CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 21-25 bij motivering TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid

Gemeenteraad 9 december 2025, gemeente HoornBij agendapunt: Bangert en Oosterpolder Fase 5B Zuid17.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid

Bijlage 21

Vrijgavedocument archeologie

2149

GEMEENTE HOORN

Vrijgavedocument Archeologie 24107

Plangebied

Bangert Oosterpolder 5b Zuid en A Zuid (prehistorie), Blokker, gemeente Hoorn

Adviesnummer

24107

Archisnummer

5714901100

Uitvoerder

ADC ArcheoProjecten (senior KNA-archeoloog) &

Opsteller

(senior beleidsadviseur

archeologie)

Datum

03-06-2025

Bijlage (afb. 2)

Vrijgavekaart 03-06-2025

Advies

Vrijgave plangebied zoals aangegeven op vrijgavekaart (afb. 2).

Vervolgtraject

Geen binnen onderhavig plangebied. Binnen het dorpslint is nog wel nader archeologisch onderzoek noodzakelijk.

1. Inleiding In de periode 18 tot 27 maart 2025 is in opdracht van de gemeente Hoorn en EWF een archeologisch onderzoek uitgevoerd binnen een deel van plangebied Bangert Oosterpolder 5b Zuid en A Zuid in Blokker, gemeente Hoorn. Met dit document delen wij u mede dat het plangebied dat middels proefsleuven is onderzocht is vrijgegeven voor verder archeologisch onderzoek. Het onderzoek heeft betrekking op het gebied dat wordt beschreven in het Programma van Eisen van 12-09-2024.1 Ten behoeve van het vervaardigen van onderhavig vrijgavedocument is een kort evaluatieverslag vervaardigd. 2 Het evaluatieverslag is getoetst door Archeologie West-Friesland en op 8 mei van commentaar voorzien. Bij oplevering van het eindrapport (wederom beoordeeld door Archeologie West-Friesland) is de opdracht afgerond. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingegaan en zijn de vigerende bestemmingsplannen overgegaan naar het tijdelijk omgevingsplan. Totdat er een nieuw omgevingsplan is, gelden de regels zoals opgenomen in de eerdere bestemmingsplannen. Het plangebied valt binnen het Paraplubestemmingsplan Archeologie (vastgesteld 07-032017).3 Om de eventueel aanwezige archeologische waarden is een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 en 5 opgenomen. Op basis van het nu uitgevoerde proefsleuvenonderzoek kunnen deze aanduidingen binnen het plangebied komen te vervallen.

2. Eerste bevindingen (afkomstig uit evaluatieverslag ADC) Tijdens het veldonderzoek zijn 18 proefsleuven aangelegd (afb. 1). Binnen het hele plangebied bleek de bodemopbouw te zijn afgetopt. Sporen of vondsten uit de late prehistorie ontbraken. De oudste sporen en vondsten dateerden in de Volle Middeleeuwen. In totaal zijn zes monsters genomen. Drie zijn afkomstige uit een oude geul in de diepe ondergrond. Het gaat om twee stukken hout en een veenbrok. Deze vondsten zijn vermoedelijk tijdens een doorbraak in het laat-neolithicum in de geul terechtgekomen. Twee grondmonsters zijn genomen uit een kuiltje dat mogelijk uit de middeleeuwen dateert. Het zesde monster is een grondmonster onderuit een waterput. Om een deel van de onderzoeksvragen uit het PvE te beantwoorden is een advies voor specialistische uitwerking geformuleerd. Dit is akkoord bevonden door de adviseur van de bevoegde overheid.

1

Soonius & Ter Steege 2024. Roessingh, 2025 3 NL.IMRO.0405.BPArcheologie-va01 2

Pagina 1 van 3 Archeologie West-Friesland | archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl

Met de proefsleuven is een goed beeld verkregen van de archeologische resten binnen het plangebied. Behoudenswaardige resten zijn niet aangetroffen. ADC ArcheoProjecten adviseert het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

Afbeelding 1. Overzicht proefsleuven (zwart) binnen het plangebied (rood) op een recente luchtfoto (bron: ADC ArcheoProjecten)

3. Advies Archeologie West-Friesland neemt het selectieadvies van ADC ArcheoProjecten over en adviseert het plangebied vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie (afb. 2). Voor archeologische toevalsvondsten en waarnemingen, die niet tijdens een archeologisch onderzoek zijn aangetroffen, geldt een meldingsplicht. Deze dienen via het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van Nederland te worden gemeld. De melding in Archis kan Archeologie West-Friesland doen. De vrijgave geldt voor die delen die zijn onderzocht middels het proefsleuvenonderzoek vanwege de verwachting voor de prehistorie. Binnen het dorpslint dient nog nader onderzoek te worden uitgevoerd. Zo heeft proefsleuvenonderzoek bij Westerblokker 16-18 uitgewezen dat een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is.

Pagina 2 van 3 Archeologie West-Friesland | archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl

Afbeelding 2. Vrijgave plangebied op de beleidskaart archeologie.

4. Bronnen Roessingh, W., 2025. Evaluatieverslag archeologisch proefsleuvenonderzoek plangebied Hoorn-Bangert Oosterpolder (fase 5B en A Zuid). (09-04-2025). ADC-ArcheoProjecten, Amersfoort. Soonius, C.M. & B.C ter Steege, 2024. Programma van Eisen IVO- Proefsleuven. Gemeente Hoorn, Bangert en Oosterpolder fase 5b en A Zuid. PvE nummer 24-013 (12-09-2024). Adviesnummer 24107. Archeologie WestFriesland, Hoorn.

Pagina 3 van 3 Archeologie West-Friesland | archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid

Bijlage 22

Ecologisch onderzoek

2154

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Inhoud

1 2

Inleiding Plangebied en plannen 2.1 Plangebieden 2.2 Plannen 3 Gebiedsbescherming en beoordeling 3.1 Natura 2000-gebieden (Voortoets) 3.1.1 Stikstofdepositie 3.1.2 Conclusie 3.2 Overige vormen van gebiedsbescherming 4 Soortbescherming en beoordeling 4.1 Algemeen 4.1.1 Conclusie algemeen 4.2 Amfibieën 4.2.1 Conclusie amfibieën 4.3 Vogels 4.3.1 Conclusie vogels 4.4 Vleermuizen 4.4.1 Conclusie vleermuizen 4.5 Overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen) 4.5.1 Conclusie overige zoogdiersoorten 5 Zorgplicht 5.1 Specifieke zorgplicht Natura 2000 5.2 Specifieke zorgplicht flora en fauna 5.3 Algemene zorgplicht 6 Conclusies 6.1 Gebiedsbescherming (beide plangebieden) 6.2 Soortbescherming Literatuur

Referentie , 2024. Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid. A&W-notitie 24-249. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. © Overname van gegevens uit deze notitie is toegestaan met bronvermelding.

