CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting bestemmingsplan De Vrijheid

Gemeenteraad 13 december 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Herontwikkeling locatie Holenweg 6, 8 en 10, plan De Vrijheid19.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Weg- en railverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) worden woningen gezien als geluidgevoelige objecten. De beoogde woningen bevinden zich binnen de onderzoekzone van de Provincialeweg en het spoor. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd (27 juni 2022, Peutz, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Vanwege wegverkeer over de Provincialeweg treden ter plaatse van de beoogde appartementen binnen het project de Vrijheid geluidbelastingen op tot 58 dB (incl. aftrek conform artikel 110g Wgh). Vanwege railverkeer treden ter plaatse van de beoogde appartementen geluidbelastingen op tot 66 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De gecumuleerde geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer samen uitgedrukt in railverkeerslawaai bedraagt tot 67 dB (zonder aftrek conform artikel 110g Wgh). De gecumuleerde geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer samen uitgedrukt in wegverkeerslawaai bedraagt tot 62 dB (zonder aftrek conform artikel 110g Wgh).

Onderzocht is of de geluidbelasting vanwege weg- en railverkeerslawaai door middel van maatregelen aan de bron- of in de overdracht ter plaatse van de woningen verminderd kan worden. De voorgedragen maatregelen zijn niet voldoende effectief of stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Voor de woningen waar sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege railen/of wegverkeerslawaai en dient een hogere waarde verleend te worden. Hierbij dient de gevel ter plaatse van de appartementen te worden voorzien van voldoende geluidisolatie om een binnenniveau van maximaal 33 dB te kunnen garanderen. Hierbij wordt bij de toetsing van het binnenniveau gerekend met de gecumuleerde geluidbelasting zonder aftrek artikel 110g van de Wet Geluidhinder. Industrielawaai Transformatorstation Daarnaast is ten oosten van de woningen een transformatorstation aanwezig. Zowel het transformatorstation als het wooncomplex liggen op korte afstand (< 30 m) van de spoorlijn Hoorn – Enkhuizen. De onderlinge afstand tussen het perceel van het transformatorstation en het wooncomplex bedraagt ca. 10 meter, waarbij de transformatoren op een afstand van ca. 29 à 30 meter ten opzichte van de woontoren opgesteld staan. Om de bepalen of dit station bij de nieuw te bouwen woningen tot geluidsoverlast leidt is door Peutz akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Dit onderzoek maakt onderdeel uit van de plantoelichting.

29

Uit het onderzoek blijkt dat bij de woontorens geluidniveaus kunnen optreden tot 48 dB(A). Hiermee worden de standaardgeluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit overschreden met 3 dB in de avondperiode en 8 dB in de nachtperiode. Om toch woningbouw te kunnen realiseren zijn geluidreducerende voorzieningen noodzakelijk. Hierdoor kan de woontoren gerealiseerd worden ondanks de hoge gevelbelasting. Hierbij moet gedacht worden aan (een combinatie van) de volgende maatregelen:

•

eisen aan de indeling van de woningen (beperken van geluidgevoelige ruimte aan de zijde van het transformatorstation);

• •

geen buitenruimten aan de zijde van het transformatorstation; zwaardere eisen aan de geluidwering van de gevels om een binnengeluidniveau van ten hoogste 35 dB(A) (etmaalwaarde) te realiseren;

In de verdere planuitwerking worden de gebouwen aan de noordoost zijde voorzien van een dove gevel met afsluitbare buitenruimten of inpandige loggia’s. Daarmee is er sprake van een 'dove gevel'. De realisatie van deze dove gevels zijn middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Sportcentrum Hoorn Naast dat er een transformatorgebouw in de nabijheid van het plangebied is gelegen is ook Sportcentrum Hoorn op korte afstand aanwezig. Door Peutz is akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidseffecten van het sportcentrum welke ten noorden van het plangebied is gelegen. Dit onderzoek (Peutz, H 7497-15RA, d.d. 29 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 17) maakt onderdeel uit van de plantoelichting. Uit het onderzoek blijkt dat, als gevolg van de huidige activiteiten van Sportcentrum Hoorn, ter plaatse van het plan er sprake van een geluidbelasting tot 64 dB(A) etmaalwaarde, voornamelijk veroorzaakt door het gebruik van muziek bij groepslessen in een tent op het buitenterrein. Uitgaande van de voorziene uitbreiding van het aantal padelbanen zal sprake zijn van een geluidbelasting van maximaal 66 dB(A) etmaalwaarde. Richtwaarden voor 'gemengd gebied' van 50 dB(A) tot maximaal 55 dB(A) worden overschreden. De grenswaarde van het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) wordt eveneens overschreden.

