CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Motivering TAM plan

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente HoornBij agendapunt: Vaststellen TAM omgevingsplan en beeldkwaliteitsplan Bangert en Oosterpolder fase A Zuid23.255 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor alle beschouwde risicobronnen neemt het groepsrisico niet met meer dan 10% toe en wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Desalniettemin zal rekening gehouden moeten worden met het groepsrisico ingeval sprake is van een ligging binnen een aandachtsgebied. Hiertoe worden onder andere de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de gevolgen van een ramp of zwaar ongeval, en de zelfredzaamheid van personen binnen het aandachtsgebied, beschouwd. In de voorliggende situatie zal het voor de aanwezige personen goed mogelijk zijn om van de risicobron weg te vluchten ingeval van een calamiteit en is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. De aanwezige personen betreffen bovendien naar verwachting hoofdzakelijk volwassenen. Mogelijke kinderen binnen het plangebied zullen doorgaans onder toezicht van volwassenen aanwezig zijn. Daarom wordt aangenomen dat er in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Zodoende zal er geen sprake zijn van een hoge concentratie van 'verminderd zelfredzame' personen. De personen die aanwezig zijn kunnen zelfstandig vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Kinderen kunnen daarbij begeleid worden door volwassenen.

Bij de verdere uitwerking zal daarbij rekening gehouden worden met adequate vluchtwegen voor de aanwezige personen. Daarnaast dient de toekomstige bevolking goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Het is van belang dat zij daarbij op de hoogte zijn van de schuil- en

26

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

vluchtmogelijkheden. Alsmede moet bij de verdere planuitwerking zorg worden gedragen voor de realisatie van werkende communicatie- en waarschuwingsmiddelen, waarmee de aanwezige personen tijdig op de hoogte worden gesteld. Er kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft op 18 juni 2025 laten weten geen bezwaren te hebben tegen de plannen. 4.1.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft omgevingsveiligheid.

4.2

Water

4.2.1

Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Verder zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.

In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Verplichte omgevingswaarden Zowel het Rijk, de provincie en gemeenten (kunnen) werken met omgevingswaarden. Deze worden hieronder beschreven: Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (artikel 2.15 Ow). Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het Rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het Rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (artikel 2.13 Ow). Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient dewijziging van het omgevingsplan ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

27

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.2.2

Toetsing

Bij nieuwe ontwikkelingen of bouwplannen dient het waterbelang meegewogen te worden zodat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en wordt beschermd. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Bij de weging van het waterbelang vormen de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening de basis. Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is het 'Rapport weging van het waterbelang' opgesteld, dat is opgenomen als Bijlage 5. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. In de rapportage is ingegaan op de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plangebied Bangert- en Oosterpolder. Hierbij is het volledige ontwikkelgebied als uitgangspunt genomen, met een vastgesteld toekomstig verhard oppervlak van circa 50% van het totale gebied.

De waterbergingsopgave bedraagt 18 hectare open water (voor fase A Zuid en fase B Zuid samen), conform het Stedenbouwkundig Programma van Eisen en in overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Voor nieuw te graven stedelijk water zijn de eisen van HHNK gehanteerd, waaronder een minimale breedte van 6 meter, een diepte van 1 meter en voldoende voorzieningen voor onderhoud. Hemelwater en afvalwater worden gescheiden ingezameld en verwerkt, waarbij het schone hemelwater zoveel mogelijk rechtstreeks wordt afgevoerd naar het open water. De kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater mag niet verslechteren ten opzichte van de huidige situatie; waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. Voor alle handelingen aan of nabij watergangen (zoals graven, dempen, bouwen, lozen) is een vergunning of melding bij het waterschap vereist. De rapportage waarborgt dat het waterbelang is meegewogen en dat de eisen van de waterbeheerders in het ontwerp zijn verwerkt.Voor een uitgebreide toelichting en onderbouwing wordt verwezen naar Bijlage 5. 4.2.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft water.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of minder.

Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.Dit is onder andere het geval bij 1.500 woningen met één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

28

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.3.2

Toetsing

Invloed op de luchtkwaliteit In het projectgebied worden maximaal 102 woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat het voornemen een standaard geval Nibm betreft. Daarmee veroorzaakt het voornemen per definitie een niet in betekende mate verhoging van concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. Onderzoek achtergrondniveau Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2022, welke in maart 2022 zijn gepubliceerd. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM2.5 en PM10 ). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM2.5 en PM10 ) uit de wet zijn opgenomen in de volgende tabel. Luchtconcentratie

Norm jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

uurgemiddelde concentratie

200 µg/m3

PM2.5

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

PM10

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

24-uurgemiddelde concentratie

50 µg/m3

NO2

Figuur 4.2: Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10 Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven. 4.3.3

Conclusie

Het plan kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig dat de normen voor een goed leefklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Hiermee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft luchtkwaliteit.

