Bijlage 4 bijlage 3 ro quickscan Flora & Fauna
Tekst van het document
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn Toetsing aan natuurwetgeving en -beleid
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
1
colofon
projectnaam Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn datum 27 oktober 2022 projectnummer P05792 opdrachtgever Koopvaarder Hoorn B.V. BRO projectleider RF opgesteld door SKl interne controle NL bron kaft BRO
Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 info@bro.nl www.bro.nl
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
2
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
4
1.1
4
Werkwijze quickscan flora en fauna
Planbeschrijving
5
2.1 2.2
5 5
Huidige situatie Toekomstige situatie
Toetsing gebiedsbescherming
8
3.1 3.2
8 8
Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
4
Toetsing beschermde houtopstanden
9
5
Toetsing soortenbescherming
10
5.1
11
Vogels 5.1.1
5.2
Vleermuizen 5.2.1
5.3
6
Soortgericht onderzoek Aanbevelingen
13 13
7
Samenvatting
14
8
Geraadpleegde bronnen
15
11
11 11
12 12
12 12
12 12
12 Toetsing
Ongewervelde diersoorten 5.7.1
5.8
Toetsing
Vissen 5.6.1
5.7
Toetsing
Amfibieën 5.5.1
5.6
Toetsing
Reptielen 5.4.1
5.5
Toetsing
Grondgebonden zoogdieren 5.3.1
5.4
Toetsing
6.1.1 6.1.2
Toetsing
12
12 12
Vaatplanten
12
5.8.1
12
Toetsing
Conclusie
13
6.1
13
Vervolgtraject en advies
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
3
1
Inleiding
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van ruimtelijke ingreep ten behoeve van de transformatie van het kantoorgebouw aan de Koopvaarder 1 naar appartementen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
1.1
Werkwijze quickscan flora en fauna
In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 6 september 2022 tussen 09.00 – 11.00 uur door een ecoloog van BRO 1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 22°C, helder, zonder neerslag, met een noordenwind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Holland geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.
1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
4
2
Planbeschrijving
Het plangebied is gelegen ten noorden van het centrum van Hoorn aan de Koopvaarder 1. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied bestaat momenteel uit een kantoorpand hieraan omliggend een parkeerplaats. Om het gebied staan een aantal struiken en heggen. De locatie bevindt zich op het bedrijventerrein “Nieuwe Steen”. Rondom deze locatie bevinden zich woon- en kantoorbestemmingen. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 8 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek.
2.2
Toekomstige situatie
Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (1:25.000)
Figuur 2: Luchtfoto plangebied en directe omgeving
Initiatiefnemer is voornemens om het huidige kantoorpand te transformeren ten behoeve van wonen. Het ruimtelijk initiatief voorziet in het toevoegen van 26 appartementen verdeeld over drie verdiepingen. Ook worden er rondom het gebouw 39 parkeerplaatsen gerealiseerd. Door de transformatie zal het pand een moderne uitstraling krijgen. Ook zullen er enkele balkons worden gerealiseerd en zal enkele accenten worden gerealiseerd aan de gevel. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
5
Figuur 3: Toekomstige situatie plangebied
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
6
Figuur 4: Ten zuidoosten van het plangebied
Figuur 6: Ten noordwesten van het plangebied
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
Figuur 5: Ten noordoosten van het plangebied
Figuur 7: Ten zuidwesten van het plangebied
Figuur 8: Ten zuiden van het plangebied
7
3.2
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
3
Toetsing gebiedsbescherming
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedepu-
3.1
Wettelijke gebiedsbescherming
houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd
teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming,
‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden
betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogel-
aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN,
richtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd
voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend net-
als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-
werk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische
jecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optre-
begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het
den, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Pro-
traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het
jecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op
netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden
de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten
aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura
hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen wor-
2000-gebied, “Markermeer & IJmeer”, bevindt zich op circa 1,9 kilometer
den tegengegaan met mitigerende maatregelen.
afstand ten zuidwesten van het projectgebied (zie figuur 9). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN (zie figuur 9). Het dichtst-
storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.
bijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1,8 kilometer ten zuidwes-
Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg
ten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zul-
van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
len de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Ver-
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking
volgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk
getreden, waarbij een partiële vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens
geacht.
de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Daardoor hoeft in beginsel alleen voor de gebruiksfase een berekening te worden uitgevoerd; een berekening voor de aanlegfase kan achterwege blijven. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten.
