CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.2.d - Bijlagen bij de toelichting (deel 4)

Gemeenteraad 25 oktober 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Rozenbuurt (1978722)9.915 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage 11 Beschikking administratieve sanering

785/1275

Bijlage 12 Quickscan ecologie

791/1275

2019 Quickscan Wet Natuurbescherming Ontwikkeling perceel aan de Oostergouw te Zwaag (aanvullende versie 2020)

COLOFON BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 0513-435024 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Wet Natuurbescherming Ontwikkeling perceel aan de Oostergouw te Zwaag (aanvullende versie 2020)

Gorredijk, februari 2019 (aanvullende versie 3 september 2020) In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Jelmer Groen Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto voorpagina: Impressie van het plangebied

© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2019). Quickscan Wet Natuurbescherming Ontwikkeling perceel aan de Oostergouw te Zwaag 9aanvullende versie 2020). Rapport 18128. Bureau FaunaX, Gorredijk.

Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING bij aanvullende versie 2020 ....................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ...............................................................................................................................2

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied ............................................................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN 2019 ...................................................................................4 2.1

Flora .............................................................................................................................. 4

2.2

Vogels ........................................................................................................................... 4

2.3

2.4

3

Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4

2.2.2

Overige (broed)vogelsoorten ........................................................................ 6

Zoogdieren ....................................................................................................................7 2.3.1

Vleermuizen ................................................................................................... 7

2.3.2

Overige zoogdieren ...................................................................................... 10

2.3.3

Kleine marterachtigen ................................................................................. 10

Vissen, reptielen & amfibieën en ongewervelden ....................................................... 11 2.4.1

Rugstreeppad ................................................................................................ 12

2.4.2

Ongewervelden ............................................................................................ 13

2.5

Gebiedsbescherming (stikstofgevoeligheid herzien 2020) ........................................ 13

2.6

Houtopstanden ........................................................................................................... 13

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 14 3.1

Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 14

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen............................................................................ 14

3.3 4

2.2.1

3.2.1

Houtopstanden ............................................................................................ 14

3.2.2

Algemene broedvogels ................................................................................. 14

3.2.3

Vleermuizen (verblijfplaats bedrijfsgebouw) .............................................. 15

3.2.4

Vleermuizen (verblijfplaatsen bomenrij) .................................................... 15

3.2.5

Vleermuizen (foerageergebied/vliegroute bomenrij) ................................. 15

3.2.6

Vleermuizen (foerageergebied/vliegroute vaart ten zuiden van plangebied) ................................................................................................... 15

3.2.7

Zorgplicht ..................................................................................................... 16

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 16

LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 17

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 -

4.1

Wnb Soortbescherming ............................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Noord-Holland .......................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 -

4.2

Wnb Gebiedsbescherming ...................................................................................... - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 -

4.3

Wnb Houtopstanden ............................................................................................... - 3 -

4.4

NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur.................................... - 3 -

1. INLEIDING bij aanvullende versie 2020

In augustus 2020 bereikte ons het schrijven van Bevoegd Gezag Noord-Holland (omgevingsdienst Noord-Holland) ten aanzien van de in werking gezette werkzaamheden in het plangebied. Hierbij werden overtredingen vastgesteld van de Wet Natuurbescherming, waardoor het werk werd stil gelegd. Hierbij werd tevens vastgesteld dat, in de door ons destijds uitgevoerde Quickscan Wnb (rapportage FaunaX feb 2019), enkele omissies betreffende de argumentatie over het wel of niet aanwezig kunnen zijn van vast leefgebied of vaste rust- en verblijfplaatsen van een aantal beschermde (of niet-vrijgestelde) soorten. Dit betreft de beoordeling van: 1. rugstreeppad 2. kleine marterachtigen 3. jaarrond beschermde nesten In deze aanvullende versie hebben wij getracht onze eerdere conclusies ten aanzien van bovengenoemde soorten uitgebreider te beargumenteren en aan te vullen. Onze conclusies (in de rapportage van februari 2019) wat betreft het voorkomen van beschermde soorten en de daaruit voortvloeiende adviezen blijven echter gestand.

1.1 Aanleiding Men is voornemens een ontwikkeling te realiseren op een perceel gelegen aan de Oostergouw te Zwaag. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden.

Figuur 1.1. Het plangebied aan de Oostergouw te Zwaag. Bron: www.bing.com

1

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op woensdag 30 januari 2019 en vond plaats onder herfstige weersomstandigheden (3°C, windkracht 3, licht bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten zich binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief. 2

1.4 Karakteristiek plangebied Het onderzochte plangebied wordt gevormd door een perceel aan de Oostergouw te Zwaag. Het perceel bestaat uit braakliggend terrein waar voorheen mais werd geteeld en kassen hebben gestaan en dat wordt omringd en doorkruist door sloten. Aan de zuidkant van het perceel grenst het perceel aan een brede vaart. Op het perceel is een groot bedrijfsgebouw aanwezig waarin een bezorgingsbedrijf gevestigd is. Dwars door het plangebied loopt van noord naar zuid een oude elzenlaan. De elzen in deze laan zijn flink op leeftijd en in het verleden geknot en weer uitgelopen. Hierdoor zijn veel van deze bomen in slechte staat, doordat wonden naar binnen zijn gerot. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Zwaag en Hoorn.