1 3 3 3 5 5 6 6 6 8 8 9 9 9 9 11 11 12 12 13 15 15 15 17 18 18 18 19

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

1

1

Inleiding

In de Bangert en Oosterpolder voert de gemeente Hoorn al jaren diverse woningbouwprojecten uit. Momenteel is de gemeente bezig met het opstellen van twee wijzigingen in het omgevingsplan ten behoeve van de bouw van een nieuwe woonwijk. Het gaat om Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid. In dit kader is onderzoek nodig om te bepalen hoe de plannen zich verhouden tot de ecologische wet- en regelgeving. Dit betreft o.a. de Omgevingswet (Ow), de regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige gebiedsbescherming. De gemeente Hoorn heeft Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek B.V. (A&W) opdracht gegeven om deze ecologische beoordeling uit te voeren. Deze ecologische beoordeling is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Dat geeft een overzicht van alle (mogelijk) voorkomende beschermde natuurwaarden binnen en nabij het plangebied en alle vormen van gebieds- en soortbescherming die daarop van toepassing zijn. Er is beoordeeld of de uitvoering van de plannen invloed heeft/kan hebben op beschermde natuurwaarden en hoe eventuele effecten zich verhouden tot de ecologische wet- en regelgeving. Tevens is beschreven welke vervolgstappen daarom nodig zijn. Het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen.

Als eerste zijn recente bronnen geraadpleegd (verspreidingsatlassen, overzichtswerken en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied. Er is daarbij onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast is op 17 maart 2023 een oriënterend veldonderzoek uitgevoerd. Daarbij is gelet op de (mogelijkheden voor de) aanwezigheid van beschermde en/of kritische soorten en de kans op negatieve effecten hierop als gevolg van het voornemen Voorliggende notitie is in wezen een actualisatie van een in januari 2024 gepubliceerd notitie ten behoeve van een bestemmingsplanwijziging, die is opgesteld onder de toen vigerende Wet natuurbescherming (De Vries, 2024a). De Wet natuurbescherming is in januari 2024 vervangen door de Omgevingswet en daarmee is het bestemmingsplan overgegaan naar een omgevingsplan. Daarom zijn de plannen in de huidige notitie opnieuw beoordeeld in het kader van de huidig geldende richtlijnen. Tevens zijn in deze notitie de resultaten opgenomen van het soortgericht onderzoek naar de aan-/afwezigheid van nesten van de Ransuil (De Vries 2024b). Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek. Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling.

Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend.

2

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Figuur 1.1: De ligging van de plangebieden.

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

2

Plangebied en plannen

2.1

Plangebieden

3

Deze ecologische beoordeling heeft betrekking op twee plangebieden waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld. Het eerste plangebied betreft Bangert en Oosterpolder fase A Zuid. Dit gebied bestaat uit twee delen ten weerszijde van de IJsselweg (zie figuur 1.1). De beide delen liggen tussen het spoor en Westerblokker en worden aan de west en oostzijde begrensd door bestaande bebouwing. Het gebied bestaat hoofdzakelijk uit grasland. Daarnaast omvat het gebied een boomgaard en een opslagterrein. Langs de randen van het gebied is opgaande begroeiing aanwezig in de vorm van een elzensingel (zuidzijde) en een bomenrij langs een voetpad (westzijde). Langs het plangebied zijn watergangen aanwezig en ook in het gebied ligt een watergang (langs het voetpad). In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Voor een impressie van het plangebied zie foto’s 1 tot en met 8 op pagina 7. Het tweede plangebied betreft Bangert en Oosterpolder fase 5B Zuid en ligt ten noorden van Westerblokker en ten oosten van De Strip. Aan de overige zijden sluit het plangebied aan op eerder gerealiseerde bebouwing van de Bangert en Oosterpolder en het glastuinbouwcomplex aan de Noorderdracht. Ook dit gebied is voornamelijk in agrarische gebruik en bestaat uit grasland en akkers.

Opgaande begroeiing is aanwezig in de vorm van een bosschage bij voormalige bebouwing, een elzensingel en begroeiing van een bedrijfserf. In het gebied is een kapschuur aanwezig en een bedrijfsgebouw. Ook is in het gebied een beachvolleybalveld aanwezig. Het gebied wordt doorkruist en omsingeld door watergangen. Voor een impressie van het plangebied zie foto’s 9 tot en met 16 op pagina 13. 2.2

Plannen

In de plangebieden wordt met de wijzigingen van het omgevingsplan woningbouw mogelijk gemaakt. Voor de woningbouw moet eerst het terrein bouwrijp worden gemaakt, waarbij ook de begroeiing en eventueel aanwezige bebouwing in het gebied wordt verwijderd. Tevens worden mogelijk werkzaamheden uitgevoerd aan de watergangen. Vervolgens worden de woningen en de bijbehorende buitenruimte gerealiseerd. Aangezien het hier gaat om een wijziging van het omgevingsplan is de tijdsplanning van de uitvoering nog niet bekend.

4

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Figuur 2.1: De ligging van beschermde gebieden in de omgeving van de plangebieden.

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

3

5

Gebiedsbescherming en beoordeling

In Nederland zijn de meeste beschermde natuurgebieden beschermd volgens de Ow (de Natura 2000-gebieden) of volgens regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast kunnen natuurgebieden ook zijn beschermd via de Omgevingsverordening van de provincie en een gemeentelijk omgevingsplan. 3.1

Natura 2000-gebieden (Voortoets)

In deze quickscan heeft de beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden de status van een Voortoets. Het gaat daarbij om de vraag of een activiteit (significant) negatieve effecten kan veroorzaken op de aangewezen natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden. Daarnaast is de specifieke zorgplicht Natura 2000 van belang; deze wordt in hoofdstuk 5 besproken Het plangebied ligt aan de oostzijde van het stedelijk gebied van Hoorn (figuur 2.1). De vier dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Markermeer & IJmeer, Polder Zeevang, Eilandspolder en IJsselmeer (www.natura2000.nl). Deze natuurgebieden liggen op een afstand van respectievelijk 3, 12, 16 en 10 km vanaf het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op aanzienlijk grotere afstanden, waardoor kan worden aangenomen dat de beoogde werkzaamheden daarop ten aanzien van de meeste aspecten geen invloed hebben. De bescherming van een Natura 2000-gebied is gericht op de natuurwaarden waarvoor het natuurgebied is aangewezen. Hiervoor zijn zogenoemde instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de bovengenoemde gebieden zijn dat een aantal habitattypen, diersoorten, broedvogelsoorten en/of niet-broedende vogelsoorten. Voor de meeste aangewezen natuurwaarden van deze vier Natura 2000-gebieden is er geen ecologische relatie met het plangebied, omdat die natuurwaarden binnen de begrenzing van de Natura 2000-gebieden blijven.