De maximale geluidniveaus ter plaatse van het plan worden veroorzaakt door de padel- en tennisactiviteiten en bedragen in relevante dag- en avondperiode in de bestaande situatie ten hoogste 66 dB(A) en in de situatie met extra padelbanen ter plaatse van veld 1-2 ten hoogste 72 dB(A). Doordat de maximale geluidniveaus vanwege de padel- en tennisactiviteiten zijn uitgesloten van toetsing, worden de maximale geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet overschreden. Ter reductie van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kan bezien worden of er mogelijkheden zijn de groepslessen met muziek naar binnen te verplaatsen. Mogelijk kan de huidige tent op het buitenterrein, waarin de groepslessen plaatsvinden, hiertoe worden vervangen door een gebouw met een deugdelijke geluidisolatie. De voorziening ten aanzien van de muziek van de groepslessen heeft geen invloed op de hoogte van de maximale geluidniveaus bij het plan. De maximale geluidniveaus worden bepaald door de padel- en tennisactiviteiten. Eventuele maatregelen dragen alleen bij aan het verlagen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus.

Uitgaande van deze voorziening ter reductie van de groepslessenmuziek treedt vanwege de activiteiten van het sportcentrum ter plaatse van het plan nog een geluidbelasting op van ten hoogste 57 dB(A) voor de situatie met de huidige tennis- en padelbanen en ten hoogste 60 dB(A) voor de situatie met extra padelbanen ter plaatse van veld 1-2, of ten hoogste 58 dB(A) wanneer de extra padelbanen gerealiseerd zouden worden ter plaatse van veld 6-7

30

in plaats van veld 1-2. Genoemde richt- en grenswaarden van 50 dB(A) tot maximaal 55 dB(A) worden met deze voorziening(en) nog overschreden vanwege het geluid van de tennis- en padelactiviteiten. Ten aanzien van het geluid van de tennis- en padelactiviteiten zijn geen realistische voorzieningen te treffen. Om het plan mogelijk te maken is het derhalve noodzakelijk dat:

•

de gemeente de verhoogde geluidbelasting bij de woningen van het plan middels maatwerkvoorschriften vastlegt, of

•

voorzieningen worden getroffen ter plaatse van de gevels van het plan, bijvoorbeeld in de vorm van dove gevels aan noord- en oostzijde (en plaatselijk aan westzijde) van het plan.

Het plan zoals dat nu verder wordt uitgewerkt heeft aan de noord- en oostgevel een dove gevel als gevolg van het geluid van het transformator gebouw. De appartementen krijgen afsluitbare buitenruimtes en/of inpandige loggia’s. Daarmee is zowel de noord als oostgevel doof, alsmede de westzijde van de hoogste toren van het plan.

4.2.4 Trillingen Voor trillingen bestaan geen wettelijke normen. Wel is door de Stichting Bouwresearch (SBR Richtlijn) een richtlijn opgesteld die een handvat biedt voor de vaststelling en beoordeling van trillingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat trillingen en mogelijke trillinghinder meegewogen dient te worden. Planspecifiek Er is een onderzoek naar trillingen ten gevolge van railverkeer uitgevoerd (Peutz, 16 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B 'Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn' van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 zullen worden overschreden. Met een worst case verwachte trillingsterkte Vmax in de geprojecteerde woningen van maximaal ca. 0,8 bij een na te streven waarde van 0,2 kan worden geconcludeerd dat in de woningen een reductiedoelstelling met circa een factor 4 aan de orde is. Gezien de ervaringen van Peutz met vergelijkbare projecten kan worden opgemerkt dat een dergelijke doelstelling als technisch realiseerbaar kan worden gekwalificeerd. De exacte maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd.

