bijlage 1 - Ontwerpbestemmingsplan 'Bangert en Oosterpolder- woongebouw
Tekst van het document
Onderzoek In onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r zijn de drempelwaarden voor een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De drempelwaarden bij D 11.2 luiden als volgt: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De beoogde ontwikkeling blijft naar schaal en omvang ruimschoots onder de drempelwaarden. Gelet op de aard en omvang van de nieuwe ontwikkeling wordt het project niet als een stedelijk ontwikkelingsproject gekwalificeerd in de zin van onderdeel D 11.2. Dat de activiteiten geen belangrijke nadelige milieueffecten hebben, wordt voldoende onderbouwd met dit Hoofdstuk 4. Conclusie De conclusie is dat geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft plaats te vinden.
4.11 Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister ervoor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
32
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
5.
Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Onderzoek Ad. 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van woningbouw van meer dan 12 woningen en kan daarmee beschouwd worden als een stedelijke ontwikkeling. Ad 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Op grond van het vigerend bestemmingsplan geldt een groenbestemming. De woningbouw is naar aard en omvang in relatie tot de omgeving een dusdanige functiewijziging dat het plan aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ad 3.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het gaat hierom het uitvoeren van een opgave gerelateerd aan de woningbouwopgave van de gemeente Hoorn. Zie ook hierna. Ad 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende 10 jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Het onderhavige project voorziet in de ontwikkeling van een woonproject. Daarom moet worden ingegaan op de woningbehoefte. De gemeente Hoorn heeft dit uitgewerkt in haar Woonvisie 2020-2025. Paragraaf 3.4.2 bespreekt de Woonvisie uitgebreid. Eén van de woonopgaven luidt versnelling en ontwikkeling.
Wat betreft 'versnelling en ontwikkeling wil de gemeente bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren. Ze promoot Hoorn als woonstad en gemeente met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast zet de gemeente in op het uitvoeren van de ambitie Noord-Holland Noord. Hoorn gaat meer groeien als stad. Dit wordt genoemd ‘Meer stad worden’. Zo wil de gemeente meer nieuwe inwoners van buiten de regio aantrekken en jongeren uit Hoorn en omgeving behouden voor de regio. Hoorn heeft meer inwoners van buiten nodig om leefbaar en vitaal te blijven. Momenteel is sprake van woningschaarste. Bovendien laten prognoses zien dat het aantal huishoudens in Hoorn nog zeker twintig jaar groeit. Het initiatief, dat bestaat uit woningbouw, sluit derhalve aan bij de Woonvisie en is opgenomen in de regionale woningbouwafspraken. De conclusie luidt dat behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. Ad 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van
33
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied ligt in het dorp Blokker en is omringd door woonwijken. Vanwege de locatie in de stedelijke omgeving van Hoorn wordt de locatie aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Het plan voorziet in een behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied.
34
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Hoofdstuk 5 5.1
Jurdische vormgeving
Algemeen
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het plan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het plan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied, zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen van een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt en wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld.
De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe plannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het plan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.
5.2
Bestemmingsplanregels
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs. 5.2.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen zijn in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. 5.2.2
Bestemmingsregels
Er zijn twee enkelbestemmingen en twee dubbelbestemmingen van toepassing op het plangebied. Deze zijn hieronder toegelicht:
35
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Water De bestemming Water is bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Het bouwen van gebouwen is nie toegestaan, met uitzondering van uitkragende balkons van het woongebouw. Aan het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn voorwaarden gesteld. Wonen - Woongebouw De voor 'Wonen - Woongebouw' (Artikel 4) aangewezen gronden zijn bestemd voor woongebouwen. De gebouwen worden binnen een bouwvlak gebouwd, met uitzondering van uitkragende balkons. De bouwhoogte bedraagt maximaal 13 meter. Maximaal 20 woningen (appartementen) zijn toegestaan. Tot slot zijn een aantal gebruiksregels opgesteld, waarin strijdig gebruik is opgesomd. Waarde - Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' (Artikel 5) aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m² geldt een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht. Voor het uitvoeren van een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden geldt eveneens een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht, zoals ontgronden, het aanleggen van ondergrondse leidingen en het verwijderen van bomen.