4.4

Activiteiten en milieuzonering

4.4.1

Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Ook zijn er instructieregels over geur van activiteiten (paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat hierbij om het reguleren van 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, zoals de combinatie van

29

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

wonen met lichte bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4). Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden hanteert de gemeente Hoorn de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. 4.4.2

Toetsing

Het plan voorziet in de realisatie van woningen. Woningen leiden van zichzelf niet tot milieuhinder voor omliggende functies, maar zijn andersom als woonfunctie wel gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven. Woningen kunnen ook een belemmering vormen voor (eventuele uitbreidingsmogelijkheden van) deze bedrijven. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven aanwezig: Adres

Type bedrijf

Milieucatego Richtafstand rie VNG-2009 (m)

Afstand tot dichtstbij gelegen nieuw te bouwen woning (m)

Westerblokker 21

Massagepraktijk (artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven)

1

10

20

Westerblokker 45

Vervaardiging overige artikelen van hout met oppervlakte <200 m2

3.1

50

65

Westerblokker 26A

Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

2

30

15

Westerblokker 15A* Groothandel in hout en 3.1 bouwmaterialen - algemeen: b.o. > 2000 m2

50

50

Noorderdracht 20A

Tuincentrum

2

30

100

Gildenweg 33

Autosloperij met bedrijfsoppervlakte > 1000 m2

3.2

100

60

Gildenweg 23A

Veldsportcomplex (met verlichting)

3.1

50

60

Westerblokker 32B

Kinderopvang

2

30

50

Westerblokker 41

Bed & Breakfast

1

10

50

Westerblokker 29

Benzineservicestation zonder LPG

2

30

50

* Aan de Westerblokker 15A zit Pennekamp houthandel. Dit bedrijf is een groothandel in stookhout waar ook beperkt houtbewerking plaatsvindt, namelijk het klieven van boomstronken tot stookhout. Een categorie als houtzagerij of timmerwerkfabriek (beide categorie 3.2) is te 'zwaar' voor de activiteiten bij dit bedrijf, vooral omdat omwonenden weinig tot geen activiteiten waarnemen van dit bedrijf. Hoewel groothandel dus niet helemaal de activiteit beschrijft, is dit wel het meest passende bedrijfscategorie voor dit bedrijf.

30

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

In het plangebied zelf is het volgende bedrijf aanwezig: Adres

Type bedrijf

Milieucate Richtafstand (m) gorie VNG-2009

Westerblokker 14a

Loonbedrijf met 3.1 bedrijfsoppervlakte > 500 m2

50

Afstand tot dichtstbij gelegen nieuw te bouwen woning (m) 15

Uit bovenstaande tabellen blijkt dat het bedrijf aan de Westerblokker 26A niet aan de richtafstand wordt voldaan. Dit betreft het bedrijf De Strip Auto's, een autohandel. Er geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Verder blijkt dat voor het bedrijf aan de Gildenweg 33 (Autodemontagebedrijf De Ooyevaar) niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid. Ook blijkt dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid het loonbedrijf aan de Westerblokker 14a. Deze bedrijven zijn dan ook meegenomen in het akoestische onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 11. Voor het bedrijf aan de Westerblokker 14A (Loonbedrijf C. Wit en Zoon BV) is een akoestisch onderzoek beschikbaar. Het onderzoek van 30 juni 2022 is uitgevoerd door het Geluidburo en heeft de titel “Akoestisch Onderzoek V1.0, naar de geluidemissie van Loonbedrijf C. Wit en Zoon BV op de locatie: Westerblokker 14a 1695 AG BLOKKER” met kenmerk 1695 AG - 14a WO 001 30-06-2022 V1.0. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hoorn met het oog op de Fase A Zuid nieuwbouwplannen. Ook uit dit onderzoek is gebleken dat het bedrijf geen belemmering is voor de geplande woningen. Tevens wordt het bedrijf niet beperkt in de huidige en toekomstige bedrijfsvoering. Het bedrijf aan de Gildenweg 33 (Autodemontagebedrijf De Ooyevaar) is gelegen op het gezoneerde industrieterrein.

Voor bedrijven op een gezoneerd industrieterrein die vallen onder het Activiteitenbesluit, zoals Autodemontagebedrijf De Ooyevaar, geldt tevens op 50 meter van de erfgrens het standaard toetsingskader inrichtingen. Dit toetsingskader is vergelijkbaar met de gehanteerde toetsingswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) ter plaatse van de geplande woningen. De afstand van de erfgrens tot de geplande woningen is groter dan 50 meter (ten minste 60 meter, zie tabel 6). Op basis hiervan zal de geluidbelasting op de geplande woning, t.g.v. het bedrijf aan de Gildenweg 33, lager zijn dan 50 dB(A). Hiermee wordt er voldaan aan de standaardwaarde. Geur Uit bovenstaande inventarisatie blijkt ook dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geur bij het loonbedrijf aan de Westerblokker 14a. Voor loonbedrijven geldt namelijk een richtafstand van 30 meter voor geur. Loonbedrijf C. Wit & Zn. B.V. is voorzien van een voertuigen stalling, werkplaats met magazijn en een wasen tankplaats met vloeistofdichte vloeren. Er moet rekening worden gehouden met de maximale planologische invulling. De bestemming wordt beschreven in art. 9 als “loonbedrijf ten behoeve van de landbouw”. Iets anders dan loonwerk en landbouwmechanisatie is dus niet toegestaan, ook geen agrarische activiteiten waarbij mogelijk geurbronnen kunnen voorkomen.