Middels deze maatregelen wordt verwacht dat een acceptabel woonklimaat worden gewaarborgd zodat qua trillingen geen belemmeringen bestaan om het bestemmingsplan vast te stellen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting voor het bouwen van bouwwerken voor wonen opgenomen. Hierin wordt verwezen naar Richtlijn B van Stichting Bouwresearch.

4.2.5 Bezonning Voor bezonningstudies gelden geen wettelijk vastgestelde normen. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningstudie op te stellen. In een bezonningsstudie wordt bekeken wat de effecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling op de omliggende bebouwing. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Door TNO zijn minimum- en streefnormen voor bezonning voorgesteld, afgeleid van de Engelse wetgeving.

31

Planspecifiek Om te bepalen of het beoogde plan (negatieve) invloed heeft, voor wat betreft bezonning, op de omliggende woningen is een bezonningsstudie uitgevoerd (3 juli 2022, FKG Architecten aan de Zaan, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit de bezonningsstudie blijkt dat er in de zomer geen schaduwoverlast is voor de bestaande woningen in de omgeving. Daarnaast ontstaat er door de ontwikkeling in het voor- en najaar slechts een zeer beperkte tot geen schaduwoverlast. Enkel in de winter zijn er enkele woningen die te maken krijgen met lichte schaduwoverlast. De navolgende afbeelding toont de schaduwwerking op 21 maart om 10:00 uur.

Schaduwwerking op 21 maart om 8:00 uur (bron: FKG Architecten aan de Zaan)

Er blijft aanzienlijk meer dan twee uur zon op de gevels vallen. De verslechtering leidt er dan ook niet toe dat de TNO-norm overschreden wordt. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bezonning geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.6 Windhinder Naast nuttig (windenergie) kan wind ook hinderlijk of zelfs gevaarlijk zijn. De mate van wind bepaalt mede of er sprake is van windhinder of niet. Windhinder treedt op rondom hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kunnen maken.

32

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Op basis hiervan is een windhinderonderzoek in de volgende situaties noodzakelijk:

• •

gebouwen hoger dan 30 meter > windonderzoek is noodzakelijk; beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m > deskundige beoordeelt of windonderzoek noodzakelijk is;

•

onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m > deskundige beoordeelt of windonderzoek noodzakelijk is.

Planspecifiek Met het voorliggende plan wordt een appartementengebouw met verschillende bouwhoogtes tot maximaal 26 m gerealiseerd. Om die reden is een onderzoek naar windhinder uitgevoerd (Peutz, 29 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Het windklimaat ter plaatse van het plan wordt bepaald door een aantal zaken: 1. 2. 3.

De statistiek van de windsnelheid op de planlocatie. De geometrie van het plan. De geometrie van de omringende bebouwing.

Gezien de bouwhoogte en situering wordt geen overmatige windhinder verwacht ter plaatse van de omringende bebouwing ten gevolge van het voorliggend plan. De windklimaatsituatie zal naar verwachting vergelijkbaar zijn met de huidige situatie in het openbare gebied rondom het plan. Wel is binnen het plangebied is het windklimaat ter plaatse van de entree aan de noordwestzijde en in de oostelijk doorgang een aandachtspunt. Een exacte duiding van de windhinderkans kan alleen worden vastgesteld met een aanvullend onderzoek op basis van windtunnel- of CFD simulaties. Echter wordt voor het voorliggende plan geen aanvullend onderzoek nodig geacht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect windhinder geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

4.2.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze

33

richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze planlocatie voorziet in de realisatie van 133 appartementen. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'Gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig, zoals wonen, bedrijvigheid en sport. Daarnaast is het plangebied nabij de Provincialeweg (N506) en een spoorlijn gelegen. Conform de VNG-publicatie kunnen gebieden nabij de hoofdinfrastructuur gekenmerkt worden als 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. In de navolgende tabel is staan de milieubelastende activiteiten in de omgeving weergegeven. Activiteit

Sportvelden (tennis) Sportvelden (voetbal) Transformat orstation

SBI200 8 931 931 35

Adres

Holenweg 14D Holenweg 2 Holenweg (ten oosten van het plangebie d)

