CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.1 - Toelichting bestemmingsplan Rozenbuurt

Gemeenteraad 25 oktober 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Rozenbuurt (1978722)17.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW). Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Waterwet. Provinciaal: Watervisie 2021.

36/61

Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheerplan) zijn de programma's en beheertaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken, is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Huidige situatie Op de locatie stond voorheen een kassencomplex met waterbassin. Deze telt mee in de berekening voor de watercompensatie. Het plangebied valt in twee peilgebieden. Dit is weergegeven in figuur 4.1. Er is daardoor sprake van twee verschillende polderpeilen: in het meest westelijk gebied (paars gearceerd in figuur 4.1) is het polderpeil 2,20 m onder NAP en in grootste deel van het oostelijk gebied (blauw gearceerd in figuur 4.1) bedraagt het polderpeil 1,80 m onder NAP.

Figuur 4.1: Peilgebieden (bron: inmetingen huidige situatie d.d. 30-08-18) Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Op de kaart is te zien dat de bodem van het plangebied bestaat uit lichte klei met homogeen profiel (figuur 4.2). Met betrekking tot het grondwater is er sprake van grondwatertrap III ten zuiden van het plangebied en

37/61

grondwatertrap IV ten noorden van het plangebied (figuur 4.3). Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 40 centimeter onder maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) tussen de 80 en 120 centimeter onder maaiveld schommelt ten zuiden van het plangebied. Ten noorden geldt dat het gemiddelde hoogste grondwaterstand 40 centimeter boven maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand is hetzelfde als het noorden van het plangebied.

Figuur 4.2 Overzicht bodemsoorten plangebied (blauw omlijnd) (bron: Bodemkaart)

Figuur 4.3 Overzicht grondwatertrappen plangebied (blauw omlijnd) (bron: Bodemkaart) Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hanteert een grenswaarde van 800 m2. Bij een plan met een toename in verharding van minder dan 800 m2 is compensatie niet verplicht. Wanneer de verharding tussen de 800 m2 en 2.000 m2 toeneemt, moet er minimaal 10% van het aan te leggen oppervlak worden gecompenseerd.

38/61

Wanneer de verharding meer dan 2.000 m2 betreft, moet er maatwerk worden geleverd. Deze compensatie moet plaatsvinden voordat het verhard oppervlak wordt aangelegd. Een andere werkwijze zou immers een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem betekenen en kan leiden tot lokale wateroverlast. Ten oosten, zuiden en westen van het plangebied zijn watergangen te vinden.

Figuur 4.4 Uitsnede Legger Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met plangebied (geel omlijnd) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het bestaande bedrijfspand is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebied met maximaal 450 woningen en 500 m2 maatschappelijke functies. Bodem en water De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit

39/61

Aangezien het plangebied voorheen bestond uit een kassencomplex, zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een toename van het verhard oppervlak. Er is sprake van een afname aan verhard oppervlak en een toename aan water in het plangebied. Dit betekent dat er tijdelijk meer water vastgehouden kan worden zodat het riool minder overbelast wordt en de omgeving klimaatbestendiger. Er hoeft niet gecompenseerd te worden. Wel wordt de sloot in het midden van het plangebied gedempt en worden de bestaande sloten aan de oost- en westzijde van het plangebied naar minimaal 6 meter verbreed. Verder wordt aan de noordzijde van het gebied een nieuwe sloot gerealiseerd evenwijdig aan de Dorpsstraat, achter de woningen van de Dorpsstraat. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de voorkeur aan het scheiden van hemel- en afvalwater, mits het doelmatig is.

De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: 1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; 2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de 'Keur' is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen in acht dient te worden genomen. Er moet onderhoud aan de watergang kunnen worden gepleegd.

Voor de onderhavige ontwikkeling is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de

40/61

(hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ten aanzien van het watersysteem zal worden voldaan aan de uitgangspunten van overname stedelijk water (OSW) van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en aan de regels uit de Keur. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plan. Hieruit blijkt dat er geen compensatie voor verharding nodig is, gezien er sprake is van een afname aan verharding. Het plangebied grenst niet aan een waterkering of oppervlaktewater. Hierdoor heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.6

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is in 2018 een verkennend bodemonderzoek inclusief verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 9. In 2019 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het oostelijk deel van het perceel. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 10. Uit de onderzoeken blijkt dat de grond overwegend licht is verontreinigd met metalen, PAK en bestrijdingsmiddelen. Dit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel. Vanwege deze nikkelverontreiniging is een saneringsplan opgesteld. Naar aanleiding daarvan is door het bevoegd gezag in een beschikking d.d.

