CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Dorpsstraat 155 Zwaag_Toelichting

Gemeenteraad 5 juli 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Afwijken van de inspraakverordening en het ontwerpbestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag in procedure brengen (1840774)15.541 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, worden afgeweken van deze richtafstanden. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk.

32

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2 et cetera). Onderzoek Het plan voorziet in de realisatie van een woning. Een woning leidt van zichzelf niet tot milieuhinder voor omliggende functies, maar zijn andersom als woonfunctie wel gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven. Nieuwe woningen kunnen wel een beperkende invloed hebben op de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijven. De geldende bestemmingsplannen in het plangebied en omgeving vormen het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die zijn toegelaten. Op basis van deze plannen kan in planologisch-juridische zin ook worden nagegaan welke milieuhinderlijke bedrijvigheid is toegelaten. Vanwege het woningbouwplan dient hinder van bedrijven en voorzieningen rondom het plangebied te worden bestudeerd. Hiervoor wordt uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de VNG-publicatie ‘Bedrijven- en milieuzonering’ gehanteerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. Het plangebied zelf is bestemd als Agrarisch. Aan de west- oost en zuidzijde bevindt zich diverse woonbebouwing, maar is ook diverse bedrijvigheid aanwezig. Aan de noordzijde direct grenzend aan het plangebied bevindt zich agrarische tuinbouwgrond.

Achter deze agrarische gronden grenst het Bedrijventerrein Westfrisia. Het plangebied en omgeving kan dan ook aangemerkt worden als gemengd gebied waar bedrijvigheid en wonen op korte afstand van elkaar kunnen worden toegestaan. WONEN De nabijgelegen woningen zijn hindergevoelige functies en leiden niet tot eventuele milieuhinder voor de nieuwe woning in het plangebied. Andersom leiden de woningen in het plangebied ook niet tot milieuhinder voor de bestaande woningen in de omgeving. In de huidige situatie is agrarische bedrijvigheid in het plangebied mogelijk. Met de nieuwe invulling van het plangebied en waarmee de huidige mogelijkheden voor bedrijvigheid verkleind worden, levert dit juist een positief resultaat als het gaat om milieuhinder vanwege bedrijvigheid voor omliggende woningen. In de dit geval verbetert het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID Aan de noordzijde direct grenzend aan het plangebied bevindt zich agrarische bedrijvigheid in de vorm van een fruitteeltbedrijf. Voor akkerbouw en fruitteeltbedrijven (SBI 2008, 011, 012, 013) wordt doorgaans een richtafstand van 30 m gehanteerd. Deze richtafstand is met name gericht op eventuele geluidsoverlast maar heeft ook te maken met de spuitzone van bestrijdingsmiddelen (drift).

Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bestaan wettelijk geen bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden. Hierbij dient de aan te houden afstand tussen het telen van fruit en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen te worden, dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd. Doorgaans wordt voor een richtafstand bij gewasbescherming een afstand van 50 m aangehouden (ECLI:NL:RVS:2015:1698). De gevels van de woningen in het plangebied tot de grens van deze bedrijvigheid bedraagt circa 18 m. Het achterliggende agrarische bedrijf betreft een hobbymatig bedrijf dat geen gebruik maakt grote landbouwmachines met bestrijdingsmiddelen. De percelen (2.500 m2 ) zijn hier niet op ingericht en bieden hier eveneens, vanwege het ingesloten karakter, ook geen ruimte voor. Eventuele betrijdingsmiddelen die worden ingezet, worden op fijnmazige wijze uitgevoerd waarbij slechts in minimale mate sprake is van eventuele drift.

