CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Was-wordt lijst VFL

Gemeenteraad 28 oktober 2025, gemeente HoornBij agendapunt: Technische actualisatie Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) 2025 (Portefeuillehouder Helling en Boomgaars)4.490 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 Was/wordt lijst Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Hoorn Huidige tekst

Artikel 4.15, lid 7 Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functieaanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening.

Voorgestelde tekst

Toelichting

Artikel 4:15 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stadsof dorpsgezicht 2. Wanneer het gaat om een gebied van relatief beperkte omvang wordt de term ‘beschermd karakteristiek gebied’ gebruikt. 3. Alvorens tot aanwijzing over te gaan, worden belanghebbenden in het aan te wijzen gebied geïnformeerd over het voornemen. Artikel 4.15, lid 9 Dit artikel is niet van toepassing op een gebied dat al is aangewezen als rijksbeschermd- of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht.

Toevoegen van een nieuw tweede en derde lid. Met het tweede lid wordt de term ‘beschermd karakteristiek gebied’ toegevoegd aan de regeling voor beschermde stads- en dorpsgezichten. Het derde lid wordt ingevoegd om aan te geven dat belanghebbenden (bewoners, eigenaren) in het gebied geïnformeerd worden bij een voornemen tot aanwijzing. De overige leden worden doorgenummerd.

Artikel 4.15a Voorbescherming 1. De bescherming van artikel 4.17 is van overeenkomstige toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.15 lid 3 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 4.15a wordt ingevoegd om een voorbescherming te bieden aan gebieden die op de nominatie staan om aangewezen te worden als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Dit is vergelijkbaar met de voorbescherming die een gemeentelijk monument geniet en met een bestemmingsplan mogelijk was.

Het huidige lid 7 (na vernummering: lid 9) wordt aangepast. De Monumentenwet 1988 is vervallen. Verwijzingen hiernaar worden geschrapt en de tekst van het lid wordt vereenvoudigd.

Artikel 4.16, lid 1 De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.15 eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 4.15 tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stadsen dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.

Artikel 4.16, lid 1 De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.15 eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 4.15 vierde en vijfde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.

De tekst wordt aangepast, nu aan artikel 4.15 twee leden zijn ingevoegd en de overige leden zijn vernummerd.

Artikel 4.17, lid 4 Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.17, lid 4 Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.17, lid 5 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in andere regels die op de gronden van toepassing zijn: a. het aanleggen, verbreden, verleggen of verharden van wegen en paden; b. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het wijzigen van de profielindeling van wegen en paden; d. het dempen of wijzigen van watergangen; e. het verwijderen of kappen van cultuurhistorisch waardevolle bomen, boomgaarden en/of boomsingels; f. het verwijderen c.q. wijzigen van karakteristieke

Artikel 13a Woningwet is per 1 januari 2024 vervallen, daarom vervalt de vermelding van dit artikel.

Aan artikel 4.17 worden drie leden toegevoegd, waarmee een aanlegvergunningstelsel in de regeling voor beschermde stads- en dorpsgezichten wordt opgenomen. Vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet werd, na aanwijzing van een gebied als beschermd stads- of dorpsgezicht, een aanlegvergunningstelsel in het bestemmingsplan opgenomen.

hekwerken en hekpijlers, gevelstoepen en stoeppalen. Artikel 4.17 lid 6 Het in het eerste en vijfde lid bedoelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het voornemen tot wijziging van de Verordening. Artikel 4.17 lid 7 De omgevingsvergunning mede zoals bedoeld in het eerste en vijfde lid kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van het college geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het beschermde stads- of dorpsgezicht. Artikel 4.18 Aanwijzing als beeldbepalend pand 1. Het college kan besluiten een pand aan te wijzen als beeldbepalend pand. 2. Dit artikel is niet van toepassing op panden die al als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument zijn aangewezen. 3. Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het object, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een beschrijving van het object met daarin opgenomen de beeldbepalende waarden en de contour die in het omgevingsplan om het object gelegd moet worden. Artikel 4.19 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.18 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan de eigena(a)r(en) van het pand.

De artikelen 4.18 t/m 4.23 worden toegevoegd, om het instrument ‘beeldbepalend pand’ en een vergunningstelsel voor dit instrument toe te voegen aan de Verordening. Dit instrument kon eerst met een bestemmingsplan worden toegepast en komt voor in het bestemmingsplan voor de binnenstad. Dit plan is opgegaan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Tot 2032 wordt geen nieuwe beleid opgenomen in het omgevingsplan. Om toch de mogelijkheid te behouden nieuwe beeldbepalende panden aan te kunnen wijzen, wordt deze regeling overgezet naar de Verordening.