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
8
4
Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Figuur 9: Ligging NNN (blauw) en Natura 2000-gebieden (rood gearceerd) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
9
5
Toetsing soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders,
Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Holland niet vrijgesteld.
enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie
Tabel 1: Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten
categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)
Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)
Het is verboden in het wild levende vogels op-
Het is verboden soorten in hun natuurlijke ver-
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of
zettelijk te doden of te vangen
spreidingsgebied opzettelijk te doden of te van-
te vangen
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit
gen Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen
en eieren van vogels te vernielen of te bescha-
rustplaatsen van dieren te beschadigen of te
of rustplaatsen van dieren opzettelijk te bescha-
digen, of nesten van vogels weg te nemen
vernielen
digen of te vernielen
lingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn let-
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
terlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatricht-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder
Het is verboden eieren van dieren in de natuur
lijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden
zich te hebben
opzettelijk te vernielen of te rapen
verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepa-
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, ten-
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
lingen per regime weergegeven.
zij de storing niet van wezenlijke invloed is op
Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepa-
-
de staat van instandhouding van de desbetrefDe Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en
fende vogelsoort
de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuur-
Het is verboden plantensoorten in hun natuur-
lijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken
lijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken
en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen
en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen
of te vernielen
of te vernielen
10
Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen
plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over vol-
ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleer-
bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt
doende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan,
muis, baardvleermuis, tweekleurige vleermuis, meervleermuis en water-
de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht
zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).
vleermuis.
aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Binnen plangebied heeft het gebouw een plat dak zonder geschikte in-
Het kantoorpand bevat geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleer-
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de
vliegopeningen of locaties welke geschikt zijn als broedlocatie. Hierdoor
muizensoort in de vorm van open stootvoegen, kierende dakranden en an-
kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de peri-
broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw worden uit-
dere openingen naar ruimtes onder het dak of in de spouw (figuur 10). Er
ode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor
gesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevin-
is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegrou-
alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze
den zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd,
tes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand
beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
sperwer, havik en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten
groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. 5.2.1 Toetsing
houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade
als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning, grasmus, tjiftjaf
Bij het transformeren van het kantoorpand tot appartementencomplex be-
dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de
en houtduif tot broeden komen. 5.1.1 Toetsing
beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te wor-
Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een
soort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond be-
den of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te
jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel
schermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich
werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alterna-
nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betref-
in de te transformeren bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort
tieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvin-
fende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand
den. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden
groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen
op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van in-
overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de
standhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De onthef-
Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het
fing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor,
staat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuis-
half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid
5.1
Vogels
van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de
Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Minis-
aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld
terie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschil-
van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De
lende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nes-
voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat
ten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode
veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-
in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.
standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de
5.2
Vleermuizen
functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een cate-
Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plange-
gorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de
bied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, Figuur 10: Open stootvoegen bij een van de muren van het gebouw binnen plangebied
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
11
bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uit-
5.3.1
voering van de transformatie sprake is van overtreding, en of het treffen
Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van
van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er
niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefge-
mag worden gewerkt.
bied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gun-
5.6
stige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en over-
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan
treding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is
5.3
Grondgebonden zoogdieren
Toetsing
uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
Vissen
Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoog-
het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (inciden-
deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.6.1 Toetsing
dieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied wor-
teel) aanwezige individuen.
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
den waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foera-
5.4
geergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een pro-
Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het
5.7
vinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorg-
plangebied waarnemingen bekend van de ringslang. De waarnemingen
In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van
plicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden vol-
hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied
grote vos. Deze soort stelt echter zeer specifieke eisen aan zijn habitat,
doende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Dit houdt
zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten.
die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige be-
in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden
Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgeslo-
schermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig
van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om
habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde
het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzake-
ten. 5.4.1
lijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkge-
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op
heid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend
bied.
voorhand uitgesloten.
hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten.
Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plan-
5.5
gebied ook de niet vrijgestelde soorten boommarter, bunzing, hermelijn, wezel en eekhoorn voor. Gezien de binnenstedelijke ligging, de beperkte omvang en het relatief stenige habitat, betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als
Reptielen
Toetsing
Ongewervelde diersoorten
libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezig-
Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat
Amfibieën
In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als
aanwezig. 5.7.1 Toetsing
bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde onge-
Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plange-
wervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten
bied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde rugstreeppad bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater, waardoor de aanwezig-
5.8
heid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen beschermde soorten
is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van
bekend. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het
een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. 5.5.1 Toetsing
plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten re-
sporen van de eekhoorn aangetroffen. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de ver-
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel ha-
delijkerwijs ook niet te verwachten en uitgesloten. 5.8.1 Toetsing
spreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens re-
bitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaat-
delijkerwijs uitgesloten.
van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook
planten zijn op voorhand uitgesloten.
schuil- of nestplaats voor deze soorten. Gezien de binnenstedelijke liggen en het ontbreken van geschikt habitat, is het plangebied tevens niet geschikt voor boommarter. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
Vaatplanten
12
6
Conclusie
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Met betrekking tot de transformatie van het kantoorpand zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van rust en/of verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;
Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
6.1
Vervolgtraject en advies
of omgevingsdienst, in dit geval de Omgevingsdienst Noord-Holland
6.1.1
Soortgericht onderzoek
Noord (OD NHN). Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd
De transformatie van het kantoorpand kan negatieve gevolgen hebben
met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de
voor vleermuizen wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de
specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van in-
Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolg-
standhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de plan-
onderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie rust-
ning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de
en/of verblijfplaatsen aanwezig zijn. Een vervolgonderzoek naar vleermui-
werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uit-
zen loopt van half mei tot en met eind september.
gevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De (OD NHN) neemt normaliter bin-
Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleer-
nen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn
muizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen
met 7 weken worden verlengd.
het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunc-
6.1.2
Aanbevelingen
tie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te
Het te transformeren gebouw biedt in de huidige situatie geen vaste nest-
worden aangeboden die de te verstoren/verwijderen verblijfplaatsen (tijde-
en verblijfsmogelijkheden voor huismus en gierzwaluw, terwijl de ligging
lijk) kunnen opvangen. Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming
en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe
voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen
inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuis-
verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden
kasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de
waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de werkzaamheden ter
nieuwbouw gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismus-
plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mo-
sen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwij-
gen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een
nen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maat-
kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volle-
regelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort.
dig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van
Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een
een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing
checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de
voor het verstoren ervan kan worden gewerkt. Voor een initiatiefnemer is
directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het be-
dat vaak een extra jaar tijdverlies. Indien de projectplanning van essentieel
antwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen
belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al al-
worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vo-
ternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het
gels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website
kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Hiermee
van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast
kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt.
is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige rust- en/of verblijf-
Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-
plaats een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie
over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
13
7
Samenvatting
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en
Tabel 2: Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van aantasting
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
Ca. 1,9 km
Nee
-
Geen externe verstorende
wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor
factoren
bepaalde soortgroepen te voorkomen. Natuurnetwerk Nederland
Ca. 1,8 km
Nee
-
Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Tabel 3: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
Soortgroep Broedvogels
Algemeen
Jaarrond be-
Potentieel aanwezig
Sprake van overtreding
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Ja
Te voorkomen
Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp
Globale broedseizoen loopt van maart tot
maken of controle vooraf
half augustus
Nee
Nee
-
-
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar gebruik van ge-
Bij aanwezigheid is voor de transformatie
bouw door vleermuizen
een ontheffing nodig
schermd Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Foerageerhabitat
Nee
Nee
-
-
Vliegroutes
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
-
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
14
8
Geraadpleegde bronnen
Ontwerp Natuurbeheerplan 2017 Noord-Holland. Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op dinsdag 17 mei 2016, Haarlem
Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Algemene websites Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a.
huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) Floron.nl (soortgegevens planten) Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) Sovon.nl (soortgegevens vogels) Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming) Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites Maps.noord-holland.nl/kaarten/ (NNN en natuurbeheerplan Noord-Holland) odnhn.nl/Wet_natuurbescherming (implementatie natuurwetgeving binnen provincie Noord-Holland)
Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
15
Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl Quickscan Flora en Fauna Koopvaarder 1 te Hoorn
16