Daarnaast maakt het bedrijf, overeenkomstig het Activiteitenbesluit (hoewel inmiddels hobbymatig is het bedrijf wel geregistreerd als een inrichting), gebruik van drift reducerende technieken zoals venturidoppen. Tenslotte is het gehele perceel omgeven door een afschermende hoge haag (1,5

33

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

meter breed). De aanwezigheid en instandhouding van deze haag is in de regels van voorliggend bestemmingsplan geborgd. Eventuele hinder vanwege gewasbestrijdingsmiddelen wordt dan ook niet verwacht. Wat betreft geluid dient rekening gehouden te worden met geluid vanwege machines/voertuigen of koelmotoren. Gebruikelijk is dat bij akker- en tuinbouwbedrijven schuren aanwezig zijn waar gebruik wordt gemaakt van koelingen om producten vers te houden. Bij de betreffende bedrijvigheid is maar beperkte opslagruimte aanwezig omdat sprake is van een hobbymatig gebruik. De producten die worden verbouwd worden via een automatiek aan de wegkant (Dorpsstraat) verkocht. Hierdoor is eveneens geen sprake van grote transportbewegingen van en naar het terrein. Het terrein van het bedrijf wordt tenslotte aan de noordzijde ontsloten. Verkeersbewegingen blijven hiermee beperkt tot het noordelijk deel van de bedrijvigheid. Op de naastgelegen percelen aan de Dorpsstraat zijn daarnaast diverse woningen op korte afstand van de agrarische bedrijvigheid aanwezig. Het bedrijf wordt hiermee reeds in haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Verwacht mag worden dat vanwege de aanwezigheid van deze woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de betrokken percelen. Daarnaast is de afschermende haag als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

Gemotiveerd kan een kortere afstand worden aangehouden en is een woonfunctie op deze locatie niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. BEDRIJF Aan de overzijde van het plangebied op Dorpsstraat 182 ligt een bedrijfsbestemming waar bedrijvigheid in de categorieën 1 en 2 is toegestaan. Vanwege de aanduiding 'schildersbedrijf' kan zich ook een schildersbedrijf op dit perceel vestigen. Voor bedrijvigheid in categorie 1 en 2 geldt een grootste richtafstand van 30 m. In een gemengd gebied kan gemotiveerd een afstand van 10 m worden aangehouden. De afstand van de gevels van de woningen in het plangebied tot de grens van deze bedrijfsbestemming bedraagt circa 18 m. Direct naast deze bestemming zijn al woonbestemmingen aanwezig die beperkend werken voor de bestaande bedrijfsvoering en eventuele ontwikkelingsmogelijkheden. De bestemmingswijziging van voorliggend plan geeft geen aanvullende beperkingen. Gemotiveerd kan dan ook een kleinere afstand aan worden gehouden. MAATSCHAPPELIJK Aan de gronden van Dorpsstraat 186 is een maatschappelijke bestemming toegekend. Hier is in de huidige situatie een tandartspraktijk gevestigd. Voor dergelijke bedrijvigheid (SBI 2008, 8621) geldt een grootste richtafstand van 10 m. Voor maatschappelijke voorzieningen wordt doorgaans een afstand van 30 m gehanteerd. In gemengd gebied geldt voor beide respectievelijk 0 en 10 m.

De afstand van de bestemmingsgrens tot de gevels van de woningen in het plangebied bedraagt ruim 25 m. Direct grenzend aan deze bestemming bevinden zich al woonbestemmingen die beperkend werken voor de bestaande bedrijfsvoering en eventuele ontwikkelingsmogelijkheden. Verwacht mag worden dat vanwege deze bestaande situatie, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemotiveerd kan dan ook een kleinere afstand aan worden gehouden. BEDRIJVENTERREIN WESTFRISIA Op het noordelijk gelegen bedrijventerrein is bedrijvigheid tot en met categorie 3.1 toegestaan. Voor dergelijke bedrijvigheid geldt een grootste richtafstand van 50 m. In een gemengd gebied kan hiervoor een afstand van 10 m voor worden gehanteerd. De afstand tot de gevels van de woningen in het plangebied en de bestemmingsgrens van de bedrijfsbestemming op dit terrein bedraagt ruim 100 m. Aan de te hanteren richtafstand wordt dan ook ruimschoots voldaan. Op de nabijgelegen percelen aan de Dorpsstraat bevinden zich woningen op dezelfde afstand tot de omliggende bedrijvigheid. Op basis hiervan kan verondersteld worden dat de bedrijvigheid niet leidt tot eventuele hinder bij de woningen in het plangebied. Andersom vindt, vanwege de aanwezigheid van nabijgelegen woningen, geen wijziging plaats in de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. Conclusie

34

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Het initiatief is uitvoerbaar wat betreft het aspect milieuzonering. Vanwege de spuitzone is in de planregels een verplichting opgenomen om een wintergroene haag (een haag die het hele jaar door groen is) aan te leggen. Het in gebruik (laten) nemen van de nieuw te bouwen woning is verboden zonder de aanleg en instandhouding van de haag. De haag is minimaal 2 meter hoog en is minimaal 1 meter diep.