Waarde - Cultuurhistorie Deze dubbelbestemming is bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de in de bij dit bestemmingsplan cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. In paragraaf 4.7 is het onderdeel Erfgoed uitgewerkt. In de figuren in de paragraaf zijn kaarten opgenomen, waarin de cultuurhistorisch waardevolle waterstaat is aangegeven binnen het plangebied. Deze worden middels voorliggend bestemmingsplan bestemd als 'Waarde - Cultuurhistorie'. Er geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. 5.2.3
Algemene regels
In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Deze worden hieronder kort toegelicht. Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel (Artikel 7) is om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels (Artikel 8) is aangegeven welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn met de bestemmingen. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels (Artikel 9) is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing. Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn. Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd.
36
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Overige regels De overige regels (Artikel 10) bevatten de parkeernormen, om te waarborgen dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen in Artikel 11 en Artikel 12. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het bestemmingsplan wordt vastgelegd.
37
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
38
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Met de in hoofdstuk twee beschreven ontwikkelingen zijn kosten gemoeid. Deze worden gedekt uit de gronduitgifte. Op basis daarvan mag het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Voorliggend plangebied maakt onderdeel uit van het grotere deelgebied Fase A West van het ontwikkelingsgebied Bangert en Oosterpolder. In 2017 heeft er participatie plaatsgevonden voor het bestemmingsplan van geheel deelgebied fase A West. Inspraak is verwerkt in de verkaveling en beeldkwaliteitsplan die onder voorliggend ontwerpbestemmingsplan liggen. Op 30 november en 1 december 2021 zijn digitale bewonersbijeenkomsten gehouden voor fase A West, waar het appartementengebouw in voorliggend bestemmingsplan onder valt. De verkaveling en het beeldskwaliteitplan kwamen aan bod, evenals de planologische procedure voor het woongebouw. Er waren ruim 30 mensen aanwezig van de 80 genodigden. Hoewel het peilen van reacties digitaal lastiger is, zijn geen negatieve reacties naar voren gekomen over het appartementengebouw tijdens deze bijeenkomsten. Vooroverleg Het bestemmingsplan zal in het kader van het wettelijke vooroverleg (artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) aan de provincie, het waterschap en andere vooroverleginstanties worden voorgelegd. De resultaten hiervan worden te zijner tijd verwerkt. Zienswijzen Daarnaast wordt het ontwerp- bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De resultaten hiervan worden te zijner tijd verwerkt.
39
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
40
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Bijlagen toelichting
41
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
42
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
43
Notitie akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Opdrachtgever: Gemeente Hoorn
projectnummer: 801.00.02.33.00
Onderwerp:
Akoestisch onderzoek Uitwerkingsplan Bangert en Oosterpolder fase A - westelijk deel te Blokker
Datum:
11-01-2017
1.
Inleiding
In opdracht van gemeente Hoorn heeft BügelHajema Adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de te realiseren woonbestemming in het kader van Uitwerkingsplan Bangert en Oosterpolder fase A - westelijk deel te Blokker. De Wet geluidhinder beschouwt een woning als een zogenaamd geluidsgevoelig gebouw. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden.
2. Wet geluidhinder Zones In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt, uitgezonderd: -
de wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
-
de wegen waarop een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur.
Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 200 m. Buiten de bebouwde kom bedraagt deze afstand 250 m. Bij het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen de zone van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. De nieuwbouwlocatie ligt in de nabijheid van de Koewijzend en de Kolenbergstraat. Deze wegen liggen, binnen de bebouwde kom van Blokker en kennen een maximum snelheid van 50 km/uur. De te realiseren woningen liggen binnen de zone van deze wegen en er dient daarom akoestisch onderzoek plaats te vinden. De overige rond het plangebied gelegen wegen zijn wegen met een sterke verblijfsfunctie. Deze wegen kennen een maximum snelheid van 30 km/uur en hebben derhalve geen zone. De vormgeving en het gebruik van deze wegen (erftoegangswegen met een lage verkeersintensiteit) zijn hiermee in overeenstemming. Dit houdt in dat ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen akoestisch onderzoek naar deze wegen behoeft te worden verricht.
Normen Behoudens situaties waarbij door Gedeputeerde Staten of burgemeester en wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor geluidsgevoelige objecten binnen een zone een ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB als geluidsbelasting op de gevel. Bij het voorbereiden van een plan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op grond behorende bij een zone, dienen burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek in te stellen. Indien de geluidsbelasting de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB te boven gaat, kunnen burgemeester en wethouders, mits gemotiveerd, in dit geval een hogere waarde vaststellen tot maximaal 63 dB (artikel 83 van de Wet geluidhinder).