Een aantal mobielere soorten, zoals de Meervleermuis en herbivore watervogels als Smient en enkele ganzensoorten vormen hier een uitzondering op. Deze soorten maken ook gebruik van de omgeving van Natura 2000-gebieden die voor hun van belang zijn. Zo foerageren meervleermuizen in Natura 2000-gebieden, maar hebben zij hun verblijfplaatsen in de bebouwing daarbuiten. Voor de herbivore watervogels geldt dat ze juist rusten binnen de begrenzing van de Natura 2000-gebieden en (ook) foerageren buiten die gebieden. Door het ontbreken van geschikte gebouwen voor verblijfplaatsen van vleermuizen zijn in de plangebieden geen verblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig (zie ook paragraaf 4.4). Bij het vleermuisonderzoek voor de ontwikkeling van Bangert en Oosterpolder fase 5 noord zijn geen meervleermuizen waargenomen boven de watergangen die ook in/langs de huidige plangebieden liggen (Schut 2017). Gezien de realisatie van de eerdere fasen met woningbouw in de Bangert en Oosterpolder, is het onwaarschijnlijk dat de watergangen in/langs de plangebieden nu wel een belangrijke rol vervullen als vliegroute voor de Meervleermuis. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er voor de Meervleermuis geen ecologische relatie is tussen de plangebieden en Natura 2000-gebieden die voor deze soort zijn aangewezen.

Voor ganzen en voor de Smient geldt dat deze in principe kunnen foerageren op grasland in de plangebieden. De graslanden liggen echter ingesloten tussen bestaande bebouwing, wat ze minder aantrekkelijk maakt dan bijvoorbeeld de graslanden ten oosten en zuidoosten van het stedelijk gebied. Ook de huidige verstoring door verkeer en menselijke aanwezigheid in de

6

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

directe omgeving van de plangebieden, maakt een rol als (belangrijk) foerageergebied onwaarschijnlijk. Om die redenen worden geen negatieve effecten verwacht op de instandhoudingsdoelen van herbivore watervogels van de omliggende Natura 2000-gebieden. Voor eventuele uitstralende effecten op Natura 2000-gebieden geldt dat ten aanzien van de meeste aspecten hier geen sprake van is door de grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden. Een mogelijke uitzondering hierop is een relatie die optreedt door een toename van stikstofemissie in de uitvoeringsfase en in de fase daarna door een wijziging in het gebruik van het plangebied. Hieronder is de regelgeving omtrent stikstofemissie beschreven.

Stikstofdepositie Een toename van de stikstofdepositie kan schadelijk zijn voor Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van stikstofgevoelige habitattypen en soorten. Bij een toename van de depositie op dergelijke natuurwaarden, kan sprake zijn van een Natura 2000activiteit en is een vergunning volgens de Ow nodig. Een verandering van de stikstofdepositie door activiteiten of handelingen wordt bepaald met behulp van een AERIUS berekening. Bij de berekening van de toename in stikstofdepositie met behulp van AERIUS Calculator worden alleen effecten meegenomen die plaatsvinden binnen een straal van 25 kilometer rondom het plangebied. Er zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig binnen deze straal. Deze bevinden zich in Natura 2000-gebieden IJsselmeer en Eilandspolder. Om die reden is het nodig om voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de plannen de verwachte extra stikstofdepositie te bepalen met behulp van een AERIUS-berekening. Als uit de berekening blijkt dat er een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/j optreedt op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebied, zijn mogelijk vervolgstappen aan de orde. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van een passende beoordeling, of intern of extern salderen. De mogelijkheden hiertoe moeten per situatie beoordeeld worden.

Conclusie Om te bepalen of er een kans is op een (significant) negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, is een bepaling van de mogelijke toename in stikstofdepositie noodzakelijk. Om die reden is voor de uitvoering van de plannen een AERIUSberekening nodig. Ten aanzien van overige aspecten is door uitvoering van de plannen geen (significant) negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000gebieden te verwachten en is er geen sprake van een Natura 2000-activiteit. 3.2

Overige vormen van gebiedsbescherming

Figuur 2.1 toont dat in de directe omgeving van het plangebied, met uitzondering van het Weidevogelleefgebied, geen gebieden liggen die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland en/of Ganzenfoerageergebied. Het weidevogelleefgebied ligt op ca. 700 m ten zuidoosten van de plangebieden. Vanwege de ligging van de plangebieden in bebouwd gebied worden geen negatieve effecten verwacht op voornoemde gebieden. De beoogde woningbouw in de plangebieden veroorzaakt daardoor geen conflict met de regelgeving ten aanzien van deze vormen van gebiedsbescherming.

8

4

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Soortbescherming en beoordeling

Voor de bescherming van soorten is in de Ow en de daaraan verbonden AMvB’s1 een indeling gemaakt, waardoor drie beschermingscategorieën zijn ontstaan: − soorten van de Europese Vogelrichtlijn, − soorten van de Europese Habitatrichtlijn (en van het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels), − andere soorten, met een bescherming op nationaal niveau. Per provincie is vastgesteld welke van die soorten wel, en welke niet onder een vrijstellingsregeling vallen. Die vrijstelling geldt alleen voor specifieke activiteiten die benoemd zijn in de relevante provinciale omgevingsverordening en kan bijvoorbeeld gelden voor activiteiten in het kader van voor ruimtelijke ontwikkeling. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven voor welke schadelijke handelingen, die betrekking hebben op de beschermde soorten van bovengenoemde categorieën, sprake is van een vergunningplicht (resp. in art. 11.37 (vogels), 11.46 (habitatrichtlijnsoorten) en 11.54 (andere soorten)). Voor alle inheemse planten- en diersoorten geldt daarnaast een algemene zorgplicht (art. 1.6 en 1.7 Ow) en voor een groot aantal soorten ook een specifieke zorgplicht (art. 11.26 Bal). Met de algemene en specifieke zorgplicht wordt beoogd negatieve gevolgen van activiteiten op inheemse plant- en diersoorten zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen of te beperken.

Een belangrijk onderdeel van de zorgplicht is het tijdig laten uitvoeren van een ecologische beoordeling, zoals een ecologische quickscan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de (specifieke) zorgplicht. 4.1

Algemeen

De plangebieden liggen ingeklemd in een stedelijke omgeving met woningen en infrastructuur, en worden hoofdzakelijk agrarisch gebruikt. Door deze omstandigheden kan op voorhand worden geconcludeerd dat binnen de plangebieden geen wettelijk beschermde soorten voorkomen die tot de volgende soortgroepen behoren: − − − −

planten ongewervelde diersoorten reptielen vissen

De redenen die aan deze conclusie ten grondslag liggen, zijn één of meer van de volgende: − Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. − Het plangebied biedt geen geschikte biotopen voor deze soorten. − Uitstralende effecten van de beoogde werkzaamheden reiken niet dermate ver buiten het plangebied dat daardoor (mogelijk) leefgebied van deze soorten wordt beïnvloed.