Figuur 1.2. Impressie van het plangebied

3

2 RESULTATEN QUICKSCAN 2019 2.1 Flora De flora van het plangebied beslaat het braakliggende terrein, de elzenlaan en de vegetatie in de sloten in en om het plangebied. In het plangebied is sprake van voedselrijke omstandigheden. In de sloten is behalve riet geen andere vegetatie aangetroffen. Op het braakliggende terrein groeien soorten als klein kruiskruid, veldzuring en grote brandnetel. Tijdens het veldwerk zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De aanwezigheid van deze soorten kan op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen. Vooral het feit dat de grond in het plangebied voedselrijk is, speelt hierin een belangrijke rol. De aanwezigheid van beschermde flora in het plangebied wordt uitgesloten op grond van het ontbreken van geschikte standplaatsen voor deze soorten.

2.2 Vogels 2.2.1

Jaarrond beschermde vogelnesten

Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en bossen, als het gaat om ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Nesten van soorten als gierzwaluw, huismus of kerkuil worden over het algemeen aangetroffen in bebouwing. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, maar deze zijn niet aangetroffen. Huismus, gierzwaluw & kerkuil Ook het voorkomen van jaarrond beschermde nesten in het grote gebouw en het elektriciteitshokje in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Er is geen geschikt broedhabitat aangetroffen voor soorten als huismus, gierzwaluw en kerkuil. Het gebouw bestaat volledig uit een metalen constructie. Tevens sluit de dakconstructie, die bestaat uit metalen platen, die strak aansluit op de muurconstructie (zie figuur 1.4). Er zijn geen dakpannen of andere elementen of geschikte openingen aanwezig die kunnen dienen kunnen dienen als nestplaats voor de huismus. Voor de gierzwaluw en kerkuil geldt dit eveneens. Het elektriciteitshokje (zie figuur 1.3) biedt naar onze beoordeling geen mogelijkheid tot broeden voor de huismus. Tevens ontbreekt geschikt en voldoende foerageergebied voor huismussen; de directe omgeving bevat weinig bosschages, struiken en kruiden, zodat de diversiteit en het aanbod van insecten en zaden schaars is.

4

Figuur 1.3. De strak aansluitende dak- en wandconstructie centrale gebouw plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw

Figuur 1.4. Het kleine elektriciteitsgebouwtje biedt tevens geen geschikte nestgelegenheid voor jaarrond beschermde nesten

5

2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten

Naast jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze nesten zijn wel beschermd tijdens het broedproces. Tijdens het veldbezoek zijn veel vogelsoorten waargenomen waaronder soorten die niet veel binnen de bebouwde kom van gemeentes worden aangetroffen zoals groene specht en waterral. Het plangebied biedt dan ook veel mogelijkheden voor broedvogels. Vooral de elzenlaan heeft voor vogels veel ecologische waarde. De elzenpropjes bieden veel voedsel aan zaadetende zangvogels als de sijs. Daarnaast bieden de elzen ook nestgelegenheid. Ook op en in de loods (spreeuw etc.), evenals in de oevers van de sloten in en om het plangebied (wilde eend, meerkoet etc.), kunnen vogels tot broeden komen. We verwachten niet dat het dak van het centrale gebouw geschikt is voor scholekster of visdief, omdat het schuin afloopt. Het kleine omheinde deel boven in de ingang (zie figuur 1.5) is wel plat, maar daar wordt geregeld gebruik van gemaakt door werknemers.

Figuur 1.5. Ingang gebouw, het enige deel wat is opgetrokken uit baksteen, met spouwmuren en klein plat dak.

Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw, kerkuil en andere roofvogels in het plangebied kan op basis van onze beoordeling in alle redelijkheid op voorhand worden uitgesloten. Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen wel (algemenere) vogels tot broeden komen waarvan de nesten weliswaar geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens de broedperiode (grofweg 15 maart 15 juli); werken buiten het broedseizoen.

6

2.3 Zoogdieren 2.3.1

Vleermuizen

Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken zoals bruggen en viaducten. In het plangebied is een rij geknotte elzen aanwezig waarin zich veel holtes bevinden. Deze holtes zijn beoordeeld op geschiktheid voor wat betreft verblijfplaatsen van vleermuizen als de ruige dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis. De meeste holtes lopen niet ver genoeg door of zijn juist te ver doorgerot, waardoor er geen sprake is van een bufferende werking, maar er zijn over de volledige lengte van de bomenrij een achttal holtes geschikt bevonden als potentiële verblijfplaats (figuur 2.1.). Hoewel de elzen in het verleden geknot zijn en de holtes daardoor laag gepositioneerd zijn, kan het voorkomen van verblijfplaatsen zeker niet op voorhand worden uitgesloten (Bat tree Habitat Key, 2018).