3 Verkeersgegevens De weekdaggemiddelde verkeersintensiteiten op de Koewijzend en Kolenbergstraat zijn, evenals de samenstelling van het verkeer en de verdeling over het etmaal, verkregen van de gemeente Hoorn. De verwachte verkeersintensiteiten op deze wegen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 1 – Verkeersgegevens Bangert Weg
Wegdek
Etmaal int.
periode uur (%)
samenstelling verkeer (%)
2030 Koewijzend (Kloosterhout-Groenewoud)
dab
Koewijzend
dab
3.900
dag 6,92
lv
mv
zv
93,6
3,9
2,4
93,6
3,9
2,4
93,2
5,1
1,7
avond 3,35 nacht 0,45 3.900
(Groenwoud-Kolenbergstraat)
dag 6,92 avond 3,35 nacht 0,45
Kolenbergstraat
dab
1.200
dag 7,09 avond 2,74 nacht 0,49
4. Berekeningen Met het oog op de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst zal afnemen door technische ontwikkelingen en aanscherping van typekeuringen, mag een aftrek worden gehanteerd op de berekende geluidsbelastingen alvorens deze aan de wettelijke grenswaarden worden getoetst (art. 110g Wgh). De aftrek bedraagt over het algemeen: -
2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of hoger is.
-
5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/uur is.
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
2
Bij toetsing van het binnenniveau van geluidgevoelige bebouwing moet worden gerekend met een gevelbelasting zonder aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. In de berekeningen heeft daarom een aftrek van 5 dB plaatsgevonden. Berekend zijn de 48 dB geluidcontouren van de betreffende wegen op een waarneemhoogte van 4,8 m. De resultaten van deze berekeningen zijn opgenomen in navolgende afbeelding. In de bijlage zijn de volledige berekeningen opgenomen.
Kaart 1. 48 dB geluidcontouren met in paars de nieuwbouwlocatie
5.
Conclusie berekeningen
Uit de berekening blijkt dat de nieuwbouwlocatie grotendeels buiten de 48 dB geluidcontour van de betreffende wegen is gelegen. Alleen het noordoostelijk deel ligt binnen de 48 dB geluidscontour. Indien in dit deel een woning wordt geprojecteerd dient hiervoor een hogere waarde procedure te worden gevolgd.
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
3
Bijlage: Rekenbladen akoestisch onderzoek
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
4
Opbouw model
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
5
48 dB geluidscontouren
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
6
Detailgegevens en rekenresultaten
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
7
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
8
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
9
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
10
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
11
datum 11-01-2017
projectnummer 801.00.02.33.00
12
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Bijlage 2 Ecologische beoordeling
57
Mmemo
MEMO T.a.v.:
Gemeente Hoorn
Bedrijf: Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek B.V. Opsteller: Margriet Krijn Projectnummer: 20-163
13 mei 2020
Inleiding In verband met de geplande woningbouw in Bangert en Oosterpolder in fase A West heeft Altenburg & 1 Wymenga (A&W) in 2016 een ecologische beoordeling uitgevoerd , waarbij de plannen werden getoetst aan de daarvoor geldende richtlijnen (o.a. de Wet natuurbescherming en regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland). Uit die beoordeling bleek dat in het plangebied mogelijkheden aanwezig waren voor beschermde natuurwaarden, namelijk vleermuizen en kleine marterachtigen. Er werden vier balts-/paarverblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis aangetroffen binnen het plangebied, waarvan er drie verloren zouden gaan door het 2 kappen van bomen waarin de verblijfplaatsen zich bevinden . Overige beschermde natuurwaarden werden niet aangetroffen. Voor het aantasten van de verblijfplaatsen is ontheffing verleend door het bevoegd gezag (zaaknummer RUD.237483). Deze ontheffing is geldig tot en met 31 augustus 2023. De gemeente Hoorn is nu voornemens om de inrichting van het terrein voort te zetten. Omdat het terrein inmiddels enige tijd braak gelegen heeft, is het noodzakelijk om te bepalen of deze werkzaamheden in de huidige situatie ecologische risico’s met zich mee brengen. Om die reden is op 7 april 2020 een veldbezoek aan het terrein gebracht. In onderhavige memo worden de bevindingen van het veldbezoek beschreven.