10-4-2019 (Bijlage 11) aangegeven dat de nikkelverontreiniging bij het toekomstige gebruik niet met spoed gesaneerd hoeft te worden. Tevens is ingestemd met de beschreven werkzaamheden in het sterk verontreinigde grondwater. Wel geldt ter plaatse een gebruiksbeperking voor onttrekken van grondwater voor toekomstige gebruikers. De goedkeuring op dit plan is 4 jaar geldig. In Bijlage 22 zijn de meest recente grondmonsters (d.d. 12-04-2021) opgenomen. Het doel is om te bepalen of de concentraties aan nikkel in het grondwater mogelijk zijn afgenomen in de tijd. Hieruit blijkt dat de concentraties aan nikkel zijn afgenomen ten op zichte van de metingen in 2018. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb)

41/61

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wnb en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden, verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Onderzoek Gebiedsbescherming Op 2,3 km afstand ligt het Natura-2000 gebied Markermeer & IJmeer. Dit is geen stikstofdepositie gevoelige habitat. Het Natura-2000 gebied Eilandspolder ligt op 14 km afstand en op 11 km afstand ligt Polder Zeevang.

42/61

Figuur 4.5: Uitsnede Natura-2000 gebieden (bron: AERIUS calculator) Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied ligt op 2,5 km afstand ten zuiden van Zwaag. Op 2 kilometer afstand bevindt zich het dichtstbijzijnde Bijzonder Provinciaal Landschap gebied.

Figuur 4.6: Ligging Natuurnetwerk Nederland gebieden (bron: Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland)

43/61

Om te bepalen of sprake is van stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 16. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van depositie op Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Door middel van een quickscan ecologie is onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden. Deze quickscan is toegevoegd in Bijlage 12. Aanvullend op deze quickscan is een plan van aanpak opgesteld voor de nadere ecologische onderzoeken, dit plan van aanpak is toegevoegd in Bijlage 13. Uit de quickscan komt naar voren dat nader onderzoek naar vleermuizen, de rugstreeppad, vogels en kleine marterachtigen nodig is. Er is nader onderzoek naar het voorkomen van marterachtigen en rugstreeppadden uitgevoerd (Bijlage 14). Er zijn geen marterachtigen die gebruik maken van het plangebied. Onderzoek naar rugstreeppad in het najaar van 2020 heeft aangetoond dat in de winterperiode het plangebied niet gebruikt wordt door rugstreeppad. In Bijlage 15 is de rapportage van het nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen, vogels en rugstreeppadden toegevoegd. Hieruit blijkt dat er geen rugstreeppadden of vogels die het hele jaar beschermd zijn aangetroffen.

Langs de vaart aan de zuidzijde van het plan is een migratieroute van de ruige dwergvleermuis aanwezig. Deze migratieroute mag niet extra verlicht of geblokkeerd worden. Dit is in de regels geborgd door middel van de aanduiding 'ecologische waarde'. Verlichting zonder afscherming van lichtuitstraling over het wateroppervlak is niet toegestaan. Reguliere verlichting is de tuinen van de woningen is wel mogelijk. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.8

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

44/61

Onderzoek In de beoogde situatie worden maximaal 450 woningen en 500 m2 maatschappelijke functies gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied zijn woningen, bedrijven en een sportpark gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Aan de westzijde van het plangebied, aan de overzijde van de Oostergouw, ligt het bedrijventerrein De Oude Veiling. Ter plaatse zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan. Deze categorie heeft voor het aspect geluid, stof, geur en gevaar een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. De kortste afstand tussen de woonbestemming binnen het plangebied en de grens van de bestemming Bedrijf bedraagt circa 70 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Er is in de huidige situatie geen sprake van zware bedrijvigheid op het bedrijventerrein. In de oostelijke strook, dus het deel dat het dichtst bij het plangebied ligt, bevindt zich met name lichte bedrijvigheid, zoals een bouwmarkt, kantoorfuncties in bedrijfsverzamelgebouwen, drukkerijen en een kringloopwinkel. Deze bedrijven worden door de ontwikkeling van de Rozenbuurt niet beperkt in hun bedrijfsvoering.

