordt geen negatief effect verwacht op beschermde gebieden. Ook wordt geen effect verwacht op plantensoorten.
De enige diersoorten die niet kunnen worden uitgesloten zijn marterachtigen. Afdoend onderzoek naar deze soort wordt uitgevoerd. Een eventueel benodigde ontheffing is verleenbaar en daarom vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
3.7 Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat een planologisch plan geen significante effecten mag hebben op Natura 2000. Natura 2000 is het Europese netwerk van natuurgebieden, maar het is ook de naam van het Europese beleid om de natuur en vooral de biodiversiteit in die gebieden te beschermen. Bouwplannen (ook kleinschalige plannen) kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatste van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Het gebruik van de woningen of inrichting (de gebruiksfase) kan leiden tot een emissie van stikstof. Deze emissie kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas (voor verwarming) en het autoverkeer van bewoners en/of bezoekers van de planlocatie. Ook kan sprake zijn van een emissie van stikstof als gevolg van de bouwwerkzaamheden in de aanlegfase, bijvoorbeeld als gevolg van de af- en aanvoer van bouwmaterialen en grondverzet op de bouwplaats. Onderzoek Door Buro DB is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie kan worden gesteld dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet 30
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000- gebieden veroorzaakt. Uit de voortoets blijkt dat voor het plan geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Stikstof vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
3.8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij als uitgangspunt geldt: ‘de verstoorder betaalt’. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke) omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen. Zoals reeds is aangegeven in paragraaf 1.4.2 is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' met een beschermingsregime van 100 m2 van toepassing. Er is daarom een archeologische quickscan nodig. Archeologische quickscan De gemeente Hoorn heeft een advies opgesteld met betrekking tot voorliggend project in de vorm van een archeologische quickscan. Uit de quickscan volgt het volgende. Voor het dorpslint van Westerblokker geldt in principe een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
Op basis van de bodemkaart, de hoogtekaart en archeologische bronnen uit de nabije omgeving vallen sporen en vondsten vanaf de 12de eeuw binnen de archeologische verwachting. Historisch kaartmateriaal laat zien dat in de Nieuwe Tijd in of nabij het projectgebied werd gewoond. Mogelijk bevinden de nieuw te ontwikkelen kavels zich net naast de bebouwing vanaf de 17de eeuw. Uit deze periode kunnen in ieder geval resten gerelateerd aan nabijgelegen bewoning (o.a. afvalkuilen, gedempte sloten en waterputten) worden aangetroffen. Vanwege de aanwezigheid van ophogingslagen kunnen sporen en vondsten hier tot dieper in de ondergrond worden aangetroffen. De ophogingspakketten vormen daarnaast een goede bescherming voor de archeologische resten, waardoor daaronder ook nog sporen uit de prehistorie (en dan met name de Bronstijd) aanwezig kunnen zijn. Gezien de relatief geringe omvang van het projectgebied is de hoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie echter niet doorslaggevend voor het advies. Voor zover bekend zijn beide kavels al lange tijd onbebouwd. Naar verwachting zullen eventueel aanwezige archeologische resten in het verleden dan ook minimaal verstoord zijn geraakt. Het
31
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
bodemarchief is vermoedelijk grotendeels intact. Omdat niet-archeologievriendelijk wordt gebouwd is op basis van de geplande nieuwbouw en de hoge archeologische waarde een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven (BRL SIKB 4003) met een eventuele doorstart naar een vlakdekkende archeologische opgraving (conform protocol BRL SIKB 4004). Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt bepaald of het noodzakelijk is om ook de rest van de toekomstige nieuwbouwcontouren te onderzoeken. Indien behoudens waardige resten aanwezig zijn en behoud in situ niet mogelijk is, kunnen de resten direct worden veiliggesteld door middel van een archeologische opgraving. Als leidraad voor het onderzoek dient een Programma van Eisen (BRL SIKB 4001) te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. Cultuurhistorie Het bestaande perceel heeft geen cultuurhistorische waarde. Er worden dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast als gevolg van de ontwikkeling. Conclusie Er is een archeologisch vervolgonderzoek nodig in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven. Een PvE als basis voor dit onderzoek wordt opgesteld.
3.9 Bodemkwaliteit De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Onderzoek Door Landview BV is voor beide kavels een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn vastgelegd in separate rapportages welke zijn bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Kavel A Voor kavel A is het volgende geconstateerd: In de mengmonsters van de bovengrond zijn lichte verhogingen van zware metalen, som DDE en/of som DDD geconstateerd. In de (meng)monsters van de ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen.
In het grondwater zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen.