Resultaten De conclusies uit de Stoker (2016) zijn ook in de huidige situatie grotendeels van kracht. Hieronder worden de soortgroepen uitgelicht die aandacht behoeven. Vissen Ten aanzien van vissen is de beoordeling van Stoker inmiddels verouderd. Onder de huidige Wet natuurbescherming zijn de Bittervoorn en Kleine modderkruiper niet meer beschermd. Wel is voor deze soorten de Zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat de werkzaamheden aan watergangen zoveel mogelijk op een visvriendelijke wijze plaats dienen te vinden. Zo dient het dempen van sloten te verlopen in een rustig tempo in de richting van het open einde van de watergang, waardoor vissen veilig kunnen vluchten. Eventueel kunnen watergangen vooraf aan de werkzaamheden worden afgesloten, zoals met keernetten, waarna het tussenliggende deel kan worden leeggevist. In dat geval worden de gevangen vissen en overige dieren verplaatst naar geschikte watergangen in de omgeving. Dergelijke maatregelen zijn tevens opgenomen in het in 3 2018 door A&W opgestelde Ecologisch Werkprotocol . Amfibieën Ten aanzien van amfibieën is de beoordeling van Stoker (2016) nog actueel. In de wijde omgeving van het plangebied komt de volgens artikel 3.5 beschermde Rugstreeppad voor. In de huidige situatie zijn er geen mogelijkheden voor de soort omdat het plangebied nog niet bouwrijp is gemaakt.
1
Stoker, O. 2016 Ecologische beoordeling Bangert en Oosterpolder fase A-west te Blokker, gemeente Hoorn. A&W-notitie 2654. Altenburg
& Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 2
Schut, E. 2017. Aanvullend onderzoek vleermuizen en kleine marterachtigen Bangert en Oosterpolder fase A west. A&W-notitie 2683.
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 3
Schut, E. 2018.Ecologisch Werkprotocol Bangert en Oosterpolder fase A West
Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek B.V. Súderwei 2, 9269 TZ Feanwalden - 0511-474764
Mmemo
MEMO
1
Figuur 1. Ligging van het plangebied en aangetroffen natuurwaarden (zie tekst).
Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek B.V. Súderwei 2, 9269 TZ Feanwalden - 0511-474764
Mmemo
MEMO
Broedvogels Aan de zuidkant van het plangebied, ter hoogte van nummer 1 uit figuur 1 werd tijdens het veldbezoek op 7 april 2020 een broedende Meerkoet waargenomen. In het geval een nest aanwezig is, mogen er geen werkzaamheden in de buurt van dit nest plaatsvinden zolang deze in gebruik is. Overigens geldt voor het hele plangebied dat alle verruigde stukken grasland, bosschages en slootkanten geschikt zijn voor broedvogels en dat het niet op voorhand uit te sluiten is dat er recente broedgevallen zijn ontstaan. De werkzaamheden op dienen daarom buiten het broedseizoen plaats te vinden. In dat geval is er geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedgevallen van vogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen In de omgeving van het plangebied komen Steenuil en Ransuil voor. Door de Stoker (2016) is echter geconcludeerd dat zich binnen het plangebied geen mogelijkheden voor jaarrond beschermde nestplaatsen aanwezig zijn. Ook wordt de functionaliteit van in de omgeving aanwezige nestplaatsen niet aangetast. Voor Steenuil geldt dat het plangebied in de huidige situatie onveranderd is gebleven. Uit verspreidingsgegevens blijkt dat steenuilen vooral voorkomen in het buitengebied van Blokker/Zwaag (vogelatlas.nl). Het is daarom niet te verwachten dat het plangebied in de huidige situatie nestplaatsen bevat of in gebruik is als foerageergebied van Steenuil.