Daarnaast is in het noordelijk deel van deze strook een kinderdagverblijf gevestigd, dat voor dit deel van het bedrijventerrein tot een beperking van de bedrijfsmogelijkheden leidt. Gezien de diversiteit aan bedrijven, maar ook gezien de breedte van deze strook en de omvang van deze percelen, is deze strook ruimtelijk gezien niet geschikt voor zwaardere bedrijvigheid. Daarbij is in het bestemmingsplan 'De Oude Veiling' beschreven dat gezien de ligging, het huidige gebruik, de mogelijkheden van de herontwikkellocaties en de beschikbare middelen het mogelijk is om het terrein om te vormen tot een locatie voor kleinschalige consumentengerichte bedrijvigheid. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezigheid van bedrijventerrein De Oude Veiling geen belemmering oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een kerk. Deze valt in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Hier wordt ook aan voldaan. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een veldsportcomplex. Dit valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. De maatgevende aspecten hiervoor zijn licht en geluid. Om te beoordelen of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is een onderzoek inrichtingslawaai en een onderzoek lichthinder uitgevoerd.

Inrichtingslawaai Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 17. Hieruit blijkt dat de richtlijn van 75 dB(A) van het maximaal geluidniveau tijdens wedstrijden in de dagperiode op 5 woningen wordt overschreden. Het akoestisch onderzoek adviseert om voor deze overschrijding een geluidsscherm van 2,5 meter op te richten. Met toepassing van deze maatregel wordt voldaan aan de richtlijn. Het plaatsen van een dergelijk scherm is stedenbouwkundig niet gewenst. Een scherm van 2,5 meter hoog zal afbreuk doen van de beleving van de watergang aan de oostzijde van het plangebied. Deze watergang volgt de oorspronkelijke verkavelingsstructuur; het continue en vrije karakter wordt met het plaatsen van een scherm

45/61

aangepast. Verder wordt deze overschrijding acceptabel geacht, omdat deze alleen bij wedstrijden plaatsvindt. De wedstrijden op de sportvelden vinden niet dagelijks plaats, maar alleen in de weekenden en in het seizoen. Daarnaast vinden de wedstrijden overdag plaats, en niet in de avond en/of nacht. Daarmee is geen sprake van verstoring van de nachtrust. Deze overschrijding treedt daarbij alleen op vanwege het juichen van het publiek. Dit is dus als wedstrijden met veel publiek (100 personen langs de lijn en 100 toeschouwers op de tribune) worden gespeeld. Deze situatie komt slechts zelden voor. Daarnaast juicht het publiek op enkele momenten tijdens een wedstrijd en niet gedurende de hele wedstrijd. De woningen langs de Dibbitsstraat grenzen ook in de huidige situatie met de tuinen aan het sportcomplex. Vanuit deze bewoners zijn geen klachten bekend bij de sportvereniging. Tot slot vindt de overschrijding plaats in de tuinen en niet in de woningen zelf. Door de geluidswering van de gevels van de nieuwe woningen zodanig uit te voeren dat het geluidsniveau in de verblijfsruimtes niet hoger is dan 35 dB(A), wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Daarmee kan worden gesteld dat sprake is van een acceptabele ruimtelijke situatie. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing. Lichthinderonderzoek Daarnaast is lichthinderonderzoek uitgevoerd (bijlage 18).

In dit onderzoek wordt de invloed van de verlichting van het sportpark op de ontwikkeling onderzocht. Hieruit blijkt dat een maatregel moet worden genomen om volledig te voldoen aan de normwaarden van de algemene Richtlijnen. Dit betreft het plaatsen van kappen op twee armaturen bij veld 2. Aangezien de verblinding zeer gering is, kan worden volstaan met afschermingskappen aan te brengen op de armaturen, waardoor de lichtbundel zich concentreert op het speelveld. Dit is in de regels geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. Daarmee wordt voldaan aan de normwaarden van de algemene Richtlijnen lichthinder. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven of instellingen aanwezig zijn die door de transformatie in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Het Team Erfgoed van de gemeente Hoorn heeft op 27 oktober 2020 een cultuurhistorisch advies uitgebracht. In onderstaande paragraaf is dit advies verwerkt. Toetsingskader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht

46/61

daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Provinciaal beleid archeologie en cultuurhistorie Structuurvisie 2040 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de 'Structuurvisie 2040 Noord-Holland 2040 - Kwaliteit door veelzijdigheid'. Archeologie is daarin aangewezen als één van de kernkwaliteiten van het landschap. Daarnaast gaat de provincie Noord-Holland uit van een ontwikkelingsgerichte benadering, omdat ook tegenwoordige ruimtelijke ontwikkelingen het landschap vormen, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met de bestaande (historische) kenmerken van het landschap.