1 AMvB: algemene maatregel van bestuur, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten

leefomgeving (Bal)

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

9

Conclusie algemeen De herinrichting van het plangebied leidt niet tot schadelijke handelingen in de zin van art.11.46 en 11.54 van het Bal ten aanzien van bovengenoemde soortgroepen. 4.2

Amfibieën

Amfibieën artikel 11.46 Bal In de omgeving van het plangebied, rond het stedelijk gebied van Hoorn, kwam in het verleden de volgens artikel 11.46 van het Bal beschermde Rugstreeppad voor (Van Delft et al. 2019, www.ravon.nl, NDFF). Recentere waarnemingen van de Rugstreeppad zijn alleen bekend op grote afstand van de plangebieden. Bovendien is de directe omgeving van het plangebied door (recente) ruimtelijke ontwikkelingen ongeschikt geworden voor deze soort. Het is uitgesloten dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van de Rugstreeppad. Overige beschermde amfibieënsoorten van artikel 11.46 van het Bal komen in de omgeving van het plangebied niet voor. Om die reden veroorzaakt de bouw van de woningen in het plangebied geen schadelijke handeling ten aanzien van amfibieën van deze beschermingscategorie. Amfibieënsoorten artikel 11.54 Bal In de omgeving van het plangebied komen een aantal algemeen voorkomende amfibieënsoorten voor, namelijk de Bruine kikker, de Meerkikker, de Gewone pad en de Kleine watersalamander (NDFF, RAVON). Dit zijn soorten van artikel 11.54 Bal, die door de provincie Noord-Holland zijn opgenomen in een 'vrijstellingslijst'. Het plangebied kan in principe dienen als leefgebied van enkele van deze soorten, maar zal door het voornamelijk intensief agrarisch gebruik geen rol van betekenis hebben voor die soorten.

Door de uitvoering van de plannen gaat een deel van het leefgebied verloren, maar op grond van de vrijstelling leiden deze werkzaamheden niet tot schadelijke handelingen in de zin van artikel 11.54 Bal. Amfibieënsoorten die beschermd zijn volgens artikel 11.54 Bal, maar geen vrijstelling genieten, komen in de omgeving van de plangebieden niet voor. Conclusie amfibieën De geplande werkzaamheden leiden niet tot schadelijke handelingen in de zin van artikel 11.46 en 11.54 van het Bal ten aanzien van amfibieën. 4.3

Vogels

Alle in Nederland van nature voorkomende vogelsoorten zijn beschermd. Verstoring of aantasting van nesten en de directe omgeving daarvan is niet toegestaan zonder vergunning (art. 11.37 Bal). Voor de meeste soorten gaat het om de nestplaatsen die tijdens het broedseizoen in gebruik zijn. In de Ow en bijbehorende AMvB’s is geen standaardperiode voor het broedseizoen opgenomen. De meeste Nederlandse vogelsoorten broeden in de piek van het broedseizoen, dus tussen half maart en half juli. Er zijn echter ook soorten die eerder starten en soorten die zelfs in september nog broeden. Het gaat erom of er een broedgeval is dat verstoord kan worden. Voor een aantal soorten geldt een jaarronde bescherming van de nestplaats. In de plangebieden zijn verscheidene broedbiotopen voor vogels aanwezig. Op de open grasen akkerpercelen kunnen weidevogels als de Kieviet, de Scholekster, de Gele kwikstaart en de Graspieper tot broeden komen. In en langs de sloten in het gebied zijn nestmogelijkheden aanwezig voor de Meerkoet, het Waterhoen en voor eenden. In de bosschages in en langs het

10

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

plangebied kunnen andere vogels tot broeden komen, zoals de Zwartkop, de Merel, de Houtduif, de Winterkoning, de Zwart kraai etc. Bij de beoogde herinrichting kan op voorhand niet worden uitgesloten dat nestplaatsen worden verstoord of aangetast. Er zijn verschillende mogelijkheden om schadelijke handelingen ten aanzien van broedende vogels te voorkomen. De meeste zekere methode om verstoring van broedvogels te voorkomen is om de werkzaamheden uit te voeren buiten de piek van het broedseizoen. Daarnaast is het toegestaan om werkzaamheden reeds voor aanvang van het broedseizoen te starten, zodat broedpogingen in het werkgebied achterwege zullen blijven. Het is tevens toegestaan om vooraf aan de broedperiode potentiële nestlocaties ongeschikt te maken. Er dient te worden voorkomen dat er alsnog broedgevallen ontstaan die kunnen worden verstoord. Dat kan door het afdekken of verwijderen van potentiële broedplaatsen, zoals constructies, opgeslagen goederen, afvalhopen en steile zand- en grondwanden (broedplaatsen voor de Oeverzwaluw). Mochten er toch vogels tot broeden komen die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord, dan moeten die werkzaamheden worden gestaakt tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen zijn de meeste nestplaatsen niet beschermd.

Een aantal vogelsoorten maakt echter gedurende het gehele jaar gebruik van een nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan zijn daarom het gehele jaar beschermd. Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat het plangebied beperkt geschikt is voor vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. In het aanwezige gebouw in plangebied 5B Zuid zijn geen mogelijkheden voor de Huismus en/of de Gierzwaluw aanwezig. In plangebied 5B Zuid is beperkt opgaande begroeiing aanwezig, zodanig dat het onwaarschijnlijk is dat daar nesten van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen, zoals van de Buizerd, de Sperwer of de Ransuil gevestigd kunnen worden. In plangebied A Zuid is langs de zuidzijde en westzijde opgaande begroeiing aanwezig waar tijdens het veldbezoek vier nesten van de Zwarte kraai werden waargenomen. Dergelijke nesten kunnen ook worden gebruikt door roofvogels en uilen. Nesten van roofvogels worden door de gebruiksdruk niet verwacht, maar voor de Ransuil was dit niet uit te sluiten. Naar aanleiding van de constatering van de kraaiennesten is er in 2024 aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van broedende ransuilen. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen nestplaatsen van de Ransuil aanwezig zijn.

Daaruit volgt dat de wijziging van het omgevingsplan voor Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en de uitvoering van de planregels niet leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen in artikel 11.37 van het Bal (De Vries, 2024b). In de omgeving van het plangebied zijn ook waarnemingen van de Steenuil bekend. Het gaat waarschijnlijk om een paar dat gebruik maakt van een nestkast in Oosterblokker. In het plangebied is voor de Steenuil geen gelegenheid om een nestplaats te vestigen Rondom de nestplaats in Oosterblokker is binnen een straal van 1 kilometer voldoende foerageergebied voor Steenuil aanwezig. Er is daarom niet te verwachten dat steenuilen binnen het plangebied foerageren. De functionaliteit van de nestplaats in Oosterblokker zal door uitvoering van de plannen niet worden aangetast.