Figuur 2.1.: De locaties van de boomholtes die kunnen dienen als verblijfplaats van vleermuizen.

Niet alleen in de elzen in het plangebied kunnen vleermuizen verblijven, maar ook in het bedrijfsgebouw in het plangebied. Het overgrote deel van dit gebouw is opgetrokken uit metalen elementen en mede daardoor niet geschikt voor vleermuizen. Een klein deel van het gebouw is echter opgetrokken uit bakstenen en voorzien van spouwmuren en stootvoegen. Hierdoor kan niet op voorhand worden uitgesloten dat in de spouwmuur verblijfplaatsen van vleermuizen als de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. In de praktijk is een zeer smalle ruimte van ongeveer een centimeter breed al groot genoeg om vleermuizen als de gewone dwergvleermuis te herbergen. Naast het bedrijfsgebouw, is in het plangebied ook een elektriciteitsgebouwtje aanwezig. Dit gebouwtje is niet toegankelijk voor vleermuizen.

7

Figuur 2.2.: In het bedrijfsgebouw in het plangebied zijn spouwmuren aanwezig die mogelijk toegankelijk zijn voor vleermuizen door de aanwezigheid van stootvoegen.

Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of rijen van gebouwen gebruikt. Op het moment van schrijven is niet uit te sluiten dat de rij met elzen dient als essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute voor vleermuizen. Zo is het mogelijk dat er een kolonie vleermuizen in de kerk vlak buiten het plangebied verblijft en deze kolonie voor haar voortbestaan afhankelijk is van de betreffende bomenrij. Denk hierbij aan soorten als de laatvlieger, gewone dwergvleermuis en watervleermuis en zelfs meervleermuis (in het nabijgelegen dorp Avenhorn bevindt zich hoogstwaarschijnlijk een verblijfplaats van deze soort, bron: NDFF)

Figuur 2.3.: De rij met elzen in het plangebied kan dienen als belangrijke element van het leefgebied voor vleermuizen De elzenlaan kan dienen als (onderdeel van een) essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute.

8

Ook ten zuiden van het plangebied kan sprake zijn van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Hier loopt een brede vaart die als vliegroute kan worden gebruikt door aan water gebonden vleermuizen als de meer- en watervleermuis, soorten die in gebouwen verblijven en bijvoorbeeld een kolonie kan hebben in de kerk.

Figuur 2.4.: de vaart ten zuiden van het plangebied kan dienen als (onderdeel van een) essentiële vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen.

In de rij met elzen in het plangebied kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de spouwmuur van het uit bakstenen opgetrokken deel van het centrale gebouw in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. De rij met elzen in het plangebied kan dienen als (onderdeel van een) essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Ook de vaart ten zuiden van het plangebied kan dienen als essentieel foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen.

9

2.3.2 Overige zoogdieren Binnen het plangebied is voor wat betreft vaste rust en verblijfplaatsen geen geschikt habitat aanwezig voor soorten als de das, de otter, de boommarter en de waterspitsmuis. De sloot is vanwege beschaduwing en afwezigheid van geschikte (water)vegetatie ongeschikt voor zoogdieren hier geen vast leefgebied zullen vinden. Bij raadpleging van de NDFF blijkt ook dat bovengenoemde soorten niet in de omgeving voorkomen.

2.3.3 Kleine marterachtigen

In de provincie Noordwezel beschermde zoogdieren die geen vrijstelling genieten. Deze marterachtigen kennen, afhankelijk van de soort, een relatief groot leefgebied; er dient voldoende beschutting, dekking, nestgelegenheid en voedselaanbod aanwezig te zijn om als leefgebied voldoende functioneel te zijn. Bunzing Van de bunzing (bron; NDFF) zijn binnen de bebouwde van Hoorn en Zwaag geen recente waarnemingen bekend. Daarnaast ontbreekt voldoende geschikt leefgebied, waardoor het met redelijke inschatting kan worden uitgesloten dat deze soort in het plangebied een vaste rust- of verblijfplaats kent. Hermelijn & wezel Van de hermelijn en wezel (zie figuren 2.5 en 2.6) zijn slechts een handvol waarnemingen (Bron; NDFF) langs en buiten de bebouwde kom van Hoorn en Zwaag bekend. Daarnaast ontbreken ook voor deze soorten voldoende geschikt leefgebied en dekking, waardoor het met redelijke inschatting kan worden uitgesloten dat deze soorten in het plangebied een vaste rustof verblijfplaats kent.