In de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie heeft de provincie regels geformuleerd omtrent de inhoud van en de toelichting in bestemmingsplannen als er sprake is van provinciaal belang. In een bestemmingsplan moet bijvoorbeeld duidelijk omschreven worden hoe er omgegaan wordt met de cultuurhistorische objecten (waaronder archeologische waarden). De provincie speelt een belangrijke rol op het gebied van ruimtelijke ordening. Door haar ruimtelijk beleid bepaalt de provincie in belangrijke mate hoe de ruimte in Noord-Holland wordt ingericht. In het licht van de Wro spitst de provinciale rol vanuit cultuur en cultuurhistorie in de ruimtelijke inrichting zich toe op drie terreinen, daar waar de provincie: Haar cultuurhistorische provinciaal belang heeft gedefinieerd in de Structuurvisie. Wettelijk bevoegd gezag is bij ingrepen die een relatie hebben met cultuurhistorie, bijvoorbeeld bij

47/61

ontgrondingen of de aanleg van provinciale wegen. Initiatiefnemer is bij projecten van het Rijk een (beschermende) taak hebben verkregen, zoals bij de nationale landschappen en Unesco-gebieden. Op provinciaal niveau is het beleidskader en de leidraad Landschap en Cultuurhistorie van belang voor onderhavig bestemmingsplangebied. Beleidskader en Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland. Deze vernieuwde leidraad is een uitwerking van het in 2006 vastgestelde Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie, dat werd gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen. Daarnaast bood het handreikingen aan gemeenten om landschap en cultuurhistorie als uitgangspunt te gebruiken bij planvorming. De provincie Noord-Holland heeft 10 archeologische gebieden van provinciaal belang gedefinieerd. Het plangebied ligt in een dergelijk gebied: West-Friesland. Als in gebieden van provinciaal belang het maatschappelijk belang dusdanig groot is dat waardevolle archeologische vindplaatsen aangetast moeten worden, vraagt de provincie aan te geven op welke wijze archeologische waarden door compenserende maatregelen in het plan zijn ondergebracht.

Bovendien vraagt de provincie de aanwezige waarden te benutten bij de inrichting van een gebied. Het archeologiebeleid van de provincie Noord-Holland is primair gericht op het behouden van de archeologische waarden in de bodem. Dit is geheel in de 'geest' van het Verdrag van Malta. Gemeentelijk archeologiebeleid In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een nieuwe Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn. Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld door middel van een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken.

Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Onderzoek

48/61

Archeologie In augustus 2018 is een archeologische quickscan uitgevoerd voor het westelijke deel van het plangebied. Het plangebied ligt op de beleidskaart archeologie in een zone waar bij plannen met een omvang groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm rekening moet worden gehouden met archeologie. Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.0 en het PvE. Tijdens de voorbereidingen van het project is er een sleuvenplan opgesteld waarbij het plangebied door middel van 10 proefsleuven, variërend in lengte van 185 m tot 490 m en met een breedte van twee meter, onderzocht zou worden. Er is besloten om bij de aanleg van de sleuven elke keer een tussenliggende sleuf over te slaan. Dit is gedaan omdat de kans aanwezig was dat veel van de werkputten (deels) verstoord zouden zijn door de recente sloop van de kassen. Op die manier kon, in overleg met het bevoegd gezag, het totaal aan te leggen vierkante meters gaandeweg bijgesteld worden. Omdat er vrijwel geen sprake was van archeologische sporen ouder dan de 20e eeuw, zijn er uiteindelijk slechts 5 van de 10 werkputten daadwerkelijk aangelegd. Sporen uit de Bronstijd zijn niet aangetroffen. Archeologie West-Friesland heeft het plangebied met betrekking tot het aspect archeologie vrijgegeven (Bijlage 19).