Dit bedrijf zal qua geur dan in ook niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd worden. Andersom is er qua geur ter plaatse vqan de nieuwe woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.4.3

Conclusie

Samengevat betekent het dat de onderzochte bedrijven geen beperking opleveren voor de geplande woningen binnen het plangebied. Anderzijds worden de onderzochte bedrijven ook niet beperkt in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering door de bouw van de woningen. Het initiatief voldoet aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking en levert geen belemmeringen op voor de bedrijfsvoering in de omgeving. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

31

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.5

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein

4.5.1

Wettelijk kader

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. 4.5.2

Onderzoek

Met het initiatief wordt nieuwe geluidgevoelig bebouwing gerealiseerd, te weten woningen. Het grootste deel van de woningen van plangebied Fase A Zuid is gepland binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Gildenweg. De woningen zijn (deels) gepland binnen het geluidaandachtsgebied van de spoorweg Zaandam-Hoorn-Enkhuizen en de wegen IJsselweg/De Strip en Westerblokker. Het onderzoek richt zich op het vaststellen van de geluidbelasting van de verschillende wegen, spoorlijn en industrie op het plangebied. Tevens zijn in de nabijheid gelegen bedrijven, die niet op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen, betrokken in dit onderzoek. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. Navolgend wordt de conclusie besproken. Wegverkeerslawaai Bij de realisatie van het plan wordt ten gevolge van de IJsselweg/De Strip ter plaatse van een aantal woningen (8 woningen/woningblokken) de standaardwaarde van 53 dB overschreden. De maximale geluidbelasting op de woningen bedraagt 58 dB. Ten gevolge van de Westerblokker wordt ter plaatse van 3 meetpunten de standaardwaarde van 53 dB overschreden. De maximale geluidbelasting op de woningen bedraagt 61 dB. Voor beide wegen kan worden voldaan aan de grenswaarde van 70 dB. Railverkeerslawaai Ter plaatse van 13 meetpunten wordt de standaardwaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB overschreden.

De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 63 dB. Daarmee kan wel worden voldaan aan de grenswaarde van 65 dB. Industrielawaai Het grootste deel van de woningen van plangebied Fase A Zuid is gepland binnen de geluidzone van industrieterrein Gildenweg. Voor deze woningen zal een verzoek tot hogere waarden moeten worden ingediend. De hogere waarden zullen tussen de 51 en 55 dB(A) kunnen liggen. In dit onderzoek is vooralsnog uitgegaan van de situatie dat voor alle geplande woningen binnen de zone een hogere waarde van 55 dB(A) wordt aangevraagd volgens de ‘worst case’ situatie. Door het vaststellen van de maximale mogelijke hogere waarde van 55 dB(A) (MTG) wordt de geluidsruimte van de bedrijven binnen de geluidzone zeker gesteld. De werkelijke geluidbelasting ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein is duidelijk lager dan 55 dB(A), hierdoor blijft de geluidsruimte beschikbaar voor de bedrijven. Bedrijven op het gezoneerde industrieterrein worden door de bouw van de woningen in het plangebied niet beperkt in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering. De zonegrens blijft daarvoor bepalend. Bedrijven gelegen buiten het industrieterrein zijn in paragraaf 4.4.2 beoordeeld. Alle beoordeelde bedrijven voldoen aan de toetsingswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op de gevels van de geplande woningen.

Bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. Samengevat betekent het dat de onderzochte bedrijven geen beperking opleveren voor de geplande woningen binnen het plangebied. Anderzijds worden de onderzochte bedrijven ook niet beperkt in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering door de bouw van de woningen.

32

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

Gecumuleerde geluidbelasting Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op (gevels van) geluidgevoelige bestemmingen en om een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de zogenaamde ‘methode Miedema’ gehanteerd. In het plangebied Fase A Zuid is er bij 17 adressen (woningen en/of woonblokken) sprake van cumulatie (standaardwaarde wordt door meer dan één bron overschreden). Op 3 adressen (woningen en/of woonblokken) wordt de geluidsituatie conform de methode Miedema gekwalificeerd als “tamelijk slecht” en 17 adressen als “matig”. Adressen met een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde. Gemeentebesturen kunnen alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Het gemeentebestuur heeft dus een motiveringsplicht als zij besluit een geluidbelasting boven de standaardwaarde toe te laten.

Omdat de standaardwaarde ter plaatse van het grootste deel van de woningblokken wordt overschreden, moet worden onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn (aan de bron of in de overdracht) om de geluidbelasting op de woningen te reduceren. In het kader van dit onderzoek is enige aandacht besteed aan de mogelijkheid maatregelen te treffen. Gezien de situatie, ligging en ontsluiting van de woningen worden vooralsnog bron- en/of overdrachtsmaatregelen vanuit financieel, fysiek en ruimtelijk oogpunt als niet-wenselijk beschouwd. Voor de woningen/woningblokken met een gevelbelasting hoger dan de standaardwaarde, zal een onderzoek moeten plaatsvinden naar de gevelwering van de woningen om te garanderen dat de geluidsniveaus in de woonvertrekken wettelijk aanvaardbaar zijn. Een dergelijk onderzoek zal bij een definitieve invulling van de woningen en het ontwerp van de woningen apart uitgevoerd moeten worden, rekening houdend met de gezamenlijke geluidbelasting van de wegen en het railverkeer zoals aangegeven in bijlage 16 in de akoestische rapportage. Gezamenlijk geluid Omdat de standaardwaarde van 53 dB ter plaatse van de woningblokken 20-41 wordt overschreden, wordt in het omgevingsplan (ex artikel 5.78ad Besluit kwaliteit leefomgeving) een gezamenlijk geluid van ten hoogste 64 dB vastgelegd om woningbouw te realiseren.