Figuur 2.5. Verspreiding hermelijn in omgeving plangebied (rode cirkel) Zwaag-Hoorn. Groene stippen: recente, exacte locatie-waarnemingen, Rode stippen: oude waarnemingen, Oranje stippen; oudere waarnemingen op uur- of km-hok niveau (NDFF)

10

Figuur 2.6 Verspreiding wezel in omgeving plangebied (rode cirkel) Zwaag-Hoorn. Groene stippen: recente, exacte locatie-waarnemingen, Rode stippen: oude waarnemingen, Oranje stippen; oudere waarnemingen op uur- of km-hok niveau (NDFF)

Binnen het plangebied kunnen wel diverse (algemenere en vrijgestelde) zoogdiersoorten voorkomen, zoals enkele (spits)muizensoorten. Voor deze soorten geldt de zorgplicht. Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van andere beschermde en niet vrijgestelde zoogdiersoorten dan vleermuizen in en vlak buiten het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Wel komen in het plangebied naar alle waarschijnlijkheid diverse (kleinere, licht beschermde) zoogdiersoorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).

2.4 Vissen, reptielen & amfibieën en ongewervelden Door de afwezigheid van geschikt voortplantingswater en habitat in en direct rondom het plangebied, is het uitgesloten dat er in het plangebied beschermde amfibiën, vissen, molusken of libellen(larven) voorkomen. De watergangen bestaan deels uit smalle, voedselrijke (landbouw)sloten en en een diepe vaart ten zuiden van het plangebied, waardoor deze ongeschikt zijn als habitat voor kritische soorten als poelkikker, heikikker en rugstreeppad. Reptielen, poel- en heikkikker en grote modderkruiper komen in de omgeving van Zwaag überhaupt niet voor (Bron: NDFF). De rugstreeppad komt echter wel voor in de omgeving, daarom wordt deze hieronder nog apart behandeld. 11

2.4.1 Rugstreeppad

Naast het ontbreken van geschikte voortplantingslocaties in en rond het plangebied, zijn de meeste recente waarnemingen gedaan in het landelijke gebied ten Westen van Hoorn-Zwaag (zie figuur 2.7). Hier bevinden zich tevens bekende voortplantingslocaties (Bron: RAVON). Er zijn slechts een drietal recente vondsten aan de uiterste randen van de bebouwde kom. De meest zuidoostelijke daarvan (Zie figuur 2.7) betreft roepende dieren in natte polders wat duidt op een voortplantingslocatie, direct grenzend aan het IJsselmeer. Deze waarnemingen liggen echter op ruime afstand (2,5 kilometer) van het plangebied en zijn gescheiden door de bebouwde kom. De meest noordoostelijke recente waarneming (1, 5 km afstand) betreft een losse waarneming die zeer waarschijnlijk betrekking heeft op vondst van een zwervend dier en waarvan de betrouwbaarheid niet kan worden achterhaald (Bron: NDFF).

Figuur 2.7. Verspreiding rugstreeppad in omgeving plangebied (rode cirkel) Zwaag-Hoorn. Groene stippen: recente, exacte locatie-waarnemingen, Rode stippen: oude waarnemingen, Oranje stippen; oudere waarnemingen op uur- of km-hok niveau (NDFF)

12

2.4.2 Ongewervelden

Het voorkomen van andere beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld op basis van de afwezigheid van waardplanten van beschermde vlindersoorten. Binnen het plangebied kunnen wel andere (vrijgestelde) soorten van deze diergroepen voorkomen, zoals enkele amfibieënsoorten. Voor deze soorten geldt de zorgplicht. Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten van de overige diergroepen kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen.

Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten uit de overige diergroepen vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden als libellen en dagvlinders, kan op voorhand worden uitgesloten. Wel komen in het plangebied naar alle waarschijnlijkheid diverse (kleinere, licht beschermde) diersoorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).

2.5 Gebiedsbescherming (stikstofgevoeligheid herzien 2020) Tijdens het schrijven van deze Quickscan was er nog geen sprake van het overschrijden van het Nederlandse Stikstofplafond, waardoor nog geen sprake was van het verplichte uitvoeren van een Aerius-berekening (Rechtszaak Raad van State, uitspraak 29 mei 2019), maar de PAS-regeling gold. Tijdens onze beoordeling (februari 2019) en de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN of Natura2000 en is niet aangewezen als ganzenfoerageergebied of weidevogelgebied. De gemeente Hoorn grenst wel aan Natura2000gebied Markermeer en IJmeer, maar effecten op doelsoorten of habitattypen waarvoor dit gebied is aangewezen zijn, naar onze bescheiden mening op voorhand, uit te sluiten. In de omgeving van het plangebied liggen geen stikstof-gevoelige N2000-gebieden (www.noordholland.nl). Echter Bevoegd Gezag Noord-Holland kan, gezien de huidige situatie, een andere mening zijn toegedaan. Gezien de recente ontwikkelingen betreffende het ontbinden van de PAS-regeling en de nieuwe beleidswijzen per provincie sindsdien, lijkt het ons verstandig contact op te nemen met Bevoegd Gezag over het wel of niet benodigd zijn van een Aerius-berekening.

2.6 Houtopstanden De elzenrij in het plangebied zal worden gekapt. Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- of herplantingsplicht. dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd. Er kan sprake zijn van een meld- of herplantplicht indien er bomen worden gekapt. Neem hiervoor contact op met de Gemeente.