Cultuurhistorie Cultuurhistorische elementen Het Team Erfgoed heeft in haar bovengenoemde advies van 27 oktober 2020 een aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen in en om het plangebied benoemd. In onderstaande paragraaf is aangegeven op welke wijze hier in plan rekening mee is gehouden en hoe dit in het bestemmingsplan is geborgd. Het plangebied is noord-zuid georiënteerd en grenst aan twee linten. In het noorden, achter de bebouwing gelegen aan de Dorpsstraat. In het zuiden grenst het plangebied aan de Koewijzend. De linten hebben cultuurhistorische waarden en daarom is het uitgangspunt dat de bebouwing aan de linten met de voorgevel is gericht op de linten. De Dorpsstraat ligt ten noorden van het plangebied, maar grenst niet direct aan het plangebied. De Koewijzend ligt ten zuiden van het plangebied. Het plan wordt hiervan gescheiden door een watergang en een park waar de doorgaande weg omheen loopt en het lint niet wordt ervaren. Deze fictieve structuur blijft behouden. In het gebied zijn nog steeds de historische ontginningssloten en de (oorspronkelijke) wegsloot aanwezig. Het plangebied wordt omgeven door de oorspronkelijke ontginningssloten en de wegsloot van de Koewijzend. Daarnaast loopt door het plangebied een ontginningssloot met windsingel (elzen).

De historische waterwegen en de Elzenhaag vormen een historisch landschap dat zichtbaar behouden dient te blijven voor de toekomst. De stedenbouwkundige verkaveling is gebaseerd op de oorspronkelijke ontginningsstructuur. Dat betekent dat de in het plangebied aanwezige relicten van de oorspronkelijke structuur als uitgangspunt genomen zijn. De bovengenoemde ontginningsas wordt daarbij verplaatst naar de oostzijde. Hierdoor wordt deze gericht op de kerktoren van de Hervormde kerk (zie hierna), waardoor dit element een nadrukkelijker rol in het plan krijgt. Ook krijgt deze verschoven as meer verbinding met de Kerkelaan. De verschoven as wordt zodanig ingericht dat deze refereert aan de historische inrichting. Hiermee krijgt dit element een nieuwe betekenis. Op deze as wordt

49/61

de aanduiding 'zichtlijn' opgenomen. Hiermee is geborgd dat de bebouwing maximaal 1 meter hoog mag zijn. De waarde van de windsingel komt terug in de vorm van een groenstructuur in een vorm die deze as benadrukt. Hervormde kerk van Zwaag met kerkhof De hervormde kerk van Zwaag ligt op een terp direct ten noordoosten van het plangebied en is het oudste monument van Hoorn, gebouwd voor het midden van de 15e eeuw. Een eenbeukige gotische kerk met een smaller en lager koor dat nog deels uitgevoerd is in tufsteen en kloostermoppen. De voorgebouwde toren telt drie geledingen en wordt bekroond door een achthoekige gemetselde spits. De luidklok in de toren dateert uit 1468 en is gemeentelijk eigendom. Naast de kerk ligt het kerkhof, voorzien van windsingel. Beiden hebben hoge cultuurhistorische waarden. Hoewel de terp met het rijksmonument niet binnen het plangebied ligt, heeft het ensemble zeer hoge monumentale waarden en dient aantasting hiervan voorkomen te worden door rekening te houden met zichtlijnen op de kerk en terp en door met een groene zone de verbinding te versterken tussen de ontwikkeling en het ensemble. Zoals aangegeven is de zichtlijn op de toren van de kerk via de verlegde as beschermd met de aanduiding 'zichtlijn'. Verder wordt een nieuwe zichtlijn gecreëerd door de realisatie van een nieuwe sloot aan de noordzijde van het gebied evenwijdig aan de Dorpsstraat.

Dit water is geborgd door het leggen van de bestemming 'Water'. Rondom de kerk is een bufferzone opgenomen. Deze is bestemd met de bestemming 'Groen'. Tevens is hier een groene zone gecreëerd. Deze sluit aan op de kerkterp. Hiermee wordt dus de verbinding tussen de ontwikkeling en het ensemble versterkt. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een

50/61

overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate bijdragen In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Ter plaatse worden maximaal 450 woningen en maximaal 500 m2 maatschappelijke functies gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling valt onder het Besluit onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.

Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Westfrisiaweg (N307). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2018; 19,0 µg/m3 voor NO2, 17,6 µg/m3 voor PM10 en 10,0 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de huidige situatie ruimschoots onder de grenswaarden. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.11 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

51/61

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te

52/61

worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn met een externe werking op het plangebied en dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt via het spoor. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via de A7 wegvak N81 en N307. Dit gebeurt respectievelijk op een afstand van circa 1,9 kilometer ten westen van het plangebied en circa 909 meter ten noorden van het plangebied. De maatgevende stof van deze wegen is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van deze weg waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is.

