CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 BP Quickscan flora en fauna

Gemeenteraad 13 december 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Herontwikkeling locatie Holenweg 6, 8 en 10, plan De Vrijheid5.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Holenweg 6, 8 en 10, Hoorn

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Holenweg 6, 8 en 10, Hoorn A0108-03/DME/rap1 27 januari 2021

Auteur Email Telefoon

: : :

Dhr. D. van der Meer dvdmeer@idds.nl 06 – 8276 3301

Opdrachtgever

:

Markus B.V. Dhr. M. Klaver

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van Markus B.V. is op 19-01-2021 en 25-1-2021 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Holenweg 6, 8 en 10 te Hoorn. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 6 Conclusie en advies. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied meerdere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Door middel van nader onderzoek moet vastgesteld worden of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor deze beschermde soorten (tabel 1). Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart – 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Tabel 1: Overzicht van soorten waarvoor nader onderzoek of maatregelen nodig zijn. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Maatregelen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Ja, nader onderzoek

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Ja, nader onderzoek

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Ja, nader onderzoek

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Ja, nader onderzoek

Vleermuizen

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie.

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Doel van het onderzoek.............................................................................................. 5 Leeswijzer .................................................................................................................. 5

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ......................................................................................... 6 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 6 Veldonderzoek ........................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ................................................................................................... 6

3.1 3.2 3.3

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen ............................................. 7 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied ................................................ 7 Planvoornemen ........................................................................................................ 11 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 11 Bureauonderzoek ................................................................................................... 14

5.1 5.2 5.3 5.4

Veldonderzoek........................................................................................................ 15 Aangetroffen soorten en sporen daarvan .................................................................. 15 Biotoop bebouwing ................................................................................................... 15 Biotoop aanwezig groen ........................................................................................... 19 Biotoop water ........................................................................................................... 20

6.1 6.2

Conclusie en advies ............................................................................................... 21 Gebiedsbescherming ............................................................................................... 21 Soortbescherming .................................................................................................... 21 Literatuur en bronvermelding ................................................................................ 23

Bijlage I

Wet natuurbescherming .................................................................................. 24

Bijlage II

Uitgesloten soorten.......................................................................................... 26

Bijlage III

Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ...................................................... 28

Inleiding 1.1

Aanleiding

De opdrachtgever is voornemens de huidige bebouwing aan de Holenweg 6, 8 en 10 te slopen. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats) • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoofdstuk 6 worden hieruit conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in Hoofdstuk 7. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in Bijlage I en Bijlage II toont alle beschermde soorten die zijn uitgesloten. Bijlage III geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van quickscanhulp dat op projectniveau de gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna ontsluit. Daarnaast raadplegen we relevante verspreidingsatlassen en actuele websites. Ook brengen we de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart. Ook maken we een inschatting of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebiedsfuncties. 2.2

Veldonderzoek

Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 zal bestaan uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Daarnaast wordt uiteengezet wat de ligging van het plangebied is ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de omgeving. Tevens wordt er een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat de plangebied in Hoorn ligt. De omgeving kenmerkt zich door een groene woonwijk ten westen van het plangebied. Ten zuiden was op het moment van het veldbezoek een braakliggend terrein waar gebouwd werd (lijkt grasland op onderstaande luchtfoto). Aan de noordzijde van het plangebied loopt het spoor.

Het plangebied bestaat uit meerdere opstallen. Om te beginnen is er een saunacomplex op Holenweg 6. Het hoofdgebouw heeft twee bouwlagen en een plat dak en het is opgetrokken uit baksteen (Figuur 2). Aan de achterzijde (noord) van de sauna zijn enkele uitbouwen en bijgebouwen, eveneens met een plat dak (Figuur 3, 4 en 5). Aan de Holenweg 8 staat een éénlaags gebouw met plat dak wat is opgetrokken uit baksteen en aan de bovenrand is afgewerkt met platen (Figuur 6). Ten slotte staat er aan de Holenweg 10 een woonhuis met tuin. Het hoofdgebouw bestaat uit twee bouwlagen die opgetrokken zijn uit baksteen met een pannen dak. Er zijn enkele uitbouwen van één bouwlaag en een paar tuinhuisjes in de tuin. De tuin is deels betegeld, deel gazon en deels kunstgras en wordt omgeven door struiken en hagen. De Holenweg 10 heeft tevens een zwembad in de tuin. De Figuren 8 en 9 geven een beeld van dit deel van het plangebied.