Artikel 4.20 Voorbescherming 1. De bescherming van artikel 4.23 is van overeenkomstige toepassing op een beeldbepalend pand ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.19 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of vernietigd. Artikel 4.21 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op het pand die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.22 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing beeldbepalend pand 1. Het college kan ten aanzien van beeldbepalende panden ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is artikel 4.21 van overeenkomstige toepassing. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het beeldbepalende pand is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal

erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet of als gemeentelijk monument in het gemeentelijk erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.23 Omgevingsvergunning beeldbepalend pand 1. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een beeldbepalend pand geheel of gedeeltelijk te slopen of de profilering, detaillering en/of contour ervan te wijzigen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkzaamheden: a. die naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis zijn; b. voor zover het naar het oordeel van het college delen van een gebouw of bijbehorend bouwwerk betreft, die op zichzelf niet als beeldbepalend vallen aan te merken, en door sloop of wijziging daarvan geen onevenredige aantasting van de beeldbepalende uitwendige hoofdvorm en architectonische vormgeving plaatsvindt. c. voortvloeiende uit het normale onderhoud, of; d. ter voldoening van een aanschrijving als bedoeld in de artikelen 13 en 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een

maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of een besluit van het college. 3. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende hoofdvorm en beeldbepalende elementen van de bebouwing; 4. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning kan door het college advies worden ingewonnen bij de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn. Artikel 4.24 Aanwijzing als cultuurhistorisch waardevol object of - ensemble 1. Het college kan besluiten een object aan te wijzen als cultuurhistorisch waardevol object en een groep objecten als cultuurhistorisch waardevol ensemble. 2. Dit artikel is niet van toepassing op panden die al als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument zijn aangewezen. 3. Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het object, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een beschrijving van het object met daarin opgenomen de cultuurhistorische waarden en de contour die in het omgevingsplan om het object gelegd moet worden. Artikel 4.25 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.24 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan de

De artikelen 4.24 t/m 4.29 worden toegevoegd, om de instrumenten ‘cultuurhistorisch waardevol object’ en ‘cultuurhistorisch waardevol ensemble’ en een vergunningstelsel voor deze instrumenten toe te voegen aan de Verordening. Meerdere bestemmingsplannen kenden de dubbelbestemming ‘Waarde-cultuurhistorie’. Hiermee konden objecten of structuren als historische wegen of historische waterlopen een beschermende regeling krijgen. De bestemmingsplannen zijn opgegaan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Tot 2032 wordt geen nieuwe beleid opgenomen in het omgevingsplan. Om toch de mogelijkheid te behouden nieuwe cultuurhistorisch waardevolle objecten of ensembles aan te kunnen wijzen, wordt deze regeling overgezet naar de Verordening

eigena(a)r(en) van het object of ensemble. Artikel 4.26 Voorbescherming 1. De bescherming van artikel 4.29 is van overeenkomstige toepassing op een cultuurhistorisch waardevol object of ensemble ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.25 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of vernietigd. Artikel 4.27 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op het object die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.28 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing cultuurhistorisch waardevol object of -ensemble 1. Het college kan ten aanzien van een cultuurhistorisch waardevol object of ensemble ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is

artikel 4.27 van overeenkomstige toepassing. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurhistorisch waardevolle object is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet of als gemeentelijk monument in het gemeentelijk erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.29 Omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol object 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een cultuurhistorisch waardevolle object of ensemble geheel of gedeeltelijk te slopen of de profilering, detaillering en/of contour ervan te wijzigen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkzaamheden: a. die naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis zijn; b. voor zover het naar het oordeel van het college delen van een object of ensemble betreft die op zichzelf niet als cultuurhistorisch waardevol vallen aan te merken, en door sloop of wijziging daarvan geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarde plaatsvindt;

c.

voortvloeiende uit het normale onderhoud, of; d. ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het college. 3. De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het object of ensemble; 4. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning kan door het college advies worden ingewonnen bij de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn.