Ook de Ransuil komt voor in de omgeving van het plangebied, maar het plangebied bevat in de huidige situatie geen mogelijkheden voor nestplaatsen van Ransuil. Het is mogelijk dat de Ransuil het plangebied gebruikt om te foerageren. In de omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied voor de Ransuil aanwezig. Door uitvoering van de plannen zal om bovenstaande redenen geen conflict met de Wet natuurbescherming ontstaan ten aanzien van Ransuil en Steenuil. Zoogdieren Het plangebied is geschikt voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten. Voor algemene zoogdiersoorten zoals Haas, Konijn of Ree is door Provinciale Staten van Noord-Holland een vrijstelling afgegeven in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Wel dient ten aanzien van deze soorten de Zorgplicht in acht genomen te worden. Dit houdt in dat soorten de gelegenheid moeten krijgen om weg te vluchten van de werkzaamheden. Omdat het plangebied is omringd door bebouwing leven hazen in het gebied geïsoleerd in het plangebied. Deze dieren dienen voorafgaand aan de werkzaamheden te worden verjaagd in de richting van landerijen. Door de kleinschaligheid is het plangebied in de huidige situatie geschikt voor kleine marterachtigen zoals Hermelijn, Wezel en Bunzing. In 2017 is aanvullend onderzoek gedaan naar kleine marterachtigen (Schut 2017). Daarbij zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen.
Hoewel er geen recente waarnemingen van kleine marterachtigen in de directe omgeving van het plangebied bekend zijn (NDFF), kan niet volledig worden uitgesloten dat het gebied inmiddels gekoloniseerd is door kleine marterachtigen. Indien zich binnen het plangebied een verblijfplaats van Hermelijn, Wezel of Bunzing bevindt, ontstaat door het verwijderen van de begroeiing een conflict met de Wet natuurbescherming. Wij adviseren daarom om nader te onderzoeken of zich binnen het plangebied een verblijfplaats van kleine marterachtigen bevindt. Dit kan worden gecombineerd met het aanvullend onderzoek dat ook voorzien is in het plangebied Bangert Oosterpolder fase 5 noord (zie Krijn 4 2020)
4
Krijn, M. 2020. Memo resultaten ecologische check Bangert Oosterpolder fase 5 Noord. &W-notitie 20-132. Altenburg & Wymenga
ecologisch onderzoek, Feanwâlden.
Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek B.V. Súderwei 2, 9269 TZ Feanwalden - 0511-474764
Mmemo
MEMO
Vleermuizen Stoker (2016) concludeerde dat de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen en vliegroutes binnen het plangebied niet op voorhand kon worden uitgesloten. Dat is ook in de huidige situatie het geval. Bij het aanvullend onderzoek zijn vier balts/paar verblijfplaatsen aangetroffen (Schut 2017). Drie daarvan zouden door de herinrichting van het terrein verloren gaan. Hiervoor is door de RUD een ontheffing verleend. De ontheffing is geldig tot 31augustus 2023. Omdat de situatie in het plangebied niet veranderd is ten opzichte van de situatie in 2017, worden er geen andere vleermuissoorten of nieuwe verblijfplaatsen verwacht. Om die reden is deze ontheffing nog actueel en is er geen nadere actie nodig ten aanzien van vleermuizen. Conclusie Ten aanzien van overige beschermde soorten zal door uitvoering van de plannen geen conflict met de Wet natuurbescherming ontstaan, mits de Zorgplicht in acht genomen wordt en de locaties waar broedgevallen aanwezig kunnen zijn niet worden aangetast binnen het broedseizoen. Maatregelen om te voldoen aan de 3 zorgplicht zijn opgenomen in het in 2018 door A&W opgestelde Ecologisch Werkprotocol .
Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek B.V. Súderwei 2, 9269 TZ Feanwalden - 0511-474764
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Bijlage 3 Aanvullend ecologisch onderzoek kleine marterachtigen
63
Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen Bangert Oosterpolder fase 5A Noord en fase A West in Hoorn Betreft: Planomschrijving Datum uitvoering onderzoek Uitvoerder
Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen Bangert Oosterpolder fase 5A Noord en fase A West in Hoorn Mei tot augustus 2020 M. Krijn & L. Mielke
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Hoorn R. van Rems
Projectcode Status Datum oplevering Projectleider Autorisatie Kwaliteitscontrole
20-181 en 20-182 Definitief 5 oktober 2020 E.W. de Vries E. van der Heijden E.W. de Vries
Inleiding De gemeente Hoorn is bezig met de ontwikkeling van de woonwijken Bangert Oosterpolder fase 5A Noord en Bangert Oosterpolder fase A West in Hoorn. In verband met deze plannen is in 2016 een ecologische beoordeling uitgevoerd (Stoker 2016). Uit deze beoordeling bleek dat aanvullend onderzoek naar beschermde natuurwaarden nodig is, onder andere naar kleine marterachtigen. Onder kleine marterachtigen worden de Bunzing, de Hermelijn en de Wezel verstaan. In 2017 is dit aanvullend onderzoek uitgevoerd (Schut 2017). Daarbij zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen. In het voorjaar van 2020 was de gemeente Hoorn voornemens om de inrichting van het terrein voort te zetten. Omdat het terrein enige tijd braak heeft gelegen, was het noodzakelijk om te bepalen of deze werkzaamheden in de huidige situatie ecologische risico’s met zich mee brengen. Om die reden is in het voorjaar van 2020 een ecologische check voor beide gebieden uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat niet kan worden uitgesloten dat het gebied inmiddels gekoloniseerd is door kleine marterachtigen (Krijn 2020a, b). Voor de beoordeling van de huidige situatie is daarom in het voorjaar en de zomer van 2020 aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd. In deze memo zijn de resultaten van dit aanvullend onderzoek beschreven.