Vaststellen hogere waarden geluid (industrielawaai) Voor nieuw te realiseren woningen gelegen buiten de grenzen van het industrieterrein en binnen de zonegrens, zijn hogere geluidbelastingen (hogere waarden) toelaatbaar tot ten hoogste 55 dB(A).Door het vaststellen van de maximale mogelijke hogere waarde van 55 dB(A) (maximaal toelaatbare geluidsbelasting (MTG)) (ex artikel 110a Wet geluidhinder) ter plaatse van de woonblokken 17-38 aan de Westerblokker/Gildeweg wordt de geluidruimte van de bedrijven binnen de geluidzone zeker gesteld. 4.5.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein.

33

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.6

Trillingen

4.6.1

Wettelijk kader

Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS. 4.6.2

Toetsing

Het beoogde plan ligt nabij spoortraject Hoorn – Enkhuizen. Gezien de korte afstand (circa 30 meter) tot het spoor vraagt het aspect trillingen om aandacht. Op deze afstand tot het spoor zijn voelbare trillingen in te realiseren woningbouw niet op voorhand uit te sluiten. Er is daarom onderzoek uitgevoerd naar de trillingsnoiveaus ter plaatse van de beoogde woonvelden (Bijlage 10). Uit de metingen blijkt dat het maximaal optredende trillingniveau vanwege treinpassages op alle meetposities voldoet aan streefwaarde A1 van 0,10 voor nieuwe situaties. Daarmee wordt voldaan aan de streefwaarden uit de SBR-B en is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect trillingen. In het ontwerp van de constructie zal echter wel rekening moeten worden gehouden met de eigenfrequenties van vloeren. Deze dienen minimaal een factor 2 boven de maatgevende aanstootfrequentie van 8 Hz te liggen. Tevens dient rekening te worden gehouden met het passeren van zwaar vrachtverkeer, met een maatgevende aanstootfrequentie van 4 Hz. 4.6.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft trillingen.

4.7

Bodem

4.7.1

Wettelijk kader

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

34

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.7.2

Toetsing

Met het planvoornemen wordt bebouwing toegevoegd waarin mensen langer dan 2 uur aanwezig zijn. Er zijn daarom een bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken worden navolgend besproken. Verkennend bodemonderzoek De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is onderzocht. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem, asfalt en fundatie onderzocht. De rapportage is opgenomen in Bijlage 6. Navolgend zijn de conclusies opgenomen. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn op meerdere locaties verontreinigingen aangetoond in zowel grond als grondwater. De belangrijkste bevindingen zijn: Koper en lood: In een voormalige slootdemping aan de noordzijde van het plangebied zijn sterke verhogingen van koper en lood aangetroffen in de bovengrond. De omvang van deze verontreiniging is nog niet vastgesteld; de verspreiding is zowel horizontaal als verticaal onbekend. Olie: In de zuidzijde van het plangebied is een sterke olieverontreiniging aangetoond in de ondergrond. In het grondwater op dezelfde locatie is sprake van een lichte verhoging. De mate van verspreiding is niet vastgesteld. Zink en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen): In een demping in het zuidelijk deel zijn matige verhogingen van zink en PAK aangetoond in de bovengrond. Onder deze laag is sprake van een lichte restverontreiniging. De verticale afgrenzing is deels onbekend.

Oude constructies: Op enkele plaatsen is de bodem niet volledig onderzocht doordat obstakels (zoals houtresten) zijn aangetroffen. Deze kunnen wijzen op oude beschoeiingen of funderingen van voormalige watergangen. Ook hier is de mate van verontreiniging onbekend. Voor de locaties waar sterke of matige verontreinigingen zijn vastgesteld, is aanvullend onderzoek nodig om de omvang van deze verontreinigingen vast te stellen. Het betreft: De slootdemping met verhoogde gehalten aan koper en lood. De zone met sterke olieverontreiniging in de ondergrond en lichte verhoging in het grondwater. De demping met verhoogde gehalten aan zink en PAK. De dempingen waarin obstakels zijn aangetroffen, waardoor de bodem niet volledig is onderzocht. Doel van dit nader onderzoek is het bepalen van de horizontale en verticale verspreiding van de verontreinigingen, zodat een risicobeoordeling en eventuele saneringsmaatregelen kunnen worden opgesteld. Waterbodemonderzoek In de aanwezige watergangen is een sliblaag aangetroffen met een dikte tussen 0,1 en 0,4 meter. Deze sliblaag bestaat uit zwak zandige of kleiige, donkergekleurde sedimenten, met daaronder voornamelijk klei en plaatselijk zand. Verontreinigingen: In het slib zijn lichte verhogingen van lood, zink en minerale olie gemeten.