13

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Soortgroep

Soort

Aanwezigheid Art. 3.1

Vogels

Algemene broedvogels

Waarschijnlijk

Zoogdieren Zoogdieren

Zoogdieren

Zoogdieren Divers

Vleermuizen (verblijfplaatsen gebouw) Vleermuizen (verblijfplaatsen bomenrij) Vleermuizen (vliegroute/ foerageergebied bomenrij) Vleermuizen (vliegroute/ foerageergebied vaart) Divers

X

Art. 3.5

Art. 3.10

Vrijgesteld

X

Advies Werken buiten broedseizoen. Anders Broedvogelcheck

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Mogelijk

X

Nader onderzoek

Mogelijk

X

Vermijd lichtuitstraling. Anders nader onderzoek.

Ja

X

X

Zorgplicht

3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan ons inziens doorgang vinden, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen. Het is belangrijk te beseffen dat een deel van onderstaande maatregelen kunnen worden gecombineerd om kosten te besparen en effecten op het milieu (brandstofgebruik) te beperken. Zo kan het nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomenrij worden gecombineerd met het onderzoek naar de aanwezigheid van een foerageergebied en/of vliegroute langs deze zelfde bomenrij.

3.2.1

Houtopstanden

Aangezien de elzenlaan in het plangebied wordt gekapt, adviseren we om de aantallen en oppervlakte te berekenen en bij de gemeente te informeren of er sprake is van een meld- en herplantingsplicht.

3.2.2 Algemene broedvogels

Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen verspreid over het plangebied vogels tot broeden komen waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. We adviseren daarom om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over 14

het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd, zodat in delen van het plangebied waar geen verstoring op kan treden reeds tijdens het broedseizoen kan worden gewerkt.

3.2.3 Vleermuizen (verblijfplaats bedrijfsgebouw)

Het bedrijfsgebouw in het plangebied, en dan specifiek het deel dat is opgetrokken uit bakstenen, biedt mogelijkheden tot verblijven voor verschillende soorten vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis. De opdrachtgever heeft aangegeven dat de spouw 140mm breed is, waarvan 80mm uit isolatie bestaat. Dit houdt in dat er een ruimte van 60mm breed is waarin vleermuizen kunnen verblijven. Omdat onder de Wet natuurbescherming alle verblijfplaatsen van vleermuizen beschermd zijn, adviseren we om de aanwezigheid van deze verblijfplaatsen uit te sluiten, dan wel vast te stellen. Dit dient te gebeuren middels een onderzoek dat plaatsvindt aan de hand van vier veldbezoeken, verdeeld over de periode 15 mei tot 1 oktober. Deze onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld, dient er voor deze soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende- en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.4 Vleermuizen (verblijfplaatsen bomenrij)

Ook in de bomenrij (figuur 2.3.) in het plangebied kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Aangezien deze bomen worden gekapt, adviseren we om aan de hand van nader onderzoek vast te laten stellen of er in de bomenrij inderdaad verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hierop is dezelfde methodiek van toepassing als op het onderzoek naar verblijfplaatsen in het bedrijfsgebouw (hoofdstuk 3.2.3.). Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld, dient er voor deze soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende- en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.5 Vleermuizen (foerageergebied/vliegroute bomenrij)

De bomenrij in het plangebied kan dienen als essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Aangezien deze bomen worden gekapt, adviseren we om aan de hand van nader onderzoek vast te laten stellen of de bomenrij inderdaad in deze functies voorziet. Dit onderzoek kan worden gecombineerd met het onderzoek naar verblijfplaatsen in deze zelfde bomenrij (hoofdstuk 3.2.4.). Indien er een essentieel foerageergebied of essentiele vliegroute wordt vastgesteld, dient er voor deze soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende- en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.6 Vleermuizen (foerageergebied/vliegroute vaart ten zuiden van plangebied)

De vaart ten zuiden van het plangebied (figuur 2.4.) kan dienen als essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen zoals de meervleermuis. We adviseren om tijdens de werkzaamheden te vermijden dat er tussen zonsondergang en zonsopkomst kunstlicht schijnt in de richting van deze vaart. In dat geval kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Als het niet mogelijk is om dit te voorkomen, adviseren we om aan de hand van nader onderzoek vast te laten stellen of hier inderdaad sprake is van een essentiële vliegroute. Dit dient te gebeuren middels een onderzoek dat plaatsvindt aan de hand

15

van twee veldbezoeken, waarvan er eentje dient plaats te vinden in de kraamtijd van vleermuizen. Deze onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er een essentieel foerageergebied of essentiele vliegroute wordt vastgesteld, dient er voor deze soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende- en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.7 Zorgplicht

Er kunnen enkele soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten (bv. bruine kikker, veldmuis, huisspitsmuis enz.). De zorgplicht van de Wnb (art. 1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving (bijvoorbeeld amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventuele aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten en eventuele aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt voldaan aan de zorgplicht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het in één richting dempen van sloten en het laten afvissen van deze sloten als deze in hun volledigheid gedempt worden en vissen niet de mogelijkheid hebben om zich zelfstandig te verplaatsen naar andere waterlichamen. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.