Methode Voor het vaststellen van kleine marterachtigen is in elk plangebied (Bangert Oosterpolder fase 5A Noord en fase A West) een zogenaamde Mostela ingezet op een locatie waar kleine marterachtigen verwacht werden. Een Mostela is een inloopbox waar kleine marterachtigen in kruipen uit nieuwsgierigheid. In de box bevindt zich een camera die de soort vervolgens vastlegt. In figuur 1 zijn de locaties van de twee Mostela’s aangegeven. In het plangebied Bangert Oosterpolder fase 5A Noord heeft tussen 28 mei en 24 augustus 2020 een Mostela gestaan. In het plangebied Bangert Oosterpolder fase A West heeft deze gestaan van 28 mei tot en met 20 juli 2020.
Figuur 1: overzicht van de locaties van de Mostela’s in Bangert Oosterpolder fase 5A Noord (ster ten oosten van de Kolenbergstraat) en Bangert Oosterpolder fase A West (ster ten westen van de Kolenbergstraat) in Hoorn.
Resultaten De Mostela in Bangert Oosterpolder fase 5A Noord heeft in totaal 1992 foto’s opgeleverd. De Mostela in Bangert Oosterpolder fase A West heeft in totaal 843 foto's opgeleverd. In geen van de twee plangebieden zijn kleine marterachtigen op de foto gezet door de cameraval in de Mostela. Wel zijn er in beide gebieden op vele momenten muizensoorten waargenomen, namelijk Huisspitsmuis en Bosmuis. Hieronder zijn enkele foto's weergegeven van de gefotografeerde muizen (zie foto's 1, 2 & 3). Ook is in beide plangebieden een Winterkoning waargenomen (zie foto 4). Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat het plangebied geen noemenswaardige rol vervult voor kleine marterachtigen.
Foto’s 1 t/m 4: impressie van de waarnemingen van de Mostela’s. Foto 1: Huisspitsmuis. Foto 2 & 3: Bosmuizen. Foto 4: Winterkoning.
Conclusie In geen van de plangebieden Bangert Oosterpolder fase 5A Noord en Bangert Oosterpolder fase A West zijn kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn, Wezel) waargenomen. Door uitvoering van de plannen ontstaat daarom geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van kleine marterachtigen.
Literatuur Krijn, M. 2020a. Memo resultaten ecologische check Bangert en Oosterpolder fase 5 Noord. A&Wnotitie 20-132. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Krijn, M. 2020b. Memo resultaten ecologische check Bangert en Oosterpolder in fase A West. A&Wnotitie 20-163. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Schut, E. 2017. Aanvullend onderzoek vleermuizen en kleine marterachtigen Bangert en Oosterpolder fase A west. A&W-notitie 2683. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Stoker, O. 2016 Ecologische beoordeling Bangert en Oosterpolder fase A-west te Blokker, gemeente Hoorn. A&W-notitie 2654. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
68
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Regels
69
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
70
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west met identificatienummer NL.IMRO.0405.BPBOWoongebouw-on01 van de gemeente Hoorn; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
archeologisch advies:
een quickscan waarin de archeologische waarden en de voorgenomen ingrepen worden getoetst. De afweging tot nader archeologisch onderzoek wordt hierin verwoord door een archeoloog van de gemeente Hoorn; 1.6
archeologisch deskundige:
de gemeentelijk archeoloog of een andere, door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen, deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 1.7
archeologisch onderzoek:
onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg verricht door een gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); 1.8
archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met kennis of studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten in het verleden; 1.9
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw(en) zijnde; 1.10
bedrijf:
een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel productiegebonden detailhandel plaatsvindt; 1.11 a. b.