Toepasbaarheid: Toepasbaar op landbodem als klasse Industrie; Toepasbaar onder water als klasse A of B; Verspreidbaar op aangrenzend perceel; Geschikt voor toepassing in een Grootschalige BodemToepassing (GBT). Eén zone van de vaste waterbodem is geclassificeerd als altijd toepasbaar op land en onder water. De onderzoeksstrategie wordt als voldoende beoordeeld. Aanvullend onderzoek naar de waterbodem is niet nodig. Asbestonderzoek In een aantal zones die verdacht werden geacht op de aanwezigheid van asbest zijn geen aanwijzingen

35

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

gevonden voor asbestverontreiniging. Zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetroffen in de bovengrond. In een van de onderzochte zones is een verhardingslaag van grind en split aanwezig, die als asbestonverdacht wordt beschouwd. Nader onderzoek is niet nodig. VerhardingenAsfaltverharding Er zal ongeveer 490 ton asfalt worden afgevoerd. Het uitgevoerde onderzoek is voldoende om maximaal 1000 ton als schoon asfalt aan te bieden voor hergebruik. Fundatie: De funderingslaag bestaat uit gebonden slakken, die voldoen als IBC-bouwstof. Visueel is geen asbest aangetroffen. Deze laag dient te worden afgevoerd naar een erkende verwerker, zoals een breker. Herbruikbaarheid en meldingsplicht Hergebruik van vrijkomende grond binnen het projectgebied wordt aanbevolen. Bij afvoer naar elders kan aanvullend PFAS-onderzoek nodig zijn. Voor hergebruik op andere locaties geldt doorgaans een keuringplicht (incl. PFAS) volgens het Besluit bodemkwaliteit. Verspreiding van baggerspecie op een aangrenzend perceel is meldingsvrij; voor ander hergebruik is een melding bij het Meldpunt bodemkwaliteit vereist. Conclusie Met uitzondering van de zones waar aanvullende onderzoeken zijn aanbevolen, geven de resultaten van het verkennend bodemonderzoek geen aanleiding tot milieuhygiënische belemmeringen voor de geplande woonfunctie.

Wel is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de aard en omvang van enkele verontreinigingen vast te stellen en zo nodig passende maatregelen te treffen. Nader bodemonderzoek Voor een paar locaties binnen het plangebied is nader onderzoek gedaan. De rapportage is opgenomen in Bijlage 8. Navolgend zijn de conclusies opgenomen. Binnen het plangebied zijn bij aanvullend bodemonderzoek de volgende verontreinigingen vastgesteld: Asbest: Een gedempte zone bevat een asbestverontreiniging van circa 60 m³ (ca. 110 ton). Dit is een ernstig geval van bodemverontreiniging, maar sanering is niet spoedeisend vanwege het ontbreken van risico’s bij huidig gebruik. Minerale olie: In de ondergrond is een sterke olie-verontreiniging aangetoond met een geschatte omvang van 21 m³. Geen ernstig geval, sanering is niet verplicht. Koper en lood: In een voormalige slootdemping is een sterke verontreiniging van circa 17 m³ vastgesteld. Geen ernstig geval, geen saneringsplicht. Lood (aardewerkbijmenging): Een matige verhoging aan lood, gekoppeld aan aardewerk in een demping. Lokaal en niet ernstig. Opmerkingen en aanbevelingen Asbest: Sanering aanbevolen. Uit te voeren door een BRL 7000-gecertificeerde aannemer, onder milieukundige begeleiding (veiligheidsklasse: zwart/3T). Overige verontreinigingen: Sanering wordt geadviseerd in verband met toekomstige woonfunctie, maar is niet verplicht.

Evaluatieverslag, (deel)saneringsplan en plan van aanpak verschillende verontreinigingsgevallen Voor de ontwikkeling van de percelen in Bangert Oosterpolder te Blokker tot woongebied zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd en is een (deel)saneringsplan opgesteld. De aanpak en evaluatie sluiten direct aan bij de eisen uit het omgevingsplan, waarin staat dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor

36

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

het beoogde gebruik (woningbouw) en dat bij overschrijding van de vastgestelde waarden sanerende of beschermende maatregelen verplicht zijn (art. 5.89i en 5.89K Bkl). Overzicht verontreinigingsgevallen en saneringsdoelstellingen (zie Bijlage 7 en Bijlage 8). Achter Westerblokker 30: Asbestverontreiniging in grond (ca. 60 m³) wordt volledig verwijderd. Achter Westerblokker 22: Koper- en loodverontreiniging (ca. 17 m³) en matige loodverontreiniging (ca. 30 m³) worden verwijderd. Lichte tot matige verhogingen zijn acceptabel indien geen risico’s aanwezig zijn. De uitgevoerde saneringen worden geëvalueerd in een eindrapport, dat binnen drie maanden na afronding aan het bevoegd gezag wordt verstrekt. 4.7.3

Conclusie

Na uitvoering van de benodigde saneringen, kan worden geconcludeerd dat de bodem binnen het ontwikkelingsgebied geschikt is voor het beoogde gebruik als woningbouwlocatie. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft het aspect bodem.

4.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.8.1

Wettelijk kader

Op grond van artikel 5.129g van het Bkl wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden met de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

4.8.2

Toetsing

1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Een stedelijke ontwikkeling kan als volgt worden gedefinieerd: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Ook blijkt uit jurisprudentie dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van 102 woningen en kan daarmee beschouwd worden als een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?

37

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. De gronden zijn nu grotendeels onbebouwd. Ze hebben op basis van het huidige omgevingsplan een uit te werken woonbestemming, een verkeersbestemming en een agrarische bestemming. De woningbouw is naar aard en omvang in relatie tot de omgeving een dusdanige functiewijziging dat het plan aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. De nieuw te bouwen woningen zijn deels bedoeld voor inwoners van de gemeente Hoorn. Daarnaast is de verwachting dat ook huishoudens van buiten de gemeente Hoorn zich hier gaan vestigen.