Artikel 4.30 Aanwijzing als bouwhistorisch waardevol object 1. Het college kan besluiten een object aan te wijzen als bouwhistorisch waardevol object. 2. Dit artikel is niet van toepassing op panden die al als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument zijn aangewezen. 3. Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het object, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een beschrijving van het object met daarin opgenomen de bouwhistorische waarden en de contour die in het omgevingsplan om het object gelegd moet worden. Artikel 4.31 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.32 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan de eigena(a)r(en) van het object. Artikel 4.32 Voorbescherming

De artikelen 4.30 t/m 4.35 worden toegevoegd, om het instrument ‘bouwhistorisch waardevol pand’ en een vergunningstelsel voor dit instrument toe te voegen aan de Verordening. Dit instrument komt nu voor in het bestemmingsplan voor de binnenstad. Dit plan is opgegaan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Tot 2032 wordt geen nieuwe beleid opgenomen in het omgevingsplan. Om toch de mogelijkheid te behouden nieuwe bouwhistorisch waardevolle panden aan te kunnen wijzen, wordt deze regeling overgezet naar de Verordening.

1. De bescherming van artikel 4.35 is van overeenkomstige toepassing op een bouwhistorisch waardevol object ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.31 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of vernietigd. Artikel 4.33 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op het object die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.34 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing bouwhistorisch waardevol object 1. Het college kan ten aanzien van een bouwhistorisch waardevol object ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is artikel 4.33 van overeenkomstige toepassing. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het object is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal

erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet of als gemeentelijk monument in het gemeentelijk erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 1. Artikel 4.35 Omgevingsvergunning bouwhistorisch waardevol object 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwhistorisch waardevol object geheel of gedeeltelijk te slopen of in enig opzicht bouwkundig te wijzigen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkzaamheden: a. die naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis zijn; b. voor zover het naar het oordeel van het college delen van een object betreft die op zichzelf niet als bouwhistorisch waardevol vallen aan te merken, en door sloop of wijziging daarvan geen onevenredige aantasting van de bouwhistorische waarde plaatsvindt; c. voortvloeiende uit het normale onderhoud, of; d. ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het college. 3. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien uit bouwhistorisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten die zijn neergelegd in de Richtlijnen Bouwhistorisch

Onderzoek van Stichting Bouwhistorie Nederland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en dat is goedgekeurd door het college, blijkt dat er geen bouwhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn dan wel dat de bouwhistorische waarde van het bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord; 4. Indien uit het bouwhistorisch onderzoek als bedoeld in het derde lid blijkt dat de bouwhistorische waarde wordt verstoord kan de omgevingsvergunning worden verleend mits hieraan wordt verbonden: a. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor bouwhistorische elementen in het gebouw kunnen worden behouden, en b. de verplichting tot het documenteren van het pand of de bouwkundige onderdelen die geheel of gedeeltelijk worden gesloopt, verwijderd of veranderd; 5. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning kan door het college advies worden ingewonnen bij de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn.

Bijlage 1 1. Beschermd karakteristiek gebied: een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dat een relatief beperkt gebied beslaat. 2. Beeldbepalend pand: een pand dat door zijn hoofdvorm en/of de architectonische vormgeving beeldbepalend is voor zijn omgeving

Toevoegen van de definities van de instrumenten aan de lijst met begripsbepalingen.

3. Bouwhistorisch waardevol object: een gebouwd object dat van algemeen belang is vanwege de aangetoonde of verwachte aspecten die inzicht geven in de bouw-of gebruiksgeschiedenis van het object. 4. Cultuurhistorisch waardevol object: een object of structuur dat van algemeen belang is omdat het een beeld geeft van een historische situatie of ontwikkeling en bijdraagt aan de identiteit van een plek of gebied. 5. Cultuurhistorisch waardevol ensemble: een groep van objecten en/of elementen die in samenhang met elkaar een cultuurhistorische betekenis hebben. Artikel 6.1 lid 6: 6.Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

Artikel 6.1 lid 7: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet

Artikel 6.1 lid 6: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1.5 meter; b. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. Artikel 6.1 lid 7: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en

Dit artikel is, bij inwerkingtreding van de VFL, overgenomen uit de APV. Bij het uitvoeren van deze regels is onduidelijkheid ontstaan over welke geluidsnorm precies op welk tijdstip geldt op een dag die is aangewezen als collectieve festiviteit. Daarom wordt de al bestaande regel verduidelijkt.