bestaand: ten aanzien van de bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aanwezige bouwwerken en werkzaamheden: bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan; ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
71
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
1.12
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.13
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.15
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.16
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.17
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18
bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel; 1.19
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.20
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.21
cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; 1.22
dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.23
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en niet zijnde supermarkten;
72
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
1.24
erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.25
erotisch getinte vermaaksfunctie:
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.26
gebouw:
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27
generatiewonen:
het samenwonen van één of meer generaties in een bestaande (bedrijfs)woning , zodat de (zorg)taken in familieverband met elkaar kunnen worden gedeeld, waarbij onder generaties wordt verstaan: (over)grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen, broers en zussen; 1.28
growshop:
een ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van kweekbenodigdheden (zoals potgrond, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, ventilatiesystemen, waterpompen) voor psychotrope stoffen, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.29
hoofdgebouw:
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.30
huishouden:
de huisvesting van één afzonderlijk huishouden waarbij sprake is van onderlinge duurzame verbondenheid, continuïteit in de samenstelling van het huishouden en het gemeenschappelijk voeren van het huishouden, zulks met inbegrip van familiaire verbanden en het generatiewonen, zoals een kangoeroewoning; 1.31 a. b.
1.32
kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; kangoeroewoning:
het wonen in één zelfstandige woning ten behoeve van het generatiewonen; 1.33
kleinschalige duurzame energiewinning:
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windturbines, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte;
73
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
1.34
kunstwerk:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een viaduct, een duiker, een dam, een keerwand, een beschoeiing, een kademuur, een tunnel of onderdoorgang voor langzaam verkeer, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening; 1.35
nutsvoorzieningen:
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water, en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen openbare sanitaire voorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten; 1.36 a. b. c. d.
1.37
peil: voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; voor een aan- of uitbouw bij een hoofdgebouw: de bovenkant van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw; indien in of op het water wordt gebouwd: het ter plaatse geldende waterpeil; permanente bewoning:
het gebruiken van woonruimten als vaste woonplaats; 1.38
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.39
smartshop:
een ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van psychotrope stoffen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.40
vaste woonplaats:
het gebruiken van woonruimte als hoofdverblijf zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen dan wel diens rechtsopvolger. Als criterium voor de vaststelling of iemand een woonruimte als hoofdverblijf in gebruik heeft, geldt dat hij of zij op het betreffende adres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, terwijl tevens uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat het betreffende adres als zijn of haar hoofdverblijf fungeert; 1.41
windturbine:
een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind; 1.42
wonen:
het huisvesten van één huishouding in een woonhuis of in een woning van een woongebouw, waarbij het woonhuis c.q. de woning uitsluitend mag worden gebruikt voor permanente bewoning;
74
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
1.43
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding; 1.44
wooneenheden:
het aantal woningen dat is toegestaan op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; 1.45
woonhuis:
een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
75
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
76
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken, worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrenzen met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden.
77
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
78
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen; groenvoorzieningen;
met de daarbij behorende: c. d. 3.2
oevers en kaden; kunstwerken, waaronder dammen, (vaar)duikers, beschoeiingen, steigers en bruggen. Bouwregels
Op de in lid 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en overeenkomstig de navolgende bepalingen: a.
b. c. d. e.
3.3
uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat: 1. de uitkragende balkons ten behoeve van de bestemming 'Wonen - Woongebouw' ten hoogste 2 meter de bouwgrens mogen overschrijden; de bouwhoogte van beschoeiingen mag maximaal 0,30 m boven het polderpeil bedragen; de doorvaartbreedte van bruggen en duikers dient minimaal 2,50 m te bedragen de doorvaarthoogte van bruggen en duikers dient minimaal 1,10 m te bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen, met uitzondering van bruggen, waarvan de hoogte maximaal 5 m mag bedragen. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een goede waterhuishouding en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
79
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
80
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Artikel 4 4.1
Wonen - Woongebouw
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - Woongebouw’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
woongebouwen; gebouwen ten behoeve van bergingen c.q. garageboxen,
met de daarbij behorende: c. d. e. f. g. h. i.
tuinen en erven; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; verkeer- en verblijfsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Woongebouwen
Voor het bouwen van woongebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de uitkragende balkons ten hoogste 2 meter de bouwgrens mogen overschrijden; de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste de aangegeven bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)"; het aantal wooneenheden bedraagt ten hoogste het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden".