In de Woonvisie Hoorn 2020-2025 is deze verwachting als volgt beschreven: "[...] Prognoses laten zien dat het aantal huishoudens in Hoorn nog zeker twintig jaar groeit. Dat betekent dat woningen aan de bestaande voorraad toegevoegd moeten worden en dat een transitie in de kwaliteit van de woningvoorraad nodig is om te voorzien in voldoende woonruimte. Daarnaast zien we de druk op de woningmarkt ook toenemen doordat meer mensen van buiten zich in Hoorn vestigen. De vraag vanuit huishoudens van buiten Hoorn en van jongeren en studenten, faciliteert de gemeente. Dit is nodig om de economische ontwikkeling te stimuleren, vergrijzing tegen te gaan, de voorzieningen op peil te houden en ook in de toekomst een vitale stad te blijven." 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Het plan voorziet in de ontwikkeling van een woonproject. Daarom moet worden ingegaan op de woningbehoefte.

De gemeente Hoorn heeft dit uitgewerkt in haar Woonvisie 2020-2025. Paragraaf 3.5.2 bespreekt de Woonvisie uitgebreid. Eén van de woonopgaven luidt 'versnelling en ontwikkeling'. Wat betreft 'versnelling en ontwikkeling' wil de gemeente bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren. Ze promoot Hoorn als woonstad en gemeente met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast zet de gemeente in op het uitvoeren van de ambitie "Meer stad te worden" in Noord-Holland Noord. Hoorn gaat meer groeien als stad. Zo wil de gemeente meer nieuwe inwoners van buiten de regio aantrekken en jongeren uit Hoorn en omgeving behouden voor de regio. Hoorn heeft meer inwoners van buiten nodig om leefbaar en vitaal te blijven. Momenteel is sprake van woningschaarste. Bovendien laten prognoses zien dat het aantal huishoudens in Hoorn nog zeker twintig jaar groeit. Het woningbouwinitiatief sluit derhalve aan bij de Woonvisie. Het gebied is in de gemeentelijke Omgevingsvisie op de daarin opgenomen visiekaart aangeduid als 'woningbouwontwikkeling' (zie paragraaf 3.5.1). In deze gebieden ontwikkelt de gemeente woningen. Tot slot is de ontwikkeling van Bangert en Oosterpolder opgenomen in de regionale woningbouwafspraken (zie paragraaf 3.4.1). De conclusie luidt dat behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. 5.

Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In de bijlage van het Bkl is een definitie van het begrip stedelijk gebied opgenomen. Deze luidt als volgt: "Stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een

38

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

omgevingsplanactiviteit is toegelaten". Het plangebied ligt in het dorp Blokker en is omringd door woonwijken. Vanwege de locatie in de stedelijke omgeving van Hoorn wordt de locatie aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. 4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Het plan voorziet in een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied.

4.9

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

4.9.1

Wettelijk kader

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.9.2

Toetsing

Voor de ontwikkeling is een archeologisch en cultuurhistorisch advies opgesteld, dat is opgenomen in Bijlage 12. Voor het volledige advies inclusief analyse wordt verwezen naar de bijlage. Navolgend worden de conclusie en het eindadvies besproken. Conclusie In het plangebied worden naast huizen, ook infrastructuur en water aangelegd. Deze bodemingrepen bedreigen in principe de aanwezige archeologische waarden. Gespecificeerde verwachting Voor het dorpslint van Westerblokker geldt in principe een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op basis van de bodemkaart, de hoogtekaart en archeologische bronnen uit de nabije omgeving vallen sporen en vondsten vanaf de 12de eeuw binnen de archeologische verwachting. Historisch kaartmateriaal laat zien dat in de Nieuwe Tijd langs de Westerblokker werd gewoond. De nieuw te ontwikkelen kavel tussen Westerblokker 16 en 18 lijkt in de Nieuwe Tijd onbebouwd. De kavel binnen het dorpslint heeft een omvang van ca. 3.000 m2. Mogelijk bevindt de nieuw te ontwikkelen kavel zich net naast de bebouwing vanaf de 17de eeuw. Uit deze periode kunnen in ieder geval resten gerelateerd aan nabijgelegen bewoning (o.a. afvalkuilen, gedempte sloten en waterputten) worden aangetroffen. Vanwege de aanwezigheid van ophogingslagen kunnen sporen en vondsten hier tot dieper in de ondergrond worden aangetroffen.

Omdat de kavel tussen Westerblokker 16 en 18 voor zover bekend al lange tijd onbebouwd is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten in het verleden naar verwachting dan ook minimaal verstoord zijn geraakt. Het bodemarchief is vermoedelijk grotendeels intact. Ten zuiden van de Westerblokker zijn binnen het dorpslint nog twee wegen beoogd: Tussen Westerblokker 32 en 32a is in het Voorlopig Ontwerp verharding aangegeven met een omvang van ca 250 m2 ; Ten oosten van de strip is in het Voorlopig Ontwerp verharding aangegeven met een omvang van ca 250 m2 .