Milieu catego rie 3.1

Richtafstand (gemengd gebied) 30 m

Minimale afstand tot de woningen (m) 37 m

3.1

30 m

194 m

3.1

30 m

43 m

Zoals in de bovenstaande tabel is af te lezen wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden uit de VNGpublicatie. Voor het transformatorstation en het sportcomplex met tennisbanen, padelbanen en sport met muziek in een tent is, hoewel voldaan wordt aan de richtafstanden, nader onderzoek uitgevoerd. In paragraaf toelichting paragraaf 4.2.3 is hier nader op ingegaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe

34

veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een

35

buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd en is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (19 april 2021, Kragten, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Arcgis Risicokaart)

Transport gevaarlijke stoffen (water, spoor en weg)

36

Uit de quickscan externe veiligheid blijkt dat er rond het plangebied geen transporten van gevaarlijke stoffen over waterwegen plaats. Aangrenzend ten noorden van het plangebied is de spoorlijn HoornEnkhuizen gelegen. Deze spoorlijn is niet opgenomen in het Basisnet spoor. Er vinden geen structureel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt dan ook niet in het invloedsgebied van een waterweg of spoorweg. Voor het plangebied zijn de rijksweg A7 en de provinciale wegen N302 en N405 binnen een straal van 4.000 m mogelijk relevant. Op circa 2.600 meter ten westen van het plangebied bevindt zich de rijksweg A7 (wegvakken N81 en N82). Deze weg is opgenomen in Basisnet. Gelet op de ruimtelijke scheiding is het plaatsgebonden risico en het PAG1 van deze weg geen aandachtspunt voor de planvorming. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de weg is gelegen, is het ook niet noodzakelijk de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Op grond van de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de A7 ter hoogte van het plangebied sprake is van LF1-, LF2-, LT2- en GF3-transporten. Het invloedsgebied bedraagt daarmee 880 meter. Het plangebied ligt op grond van deze stoffen niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Op een afstand van circa 2,9 kilometer van het plangebied is de provinciale weg N302 aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N302 is niet opgenomen in het Basisnet weg. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR106-risicocontour en het PAG geen belemmeringen voor het plan. Van deze weg zijn geen gegevens bekend bij Rijkswaterstaat (juni 2019) over het transport van gevaarlijke stoffen. Gezien de aansluiting op de rijksweg A7, is het aannemelijk dat hier dezelfde stoffen over getransporteerd worden. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de N302. Deze weg vormt derhalve geen aandachtspunt voor de planvorming. Op een afstand van circa 100 meter ten oosten van het plangebied is de rijksweg N506 aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N506 is niet opgenomen in het Basisnet weg. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR106-risicocontour en het PAG geen belemmeringen voor het plan. Aangezien het plan binnen 200 meter van deze provinciale weg is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. Uit de quickscan blijkt dat de oriëntatiewaarde en de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Een RBM II-berekening voor de bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet noodzakelijk.

Buisleidingen Op basis van de signaleringskaart is geconstateerd dat op een afstand van 650 meter twee hogedrukaardgasleidingen zijn gelegen. Deze buisleidingen hebben een 1% letaliteitsafstand van respectievelijk 120 en 95 meter. Het plangebied ligt buiten de 1% letaliteitsafstand van deze buisleidingen. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied tot over het plangebied reikt. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Verantwoording Groepsrisico Vanwege de ligging ten opzichte van de N506 is een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico noodzakelijk. Deze verantwoording is als bijlage bij de toelichting toegevoegd (19 april 2021, Kragten, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale

37

brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. De brandweer/Veiligheidsregio dienen dan ook een advies uit te brengen. Advies Veiligheidsregio Noord Holland Noord Op 13 juli 2021 is een eerste advies uitgebracht. In dit advies is aangegeven dat de bereikbaarheid van het bouwwerk voor hulpdiensten goed is. Bluswater is via een brandkraan beschikbaar. Wel is het noodzakelijk dat de locatie van de brandkraan afgestemd wordt op het bouwplan. Het is gewenst dat de toekomstige bewoners bij het optreden van het BLEVE in de noordoost gelegen appartementen hun huis uit kunnen naar de westzijde als deze door overdruk (glasbreuk) en hittestraling in brand raakt. Op 17 augustus 2022 is nogmaals een advies uitgebracht op het concept ontwerpbestemmingsplan. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke conclusies en preadviezen gelijk blijven aan die in de genoemde preadviezen. Samenvattende aandachtspunten zijn: a. b.