3.2

Planvoornemen

Alle bestaande bebouwing aan de Holenweg 6, 8 en 10 zal worden gesloopt te behoeve van een nieuw appartementenomplex op deze locatie. Tevens wordt er een parkeerstrook aangelegd voor de toekomstige bewoners. De parkeerstrook zal omgeven worden door groen. 3.3

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied, ecologische verbindingszone, strategische reservering natuur of Bijzonder Provinciaal Landschap. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 9 en 10. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied

Afstand tot het plangebied in meters

Natura-2000 gebied

840 – Markermeer & IJmeer (niet gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

614

Belangrijk weidevogelgebied

1.728

In Figuur 11 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie.

Bureauonderzoek Uit recente verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat in of nabij het plangebied (binnen een straal van vijf kilometer) diverse beschermde soorten zijn waargenomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De data van de NDFF is niet volledig sluitend, indien tijdens de biotooptoets geschikt habitat wordt aangetroffen, kan het plangebied alsnog geschikt worden geacht voor specifieke soorten. Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied. (Bron: NDFF) Soortgroep

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

Amfibieën en reptielen

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Afstand tot locatie [km]

Boomvalk (Falco subbuteo)

0-1

Buizerd (Buteo buteo)

0-1

Gierzwaluw (Apus apus)

0-1

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)

0-1

Havik (Accipiter gentilis)

1-5

Huismus (Passer domesticus)

0-1

Kerkuil (Tyto alba)

0-1

Ooievaar (Ciconia ciconia)

0-1

Ransuil (Asio otus)

1-5

Roek (Corvus frigilegus)

0-1

Slechtvalk (Falco peregrinus)

1-5

Sperwer (Accipiter nisus)

0-1

Steenuil (Athene noctua)

1-5

Wespendief (Apivorus pernis)

1-5

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

0-1

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

0-1

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

0-1

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

0-1

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

1-5

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

1-5

Bunzing (Mustela putorius)

1-5

Hermelijn (Mustela erminea)

1-5

Wezel (Mustela nivalis)

1-5

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

1-5

Ringslang (Natix natrix)

1-5

Vissen

Geen beschermde soorten verwacht

N.V.T.

Weekdieren

Geen beschermde soorten verwacht

N.V.T.

Flora

Geen beschermde soorten verwacht

N.V.T.

Insecten

Grote vos (Nymphalis polychloros)

1-5

Veldonderzoek Het veldonderzoek is uitgevoerd op twee dagen, te zijn 19 en 25 januari 2021 en is uitgevoerd door D. van der Meer. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: KNMI en Weeronline) Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

19-01-2021

8

ZW 6

Geheel bewolkt

Geen

25-01-2021

5

ZW 3

Half bewolkt

Geen

De in Hoofdstuk 4 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied potentieel geschikt is voor (onder andere) deze soorten. In dit hoofdstuk worden de aantroffen biotopen binnen het plangebied beschreven. 5.1

Aangetroffen soorten en sporen daarvan

Tijdens het veldbezoek zijn meerdere algemene vogelsoorten gehoord en gezien. Dit waren de ekster, houtduif, kauw, koolmees, meerkoet, merel, Turkse tortel, gaai, roodborst, pimpelmees en winterkoning. Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, zijn niet aantroffen in het plangebied. Naast de algemene vogelsoorten is geen andere fauna waargenomen in het plangebied. Er zijn enkele sporen van vogels aangetroffen die in de volgende paragrafen aan bod zullen komen. 5.2

Biotoop bebouwing

Het plangebied is opgedeeld in drie adressen, deze zullen hieronder afzonderlijk behandeld worden. Holenweg 6 De bebouwing van de Holenweg 6 bestaat uit verschillende delen. Alle delen hebben een plat dak zonder dakpannen. Een aantal delen hebben een enkele bouwlaag en het hoofdgebouw bestaat uit twee bouwlagen. Bij de aansluiting van de regenpijpen in de muren van het hoofdgebouw missen enkele bakstenen die voor openingen zorgen (Figuur 12). Bij een aantal regenpijpen zijn metalenafweersystemen geplaatst die moeten verhinderen dat de gaten door dieren worden gebruikt (Figuur 13). Echter lopen al deze gaten niet door en zijn ze open en bloot waardoor de openingen niet geschikt zijn voor vogels die in gebouwen broeden. Daarnaast zitten er rondom de bebouwing, aan praktisch alle zijdes, meerdere open stootvoegen. Figuur 14 op de volgende pagina geeft hier een impressie van. Deze open stootvoegen bieden toegang tot de spouwmuur. De dakrandafwerking die te zien is op de Figuren 12 t/m 14 geeft tevens een kleine ruimte. Verder is er een opstal op de binnenplaats dat is opgetrokken uit hout ten behoeve van de sauna. Bij de dakaansluiting van dit houten opstal zijn een aantal openingen waarin vogels kunnen broeden. Eén daarvan is in gebruik door een vogel gezien de uitwerpselen (Figuur 15).