3.3 Overzicht vervolgstappen De uitvoering van voornoemde plannen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Vogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli) óf voor aanvang werk broedvogelcheck uit laten voeren, zodat in specifieke delen van het plangebied tijdens het broedseizoen gewerkt kan worden. Vleermuizen (verblijfplaats bedrijfsgebouw): Nader onderzoek. Vleermuizen (verblijfplaatsen bomenrij): Nader onderzoek. Vleermuizen (foerageergebied/vliegroute bomenrij): Nader onderzoek. Vleermuizen (foerageergebied/vliegroute vaart): Vermijd lichtuitstraling richting vaart. Anders nader onderzoek Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Het naleven van de zorgplicht. Houtopstanden: Oppervlakte en aantallen berekenen en informeren of er sprake is van een meld- of herplantingsplicht.

16

4 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Bat Tree Habitat Key, 2018. Bat roosts in trees. A guide to indentification and assessment for tree-care and ecology profesionals. Bronnen internet Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon: https://www.sovon.nl/nl Synbiosys Alterra kaartenmachine Natura 2000-gebieden: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Verspreidingsatlas planten FLORON: http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

17

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

4.1 Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring

Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Vrijgestelde soorten provincie Noord-Holland

Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Noord-Holland vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën).

-1-

Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Noord-Holland.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Ondergrondse woelmuis Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Voorwaarden vrijstellingen

Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Noord-Holland, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen, niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden. Dit is vooral van toepassingen bij de vrijgestelde zoogdieren.

Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen).

Indien soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet

-2-

nodig. Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de organisatie gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.

4.2 Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebieden

Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.

4.3 Wnb Houtopstanden Ook de bescherming van arealen bos en houtopstanden valt onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd. Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.

4.4 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.

-3-

Bijlage 13 Plan van aanpak ecologische onderzoeken

819/1275

Bijlage 14 Nader ecologisch onderzoek marterachtigen en rugstreeppadden

823/1275

830/1275

Bijlage 15 Nader ecologisch onderzoek vleermuizen, vogels en rugstreeppad

831/1275

Bijlage 16 Memo stikstofberekening

845/1275

Bijlage 17 Akoestisch onderzoek inrichtingslawaai

863/1275

Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Rozenbuurt te Zwaag

Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Rozenbuurt te Zwaag

Projectnummer

: BP.2045.R01

Revisie

:1

Rapportdatum

: 25 januari 2021

Auteur

: D. Kraaij

Opdrachtgever

: VOF Rozenbuurt

Contactpersoon

: mevr. I. Penning (Rho Adviseurs)

Kraaij Akoestisch Adviesbureau Frisodonk 5 4707 VG Roosendaal T: 0165-544833 M: 06-10078854 E: info@kraaijbv.nl

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 4

2

TOETSINGSKADER ..................................................................................................................................... 5

3

OMSCHRIJVING OMGEVING EN PLANONTWIKKELING............................................................................... 6

4

UITGANGSPUNTEN ONDERZOEK ............................................................................................................... 8

5

DE MODELLERING...................................................................................................................................... 9 5.1 5.2 5.3 5.4

6

BODEMGEBIEDEN EN OBJECTEN ........................................................................................................................ 9 TOETSPUNTEN............................................................................................................................................... 9 GELUIDBRONNEN ......................................................................................................................................... 10 BEDRIJFSDUURCORRECTIES ............................................................................................................................ 11

REKENRESULTATEN ................................................................................................................................. 12 6.1 LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU .................................................................................................... 12 6.2 MAXIMAAL GELUIDNIVEAU ............................................................................................................................ 12 6.2.1 Trainingen ........................................................................................................................................ 12 6.2.2 Wedstrijden ..................................................................................................................................... 13

7

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 14 7.1 7.2

ADVIES LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU .......................................................................................... 14 ADVIES MAXIMAAL GELUIDNIVEAU .................................................................................................................. 14

Bijlagen Bijlage I : Bijlage II : Bijlage III : Bijlage IV : Bijlage V : Bijlage VI :

Modelgegevens Brongegevens Rekenresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau trainingen Rekenresultaten maximaal geluidniveau Rekenresultaten maximaal geluidniveau op stedenbouwkundig plan Rekenresultaten maximaal geluidniveau op eerstelijns bebouwing inclusief geluidscherm

Figuren Figuur 1 : Figuur 2 : Figuur 3 : Figuur 4 : Figuur 5 : Figuur 6 : Figuur 7 : Figuur 8 : Figuur 9 : Figuur 10 : Figuur 11 :

Stedenbouwkundig plan Modellering bodemgebieden en objecten Modellering toetspunten Modellering geluidbronnen trainingen Modellering geluidbronnen wedstrijden Modellering geluidbronnen wedstrijden Modellering geluidbronnen bepaling maximaal geluidniveau Weergave rekenresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau trainingen Weergave rekenresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wedstrijden Modellering toetspunten stedenbouwkundig plan Positionering geluidscherm