Zorg dat de locaties van de bluswatervoorziening afgestemd wordt op het bouwplan. Het is ten zeerste gewenst dat de bewoners in de noordoost gelegen appartementen hun huis uit kunnen naar de westzijde als deze door overdruk (glasbreuk) en hittestraling in brand raakt.

Onze geadviseerde bouwkundige overwegingen in het kader van de risicogerichte ruimtelijke benadering zijn: a. b.

Toepassen van glas met een hogere weerstand tegen ruitbreuk door de combinatie van overdruk en hittebelasting dan ‘standaard dubbel glas’ aan de zijde van de N506. Toepassen van een gevelconstructie die beschermd tegen een hogere hittebelasting; de hittebelasting is maximaal ca. 115 kW/m2, gedurende een tijd van maximaal 11 seconden (brand tijd vuurbol) aan de zijde van de N506.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Wel wordt geadviseerd in de verdere planuitwerking rekening te houden met de adviezen van de veiligheidsregio.

4.2.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden of het project mogelijk invloed heeft op beschermde soorten en/of gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de beoogde ontwikkeling wordt er bebouwing gesloopt en wordt het plangebied heringericht. Om die reden is er voor

38

de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd (27 januari 2021, IDDS, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Soortenbescherming Uit het onderzoek komt naar voren dat in het plangebied meerdere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Door middel van nader onderzoek moet vastgesteld worden of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor deze beschermde soorten. Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart – 15 augustus). Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Uitgangspunt is werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden. Als voorwaarde in de nog af te geven omgevingsvergunning kan opgenomen worden dat, indien in het broedseizoen gebouwd wordt, alsnog een broedvogelinventarisatie uitgevoerd moet worden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten.

Aanvullend onderzoek vleermuis Door IDDS is nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen (IDDS, A0108-03NO/DME/rap1, Hoorn, d.d. 13 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Het nader onderzoek is uitgevoerd conform het landelijk vastgestelde vleermuisprotocol. Hiervoor is de locatie 5 keer bezocht. Tijdens de veldbezoeken zijn vier verschillende soorten vleermuizen waargenomen, dit waren de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Tijdens het onderzoek zijn geen uit- of invliegende vleermuizen waargenomen. Tevens is er geen paargedrag geconstateerd en zijn er geen zwermende meervleermuizen waargenomen in het plangebied. Dit betekent dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vastgesteld. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.

De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd 1 juli 2022, Buro SRO, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). In deze berekening is zowel de gebruiksfase als de sloop- en bouwfase meegenomen. Uit de uitvoerde AERIUS-berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden zijn. In de bouw- en sloopfase treedt wel een klein effect op. Dit effect is tijdelijk van aard. Daarnaast komt deze mogelijk te vervallen indien het bouwplan verder is uitgewerkt een er een betere inschatting gemaakt kan worden van de in te zetten machines. Los daarvan geldt momenteel nog de 'bouwvrijstelling'.

Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is op het gebied van stikstofdepositie geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.

39

Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.2.10 Lichthinder In verband met de geplande realisatie van woningen van het plan De Vrijheid in Hoorn nabij de sportvelden van Sportcentrum Hoorn is door Peutz een onderzoek uitgevoerd (Peutz, H 7497-14-RA-001, d.d. 29 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 16) naar het invallende licht vanwege de verlichtingsinstallatie van de sportvelden ter plaatse van de geprojecteerde woningen. Het Activiteitenbesluit stelt geen concrete grenswaarden inzake de verlichtingssterkte. Wel stelt het Activiteitenbesluit dat ten behoeve van sportbeoefening de verlichting in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) niet ingeschakeld mag zijn. Verder geldt vanuit het zorgplichtbeginsel dat lichthinder moet worden voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Gezien het ontbreken van een formele norm is voor de planologische afweging aansluiting gezocht bij de inzake de verticale verlichtingssterkte Ev en de lichtsterkte I per armatuur te hanteren normstelling zoals die is opgenomen in de Richtlijn Lichthinder van maart 2020 (3e herziene druk) van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). De Richtlijn lichthinder kan als algemeen geaccepteerd worden aangemerkt bij toetsing van de lichtimmissie en -emissie. Ten behoeve van het onderzoek zijn in de nacht van 2 op 3 juni 2022 vanaf ca. 23:15 uur tot ca.