Afgaande op de grootte en hoeveelheid ontlasting kan gesteld worden dat dit vermoedelijk een spreeuw is geweest.

Holenweg 8 Het opstal aan de Holenweg 8 bestaat uit een enkele bouwlaag met een plat dak. De gevel is onder de dakrand afgewerkt met platen. Tussen de platen en de gevel zit geen ruimte. Wel zitten er meerdere open stootvoegen rondom de opstal, echter zijn al deze open stootvoegen gevuld met een gaas waardoor ze niet toegankelijk zijn (Figuur 16).

Holenweg 10 Ten slotte staat er aan de Holenweg 10 een woonhuis met enkele uitbouwen en tuinhuisjes in de tuin. Het woonhuis is opgeleverd in het jaar 1920, vanaf dat jaar werden opstallen gebouwd met een spouwmuur waardoor er geen spouwmuur wordt verwacht in dit opstal. Het hoofdgebouw is opgetrokken uit baksteen en heeft geen open stootvoegen en een pannen dak waarvan alle pannen recht liggen (Figuur 17). Aan de voorgevel zitten enkele openingen direct boven het balkon (Figuur 18). Daarnaast zit er ruimte tussen de zijgevelbetimmering onder de dakgoot, achter deze betimmering zit het vol met spinnenrag waardoor het ongeschikt is voor vleermuizen (Figuur 19). De rest van de opstal en de tuinhuisjes beschikken niet op over openingen.

5.3

Biotoop aanwezig groen

Rondom het plangebied staat divers groen, van grotere bomen tot struiken en hagen. Zowel aan de voorzijde, als aan de achterzijde van de Holenweg 6 is een vogelnest aangetroffen in de bomen (Figuur 20). Afgaand op het voormaat van de nesten gaat het hier hoogstwaarschijnlijk om een kleine zangvogel. Tegen het houten opstal van het saunacomplex groeit een groenblijvende klimop (Figuur 15). Rondom de opstallen aan de Holenweg 8 en 10 staan enkele coniferenhagen welke jaarrond groen zijn (Figuur 21). Holtes in bomen zijn niet aangetroffen. Buiten het plangebied hangen enkele vleermuiskasten aan bomen (Figuur 22).

5.4

Biotoop water

Aan de westzijde van het plangebied loopt een sloot. Direct langs de Holenweg 10 heeft deze sloot een harde en onnatuurlijk oeverrand (Figuur 23). De rest van de oever is natuurlijk met maar op één klein stukje (langs het hek van Holenweg 8) riet dat langs de oever groeit. De rest van de oever heeft geen vegetatie (Figuur 24). Waterplanten zijn evenmin aanwezig.

Conclusie en advies In dit hoofdstuk worden alle soorten behandeld waarvoor maatregelen nodig zijn of onderzoek dient te worden uitgevoerd. Soorten die zijn uitgesloten, worden hier niet behandeld en zijn terug te vinden in bijlage II. Daarnaast wordt ook besproken of er een vervolgtraject benodigd is aangaande gebiedsbescherming. 6.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. 6.2

Soortbescherming

Vogels zonder jaarrond beschermd nest: het plangebied vervult een functie als broedlocatie voor vogels zonder jaarrond beschermd nest. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart – 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Vleermuizen: De opstallen aan de Holenweg 6 en 10 zijn geschikt als zomer-, individuele winter-, paar- en kraamverblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuissoorten (zie Tabel 5). Vanwege geringe buffercapaciteit is een functie als massawinterverblijf uitgesloten. Figuur 25 geeft de locaties weer welke geschikt zijn voor vleermuizen. Nader onderzoek naar gebouw bewonende soorten moeten uitwijzen of het plangebied een functie vervult voor vleermuizen. Het opstal aan de Holenweg 8 is ongeschikt voor vleermuizen.