4.7

Verkeer en parkeren

Voor een ruimtelijk project geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een projectvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). Verkeer CROW verstrekt vuistregels en kengetallen om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Er is gebruikgemaakt van CROW publicatie 381 - Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Met het planvoornemen wordt één nieuwe woning toegevoegd. Hoorn is te typeren als sterk stedelijk. Het plangebied is gelegen in de omgeving 'rest bebouwde kom'. Op basis van deze gegevens is de verkeersgeneratie per woning minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. De weg waarop het plangebied is ontsloten, de Dorpsstraat, heeft voldoende capaciteit om deze toename aan te kunnen. Ook het achterliggende fruitbedrijf wordt niet belemmerd in het kader van verkeer en parkeren. Het achterliggende fruitbedrijf heeft elders aan de Dorpsstraat een eigen ontsluiting. Parkeren Voor het aspect parkeren is de Parkeernormennota Hoorn zoals opgenomen in het Paraplubestemmingsplan parkeren & laden en lossen, gehanteerd. Het plangebied is gelegen in de wijk Zwaag.

Een gebied dat zich kenmerkt door een hoog autobezit en is gelegen in de rest bebouwde kom. Voor vrijstaande woningen kan dan ook een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning worden gehanteerd. Conclusie Het voornemen leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie en de parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen erf. Wat betreft verkeerseffecten wordt het voornemen dan ook uitvoerbaar geacht.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader De Wet luchtkwaliteit is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (nibm) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

35

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Toetsing In het projectgebied wordt één woning mogelijk gemaakt. CROW heeft voor verschillende variabelen kencijfers. Er is gebruikgemaakt van CROW publicatie 381 - Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Dit gebied is geclassificeerd als sterk stedelijk en ligt in de rest bebouwde kom. Het gaat om de bouw van één vrijstaande koopwoning. Voor de verkeersgeneratie van de woning is een kengetal van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal opgenomen. Onderzoek nibm-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool kan de toename van de stoffen NO2 en PM10 worden bepaald.

Tabel 4.1: nibm-tool (bron: InfoMil) Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) niet overschrijdt. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk. Onderzoek achtergrondniveau Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2020, welke in maart 2020 zijn gepubliceerd. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilo-metervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof

36

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

(PM2.5 en PM10 ). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM2.5 en PM10 ) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel. Luchtconcentratie

Norm

NO2

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

PM2.5

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

PM10

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Tabel 4.2: Grenswaarden luchtkwaliteitseisen Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat de achtergrondniveaus ter plaatse ruim onder de wettelijke normen blijven. Conclusie Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het besluitgebied zodanig dat de normen voor een goed woonklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

4.9

Water

Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin moet worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het plangebied van het wijzigingsplan ligt binnen het beheersgebied van waterschap Hollands Noorderkwartier. Onderzoek Via de Digitale Watertoets is waterschap Hollands Noorderkwartie van onderhavig plan op de hoogte gebracht. De digitale watertoets is uitgevoerd op 13 april 2021 en opgenomen in Bijlage 5. Het doel van de watertoets is “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”. Het plan heeft een beperkte invloed op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedureworden gevolgd voor de watertoets. Wateradvies korte procedure Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Nieuwbouw woning tussen Dorpsstraat 155 en 155a in het kader van de watertoets. In dit advies staan de maatregelen die Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden.

Op basis van de door de aanvrager/initiatiefnemer ingevoerde gegevens heeft het hoogheemraadschap een aantal opmerkingen. Daarnaast is er een aantal aspecten die het waterschap graag in de uitwerking van het plan verwerkt wil zien. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het

37

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die op onze website te vinden zijn (https://www.hhnk.nl/keur/). Verharding en compenserende maatregelen Uit uw gegevens blijkt dat er geen/slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.

Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het waterschap voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. Het waterschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Tot slot De initiatiefnemer van het plan is zelf verantwoordelijk voor de regeling, financiering en de realisatie van alle maatregelen die voortvloeien uit het plan. Mocht de inhoud van het plan wijzigen, dan verzoekt het waterschap een geactualiseerde versie toe te sturen. Ook ontvangt zij graag een exemplaar van het definitieve en goedgekeurde plan. Conclusie Met inachtneming van bovenstaande is het initiatief uitvoerbaar wat betreft het aspect water.

4.10 Duurzaamheid Landelijke wetgeving Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Hiervoor gelden per 1 januari de BENG-eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Gemeente Hoorn De gemeente Hoorn heeft een duurzame, toekomstbestendige ontwikkeling hoog in het vaandel staan. Het gemeentebestuur heeft uitgesproken in 2040 klimaatneutraal te willen zijn. Ten aanzien van bestaand gebied worden geen regels opgenomen ten aanzien van duurzaamheid. Er wordt vooral gestreefd naar een vrijwillige en gezamenlijke inzet. De bestaande bouw is verantwoordelijk voor een groot deel van het totale

38

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

energiegebruik van Hoorn. De gemeente voert met allerlei belanghebbenden (huurders, particuliere bezitters van woningen en bedrijven, corporaties) gesprekken om te komen tot gezamenlijke oplossingen. Te denken valt hierbij aan ondersteuning in de vorm van subsidies (ook het eenvoudiger aanvragen daarvan), waar mogelijk het soepeler verkrijgen van vergunningen en gezamenlijke aanschaf van duurzame artikelen; denk aan isolatiemateriaal en dergelijke. Door de alsmaar stijgende prijzen van energie zijn de investeringen in duurzame oplossingen steeds sneller terugverdiend. Naast veel aandacht voor energiegebruik is er ook aandacht voor andere duurzame strategieën, zoals het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Daarnaast wordt voor zover mogelijk gestreefd naar gecombineerde ontwikkelingen. Bestemmingsplan In voorliggend bestemmingsplan zijn geen specifieke regels opgenomen ten aanzien van de duurzame energieaspecten. Ruimte wordt geboden aan de aspecten die het vergunningvrij bouwen mogelijk maakt. De beoogde woningbouw in het plangebied wordt conform het meest actuele Bouwbesluit uitgevoerd en zal in ieder geval gasloos worden ingegeven.

4.11 Kabels en leidingen Het is van belang dat de ligging van kabels en leidingen planologisch wordt veiliggesteld. Ook dient het tracé van kabels en leidingen gevrijwaard te blijven van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen en activiteiten die van negatieve invloed kunnen zijn op de functionaliteit van deze kabels en leidingen. In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen die moeten worden meegenomen in onderhavig plan. In directe nabijheid bevindt zich wel een rioolpersleiding. De beschermingszone daarvan reikt echter niet tot in het plangebied. Een dubbelbestemming is dan ook niet van toepassing. De overige kabels en leidingen worden beschermd via de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION).

4.12 Milieueffectrapportage Toetsingskader In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een vorm van m.e.r.-verplichting geldt. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie situaties. Ten eerste zijn activiteiten benoemd waarvoor het maken van een milieueffectrapportage verplicht is en waarvoor altijd een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht). In bijlage C van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-plicht geldt. Ten tweede zijn activiteiten benoemd waarvoor het bevoegd gezag nader moet beoordelen of een m.e.r.-procedure wel of niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Hierbij zijn per type activiteiten drempelwaarden opgenomen. Ten derde moet voor ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven zoals genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r, wel beoordeeld worden of de geplande activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben (vormvrije m.e.r.-beoordeling). Voor deze motivering/toets wordt een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling geschreven.