BP.2045.R01.rev1

pagina 3

25-01-2021

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

1

INLEIDING

In opdracht van VOF Rozenbuurt en in samenwerking met Rho Adviseurs is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek verricht in verband met een bestemmingsplanprocedure voor de realisatie van maximaal 450 woningen in het plan “Rozenbuurt” in Zwaag (gemeente Hoorn). De locatie heeft op grond van het vigerend bestemmingsplan “Blokker, Zwaag en Nieuwe Steen – Oost” een agrarische bestemming. Om de woningbouw mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. In het kader van de bestemmingplanprocedure dient door middel van voorliggend akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat er vanuit akoestisch oogpunt sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij worden de richtafstanden en richtwaarden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ als richtlijn gebruikt. In hoofdstuk 2 van dit rapport is opgenomen op welke wijze dit vanuit het toetsingskader is vormgegeven. Het akoestisch onderzoek richt zich op het geluid van de sportvelden van S.V. Westfriezen, omdat de planontwikkeling plaatsvindt binnen de richtafstand van de sportvelden. De omgeving van de onderzoekslocatie en de planontwikkeling van het plan “Rozenbuurt” is nader beschreven in hoofdstuk 3. Op basis van door de opdrachtgever aangeleverde informatie is een representatieve bedrijfssituatie bepaald.

Een beschrijving van de uitgangspunten voor de representatieve bedrijfssituatie is opgenomen in hoofdstuk 4. Voor de berekening van de geluidbelasting is gebruik gemaakt van een rekenmodel. De opbouw van dit rekenmodel is beschreven in hoofdstuk 5. De rekenresultaten zijn opgenomen in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat de conclusie en het advies om te kunnen voldoen aan de beschreven richtwaarden. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM 1999).

BP.2045.R01.rev1

pagina 4

25-01-2021

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

2

TOETSINGSKADER

Bij wijziging van een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor het aspect ‘geluid’ zijn in de VNG brochure “Bedrijven en Milieuzonering” richtafstanden opgenomen voor bedrijvigheid ten opzichte van geluidgevoelige bestemmingen. De richtafstanden zijn afhankelijk van de milieucategorie van de bedrijven en de gebiedstypering. Als de richtafstanden worden gerespecteerd is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het is mogelijk om een ontwikkeling binnen de richtafstanden planologisch mogelijk te maken, mits aangetoond wordt er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit akoestisch oogpunt wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als aan bepaalde geluidrichtlijnen wordt voldaan. Gebiedstypering De VNG-brochure onderscheidt twee gebiedstyperingen: 1. Rustige woonwijk en rustig buitengebied 2. Gemengd gebied Een “rustige woonwijk en rustig buitengebied” is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van enkele wijkgebonden voorzieningen zijn er vrijwel geen andere functies. Er is weinig storend verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype is een rustig buitengebied (inclusief eventueel verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een “gemengd gebied” is een gebied met matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen kunnen winkels, horeca of kleine bedrijven voorkomen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere activiteiten kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het gemengd gebied. Rondom het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein, een sportcomplex en de Oostergouw. De Oostergouw is de hoofdontsluitingsweg van de N302 naar het centrum van Zwaag. De omgevingstypering sluit aan bij een “gemengd gebied”. Richtafstand Sportvelden met verlichting hebben op basis van de VNG-publicatie een richtafstand van 50 meter. Deze richtafstand geldt voor een “rustige woonwijk en rustig buitengebied”. Binnen een gemengd gebied kan de richtafstand met één stap worden terug gebracht naar 30 meter. De planontwikkeling bevindt zich binnen deze richtafstand. Akoestisch onderzoek naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is noodzakelijk. Geluidrichtlijn Voor wat betreft de berekende geluidbelasting wordt aangesloten bij de geluidrichtlijnen uit de VNG-brochure, behorende bij een ‘gemengd gebied’.

De geluidrichtlijnen zijn: 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70 dB(A) in de dag-, 65 dB(A) in de avond- en 60 dB(A) in de nachtperiode voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Op basis van bestuurlijke afwegingen kan een hogere geluidbelasting worden toegestaan. Hiervoor is in de VNG-brochure een stappenplan opgenomen.

BP.2045.R01.rev1

pagina 5

25-01-2021

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

3

OMSCHRIJVING OMGEVING EN PLANONTWIKKELING

Op het terrein van een voormalig kassencomplex in Zwaag wordt een woningbouwplan ontwikkeld. De onderzoekslocatie bevindt zich aan de oostzijde van de Oostergouw. De Oostergouw loopt ten zuiden van de onderzoekslocatie door. De Oostergouw is een hoofontsluitingsweg van Zwaag van en naar de provinciale weg N203. Ten westen van de Oostergouw bevindt zich het bedrijventerrein “De Oude Veiling”. Aan de noordzijde van onderzoekslocatie bevinden zich de tuinen van de woningen aan de Dorpstraat. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevinden zich de sportvelden van S.V. Westfriezen. In onderstaande figuur is een luchtfoto van de situatie opgenomen. De onderzoekslocatie is rood omkaderd.