0:15 uur lichtmetingen verricht ter plaatse van de woningbouwlocatie. Tijdens de metingen was de verlichting van de sportvelden ingeschakeld. Op basis van de op verrichte lichtmetingen kan geconcludeerd worden dat de grenswaarden conform de Richtlijn lichthinder vanwege de bestaande sportverlichting van Sportcentrum Hoorn niet gerealiseerd worden ter plaatse van de het plan De Vrijheid. De gemeten verticale verlichtingssterkte van 18,4 lx vanwege de sportverlichting is hoger dan de maatgevende grenswaarde voor de dag en avond van 10 lux. Verder is sprake van een overschrijding van de grenswaarde van 2.500 cd voor de lichtsterkte vanwege ongeveer de helft van de bij het sportcentrum opgestelde lichtmasten/armaturen. Aanbevolen wordt te bezien in hoeverre het mogelijk/haalbaar is voorzieningen te treffen ten aanzien van de armaturen van de lichtmasten. Voorzieningen kunnen bestaan uit:

• •

•

het beter uitrichten van de betreffende armaturen. Wellicht kunnen de armaturen meer naar beneden (op het veld) gericht worden en verminderd hiermee de lichtuitstraling naar de omgeving; het aanbrengen van afschermkappen of louvres op de betreffende armaturen, ter beperking van de lichtuitstraling in de richting van de geprojecteerde woningen. Dit kan echter ook ten koste gaan van de lichtopbrengst; vervangen van de armaturen door nieuwe led-armaturen met een betere lichtverdeling, waarmee de verlichting meer wordt begrenst tot het sportveld.

De bovengenoemde voorzieningen worden besproken met het sportcentrum. Het mogen bouwen is afhankelijk gemaakt van de te treffen voorzieningen. Mocht de noodzakelijke voorzieningen niet getroffen kunnen worden dat is het mogelijk, middels maatwerkvoorschriften in het kader van het Actviteitenbesluit, een hogere lichtbelasting toe te staan. In de planregels is hierin voorzien.

40

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 – 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen:

41

• • •

Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering wordt daarvoor gekozen? Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard?

Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die ze in de periode 2016 – 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In 2016 is de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier' vastgesteld door Het hoogheemraadschap. De regels in de keur zijn onder te verdelen in twee categorieën: gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Met de geboden worden derden verplicht het aan hen toegewezen onderhoud aan waterstaatswerken uit te voeren.

De verboden zijn er om te voorkomen dat wijzigingen worden aangebracht in waterstaatswerken, waardoor ze niet (goed) meer functioneren. Zo is het bijvoorbeeld verboden om zonder toestemming van het Hoogheemraadschap een steiger in het water aan te leggen of een sloot te dempen. De regels uit de keur zijn vastgelegd in het keurdocument. De legger uit dit keurdocument bepaalt waar de geboden en verboden uit de keur van toepassing zijn.

4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In dit kader is op 29 juni 2022 de digitale watertoets ingevuld. Hieruit is gebleken dat de normale procedure gevolgd kan worden. Dit betekent dat het Hoogheemraadschap in overleg met de gemeente zal bekijken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen. De maatregelen die mogelijk genomen moeten worden zijn verwerkt in voorliggende waterparagraaf. Deze waterparagraaf zal ten tijde van de ter inzage legging van voorliggend bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap voorgelegd worden. Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie bestaat een deel van het plangebied uit verhard oppervlak. Op basis van het bestaande gebruik en de bestaande kenmerken van het plangebied is er sprake van in totaal 5.150 m² aan oppervlakte met versnelde afvoer, bestaande uit elementenverharding en daken. De bestaande verharding is als volgt onderverdeeld:

• • • •

Sauna: 3.100 m² Woonhuis: 500 m² Kantoor: 550 m² Verharding 1.000 m2

42

In de toekomstige situatie is er sprake van ca. 6.700 m² aan verharding met versnelde afvoer. Daarmee is er sprake van een toename van 1.550 m². Het HWA riool van de daken en de daktuin wordt geloosd op de aangepaste verbrede waterpartij. Een totaal oppervlak van 4.000 m². Als gevolg van deze rekenkundige toename van 1.550 m² “verharding met versnelde afvoer” dient er een watervergunning te worden aangevraagd. Op basis van de richtlijnen is compensatie vereist op basis van “10% van de toename verharding dient als extra open water te worden gerealiseerd”. Er is een toename van 1.550 m2 verharding met versnelde afvoer, hetgeen resulteert in een verplichte toename van 155 m 2 extra wateroppervlak. Door de vergroting van de bestaande waterpartij is er een toename van het oppervlakte water van 189 m2. Voldoende voor de 155 m2 die is verreist. Ten westen van de locatie ligt een bestaande waterpartij (nummer 1). Dit was een oude trekvaart verbinding tussen Hoorn en Enkhuizen. Deze waterpartij heeft ter hoogte van het Holenkwartier en de bestaande villawijk een breedte van respectievelijk 6 en 7 meter met daartussen een bestaande dijk (nummer 2). De navolgende afbeelding toont de bestaande waterpartijen.

Bestaande waterpartijen ten oosten van het plangebied (bron: Google Maps)

Ter hoogte van de vrijstaande woning aan de Holenweg 10 is de oude vaart in het verleden versmalt van een breedte van 6 à 7 meter, naar de huidige breedte van 1,5 à 2 meter. De waterpartijen zijn van elkaar gescheiden door middel van een overgang, voorzien van een duiker. Als onderdeel van de ontwikkeling krijgt de bestaande sloot weer een breedte van 6 à 7 meter. Als gevolg van deze ingreep neemt de oppervlakte aan water toe met 189 m². De navolgende afbeelding toont de beoogde situatie, met de nieuwe sloot in het groen omkaderd.

43

Beoogde situatie sloot (bron: Sted Development)

Waterafvoer De ambitie van het hoogheemraadschap is om het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Met het beoogde initiatief is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Zoals hiervoor al aangegeven, wordt het hemelwater deels geloosd op de waterpartij en deels afgevoerd door middel van kolken naar de riolering. Voor de afvoer van het hemelwater worden geen uitloogbare materialen gebruikt. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het bestaande gemeentelijk rioleringssysteem. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) blijkt dat er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen primaire en/of regionale waterkeringen aanwezig zijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen vorm voor de beoogde ontwikkeling.

44

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Bij bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² en dieper dan 0,40 m is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met de voorgenomen ontwikkeling worden deze grenzen niet overschreden.

Toch is er voor de planlocatie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (3 juni 2022, IDDS, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied door de lage ligging, veenvorming en overstromingen niet of nauwelijks geschikt zal zijn geweest voor bewoning tot aan de ontginning van het gebied vanaf de 12e eeuw. Hoewel de Holenweg als zijkade waarschijnlijk rond 1175 is aangelegd, zijn er geen aanwijzingen dat hierlangs bewoning voorkwam tot in het begin van de 20e eeuw. De bebouwing aan de Holenweg 10, die in de huidige situatie nog aanwezig is, is waarschijnlijk de oudste bebouwing in het gebied. Op basis hiervan geldt in het plangebied een lage archeologische verwachting voor alle periodes. Conclusie Er wordt geadviseerd om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de monumentale bebouwing in de gemeente kan gesteld worden dat het project hier geen invloed op heeft. De Holenweg is een oude zijkade met aan weerszijden sloten. Dit dijklichaam, vermoedelijk uit ca. 1175, liep van de Koewijzend in het noorden naar de Schellinkhouterdijk in het zuiden. De zijkade was een belangrijke uitwatering van Hoorn met een sluis aan het eind in de dijk. Vanaf de vijftiende eeuw stonden op de kruising van het verlengde tracé van de Holenweg en de Schellinkhouterdijk, die aan de zuidzijde