32
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
Vanwege de aanwezigheid van een voormalige sloot tussen kavel A en Westerblokker 22 is aanvullend bodemonderzoek verricht. De rapportage is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Er zijn op 3 plekken boringen verricht. Per plek zijn er twee boringen gezet tot ongeveer 2 meter onder maaiveld. Zo kon worden nagegaan of de sloot was gedempt met bodemvreemd materiaal. Uit de boringen is naar voren gekomen dat er bijmengingen met voornamelijk baksteen zijn waargenomen. Van de grond is een mengmonster samengesteld. In de grond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood en som OCB’s, hexachloorbenzeen, beta HCH, som DDD en som Drins aangetroffen. De verhoogde gehalten aan zware metalen kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van baksteen / metselpuin in de grond. In dergelijke grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. Het verhoogde gehalte aan OCB’s kunnen worden verklaard door het agrarische gebruik van de locatie in het verleden. De geconstateerde gehalten voldoen aan de verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom geen aanleiding gezien. Kavel B In het mengmonster van de bovengrond (klei) van kavel B zijn lichte verhogingen van zware metalen, som OCB’s, som DDE en som DDD geconstateerd.
In het mengmonster van de bovengrond (zand) zijn lichte verhogingen van zware metalen geconstateerd. In het mengmonster van de ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. Asbest Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen. Het aangetroffen baksteen is als niet asbestverdacht beschouwd. Conclusie Voor beide kavels geldt dat de aangetroffen verhogingen dusdanig gering of verklaar uit omgevingsfactoren zijn, dat voor het instellen van verder vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de projectlocatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico’s voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik: wonen met tuin. Er bestaan vanuit het aspect bodem geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.10 Waterhuishouding In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen (of het voeren van vergelijkbare procedures). In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro) dat verplicht is bij ruimtelijke procedures, wordt vooroverleg gepleegd met de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan 2022-2027) opgesteld. In het 33
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
Waterplan 2022-2027 zijn de ambities en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig, gebiedsgericht waterbeheer mogelijk. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Watertoets De ontwikkeling mag niet leiden tot een belemmering van de waterbelangen. Om dit te toetsen is een watertoets gedaan. Verhardingstoename De toename aan verharding blijft beperkt en onder de 800 m2. Hierdoor is compensatie niet aan de orde. Riolering Het hemelwater en afvalwater zal gescheiden worden aangeboden op het aanwezige rioleringsstelsel. Infiltratie Doordat er veel groen in het plan wordt toegepast is er sprake van een situatie waarin hemelwater kan infiltreren in de grond. Hiermee wordt vooral bij zware buien voorkomen dat het rioolstelsel ter plaatse wordt overbelast.
Conclusie Het aspect waterhuishouding staat de voorliggende ontwikkeling niet in de weg.
3.11 Besluit milieueffectrapportage De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage. In het besluit wordt onderscheid gemaakt in m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en m.e.r.plichtige activiteiten. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Het voorliggende plan zou kunnen worden geschaard onder D11.2: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. In kolom 2 wordt onder andere genoemd dat het moet gaan om 2000 woningen of meer.
34
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
Beoordeling Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Niet iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, kan aangemerkt worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Gezien het feit dat het gebruik wordt gewijzigd en er in de bestaande situatie nog geen bebouwing aanwezig is, wordt ervan uit gegaan dat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarom is een aanmeldnotitie opgesteld welke is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit deze aanmeldnotitie blijkt dat gezien de te verwachten effecten er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Nadere analyse in een m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
3.12 Kabels en leidingen In een ruimtelijk plan moeten planologisch relevante leidingen worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen of afvalwaterleidingen. Als dergelijke leidingen in het projectgebied voorkomen worden deze als zodanig bestemd. Dit inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing om de leiding te beschermen. In en rond het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig waarmee in dit plan rekening moet worden gehouden.
35
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Economische uitvoerbaarheid Met de initiatiefnemer is een akte van ruiling en een ruilovereenkomst voor de gronden aangegaan waarmee de grondoverdracht is geregeld. De kosten voor de procedure van de vergunningsaanvraag zal worden verhaald op grond van de legesverordening. Tevens zal een planschadeovereenkomst worden gesloten. Hiermee zijn de kosten voor het voorliggende project verhaald op de initiatiefnemer. Uit de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is niet gebleken dat er een financieel risico bestaat voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure). Van het ontwerpbesluit wordt kennisgegeven in de Staatscourant. Ten aanzien van het ontwerpbesluit kan eenieder gedurende de inzagetermijn mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen bij het college. De ruimtelijke onderbouwing wordt samen met het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Mochten hierop zienswijzen worden ingebracht, dan volgt een belangenafweging, waarna het college een besluit neemt. PM De buurpercelen zijn ingelicht over het voornemen tot wijziging van het gebruik en de bouw van de bijbehorende bouwwerken. Op 10 en 14 november 2023 hebben gesprekken met direct omwonenden plaatsgevonden. Hiervan is een participatieverslag opgesteld welke gedeeld is met de gemeente Hoorn.
4.3 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bor is het voornemen voorgelegd aan betrokken bestuursorganen, nutsbedrijven en andere instanties. PM
36
Ruimtelijke onderbouwing Westerblokker tussen 20 en de IJsselweg
2 augustus 2024
5 Conclusie Het voorliggende initiatief is een ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling. Voor het gevraagde kan een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 eerste lid sub a, onder 3° van de Wabo genomen worden. Het Rijks-, provinciale of gemeentelijke beleid werpt geen belemmeringen op en ook vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen te verwachten. Op diverse milieuaspecten is in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing ingegaan. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. In paragraaf 1.5 is ingegaan op de motivering van het initiatief. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is.
37