4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.
b. 4.3
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 2 m; de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: a.
b.
4.4
de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van een goede woonsituatie, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de zuidoriëntatie van bebouwing, dakhellingen, nokrichtingen en onderlinge oriëntatie van bebouwing ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van passieve en actieve zonne-energie. Specifieke gebruiksregels
Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. b. c. d.
het gebruik van bergingen c.q. garageboxen voor bewoning; het gebruik van bergingen c.q. garageboxen voor de uitoefening van een bedrijf; het gebruik van bergingen c.q. garageboxen ten behoeve van detailhandel; het gebruik van gronden en bouwwerken waardoor een parkeerbehoefte ontstaat waarmee niet wordt voldaan aan de regels voor het parkeren en laden&lossen zoals opgenomen in artikel 10, lid 10.1.
81
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
82
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m², moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
5.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 5.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden. 5.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in lid 5.2.1 genoemde rapport of de in lid 5.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a. b. c. d.
het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
83
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
5.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 5.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e.
het normale onderhoud betreffen; onderhoud aan de watergangen betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,40 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1.000 m² beslaan.
5.3.3
Toetsingscriteria
De in lid 5.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 5.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: A. B.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
5.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in lid 5.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
84
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
Artikel 6 6.1
Waarde - Cultuurhistorie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, naast de andere aangewezen bestemming, bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de in de bij dit bestemmingsplan cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. 6.2
Bouwregels
Voor zover de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' betrekking heeft op gemeentelijke monumenten zoals aangegeven in de toelichting wordt de bestaande bouwvorm (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en dakvorm) van (gemeentelijke) monumenten gehandhaafd. 6.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, bij een omgevingsvergunning afwijken van: a.
het bepaalde in lid 6.2 voor het bouwen van een afwijkende karakteristieke hoofdvorm, indien het pand redelijkerwijs niet handhaafbaar is en/of is gesloopt, met dien verstande dat sprake dient te zijn van een passende bouwvorm, waarbij uitgegaan dient te worden van de bestaande karakteristieke hoofdvorm waarbij tevens is voldaan aan het gestelde in het geldende Bouwbesluit.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: a. b. c. d. e. f.
het aanleggen, verbreden, verlagen, verhogen, verleggen of verharden van oevers, wegen en paden; het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het wijzigen van de profielindeling van oevers, wegen en paden; het dempen of wijzigen van watergangen; het wijzigen van de aanleg van de begraafplaats of wijzigen of verwijderen van cultuurhistorisch waardevolle grafstenen; het verwijderen c.q. wijzigen van karakteristieke hekwerken en hekpijlers, gevelstoepen en stoeppalen en aan de gevel bevestigde luiken en/of ornamenten/versieringen.
6.4.2
Uitzondering
Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. b.
het normale onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
6.4.3
Toelaatbaarheid
De in lid 6.4.1 genoemde vergunning zal uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de in Artikel 1, lid 1.21 bedoelde waarden. 6.4.4
Commissie
Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de Commissie voor monumenten en welstand.
85
bestemmingsplan Bangert en Oosterpolder - woongebouw fase A-west
6.5
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
6.5.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de in dit bestemmingsplan cultuurhistorisch waardevol aangemerkte bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen. 6.5.2
Uitzondering
Het in lid 6.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. b. c. d. e.
het normale onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het bevoegd gezag moeten worden uitgevoerd; ingevolge het bepaalde van de Erfgoedwet 2016 vergunningplichtig zijn; ingevolge de Erfgoedverordening van de gemeente Hoorn vergunningplichtig zijn.
6.5.3
Toelaatbaarheid
De in lid 6.5.1 genoemde vergunning zal uitsluitend worden verleend indien: a. b. c.
d.
de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; of het delen van een pand betreft, die op zichzelf niet als waardevol zijn aan te merken, en door het verwijderen daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke waarden plaatsvindt. de aanvrager informatie overlegt waaruit, naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor: 1. een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk of 2. voor het verbouwen van het bouwwerk