Figuur 4.7 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied (blauw omlijnd) Verder ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 645 meter verschillende buisleidingen met een diameter van 8,6 inch en een werkdruk van 40 bar. Hierbij hoort een invloedsgebied van 95 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied heen. Conclusie Het plangebied ligt in de nabijheid van de A7 en de N307 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wat enkele risico's met zich meebrengt. Ook vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen via een buisleiding plaats. Het invloedsgebied van alle transporten reikt echter niet over het plangebied. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient

53/61

rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

54/61

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal opgesteld, uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd, zodat deze ook digitaal raadpleegbaar zijn. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op deze wijze wordt uniformiteit gegarandeerd.

5.2

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen Dit artikel van de regels definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen, worden in dit artikel verklaard.

5.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen De groenelementen in de wijk zijn bestemd als 'Groen'. Dit zijn de plantsoenen en speelvoorzieningen. Daarnaast vallen onder deze bestemming ook verharde en onverharde paden voor langzaam verkeer en speelvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Daarnaast is een aanduiding opgenomen ten behoeve van de zichtlijn van noord naar zuid. Deze gronden mogen niet bebouwd worden, om de openheid en doorzicht in het gebied te bewaren. In het noordelijke plantsoen wordt aan de zuidzijde daarvan voorzien in een strook (nood)parkeren, dit is met de aanduiding 'parkeerterrein' aangegeven. Langs de kerk is met de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute' de calamiteitenroute aangegeven. Artikel 4 Verkeer - Verblijf Binnen deze bestemming vallen wegen en straten met hoofdzakelijk een functie voor verblijf, alsmede ter ontsluiting van de aanliggende of nabijgelegen gronden. In deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Ook het kleine snippergroen (zoals bermen) en parkeervoorzieningen vallen onder deze bestemming, evenals bijbehorende bouwwerken. Daarnaast is een aanduiding opgenomen ten behoeve van de zichtlijn van

55/61

noord naar zuid. Deze gronden mogen niet bebouwd worden, om de openheid en doorzicht in het gebied te bewaren. Artikel 5 Water Het bestaande en te graven water in het plangebied is als zodanig bestemd. Dit water heeft een structurele betekenis voor berging en afvoer van hemelwater. Ook in deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Artikel 6 Wonen Binnen de bestemming 'Wonen' wordt de ontwikkeling van de grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Op de verbeelding is per bouwvlak opgenomen wat de maximum goot- en bouwhoogte is. Ook is het maximum aantal woningen per bouwvlak opgenomen. Het totaal aantal grondgebonden woningen mag niet meer bedragen dan 180. De woningen kunnen vrijstaand, twee-aaneengebouwd of aaneengebouwd worden gebouwd. Per woningtype is de maximum vloeroppervlakte per hoofdgebouw opgenomen. Er zijn specifieke bouwaanduidingen opgenomen: specifieke bouwaanduiding - 1 Ter plaatse van deze bouwaanduiding zijn tevens woongebouwen (gestapelde woningen) toegestaan. In dit geval gaat het om beneden-bovenwoningen. specifieke bouwaanduiding - 2 Ter plaatse van deze bouwaanduiding zijn de hofwoningen mogelijk gemaakt. Deze hebben een maximum oppervlakte van 100 m2 per woning.

Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' zijn bijbehorende bouwwerken niet toegestaan en zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, enkel toegestaan met een maximum bouwhoogte van 1 meter. Wel is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om hier bij een omgevingsvergunning van af te wijken en bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hoger dan 1 meter toe te staan. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat wordt voldaan aan de algemene Richtlijnen lichthinder. Artikel 7 Wonen - Woongebouw Binnen de bestemming 'Wonen - Woongebouw' zijn 6 bouwvlakken opgenomen waar de appartementengebouwen zijn toegestaan. Het maximum aantal gestapelde woningen bedraagt 270. Op de verbeelding zijn 6 bouwvlakken opgenomen waar appartementengebouwen mogen worden geplaatst. Binnen een bouwvlak is het maximum bebouwingspercentage opgenomen. Per bouwvlak zijn de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven. De gebouwen dienen met een kap te worden afgedekt. In de plint van appartementengebouwen zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Hierbij geldt een totaal maximum vvo van 500 m2 binnen alle gebouwen samen. Tot slot is de functieaanduiding 'ecologische waarde' van toepassing bij de artikelen 3 tot en met 7 (de gebiedsbestemmingen).