Ecologisch vervolgtraject Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat er rekening gehouden moet worden met maatregelen of dat er nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Diverse algemene soorten

Maatregelen

Boomvalk (Falco subbuteo)

Nee

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Kerkuil (Tyto alba)

Nee

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Roek (Corvus frigilegus)

Nee

Slechtvalk (Falco peregrinus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Steenuil (Athene noctua)

Nee

Wespendief (Apivorus pernis)

Nee

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

Amfibieën en reptielen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Ja, nader onderzoek

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Ja, nader onderzoek

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Ja, nader onderzoek

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Ja, nader onderzoek

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Bunzing (Mustela putorius)

Nee

Hermelijn (Mustela erminea)

Nee

Wezel (Mustela nivalis)

Nee

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Nee

Ringslang (Natix natrix)

Nee

Vissen

Geen beschermde soorten verwacht

N.V.T.

Weekdieren

Geen beschermde soorten verwacht

N.V.T.

Flora

Geen beschermde soorten verwacht

N.V.T.

Insecten

Grote vos (Nymphalis polychloros)

Nee

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Internetbronnen www.quickscanhulp.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Noord-Holland De provincie Noord-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, en woelrat.

Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden. Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht.

Bijlage II

Uitgesloten soorten

In onderstaande tabel worden de soorten behandeld die uit de bureaustudie naar voren zijn gekomen maar waarvoor niet het geschikte biotoop aanwezig is en dus uitgesloten zijn naar aanleiding van de biotopentoets. Deze tabel geeft aan waarom effecten op soorten uitgesloten zijn. Om de overzichtelijkheid te vergroten, zijn soorten gebundeld die om dezelfde redenen uitgesloten kunnen worden. Soorten die provinciaal zijn vrijgesteld worden niet meegenomen in deze tabel. Tabel 6: Beschermde soorten die uitgesloten zijn van negatieve effecten Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten

Amfibieën Rugstreeppad

Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomer-, winter- en paarverblijfplaatsen.

Vogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik

Er zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is tevens druk bezocht door fietsers en voetgangers waardoor er bij het broeden teveel verstoring zou optreden.

Ransuil

Binnen het plangebied zijn geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen, echter is het plangebied in de maand Januari tweemaal bezocht en zijn er geen ransuilen aangetroffen. Tevens zijn er geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen.

Kerkuil

Binnen het plangebied zijn geen kasten aanwezig voor uilen. Ook zijn er geen toegankelijke schuren of zolders aanwezig.

Steenuil

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk kleinschalig cultuurlandschap met een variatie van heggen, weitjes en knoestige bomen. Ook zijn er geen holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten aanwezig.

Ooievaar

Binnen het plangebied zijn geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform

Roek

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen of kanalen in de buurt van graslanden. De roek is een koloniebroeder. Er zijn binnen het plangebied geen oude nesten aangetroffen.

Grote gele kwikstaart

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.

Huismus

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, los liggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren. De gaten die er zijn, zijn te open om voor een geschikte broedlocatie te zorgen.

Gierzwaluw

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen. De gaten die er zijn, zijn te open om voor een geschikte broedlocatie te zorgen.

Slechtvalk

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn er geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen.

Wespendief

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk loofbos of gemengd bos met open plekken, hoogvenen, heide, moerasbos en kleinschalig cultuurlandschap met bos hoogvenen.

Vleermuizen

Franjestaart

Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten.

Gewone grootoorvleermuis

Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosachtige omgeving. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: beschutte plekken in bos en kleinschalig parkachtig landschap.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn of worden gekapt binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen.

Watervleermuis

Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.

Grondgebonden zoogdieren Bunzing

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; kleinschalig landschap met voldoende dekking en water. Tevens zijn er geen (oude)holen gevonden die de bunzing kan gebruiken als verblijfplaats.

Hermelijn

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein. Tevens is er onvoldoende dekking aanwezig en zijn er geen (oude)holen gevonden die de hermelijn kan gebruiken als verblijfplaats.

Wezel

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; open, droge natuuren cultuurlandschap zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Tevens is er onvoldoende dekking aanwezig en zijn er geen (oude)holen gevonden die de hermelijn kan gebruiken als verblijfplaats.

Reptielen

Ringslang

De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes met laag gelegen nat gebied worden gemeden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het projectgebied. Ook zijn er geen broeihopen aangetroffen binnen het projectgebied.

Weekdieren N.V.T.

N.V.T.

Planten N.V.T.

N.V.T.

Vlinders Grote vos

De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Deze boomsoorten zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Libellen N.V.T.

N.V.T.

Bijlage III Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.

Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.

Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiele verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.

Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.

Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.

Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor. Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken.

Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=2ad68fc6-f18e-4040-b7b5-d9b37d687246