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

11

Conclusie vogels −

4.4

De beoogde werkzaamheden kunnen leiden tot een schadelijke handeling in de zin van art. 11.37 lid b en d wanneer broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Hierboven staan maatregelen die kunnen voorkomen dat dit optreedt. Vleermuizen

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingsgronden bij vergunningaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten. Om deze reden worden de vleermuizen hier in een aparte paragraaf besproken en worden de 'overige zoogdiersoorten' in §4.5 behandeld. Een aantal vleermuissoorten komt ook in de omgeving van het plangebied voor, zoals de Meervleermuis, de Watervleermuis, de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Tweekleurige vleermuis en de Laatvlieger (NDFF, Schut 2017, ongepubliceerde resultaten A&W). Mogelijk maakt een deel van deze soorten ook gebruik van het plangebied. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied van belang, namelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze indeling wordt ook gebruikt bij effectbeoordelingen. Verblijfplaatsen In zowel de zomerperiode als de baltsperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. In het plangebied is alleen in gebied 5B Zuid bebouwing aanwezig. De kapschuur en het bedrijfsgebouw zijn echter niet geschikt als verblijfplaatsen van vleermuizen. In de kapschuur zijn geen mogelijkheden om weg te kruipen.

Het bedrijfsgebouw heeft geen toegangen tot mogelijke ruimtes in de constructie. De daklijsten en overstekken sluiten nauw aan op de gevels en er zijn geen spouwmuren. Het aantal potentieel geschikte bomen in het plangebied is beperkt en om die reden zijn de bomen tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op mogelijkheden voor verblijfplaatsen (holtes, scheuren, loszittend schors). Bij geen van de bomen werden mogelijkheden voor vleermuizen waargenomen. Op basis van bovenstaande waarnemingen wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De uitvoering van de plannen in het plangebied heeft daarom geen directe effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen. Foerageergebied Het plangebied maakt waarschijnlijk deel uit van het foerageergebied van vleermuizen uit verblijfplaatsen uit de omgeving. Door de openheid is de kwaliteit van het foerageergebied waarschijnlijk beperkt. Alleen rond de bosschages en langs de opgaande begroeiing zijn voldoende insecten te vinden die als prooi voor de vleermuizen kunnen dienen. Om die reden is het onwaarschijnlijk dat het plangebied een belangrijke rol als foerageergebied van vleermuizen vervullen. Door de herinrichting is mogelijk een deel van het foerageergebied van vleermuizen minder geschikt om te jagen. Na de herinrichting zal het gebied gedeeltelijk weer kunnen functioneren als foerageergebied.

12

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de functionaliteit van verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving ten aanzien van foerageergebied blijft gewaarborgd als de plannen worden uitgevoerd. Vliegroutes Vleermuizen vliegen bij verplaatsingen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied doorgaans langs onverlichte, lijnvormige landschapselementen en mijden vaak open gebied. Zo kunnen (vaste) vliegroutes zijn ontstaan langs bosranden, bomenlanen, watergangen en gebouwen. Behoudens langs enkele randen en de watergang langs de Strip zijn in de plangebieden geen doorgaande lijnvormige structuren aanwezig. Eerder onderzoek toonde aan dat langs de Strip geen belangrijke vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn (Schut 2017). Bovendien worden de geschikte lijnvormige elementen in het plangebied niet aangetast. Om die reden komt de functionaliteit van verblijfplaatsen in de omgeving ten aanzien van vliegroutes niet in het geding. Conclusie vleermuizen De beoogde herinrichting veroorzaakt op basis van het bovenstaande niet tot schadelijke handelingen in de zin van artikel 11.46 Bal ten aanzien van vleermuizen. 4.5

Overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen)

De beoordeling ten aanzien van overige zoogdiersoorten is hier ingedeeld naar de drie beschermingsregimes van de Wet natuurbescherming. Zoogdiersoorten artikel 11.46 Bal Volgens de verspreidingsgegevens (NDFF) komen in de omgeving van het plangebied geen zoogdiersoorten voor die worden beschermd volgens artikel 11.46 Bal. De beoogde herinrichting van het plangebied veroorzaakt daarom geen conflict met de Omgevingswet ten aanzien van zoogdiersoorten van deze beschermingscategorie. Zoogdiersoorten artikel 11.54 Bal (niet-vrijgestelde soorten) Uit de verspreidingsgegevens (NDFF) blijkt dat in de omgeving van de plangebieden een aantal zoogdiersoorten van deze beschermingscategorie voorkomt, namelijk de Eekhoorn en de Bunzing. Er komen geen overige zoogdiersoorten voor van deze beschermingscategorie. Vanwege het ontbreken van voldoende (geschikte) bomen, is het onwaarschijnlijk dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van de Eekhoorn. De beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de OW ten aanzien van deze soort. Voor de realisatie van eerdere delen van de woningbouw in de Bangert en Oosterpolder zijn onderzoeken uitgevoerd naar de aan-/afwezigheid van kleine marterachtigen, waar de Bunzing ook toe wordt gerekend (Schut 2017, Krijn & Mielke 2020).

Bij deze onderzoeken zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen, ook niet in het aan fase 5B Zuid grenzende gebied. De bekende waarnemingen uit de NDFF van de Bunzing zijn uit het gebied bij Wijmers ten zuidoosten van de plangebieden. Om deze redenen is het onwaarschijnlijk dat in de plangebieden kleine marterachtigen voorkomen en leidt de beoogde herinrichting niet tot schadelijke handelingen ten aanzien van Bunzing en andere marterachtigen.

Zoogdiersoorten artikel 11.54 Bal (vrijgestelde soorten) In de omgeving van de plangebieden leven algemeen voorkomende zoogdiersoorten, zoals de Egel, het Konijn en verschillende (spits)muizensoorten. Voor deze soorten kan het plangebied

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

13

leefgebied bieden. Door de uitvoering van de plannen gaat het leefgebied van een aantal volgens artikel 11.54 Bal beschermde zoogdiersoorten (tijdelijk) verloren. Op grond van de provinciale vrijstelling veroorzaken de beoogde werkzaamheden echter geen schadelijke handelingen in de zin van artikel 11.54 Bal. Conclusie overige zoogdiersoorten De beoogde werkzaamheden leiden niet tot schadelijke handelingen in de zin van art. 11.46 en 11.54 Bal ten aanzien van ‘overige zoogdieren’.