Uit de aanmeldnotitie kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Voor activiteiten die niet zijn opgenomen in de bijlagen C en D van het Besluit m.e.r geldt geen vorm van een m.e.r. verplichting. Onderzoek De activiteit die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, sluit het beste aan bij onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D 11.2 betreft: 'uitbreiding van een stedelijk

39

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden behorende bij deze categorie worden echter niet overschreden (oppervlakte van 200 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Van belang is echter of het voornemen daadwerkelijk als stedelijk ontwikkelingsproject kan worden aangemerkt. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is niet gedefinieerd in het Besluit m.er. In de toelichting op het Besluit m.e.r zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. In recente uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1879) overweegt de afdeling dat hetgeen in het plan is voozien gelet op de aard en de omvang ervan, niet kan worden aangemerkt als stedelijke ontwikkelingsproject. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel. In deze uitspraak ging het om de realisatie van twee woningen. Met voorliggend voornemen wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Hoorn.

De kenmerken van de omgeving, de huidige inrichting en gebruik maken dat de nieuwe bebouwing en het gebruik niet zijn aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde. Vanwege de ligging in de bebouwde kom en de afstand tot natuurgebieden zijn negatieve effecten op het milieu niet te verwachten. Dit blijkt eveneens uit de verantwoording van de omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen. Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen en is wat betreft het Besluit m.e.r. uitvoerbaar.

4.13 Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister ervoor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Onderzoek Ad. 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor

40

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

kan worden gekeken naar jurisprudentie. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Het initiatief gaat uit van het toevoegen van slechts twee woningen, waardoor de Ladder niet van toepassing is. Conclusie Het initiatief ligt onder de grens van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Dit betekent dat de 'laddertoets' niet van toepassing is op het planvoornemen. Wanneer geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zijn de overige vragen van de Ladder niet meer van toepassing. Ondanks dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling wel worden aangetoond in het kader van de goede ruimtelijke ordening. In de paragrafen van het regionale en gemeentelijke beleid wordt hier nader op ingegaan (paragraaf 3.3 en 3.4).

41

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

42

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Inleiding

Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op grond van de Wro en het Bro. Op grond van artikel 3.1.3 van het Bro moet een bestemmingsplan worden uitgewerkt in: een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven; bestemmingen die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven; regels die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven; voor zover nodig uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsregels. Ook moet op grond van artikel 3.1.6 van het Bro een bestemmingsplan samengaan met een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: een onderbouwing van de in het bestemmingsplan gemaakte keuze van bestemmingen; de resultaten van de (noodzakelijke) voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken; de resultaten van het overleg en de inspraak op grond van artikel 3.1.1 van het Bro. Op grond van artikel 1.2.1 van het Bro (in werking getreden op 1 januari 2010) moet het bestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken moet het bestemmingsplan worden uitgewerkt in een zogenoemde GML. In de GML is er een koppeling tussen de kaart, regels en toelichting (het bestemmingsplan) gemaakt.

Deze koppeling van de kaart, regels en toelichting is de zogenoemde verbeelding van het bestemmingsplan. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden opgesteld overeenkomstig de RO-standaarden: Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten (STRI2012). Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Dit bestemmingsplan is zo opgesteld dat het digitaal beschikbaar gesteld kan worden. Dit betekent dat: alle verschillende onderdelen van de kaart een zogenoemde IMRO2012- code hebben; de digitale kaart is opgesteld volgens de standaardtechniek voor uitwisseling GML; de regels overeenkomstig de SVBP2012 zijn opgesteld; de toelichting en regels digitaal aan de kaart zijn gekoppeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is een deel van de Wro opgenomen in de Wabo. Op grond van de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning ingevoerd. In de omgevingsvergunning worden verschillende vergunningtrajecten (zoals bouwvergunning, milieuvergunning etc.) gebundeld. In artikel 2.1 van de Wabo is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Op grond hiervan is voor een gebruik dat op grond van een bestemmingsplan niet is toegestaan een omgevingsvergunning noodzakelijk.

Door de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor is een aantal begrippen op grond van de Wro vervallen. Deze begrippen worden ook in de SVBP2012 gebruikt. In september 2010 zijn door Geonovum, als beheerder van de RO-standaarden, werkafspraken voor de SVBP2012 uitgegeven. Op basis van deze afspraken is in bestemmingsplannen geen sprake meer van ontheffingen maar van afwijkingen. De in het overgangsrecht opgenomen bouwvergunning is vervangen door een omgevingsvergunning voor het bouwen.