In de specifieke gebruiksregels van deze artikelen is geborgd dat hier geen verlichting mag worden geplaatst die lichtuitstraling over het wateroppervlak heeft.

56/61

5.4

Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een aantal vormen van gebruik opgesomd, die strijdig zijn met de bestemmingen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Met dit artikel kan met een omgevingsvergunning voor verschillende aspecten worden afgeweken van de bepalingen in het plan. Het is niet toegestaan af te wijken indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Artikel 11 Overige regels In de overige regels zijn de parkeernormen geborgd. Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand wordt gehouden. In dit artikel is ook bepaald dat, indien van toepassing, moet worden voorzien in voldoende laad- en losmogelijkheden.

Daarnaast is in dit artikel de woningdifferentiatie binnen het gehele plangebied vastgelegd. De verdeling is gebaseerd op de Woonvisie Hoorn 2020 - 2025. In de regels is vastgelegd dat 30% wordt gerealiseerd in de categorie sociale huur- en/of koopwoningen en 30% in de categorie geliberaliseerde woning voor koop- en/of middenhuur. Hierbij wordt de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Hoorn d.d. 6 juni 2019 toegepast.

5.5

Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Artikel 13 Slotregel Deze regel bevat de titel van het plan.

57/61

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro wordt aangegeven dat een bestemmingsplan vergezeld moet gaan van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. De kosten voor dit bestemmingsplan en de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen worden gedragen door de ontwikkelaar. Dat wordt contractueel in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar vastgelegd. De overeenkomst wordt vóór vaststelling van het bestemmingsplan in de raad door beide partijen getekend. Grondexploitatie Artikel 6.12 lid 1 van de Wro verplicht de gemeenteraad in een aantal, in art. 6.2.1 van het Bro aangewezen, gevallen tot het vaststellen van een exploitatieplan, tenzij de uitzondering van artikel 6.12 lid 2 van de Wro zich voordoet. Volgens die bepaling kan de gemeenteraad besluiten om van het vaststellen van een exploitatieplan af te zien als het verhaal van de exploitatiekosten anderszins is verzekerd, er geen noodzaak is de ontwikkeling te faseren en er geen noodzaak is om via een exploitatieplan eisen te stellen aan onder meer het bouwrijp maken van gronden of de inrichting van de openbare ruimte. Wat verhaalbare kosten zijn vloeit voort uit artikel 6.13 Wro. De kosten voor het voorliggende bestemmingsplan zijn anderszins verzekerd, namelijk via een anterieure overeenkomst.

Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie De initiatiefnemer heeft gedurende de voorbereiding van het bestemmingsplan diverse keukentafelgesprekken gevoerd en een bewonersavond georganiseerd. De reacties van de omwonenden zijn meegenomen in de uitwerking van het plan. In Bijlage 20 is het participatieverslag toegevoegd waar het participatietraject is toegelicht. Alle direct omwonenden hebben een uitnodiging gekregen om met De VOF in gesprek te gaan over het plan Rozenbuurt. Nagenoeg alle direct omwonenden hebben in januari/februari 2020 een afspraak gehad met De VOF. Tijdens deze gesprekken zijn diverse onderwerpen aan bod gekomen waar omwonenden aanpassingen in hebben verzocht. In juni 2020 is een online bewonersavond georganiseerd. In deze bijeenkomst zijn de volgende oplossingen gegeven naar aanleiding van de keukentafelgesprekken: Sloot langs de achterzijde van de bestaande kavels aan de Dorpsstraat. De calamiteitenroute aan de Dibbitstraat is uit het plan gehaald, in het nieuwe plan is er geen verbinding tussen Rozenbuurt en de Dibbitstraat. Langs de Kerk is een verbinding gemaakt voor voetgangers en fietsers. Deze fungeert tevens als calamiteitenroute.