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

5

Zorgplicht

5.1

Specifieke zorgplicht Natura 2000

15

De specifieke zorgplicht Natura 2000 heeft betrekking op activiteiten in of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebied. Omdat niet is gedefinieerd tot op welke afstand de specifieke zorgplicht geldt, gaat A&W er vooralsnog vanuit dat de specifieke zorgplicht Natura 2000 altijd van toepassing is als een plan of project leidt tot effecten op een Natura 2000-gebied. Uit de voortoets is gebleken dat er met zekerheid geen significante effecten optreden op de instandhoudingsdoelen. Uit de voortoets is geconcludeerd dat er voor de Meervleermuis geen ecologische relatie is tussen de plangebieden en Natura 2000-gebieden die voor deze soort zijn aangewezen. De insluiting van het plangebied tussen bebouwing, alsmede de verstoring van verkeer en de menselijke aanwezigheid maakt het onwaarschijnlijk dat het plangebied een rol speelt als foerageergebied voor herbivore watervogels van de omliggende Natura 2000gebieden. De Meervleermuis en herbivore watervogels zijn de enige soorten die mobiel genoeg zij om binding te hebben met zowel het plangebied als omliggende Natura 2000-gebieden. Hierom is er geen sprake van enkele verstorende/verslechterende effecten naar aanleiding van de voorgestelde ontwikkeling. Er zijn geen specifieke passende mitigerende of passende compenserende maatregelen die getroffen dienen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. 5.2

Specifieke zorgplicht flora en fauna

De specifieke zorgplicht heeft betrekking op (art. 11.27 Bal): − van nature in Nederland in het wild levende vogels (bijlage I vogelrichtlijn), en geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten; − van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; − dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX van het Bal of in de rode lijsten; en − voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Om te bepalen of deze soorten aanwezig zijn in of nabij het plangebied, is gebruik gemaakt van bestaande gegevens ten aanzien van de verspreiding van soorten (NDFF, verspreidingsatlas.nl) en is een inschatting gemaakt van de potentiële aanwezigheid op basis van de kenmerken van het plangebied. Hieronder wordt per soortgroep besproken welke soorten aanwezig zijn of kunnen zijn en hoe hiermee rekening kan worden gehouden in het kader van de algemene en specifieke zorgplicht. Op basis van de kenmerken van het plangebied, de ecologische vereisten en beschikbare verspreidingsgegevens kan op voorhand de aanwezigheid van de volgende soortgroepen worden uitgesloten: − Platwormen − Kokerjuffers − Haften − Steenvliegen.

16

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Deze soorten zijn gebonden aan het natte milieu en komen vooral voor in schone, heldere wateren. De in het plangebied aanwezige watergangen zijn niet geschikt als leefgebied voor deze soorten omdat ze te voedselrijk zijn. Vaatplanten In de directe nabijheid van het plangebied zijn in de afgelopen vijf jaar zes vaatplantensoorten van de Rode lijst met enige regelmaat waargenomen. Het gaat om de volgende soorten: − Brede orchis − Gele kornoelje − Gulden boterbloem − Kamgras − Wilde kievitsbloem − Zomerklokje Het plangebied valt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van het Zomerklokje, de Wilde kievitsbloem en de Gele kornoelje. Dit zijn soorten die regelmatig aangeplant worden en de waarnemingen uit de omgeving van het plangebied betreffen dan ook hoogstwaarschijnlijk verwilderde exemplaren. Kamgras, de Brede orchis en de Gulden boterbloem komen voor op matig voedselrijke bodems. Aangezien het plangebied in agrarisch gebruik is, wordt het gekarakteriseerd door een voedselrijke bodem. Geschikt biotoop voor deze soort is dus niet aanwezig in het plangebied. Om bovenstaande die redenen zijn in het kader van de specifieke zorgplicht flora en fauna geen maatregelen nodig ten aanzien van planten Dagvlinders In de directe nabijheid van het plangebied is in de afgelopen vijf jaar één dagvlindersoort van de Rode lijst, te weten: het Bruin blauwtje, met enige regelmaat waargenomen.

Het Bruin blauwtje is een soort van relatief schrale, kruidenrijke graslanden en wegbermen, waar de waardplanten (diverse soorten ooievaarsbek (Erodium sp. en Geranium sp.)) voorkomen. Aangezien het plangebied in agrarisch gebruik is, wordt het gekarakteriseerd door een voedselrijke bodem. Geschikt biotoop voor deze soort is dus waarschijnlijk beperkt, maar mogelijk in beperkte mate aanwezig in minder intensief gebruikte delen van het plangebied, zoals de randen van het gebied en oevers van sloten. Het Bruin blauwtje staat op de rode lijst met de status kwetsbaar, wat in dit geval betekent dat de soort sterk is afgenomen, maar nog algemeen is. Het verlies van deze beperkte hoeveelheid mogelijk geschikt biotoop zal daarom geen, of een uiterst minimaal, nadelige invloed hebben op de staat van instandhouding van deze soort. Het kan daarom redelijkerwijs niet verwacht worden dat in het kader van de zorgplicht dergelijke biotopen binnen het plangebied worden ontzien van het bouwrijp maken. Ondanks dat er geen wettelijke verplichting is, adviseren wij, in het kader van biodiversiteitsbehoud en de rode lijststatus van het Bruin blauwtje, dat tijdens de opleverfase herstelmaatregelen worden genomen om het plangebied geschikt te maken voor deze soort.

Een mogelijkheid is het schraal houden van het openbaar groen door geen bemesting toe te passen en na het maaien te allen tijde het maaisel af te voeren. Zo kan de ontwikkeling van het plangebied een plus geven aan de lokale biodiversiteit. Zoogdieren Er zijn waarnemingen van de Haas, de Bunzing en het Konijn bekend uit de omgeving van het plangebied. Zoals beschreven in paragraaf 4.5 is het onwaarschijnlijk dat de Bunzing voorkomt in het plangebied. Daarnaast zijn er ook geen sporen van het Konijn aangetroffen tijdens het

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

17

veldbezoek. Om negatieve effecten op Haas en andere algemeen voorkomende zoogdiersoorten te beperken/voorkomen volstaat het om de maatregelen met betrekking tot de Algemene zorgplicht in acht te nemen. Deze worden behandeld in paragraaf 5.3. Vogels In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van vogels van de Rode lijst. Anders dan de in §4.2 Vogels beschreven functie als broedgebied voor een aantal vogelsoorten heeft de directe omgeving van het plangebied niet. Met de juridische noodzaak om negatieve effecten op nesten en broedende vogels te voorkomen, wordt gelijk ook invulling gegeven aan de (specifieke) zorgplicht ten aanzien van broedvogels. Ten aanzien van trek- en wintervogels behoeven geen maatregelen genomen te worden. Het plangebied ligt ingesloten tussen bestaande bebouwing, wat het minder aantrekkelijk maakt dan bijvoorbeeld de graslanden en opgaande begroeiing ten oosten en zuidoosten van het stedelijk gebied. Ook de huidige verstoring van verkeer en de menselijke aanwezigheid in de directe omgeving van het plangebied, maakt een rol als (belangrijk) foerageergebied en overwinteringsgebied onwaarschijnlijk. Tevens zijn er voldoende soortgelijke gebieden in de omgeving.