Figuur 3.1: Luchtfoto planlocatie en omgeving

Het plan omvat de realisatie van ca. 450 woningen in verschillende prijscategorieën, van goedkoop/sociaal tot duur. Naast grondgebonden rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen worden er ook appartementen gerealiseerd. De grondgebonden woningen zijn aan de oostzijde en in het centrale gedeelte van het plan geprojecteerd. De woningen zullen grotendeels een goothoogte hebben van maximaal 6 meter en een nokhoogte van maximaal 12 meter. Deels betreft dit een maximum goothoogte van 9 of 11 meter en een maximum bouwhoogte van 15 meter. De appartementen zijn aan de oostzijde van het plan geprojecteerd. De appartementen hebben een goothoogte van maximaal 14 meter en een nokhoogte van maximaal 22 meter. Een van de appartementengebouwen heeft een maximum goothoogte van 17 meter en maximum bouwhoogte van 25 meter en een gebouw heeft een maximum goothoogte van 20 meter en een maximum bouwhoogte van 30 meter. In onderstaande figuur is de verbeelding van het plan opgenomen.

BP.2045.R01.rev1

pagina 6

25-01-2021

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

Figuur 3.2: Verbeelding bestemmingsplan Rozenbuurt

In figuur 1 is het stedenbouwkundig plan d.d. 11-01-2021 weergegeven.

BP.2045.R01.rev1

pagina 7

25-01-2021

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

4

UITGANGSPUNTEN ONDERZOEK

Op basis van de indeling van het sportcomplex is een geluidmodel gemaakt waarmee een representatieve invulling van de maximale planologische situatie is onderzocht. Op wedstrijddagen worden op elk van de 3 velden maximaal 4 wedstrijden gespeeld, allen in de dagperiode. Bij wedstrijden van het eerste elftal zijn maximaal 100 personen publiek aanwezig langs het veld en maximaal 100 personen op de tribune. Bij de overige wedstrijden zijn maximaal 30 personen publiek aanwezig. Voor trainingsdagen is aangenomen dat wordt getraind gedurende 1,5 uur in de dagperiode en 3 uur in de avondperiode. Er wordt geen gebruik gemaakt van scheidsrechters fluitjes. Bij een training zijn gemiddeld 10 personen publiek aanwezig.

BP.2045.R01.rev1

pagina 8

25-01-2021

Akoestisch onderzoek BP Rozenbuurt te Zwaag

5

DE MODELLERING

Op basis van de beschreven uitgangspunten zijn er, met behulp van de software Geomilieu, versie V2020.2, van DGMR Raadgevende Ingenieurs, overdrachtsmodellen gemaakt om de geluidbelasting te berekenen. Er zijn twee basismodellen gemaakt: 1. Een rekenmodel op basis van de verbeelding, waarbij de geluidbelasting op de randen van de woonbestemming wordt berekend; 2. Een rekenmodel op basis van het meest recente stedenbouwkundig plan, waarbij (voor zover relevant) de geluidbelasting op de gevels van de geprojecteerde woningen is berekend. In onderstaande paragrafen is de modelvorming toegelicht. De output van het rekenmodel is in numerieke vorm opgenomen in bijlage I van dit rapport.

5.1

Bodemgebieden en objecten

In de berekening wordt rekening gehouden met de mate van absorptie door, reflectie tegen en verstrooiing aan de bodem. Een harde bodem bestaat uit asfalt, bestrating, water of beton en wordt gemodelleerd met een bodemfactor 0,0. Een zachte bodem bestaat uit grasland, bossen of tuinen en wordt gemodelleerd met een bodemfactor 1,0. De mate van absorptie kan tussen de 0 en 1 liggen, afhankelijk van de verhouding harde/zachte bodemgebieden in het overdrachtsgebied. Het model is default ingesteld met een bodemfactor van 0,0 dus een harde bodemoverdracht. De sportvelden zijn als zacht bodemgebied (bf = 1,0) ingevoerd. Voor de berekeningen op stedenbouwkundig niveau is rondom de woningen een bodemgebied gemodelleerd met een bodemfactor van 0,5. Dit is gedaan om de afwisseling van paden en terrassen (harde bodemvlakken) en gras en borders (zachte bodemvlakken) te modelleren. De bestaande objecten in de omgeving zijn als reflecterende objecten (reflectiefactor =0,8) gemodelleerd. De hoogte van de objecten is gebaseerd op het AHN. Voor het plangebied zelf zijn de woonbestemmingen gemodelleerd als een object met een hoogte conform de hoogte aanduiding van de verbeelding. Een uitzondering hierop is de eerstelijns bebouwing direct ten westen van de sportvelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=6c7936ad-a8cf-4a37-9e96-fbc65963e888