58/61

In het ontwerp waren zeven appartementencomplexen ingetekend, dit zijn er uiteindelijk zes geworden. Het appartementengebouw 'De Ooijevaar' (rechts van de entree) is in het nieuwe plan 8 lagen hoog i.p.v. 10 lagen. Er is lagere en andere bebouwing gesitueerd achter het lint de Dorpsstraat. Er zitten nu niet direct achtertuinen aan die zijde, maar lagere 'hofwoningen'. De posities van de hofwoningen is ook in overleg met de aanliggende bewoners bepaald. Het zicht op de kerk is gegarandeerd door middel van de 'specifieke bouwaanduiding - zichtlijn'. Tussen de woningen van de Dorpsstraat en het plangebied wordt een beplantingszone aangelegd. Deze aanpassingen zijn meegenomen in het definitieve ontwerp. Op basis van dat ontwerp is dit bestemmingsplan opgesteld. Tijdens de ter inzage periode is door de intitatiefnemer een informatieavond georganiseerd. Een verslag van deze avond is toegevoegd in Bijlage 21. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg wordt het bestemmingsplan naar de overlegpartners gestuurd. De overlegreacties worden daarna verwerkt in het bestemmingsplan. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan 'Rozenbuurt' heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. De zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een reactie in de separaat toegevoegde Nota Zienswijzen en wijzigingen.

Deze nota is opgenomen in Bijlage 23. Bij deze nota horen 4 bijlagen die separaat bij dit bestemmingsplan zijn gevoegd. Dit zijn de publicatie (Bijlage 24), de update van het stedenbouwkundig plan (Bijlage 25), de gewijzigde situatie van de woongebouwen (Bijlage 26) en de reactie op de second opinion (Goudappel, Bijlage 27). Crisis- en herstelwet Zoals in paragraaf 3.3.3 beschreven is voor dit bestemmingsplan de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. De Chw versnelt enerzijds de procedures voor grotere projecten, maar handhaaft anderzijds de noodzakelijke waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. De wet bevat een groot aantal wetswijzigingen, waarmee procedures worden ingekort, het aantal benodigde vergunningen wordt teruggedrongen en meer duidelijkheid wordt geschapen in bestuurlijke verantwoordelijkheden waarbij Europese en internationale regelgeving wel volledig van kracht blijft.

6.3

Handhaving

Het beleid en de doelstellingen van het bestemmingsplan kunnen alleen worden gerealiseerd wanneer het bestemmingsplan ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt. Dit houdt in ieder geval in dat het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op illegale bouwwerken en gebruiksvormen en er tijdens bouwwerkzaamheden gecontroleerd wordt dat er gebouwd wordt overeenkomstig de verleende vergunning(en). De gemeente zal hiervoor zorgdragen. Deze werkzaamheden passen binnen het handhavingsbeleid van de gemeente en kunnen binnen de bestaande

59/61

structuren worden uitgevoerd. De handhaving is gediend met een goed en duidelijk bestemmingsplan. Dit voorkomt immers misverstanden en interpretatiekwesties. Om deze reden is in dit plan gekozen voor gerichte bestemmingen én een duidelijke formulering van de regels. Bovendien bevat de toelichting een heldere beschrijving van het plan en van de regels. De regelingen in het bestemmingsplan zijn mede met het oog op een goede handhaving gemaakt. De regelingen sluiten aan op andere nieuwe bestemmingsplannen in de gemeente. Gemeente, bouwbedrijven en opdrachtgevers hebben in het kader van de handhaving ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Zo heeft de gemeente, naast de toezichthoudende taak, eveneens de taak om alle betrokken partijen van de juiste bestemmingsplaninformatie te voorzien en om een ieder aan te sporen het bestemmingsplan op een juiste manier uit te voeren. Particulieren en bouwbedrijven dienen de gemaakte afspraken en omgevingsvergunningen voor het bouwen na te komen en ook de opdrachtgevers dienen zich aan de spelregels te houden. Wat betreft het toezicht en de controle op de regelingen en vergunningen in relatie tot waterstaatkundige zaken, zoals de schouw op sloten, geldt dat hier de verantwoordelijkheid primair bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ligt.

6.4

Fasering

De woonwijk wordt in fases uitgevoerd. Figuur 6.1 geeft de beoogde fasering weer. Uitgangspunt op dit moment is dat gestart wordt met de realisatie van het zuidelijk deel van de locatie. Fase 1 betreft de grondgebonden woningen inclusief de centrale parkeerstrook, fase 2 de grote huizen (appartementengebouwen) in de strook langs de Oostergouw. Deze fasering is afhankelijk van de toekomstige marktomstandigheden en de uiteindelijke verkoop.

60/61

Figuur 6.1: Indicatieve fasering Rozenbuurt

61/61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=ecc74adb-3295-456f-b5d0-d41f55286fe1