Soortgroepen zonder bekende waarnemingen Van de onderstaande soortgroepen zijn in de verspreidingsdatabank (NDFF) (nagenoeg) geen waarnemingen van Rode lijstsoorten bekend: − Mossen − Bijen − Libellen − Amfibieën − Sprinkhanen en krekels Het biotoop in het plangebied is niet tot zeer matig geschikt voor Rode lijstsoorten van bovengenoemde soortengroepen. Zeldzamere of kritische soorten worden niet verwacht in het plangebied. Maatregelen vanuit de specifieke zorgplicht flora en fauna zijn daarom niet aan de orde voor deze soortgroepen 5.3

Algemene zorgplicht

Voor andere algemene amfibieënsoorten en zoogdiersoorten die niet onder de specifieke zorgplicht vallen, dient er te worden gewerkt volgens de onderstaande maatregelen: − − −

Werk in één richting zodat aanwezige dieren kunnen vluchten; Verwijder de opgaande begroeiing en ruigte in een gebied zo veel mogelijk voordat er gegraven wordt; Indien dieren aanwezig blijken, en de werkzaamheden een directe bedreiging voor de welzijn van het dier vormen, staak de werkzaamheden totdat de dieren het projectgebied verlaten hebben.

18

6

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

Conclusies

Samenvattend en op basis van de voorgaande hoofdstukken heeft deze ecologische beoordeling geleid tot onderstaande conclusies. 6.1

Gebiedsbescherming (beide plangebieden)

Natura 2000 De uitvoering van de beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000-gebieden, mits een berekening uitgevoerd wordt van de stikstofdepositie die optreedt tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Als hierbij sprake is van een depositie groter dan 0,0 mol N/ha/j, zijn mogelijk vervolgstappen aan de orde. Overige vormen van gebiedsbescherming De beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de wet- en regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ganzenfoerageergebied en/of Weidevogelleefgebied. 6.2

Soortbescherming

De wijziging van het omgevingsplan en de daaropvolgende ontwikkeling leiden niet tot schadelijke handelingen, mits wordt voorkomen dat door werkzaamheden tijdens de realisatie broedende vogels en hun nesten worden aangetast of verstoord. 6.3

Zorgplicht

Algemene zorgplicht In hoofdstuk 5 staan de maatregelen die van belang zijn om schade aan kwetsbare plant- en diersoorten te voorkomen en te beperken. Buiten de hierboven genoemde maatregelen met betrekking tot vogels, dienen de volgende maatregelen ook in acht te worden genomen tijdens de ontwikkeling van het plangebied: − − −

Houd eventueel aanwezige relatief kruidenrijke biotopen binnen het plangebied zo veel mogelijk intact en onverstoord; Houd het te realiseren openbaar groen zo schraal mogelijk door geen bemesting toe te passen en na het maaien te allen tijde het maaisel af te voeren; Werk in één richting zodat aanwezige dieren kunnen vluchten;

Specifieke zorgplicht Er zijn geen specifieke passende mitigerende of passende compenserende maatregelen die getroffen dienen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. In de directe nabijheid van het plangebied is één rode lijstsoort waargenomen die ook in het plangebied voor zou kunnen komen, het Bruin blauwtje. Er zijn in dit geval geen wettelijk verplichte maatregelen ten aanzien van de specifieke zorgplicht. Toch adviseren wij tot het nemen van maatregelen voor het Bruin blauwtje, in het kader van biodiversiteitsbehoud en de rode lijststatus van deze soort: − −

Verwijder eerst vegetatie in een gebied voordat er gegraven wordt; Indien dieren aanwezig blijken, staak de werkzaamheden totdat deze het projectgebied verlaten hebben.

A&W-notitie 24-249 – Ecologische beoordeling omgevingsplanwijziging Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid

19

Literatuur Van Delft, J., J. Kranenbarg & P. Frigge 2019. Waarnemingenoverzicht 2017-2018. Bijlage bij RAVON 73, jaargang 21 (2). Hoogeboom, D. 2011 Verspreidingsatlas van de zoogdieren van Noord-Holland. Landschap Noord-Holland, Castricum. Krijn, M. & L. Mielke, 2020. Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen Bangert en Oosterpolder fase 5A Noord en fase A West in Hoorn. A&W-notitie 20-181. Altenburg en Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Schut, E. 2017 Aanvullend onderzoek naar de Rugstreeppad en vleermuizen in Bangert en Oosterpolder, fase 5 noord. A&W-notitie 2786. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Vries, E.W. de, 2024a. Ecologische beoordeling van bestemmingsplannen Bangert en Oosterpolder fase A Zuid en 5B Zuid. A&W-notitie 23-039. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Vries, E.W. de 2024b. Aanvullend onderzoek naar Ransuil in de Bangert en Oosterpolder fase A Zuid. A&W-notitie 23-192. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Websites www.natura2000.nl NDFF www.ravon.nl

TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid

Bijlage 23

AERIUS-rapportage

2178

Bereke ning st ikst ofdep osit ie Ban gert en O osterpol der fa se 5B Zuid

D EFI NITIE F

Inhoud Rapport en bijlagen

9 oktober 2025 Projectnummer P003160

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging plangebied

7

4

Invoergegevens AERIUS

8

4.1

Aanlegfase

9

4.1.1

Uitgangspunten mobiele werktuigen

9

4.1.2

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

9

4.1.3

Werkverkeer (bron 2)

10

4.2 4.3

Gebruiksfase

11

4.2.1

11

Verkeersgeneratie woningen (bron 3 en 5)

Totale emissie

12

5

Model

13

6

Rekenresultaten en conclusie

14

9 oktober 2025

1

Inleiding In het kader van het TAM-IMRO plan ‘Bangert en Oosterpolder fase 5b Zuid’ is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van de ontwikkeling te Blokker in de gemeente Hoorn, berekend. Het plan maakt de bouw van 154 woningen mogelijk op een locatie in het sterk stedelijk woonmilieu. De omvang van het plan is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (9 oktober 2025). Dit rapport vormt een toelichting op de bijgevoegde berekening.

Afbeelding 1 – Globale ligging en omvang plangebied

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Omgevingswet bij vergunningaanvragen of de wijziging van het omgevingsplan. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

9 oktober 2025

3

2

Wettelijk kader De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat het onderdeel gebiedsbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een wijziging van het omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Ondanks dat bij een wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet het niet langer noodzakelijk is om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen, moet wel onderzocht worden of een ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Hiernaast geldt op grond van artikel 1.6 Omgevingswet in samenhang met artikel 11.6 Bal een zorgplicht voor omgevingsvergunningen en het wijzigen van het omgevingsplan. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat de wijziging van het omgevingsplan niet kan worden vastgesteld indien dit negatief effect niet kan worden voorkomen door bijvoorbeeld de toepassing van mitigerende maatregelen. Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden toegestaan. In gebieden waar de kritische depositiewaarde hoger is dan de achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden.