39

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

Zodra het definitief ontwerp bekend is en duidelijk is hoe diep de bodemingrepen zijn dient hier ook archeologisch onderzoek plaats te vinden. Voor de rest van het plangebied geldt een hoge tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Hier zijn volgens de bodemkaart tuineerdgronden aanwezig die een goede bescherming vormen voor de archeologische resten uit de prehistorie (en dan met name de Bronstijd) aanwezig kunnen zijn. De te onderzoeken deelgebieden buiten de historische kern en het vrijgegeven deel hebben een totale omvang van ca. 9 ha voor wat betreft fase A en 5B tezamen. Advies Op basis van de geplande nieuwbouw en de hoge archeologische waarde ter hoogte van de bouwkavel in het historische lint van Westerblokker en de hoge tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven (BRL SIKB 4003). Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (BRL SIKB 4001) te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. In de quickscan is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting geformuleerd. Deze gespecificeerde verwachting wordt tijdens het proefsleuvenonderzoek getoetst.

Een bureauonderzoek zal in dit geval geen nieuwe gegevens betreffende de verwachting binnen het plangebied genereren. Geadviseerd wordt om in dit geval een bureauonderzoek achterwege te laten en de gespecificeerde verwachting uit de quickscan te hanteren. Archeologie West-Friesland zal twee Programma’s van Eisen opstellen voor resp. het onderzoek in het historische lint van Westerblokker en de rest van het plangebied. Voor het proefsleuvenonderzoek buiten het historische lint van Westerblokker volstaat de aanleg van lange sleuven van 2 meter breed met een dekkingsgraad van 6%. Op deze manier kan een goed beeld worden verkregen van de aanwezigheid, conservering en verspreiding van archeologische resten. Proefsleuvenonderzoek Momenteel wordt een proefsleuvenonderzoek verricht. Wel is het vrijgavedocument archeologie al beschikbaar (zie Bijlage 14). Hieruit blijkt dat een groot deel van het plangebied wordt vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie. De vrijgave geldt voor die delen die zijn onderzocht middels het proefsleuvenonderzoek vanwege de verwachting voor de prehistorie. Binnen het dorpslint dient nog nader onderzoek te worden uitgevoerd. Zo heeft proefsleuvenonderzoek bij Westerblokker 16-18 uitgewezen dat een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Wanneer de rapportage van het proefsleuvenonderzoek beschikbaar, wordt deze bijgevoegd.

Vooruitlopend op het onderzoek worden de gronden, in lijn met het vrijgavedocument, vrijgegeven. De dubbelbestemming archeologie wordt verwijderd. 4.9.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect cultureel erfgoed en werelderfgoed. De waarde archeologie vervalt op de locatie op grond van de vrijgave door het bevoegd gezag.

40

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.10 Natuur 4.10.1

Wettelijk kader

De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming komen, ingedeeld naar doelgroep, terecht in een van de volgende drie besluiten: Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal); Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl); Omgevingsbesluit (Ob). Stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. 4.10.2

Toetsing

Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het rapport van de inventarisatie is als Bijlage 13 bij deze motivering gevoegd. Uit de toetsing komt naar voren dat de ontwikkeling niet leidt tot schadelijke handelingen, mits wordt voorkomen dat door werkzaamheden tijdens de realisatie broedende vogels en hun nesten worden aangetast of verstoord. Algemene zorgplicht In hoofdstuk 5 van Bijlage 13 staan de maatregelen die van belang zijn om schade aan kwetsbare plant- en diersoorten te voorkomen en te beperken.

Buiten de hierboven genoemde maatregelen met betrekking tot vogels, dienen de volgende maatregelen ook in acht te worden genomen tijdens de ontwikkeling van het plangebied: Houd eventueel aanwezige relatief kruidenrijke biotopen binnen het plangebied zo veel mogelijk intact en onverstoord; Houd het te realiseren openbaar groen zo schraal mogelijk door geen bemesting toe te passen en na het maaien te allen tijde het maaisel af te voeren; Werk in één richting zodat aanwezige dieren kunnen vluchten; Specifieke zorgplicht Er zijn geen specifieke passende mitigerende of passende compenserende maatregelen die getroffen dienen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. In de directe nabijheid van het plangebied is één rode lijstsoort waargenomen die ook in het plangebied voor zou kunnen komen, het Bruin blauwtje. Er zijn in dit geval geen wettelijk verplichte maatregelen ten aanzien van de specifieke zorgplicht. Toch adviseren wij tot het nemen van maatregelen voor het Bruin blauwtje, in het kader van biodiversiteitsbehoud en de rode lijststatus van deze soort: Verwijder eerst vegetatie in een gebied voordat er gegraven wordt; Indien dieren aanwezig blijken, staak de werkzaamheden totdat deze het projectgebied verlaten hebben. Gebiedsbescherming

41

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

De uitvoering van de beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000-gebieden, mits een berekening uitgevoerd wordt van de stikstofdepositie die optreedt tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Als hierbij sprake is van een depositie groter dan 0,0 mol N/ha/j, zijn mogelijk vervolgstappen aan de orde. Deze berekening komt hieronder aan orde. De beoogde herinrichting veroorzaakt ook geen conflict met de wet- en regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ganzenfoerageergebied en/of Weidevogelleefgebied. Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd. Om vast te stellen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is als Bijlage 15 (met een separate rekenbijlage in Bijlage 16) bij deze motivering gevoegd.