Dit artikel is, bij inwerkingtreding van de VFL, overgenomen uit de APV. Bij het uitvoeren van deze regels is onduidelijkheid ontstaan over welke geluidsnorm precies op welk tijdstip geldt op een dag die is aangewezen als collectieve festiviteit. Daarom wordt de al bestaande regel verduidelijkt.

meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen. Artikel 6.4 lid 6: 6.Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

Artikel 6.4 lid 7: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

Artikel 7.14 Dekschuiten 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college met een dekschuit in de havens een ligplaats in te nemen of te hebben. 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend voor een dekschuit die: a. wordt gebruikt als terrasboot; b. noodzakelijk is voor het verrichten van onderhouds- of herstelwerkzaamheden aan de havens of in de havens aanwezige meerpalen, remmingswerken of andere tot de havens behorende kunstwerken;

tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen. Artikel 6.4 lid 6: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1.5 meter; b. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. Artikel 6.4 lid 7: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen. Artikel 7.14a Dekschuiten 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college met een dekschuit in de havens een ligplaats in te nemen of te hebben. 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend voor een dekschuit die: a. wordt gebruikt als terrasboot; b.

noodzakelijk is voor het verrichten van onderhouds- of herstelwerkzaamheden aan de havens of in de havens aanwezige meerpalen, remmingswerken of andere tot de havens behorende kunstwerken;

Dit artikel is, bij inwerkingtreding van de VFL, overgenomen uit de APV. Bij het uitvoeren van deze regels is onduidelijkheid ontstaan over welke geluidsnorm precies op welk tijdstip geldt op een dag die is aangewezen als incidentele festiviteit. Daarom wordt de al bestaande regel verduidelijkt.

Dit artikel is, bij inwerkingtreding van de VFL, overgenomen uit de APV. Bij het uitvoeren van deze regels is onduidelijkheid ontstaan over welke geluidsnorm precies op welk tijdstip geldt op een dag die is aangewezen als incidentele festiviteit. Daarom wordt de al bestaande regel verduidelijkt.

Technische wijziging: In de huidige tekst wordt tweemaal artikel 7.14 gebruikt. Door het tweede artikel te hernoemen naar artikel 7.14a wordt dit gebrek gerepareerd. De verwijzing in lid 2, onder d van het nieuwe artikel 7.14 blijft op deze manier kloppend. Ook de verwijzing in artikel 7.27 VFL blijft door deze wijziging accuraat.

c. gebruikt wordt bij wedstrijden of evenementen die in de havens plaatsvinden; d. onderdeel uitmaakt van het bunkerstation als bedoeld in artikel 7.14.

Artikel 9.1 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij het besluit van het college krachtens aangewezen personen. 2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening ten aanzien van omgevingsrechtelijke bepalingen zijn belast de bij het besluit van het college krachtens artikel 18.6 van de wet aangewezen personen. Artikel 10.1 Overgangsbepalingen Aanvragen om omgevingsvergunningen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van de op dat moment geldende (separate) verordeningen. Deze verordeningen blijven op dat punt hun rechtskracht behouden.

c. gebruikt wordt bij wedstrijden of evenementen die in de havens plaatsvinden; d. onderdeel uitmaakt van het bunkerstation als bedoeld in artikel 7.14. Art. 7:31a De afstand als bedoeld in artikel 5:42 tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen, die eigendom zijn van de gemeente.

Artikel 9.1 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij het besluit van het college aangewezen personen. 2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening ten aanzien van omgevingsrechtelijke bepalingen zijn belast de bij het besluit van het college krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet aangewezen personen. Artikel 10.1 Overgangsbepalingen 1. Een vergunning of ontheffing verleend op grond van een, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende (separate) verordening, blijft ook na de inwerkingtreding van deze verordening gelden, of tot het einde van de looptijd, of tot het tijdstip dat zij met toepassing van deze verordening wordt gewijzigd of ingetrokken. De vergunning geldt als een op grond van deze verordening verleende vergunning. 2. Op aanvragen om een vergunning of ontheffing op grond van een van de bij inwerkingtreding van deze

Dit artikel stond tot 31 december 2023 als artikel 4:12a in de APV. Bij wijziging van de APV is het artikel vervallen. Omdat het nog steeds waardevol is om deze bepaling te hebben wordt deze nu opgenomen in de VFL. Er staan nog veel bomen, heesters en heggen van de gemeente dicht op de perceelsgrens. Het woord ‘krachtens’ stond tweemaal in lid 1. Deze schrijffout is verbeterd. In lid 2 is aangegeven dat het artikel 18.6 van de Omgevingswet betreft.

verordening ingetrokken (separate) verordeningen, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 3. Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van een van de bij invoering van deze verordening ingetrokken (separate) verordeningen, worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een vergunning of ontheffing verleend op grond van een van de bij inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken (separate) verordeningen, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=2c7e901e-100c-4ee4-aa52-a6fbf66e279f