In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van intern of extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de netto stikstofemissie niet toeneemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten binnen het project- of plan-

9 oktober 2025

4

gebied zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het project- of plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling (extern salderen). Bij de toepassing van intern of extern salderen gelden belangrijke voorwaarden, namelijk: -

om intern te mogen salderen, moet er sprake zijn van één project of één plan waarbij sprake is van één locatie waarbinnen de te salderen activiteiten zich bevinden;

-

zowel intern als extern salderen worden aangemerkt als een mitigerende of verzachtende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn en mogen dus alleen plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid voor woningbouwprojecten, waarbij sprake is van een stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, om de projecten mogelijk te maken via het stikstofregistratiesysteem. In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstofreducerende maatregelen opgeslagen. De door deze maatregelen beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70% worden besteed aan economische ontwikkelingen. Onlosmakelijkheid Ten zuiden van het plan fase 5b Zuid zal het plan fase A zuid worden ontwikkeld. In het kader van de stikstofwetgeving is het van belang om te bepalen of projecten als onlosmakelijk verbonden moeten worden aangemerkt, aangezien onlosmakelijk verbonden projecten gezamenlijk beoordeeld dienen te worden op hun effecten op Natura 2000-gebieden. Bij de beoordeling of sprake is van onlosmakelijkheid, zijn met name de volgende criteria relevant: 1.

Functionele samenhang

2.

Gelijktijdige voorbereiding of uitvoering

3.

Gezamenlijke besluitvorming of initiatiefnemerschap

4.

(On)zelfstandige uitvoerbaarheid

1. Geen functionele samenhang De woningbouwontwikkelingen in 5B Zuid en A Zuid hebben elk een eigen stedenbouwkundige opzet, programmering en fasering. Beide gebieden kunnen functioneel zelfstandig functioneren, met een eigen ontsluiting en openbare ruimte. Er is geen sprake van een afhankelijkheid waarbij het ene plan slechts kan functioneren bij realisatie van het andere. 2. Geen gelijktijdige uitvoering of besluitvorming Hoewel beide plannen geografisch nabij elkaar zijn gelegen en mogelijk binnen een vergelijkbaar tijdsbestek worden ontwikkeld, is er geen sprake van één gezamenlijk besluit of procedure. Beide plannen kennen een eigen ruimtelijk besluitvormingstraject en worden afzonderlijk ter inzage gelegd en vergund. De realisatie vindt plaats in gescheiden fasen, op basis van eigen planningen en marktontwikkelingen.

9 oktober 2025

5

3. Zelfstandig uitvoerbaar Zowel het plan voor fase 5B Zuid als het plan voor fase A Zuid zijn volledig zelfstandig uitvoerbaar. De ontwikkeling van het ene plan is niet afhankelijk van de realisatie van het andere. Er is geen sprake van noodzakelijke gedeelde infrastructuur, technische voorzieningen of voorzieningen die voor beide plannen essentieel zijn. 4. Geen kunstmatige splitsing Tot slot is er geen sprake van een kunstmatige splitsing van één groter project met als doel om bijvoorbeeld stikstofeffecten te ontwijken. Beide plannen maken deel uit van een bredere gebiedsontwikkeling, maar zijn in inhoud, fasering en uitvoering afzonderlijk vormgegeven en verantwoord.

9 oktober 2025

6

3

Ligging plangebied Het plangebied ligt in het dorp Blokker, ten noordoosten van de stad Hoorn. Het plangebied ligt op de grens van de gemeente Hoorn. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de gemeente Drechterland. Aan deze kant grenst het gebied aan een tuincentrum, dat dus is gelegen in gemeente Drechterland. Aan de zuidkant grenst het gebied aan de achterzijde van de percelen die aan de Westerblokker liggen. Aan de west- en noordkant grenst het gebied aan de uitbreidingswijk Bangert en Oosterpolder. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -

Markermeer & IJmeer, gelegen op een afstand van circa 2,9 km;

-

IJsselmeer, gelegen op een afstand van circa 8,7 km;

-

Polder Zeevang, gelegen op een afstand van circa 12,2 km;

-

Eilandspolder, gelegen op een afstand van circa 16 km.

Hierbij dient wel te worden vermeld dat de Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Polder Zeevang’ niet stikstofgevoelig zijn.

9 oktober 2025

7

4

Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NOx en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.

De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de woningen gasloos worden uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit zal geborgd moeten worden in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de ontwikkeling zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3). Woonprogramma Het door de gemeente aangeleverde woonprogramma is voor Fase 5B als volgt: goedkoop (rug aan rug)

18

middelduur laag

10

middelduur hoog

87

duur 2^1 kap

14

duur vrijstaand

11

vrijesector zelfbouw

14

Totaal

154

De verschillende woningtypen zullen voor de berekening in de volgende drie categorieën worden onderverdeeld: - Rijwoningen (goedkoop (rug aan rug), middelduur laag, middelduur hoog) - Twee-onder-één-kapwoningen (duur 2^1 kap) - Vrijstaande woningen (duur vrijstaand, vrijesector zelfbouw)

9 oktober 2025

8

4.1

Aanlegfase

4.1.1 Uitgangspunten mobiele werktuigen In tabel 1 is per woningtype het aantal draaiuren van de mobiele werktuigen per woning weergegeven. Voor de bouw van de woningen worden de volgende mobiele werktuigen ingezet: - Kraan - Graafmachine - Betonstorter - Heistellling - Verreiker Tabel 1 . Draaiuren mobiele werktuigen per woningtype

Graafmachine

Kraan

Betonstorter

Heistelling

Rijwoningen (goedkoop (rug aan rug), middelduur laag, middelduur hoog)

115

5

5

3

3

3

Twee-onder-één-kapwoningen (duur 2^1 kap)

14

6

6

3,5

3,5

3,5

Vrijstaande woningen (duur vrijstaand, vrijesector zelfbouw)

25

8

8

4

4

4

Verreiker

Type woning

Aantal

Aantal draaiuren per woning

Voor de verharding/bestrating is met het volgende aantal draaiuren per 100 m2 gerekend. Het gaat om een totaal van 15.300 m2 verharding/bestrating - 1 uur inzet van een graafmachine per 100 m2; - 0,5 uur inzet van een wals per 100 m2; - 1 uur inzet van een trilplaat per 100 m2;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=cc2f3ccf-6d3a-4866-abf4-6aa63026dedd