43

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Ondergronds bouwen Het onderhavige bestemmingsplan kent geen specifieke voorschriften voor ondergronds bouwen. Dit betekent niet dat er niet ondergronds gebouwd mag worden. Uit jurisprudentie (onder meer in de uitspraken van 28 februari 1996 in zaak nr. R03.93.2220; BR 1996, p. 562, van 18 september 2002 in zaak nr. 200105060/1 en van 7 mei 2008 in zaak nr. 200706138/1) blijkt dat de regeling voor het bovengrondse bouwen wordt toegepast, wanneer sprake is van ondergrondse bouw. Ook bij het onderhavige plan moeten de planregels, inzake onder meer de toelaatbaarheid van gebouwen en de aard, de situering en de omvang van toegelaten gebouwen, voor het bovengrondse bouwen op overeenkomstige wijze worden toegepast bij ondergrondse bouw.

5.2

Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Ontwerpfase Na aankondiging in het Gemeenteblad en in het Hoorns Nieuwsblad, wordt het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen. Vaststellingsfase Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Gedurende de periode van 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.3

Toelichting op bestemmingsplanregels

5.3.1

Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen zijn in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. 5.3.2

Bestemmingsregels

Het bestemmingsplan kent een aantal bestemmingen, welke hierna worden toegelicht. Agrarisch - Bebouwd De voor 'Agrarisch - Bebouwd' (Artikel 3) aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Aan het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn voorwaarden gesteld. Intensieve veehouderijbedrijven en detailhandel is verboden. Een bedrijfswoning mag uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Per agrarisch bedrijf mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd.

44

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Wonen - Lintbebouwing De voor 'Wonen - Lintbebouwing' (Artikel 4) aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, bed & breakfast of een consumentverzorgende bedrijfsactiviteit. De gebouwen worden binnen een bouwvlak gebouwd. Aan het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn voorwaarden gesteld. Het is verplicht een wintergroene haag (een haag die het hele jaar door groen is) aan te leggen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - haag'. Deze haag is verplicht vanwege de spuitzones; zie paragraaf 4.6. Het in gebruik (laten) nemen van de nieuw te bouwen woning is verboden zonder de aanleg en instandhouding van de haag. De haag is minimaal 2 meter hoog en is minimaal 1 meter diep. Waarde - Archeologie 2 De voor 'Waarde - Archeologie 2' (Artikel 5) aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² geldt een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht. Voor het uitvoeren van een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden geldt eveneens een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht. Hierbij kan worden gedacht aan het verwijderen van bomen en het ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur.

Waarde - Archeologie 5 De voor 'Waarde - Archeologie 5' (Artikel 6) aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m² geldt een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht. Voor het uitvoeren van een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden geldt eveneens een omgevingsvergunning- en onderzoeksplicht. Hierbij kan worden gedacht aan ontgronden en het aanleggen van ondergrondse leidingen. 5.3.3

Algemene regels

In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Deze worden hierna kort toegelicht. Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel (Artikel 7) is om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels (Artikel 8) zijn bouwregels voor bestaande bebouwing opgenomen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels (Artikel 9) is aangegeven welke vormen van gebruik in elk geval wel én niet strijdig zijn met de bestemmingen. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels (Artikel 10) is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing. Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn.

Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd.

45

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Overige regels De overige regels (Artikel 11) bevatten de parkeernormen, om te waarborgen dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

5.3.4

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen in Artikel 12 en Artikel 13. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het bestemmingsplan wordt vastgelegd.