45

van de Holenweg gelegen is, meerdere watermolens. Via de molens en de sluizen, die bij dit complex hoorden, waterde de Oosterpolder, bestaande uit de bannen Hoorn, Zwaag en Westerblokker, af in de Zuiderzee. De watermolens werden in de loop der jaren meerdere malen vervangen en ze kregen steeds een andere plek nabij de kruising van de Schellinkhouterdijk met de Holenweg. Tegenwoordig ligt de Holenweg nog steeds grotendeels op het oude tracé van de oorspronkelijke Holenweg en is het dijklichaam met de sloten aan weerszijden en een bomenrij nog steeds herkenbaar. Met de ontwikkeling wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het behouden en versterken van de structuur van de Holenweg. Door de bebouwing verder van de holenweg en sloot te plaatsen ontstaat er meer ruimte voor de Holenweg. Tevens kan hierdoor de sloot zijn oorspronkelijke breedte terug krijgen. Geconcludeerd kan worden dat de cultuurhistorische waarde van de Holenweg en de naastgelegen sloot versterkt wordt. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Niet-gesprongen Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Planspecifiek De planlocatie ligt in de directe nabijheid van het spoor. Om die reden is een is een quickscan Niet Gesprongen Explosieven uitgevoerd (30 juni 2022, IDDS, zie bijlagen bij toelichting bijlage 16). Uit het raadplegen van RailMaps van ProRail is nagegaan of er in het verleden onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is uitgevoerd voor het plangebied. Hieruit blijkt dat de locatie als niet verdacht beschouwd kan worden.

De navolgende afbeelding toont dat de onderzoekslocatie niet verdacht is op ontplofbare oorlogsresten.

46

Ontplofbare oorlogsresten (bron: IDDS)

Op basis van het geraadpleegde vooronderzoek, de bijbehorende bodembelastingkaart en navraag bij ProRail inzake de actualiteit van het onderzoek, komt voor het onderzoeksgebied Holenweg 6 te Hoorn naar voren dat deze niet verdacht is op het voorkomen van ontplofbare oorlogsresten. De geplande werkzaamheden kunnen zonder verder explosievenonderzoek, dus op reguliere wijze worden uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat het aspect niet-gesprongen explosieven geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.6.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

47

Planspecifiek Als gevolg van het voorliggende plan wordt de omliggende infrastructuur herzien. De impact van het plan is onderzocht door middel van een mobiliteitsonderzoek (31 juli 2022, Goudappel, zie bijlagen bij toelichting bijlage 15). Om te bepalen of de bestaande infrastructuur het verkeer van en naar de planlocatie kan verwerken, is een inzicht van het aantal te verwachten verkeersbewegingen nodig. De navolgende tabel toont de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie.

Verkeersgeneratie (motorvoertuigbewegingen per werkdag etmaal) (Bron: Goudappel)

De verkeersgeneratie neemt als gevolg van de planontwikkeling, in vergelijking tot de bestaande situatie, toe met maximaal 644 mvt/e. Met behulp kruispuntberekeningen is vervolgens gekeken of de planontwikkeling en de daarmee samengaande toename in het aantal verkeersbewegingen leidt tot verkeerskundige problemen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van de planontwikkeling opneembaar is op basis van de capaciteit van de bestaande en toekomstige infrastructuur en resulteert niet in een overbelasting van de Holenweg en daaropvolgende wegenstructuur. Het plan geeft geen aanleiding om de wegenstructuur te herzien. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

48

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Hoorn heeft op 16 mei 2018 de 'Parkeernormennota Hoorn' vastgesteld. Deze nota is een instrument waarmee de gemeente Hoorn bij ruimtelijke ontwikkelingen transparante en eenduidige keuzes kan maken ten aanzien van het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Met deze nota zijn de afspraken, waarbij parkeerplaatsen worden gekoppeld aan ruimtelijke ontwikkelingen vastgelegd, zodat deze ontwikkelingen gefaciliteerd kunnen worden zonder dat de parkeerdruk in de openbare ruimte hierdoor toeneemt. Planspecifiek Aan de hand van de 'Parkeernormennota Hoorn' is het benodigde aantal parkeerplaatsen bepaald. Voor het plangebied wordt uitgegaan van de categorie 'Schil' met een middellaag (ml) autobezit.

De onderstaande tabel toont het aantal benodigde parkeerplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=840527b9-a804-4b80-a940-53172d596116