Uit de berekening blijkt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. 4.10.3

Conclusie

Zowel het aspect soortenbescherming als het aspect gebiedsbescherming (inclusief stikstof) vormen geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1

Wettelijk kader

Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. 4.11.2

Toetsing

Verkeer Het autoverkeer van en naar het plangebied moet voldoende kunnen worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur in de omgeving. Zoals ook is vermeld in paragraaf 2.2, hebben beide plandelen een eigen auto ontsluiting op de IJsselweg en Strip. Er is voor de plandelen geen directe auto ontsluiting op de Westerblokker. Alleen de woningen die aan de Westerblokker zijn gesitueerd zullen een ontsluiting op de Westerblokker krijgen. Voor langzaam verkeer zijn de ontsluitingen wel op de Westerblokker georiënteerd. De onderlinge verbinding tussen de plandelen voor langzaam verkeer verloopt via de kruising Westerblokker-De Strip. De langzaam verkeerontsluitingen zijn toegankelijk voor nood- en hulpdiensten om meerdere toegangen/uitgangen van en naar de plandelen te hebben. De toevoeging van de woningen leidt tot circa 756 verkeersbewegingen per etmaal (zie nota van uitgangspunten stikstofberekening, zie paragraaf 4.10 en Bijlage 15 AERIUS-rapportage). De nieuw te bouwen wijken worden voor het autoverkeer aangesloten op de Strip en de IJsselweg. Deze zijn zogenaamde gebiedsontsluitingswegen (GOW) en hebben een snelheidsregime van 50km/u. De GOW's hebben een ontsluitende functie, deze wegen geleiden de voertuigen van de woonwijken naar de grotere wegen als bijvoorbeeld de Provincialeweg, de Westfrisiaweg of de A7.

Deze GOW's hebben een grote capaciteit, dit houdt in dat er relatief veel auto's per etmaal overheen kunnen gaan zonder dat de weg

42

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

vastloopt. Deze capaciteit op de Strip wordt door verschillende factoren belemmerd. Denk hierbij aan het aantal voetgangersoversteekplaatsen en verkeerslichten. Deze factoren zijn ingesteld om de voorrangssituaties te regelen. Door deze factoren is de kans op stagnatie van verkeer op de Strip vergroot. Tijdens de twee spitsmomenten per dag ziet de gemeente dit dan ook al. Dit vastlopen is niet vast te binden aan één project. Dit is wederom een samenkomst van redenen. Zo is er altijd autonome groei in het autogebruik, zijn er functies als scholen en een winkelcentrum in de nabijheid en heeft de Strip een verbindende functie voor de gemeente. Dit betekent echter niet dat de Strip het verkeersaanbod van de nieuw te bouwen wijken niet kan afwikkelen, slechts dat het wat langer duurt tijdens de spitsmomenten. Hoe de gemeente deze factoren kan inperken en hoe de weg tijdens de spitsmomenten het verkeersaanbod zo vlot mogelijk kan afwikkelen, wordt onderzocht in een gemeentebrede bereikbaarheidsstudie. Tijdens deze studie wordt onderzocht waar, wanneer en waarom het verkeer vastloopt en hoe dit verbeterd kan worden. Parkeren In de verkaveling van fase 5B Zuid en fase A Zuid zijn de parkeernormen aangehouden die tot nu toe in heel Bangert en Oosterpolder gebruikt zijn.

Deze zijn momenteel van rechtswege niet meer geldig vanwege het later van kracht geworden paraplubestemmingsplan Parkeren & laden en lossen met daarbij horende nieuwe parkeernormen. Een toets op basis van deze nieuwe parkeernormen geeft een theoretisch tekort van 14 parkeerplaatsen, verdeeld over geheel fase 5B Zuid en fase A Zuid. Dit theoretische tekort ligt volledig in het openbaar gebied. Omdat de parkeernormen van Bangert en Oosterpolder echter afwijken van de geldende parkeernormen (uit het geldende paraplubestemmingsplan Parkeren & laden en lossen), kunnen deze alleen gerealiseerd worden met een aanvullend collegebesluit. Er is een collegebesluit genomen om deze afwijkende normering te hanteren. Aldus zijn het vertrekpunt bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen de normeringen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Bij de realisatie van de woningen moet worden voldaan aan deze parkeernormen. Deze staan aangegeven in Bijlage 5 Parkeernormeringen van de planregels en zijn gespecificeerd per woningtype. Het benodigde aantal parkeerplaatsen zal aan deze normen moeten voldoen (aantal woningen per type x de norm = het aantal parkeerplaatsen). Voor vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen is voor Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid een afwijking op deze bijlage geformuleerd.

In fase A Zuid en 5B Zuid gelden de volgende aanvullende voorwaarden (aanvullend op Bijlage 5 Parkeernormeringen) bij vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen: twee parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd; de parkeerplaatsen dienen naast elkaar te worden gesitueerd en zijn afzonderlijk vanaf de openbare weg bereikbaar; de afmetingen van de parkeerplaatsen bedragen ten minste 2,5 m breed en 5 m diep; indien de parkeerplaats grenst aan een harde barrière (zoals een muur, schutting of garage), wordt aan deze zijde de parkeerplaats met 0,45 m verbreedt of 0,50 m verlengd. Dit is als zodanig in de planregels geregeld. 4.11.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect verkeer en parkeren.

4.12 Mer-beoordeling 4.12.1

Wettelijk kader

Onderdeel van de motivering bij een wijziging van het omgevingsplan, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.

43

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid

4.12.2

Toetsing

Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer -verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Project-mer-beoordeling Het initiatief behoort in bijlage V in het Omgevingsbesluit tot nummer J11: 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=89a50695-04d7-4939-b94b-5fcea0fb0a6e