46

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Tevens is een paragraaf over handhaving van het plan toegevoegd.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1

Participatie

Initiatiefnemer heeft persoonlijk gesproken met de inwoners van de buurt over het bouwplan. Geen van de buren hebben vooraf te kennen gegeven bezwaar te hebben tegen het voorgenomen bouwplan. Initiatiefnemer zal de buren op de hoogte houden over de voortgang. Zij zijn globaal geïnformeerd over de randvoorwaarden die zullen worden gehanteerd inzake de bouw, het parkeren, de inrit en de rooilijn. De boom naast nummer Dorpsstraat 155 blijft behouden. 6.1.2

Vooroverleg

Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Bro) aan de provincie, het waterschap en andere vooroverleginstanties voorgelegd. De ingekomen reacties hebben geleid tot enkele ondergeschikte aanpassingen in het bestemmingsplan. 6.1.3

Zienswijzen

In het kader van de te voeren planologische procedure wordt het nieuwe bestemmingsplan gepubliceerd in het 'Hoorns Nieuwsblad'. Daarna wordt het ontwerp van het bestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd in het stadhuis van Hoorn. Het plan is dan ook raadpleegbaar op de website van de gemeente Hoorn (www.hoorn.nl) en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens genoemde periode kan iedereen een zienswijze indienen over het bestemmingsplan. De resultaten hiervan worden te zijner tijd verwerkt.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor dit bestemmingsplan en de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen worden gedragen door de ontwikkelaar. Dat wordt contractueel in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar vastgelegd. De overeenkomst wordt vóór vaststelling van het bestemmingsplan in de raad door beide partijen getekend. Grondexploitatie Artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht de gemeenteraad in een aantal, in artikel 6.2.1 van het Bro aangewezen gevallen tot het vaststellen van een exploitatieplan, tenzij de uitzondering van artikel 6.12 lid 2 van de Wro zich voordoet. Volgens die bepaling kan de gemeenteraad besluiten om van het vaststellen van een exploitatieplan af te zien als het verhaal van de exploitatiekosten anderszins is verzekerd, er geen noodzaak is de ontwikkeling te faseren en er geen noodzaak is om via een exploitatieplan eisen te stellen aan onder meer het bouwrijp maken van gronden of de inrichting van de openbare ruimte. Wat verhaalbare kosten zijn vloeit voort uit artikel 6.13 Wro. De kosten voor het voorliggende bestemmingsplan zijn anderszins verzekerd, namelijk via een anterieure overeenkomst. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk.

47

bestemmingsplan Dorpsstraat 155 Zwaag

6.3

Handhaving

Het beleid en de doelstellingen van het bestemmingsplan kunnen alleen worden gerealiseerd wanneer het bestemmingsplan ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt. Dit houdt in ieder geval in dat het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op illegale bouwwerken en gebruiksvormen en er tijdens bouwwerkzaamheden gecontroleerd wordt dat er gebouwd wordt overeenkomstig de verleende vergunning(en). De gemeente zal hiervoor zorg dragen. Deze werkzaamheden passen binnen het handhavingsbeleid van de gemeente en kunnen binnen de bestaande structuren worden uitgevoerd. De handhaving is gediend met een goed en duidelijk bestemmingsplan. Dit voorkomt immers misverstanden en interpretatiekwesties. Om deze reden is in dit plan gekozen voor gerichte bestemmingen én een duidelijke formulering van de regels. Bovendien bevat de toelichting een heldere beschrijving van het plan en van de regels. De regelingen in het bestemmingsplan zijn mede met het oog op een goede handhaving gemaakt. De regelingen sluiten aan op andere nieuwe bestemmingsplannen in de gemeente. Gemeente, bouwbedrijven en opdrachtgevers hebben in het kader van de handhaving ieder hun eigen verantwoordelijkheid.

Zo heeft de gemeente, naast de toezichthoudende taak, eveneens de taak om alle betrokken partijen van de juiste bestemmingsplaninformatie te voorzien en om een ieder aan te sporen het bestemmingsplan op een juiste manier uit te voeren. Particulieren en bouwbedrijven dienen de gemaakte afspraken en omgevingsvergunningen voor het bouwen na te komen en ook de opdrachtgevers dienen zich aan de spelregels te houden. Wat betreft het toezicht en de controle op de regelingen en vergunningen in relatie tot waterstaatkundige zaken, zoals de schouw op sloten, geldt dat hier de verantwoordelijkheid primair bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ligt.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=093de6c0-a2ea-44b5-974a-29228ccd3fe2