CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - (Concept) ontwerpbestemmingsplan 'Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3’

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente HoornBij agendapunt: Aanpassing procedure bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter 3 in Blokker en het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan (1880181)17.813 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit betekent dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat overlegd moet worden op welke wijze in het plan rekening kan worden gehouden met de waterhuishoudkundige belangen. Zie bijlage 6 en 7 voor de volledige adviezen. Het perceel aan de Koewijzend 7 bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het hoogheemraadschap maar valt buiten de beschermingszone. Dit houdt in dat geen directe beperkingen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het opnemen van een vrijwaringszone of dubbelbestemming in het plangebied is niet noodzakelijk. Conclusie Voor het overige is het planvoornemen voor beide percelen wat betreft het aspect water uitvoerbaar.

4.10 Duurzaamheid Landelijke wetgeving Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Het beleid is erop gericht dat de EPC-eis in het Bouwbesluit per 31 december 2020 dichtbij nul komt te liggen, oftewel bijna-energieneutraal. De eis wordt vanaf 2020 op andere wijze bepaald, maar komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2. De huidige eis is een EPC van 0,4. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Gemeente Hoorn De gemeente Hoorn heeft een duurzame, toekomstbestendige ontwikkeling hoog in het vaandel staan. Het gemeentebestuur heeft uitgesproken in 2040 klimaatneutraal te willen zijn. Ten aanzien van bestaand gebied worden geen regels opgenomen ten aanzien van duurzaamheid. Er wordt vooral gestreefd naar een vrijwillige en gezamenlijke inzet. De bestaande bouw is verantwoordelijk voor een groot deel van het totale energiegebruik van Hoorn.

De gemeente voert met allerlei belanghebbenden (huurders, particuliere bezitters van woningen en bedrijven, corporaties) gesprekken om te komen tot gezamenlijke oplossingen. Te denken valt hierbij aan ondersteuning in de vorm van subsidies (ook het eenvoudiger aanvragen daarvan), waar mogelijk het soepeler verkrijgen van vergunningen en gezamenlijke aanschaf van duurzame artikelen; denk aan isolatiemateriaal en dergelijke. Door de alsmaar stijgende prijzen van energie zijn de investeringen in duurzame oplossingen steeds sneller terugverdiend. Naast veel aandacht voor energiegebruik is er ook aandacht voor andere duurzame strategieën, zoals het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Daarnaast wordt voor zover mogelijk gestreefd naar

32

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

gecombineerde ontwikkelingen. Bestemmingsplan Het bestemmingsplan is een instrument waarin enkele duurzame energie aspecten geregeld kunnen worden. Zo kunnen in de planregels en/of op de verbeelding randvoorwaarden voor passieve en actieve zonne-energie als zuidoriëntatie van bebouwing, dakhellingen, nokrichtingen en onderlinge oriëntatie van bebouwing ter vermijding van schaduwwerking worden vastgelegd. Opwekken van duurzame energie is in kleinschalige (niet milieuhinderlijke) vorm toegestaan. De plaatsing van zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen is mogelijk. Kleinschalige vormen van opwekking van duurzame energie zijn toegestaan. De plaatsing van windturbines is binnen de regels van het bestemmingsplan niet mogelijk. De plaatsing van kleine (gebouwgebonden) windmolens is mogelijk als vaststaat dat deze geen hinder voor de omgeving opleveren. Met dit planvoornemen worden geen nieuw ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

4.11 Kabels en leidingen Het is van belang dat de ligging van kabels en leidingen planologisch wordt veiliggesteld. Ook dient het tracé van kabels en leidingen gevrijwaard te blijven van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen en activiteiten die van negatieve invloed kunnen zijn op de functionaliteit van deze kabels en leidingen. In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen die moeten worden meegenomen in onderhavig plan. In directe nabijheid bevindt zich wel een rioolpersleiding. De beschermingszone daarvan reikt echter niet tot in het plangebied. Een dubbelbestemming is dan ook niet van toepassing. De overige kabels en leidingen worden beschermd via de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION).

4.12 Milieueffectrapportage Op 1 april 2017 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Het aantal situaties waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht moet worden uitgevoerd, is verminderd. Er zijn nu meer situaties waar eerst beoordeeld moet worden of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Wanneer deze beoordeling aan de orde is, dient deze te worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie waarbij door middel van de in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU opgenomen punten wordt toegelicht wat er precies gaat gebeuren. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee woningen. Het bestemmingsplan geeft geen aanleiding voor een vervolgonderzoek in het kader van een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling. Nu deze beoordeling niet aan de orde is, hoeft deze ook niet te worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie.

33

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

34

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Inleiding

Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op grond van de Wro en het Bro. Op grond van artikel 3.1.3 van het Bro moet een bestemmingsplan worden uitgewerkt in: een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven; bestemmingen die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven; regels die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven; voor zover nodig uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsregels. Ook moet op grond van artikel 3.1.6 van het Bro een bestemmingsplan samengaan met een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: een onderbouwing van de in het bestemmingsplan gemaakte keuze van bestemmingen; de resultaten van de (noodzakelijke) voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken; de resultaten van het overleg en de inspraak op grond van artikel 3.1.1 van het Bro. Op grond van artikel 1.2.1 van het Bro (in werking getreden op 1 januari 2010) moet het bestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken moet het bestemmingsplan worden uitgewerkt in een zogenoemde GML. In de GML is er een koppeling tussen de kaart, regels en toelichting (het bestemmingsplan) gemaakt.

Deze koppeling van de kaart, regels en toelichting is de zogenoemde verbeelding van het bestemmingsplan. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden opgesteld overeenkomstig de RO-standaarden: Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten (STRI2012). Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Dit bestemmingsplan is zo opgesteld dat het digitaal beschikbaar gesteld kan worden. Dit betekent dat: alle verschillende onderdelen van de kaart een zogenoemde IMRO2012- code hebben; de digitale kaart is opgesteld volgens de standaardtechniek voor uitwisseling GML; de regels overeenkomstig de SVBP2012 zijn opgesteld; de toelichting en regels digitaal aan de kaart zijn gekoppeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is een deel van de Wro opgenomen in de Wabo. Op grond van de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning ingevoerd. In de omgevingsvergunning worden verschillende vergunningstrajecten (zoals bouwvergunning, milieuvergunning etc.) gebundeld. In artikel 2.1 van de Wabo is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Op grond hiervan is voor een gebruik dat op grond van een bestemmingsplan niet is toegestaan een omgevingsvergunning noodzakelijk.

Door de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor is een aantal begrippen op grond van de Wro vervallen. Deze begrippen worden ook in de SVBP2012 gebruikt. In september 2010 zijn door Geonovum, als beheerder van de RO-standaarden, werkafspraken voor de SVBP2012 uitgegeven. Op basis van deze afspraken is in bestemmingsplannen geen sprake meer van ontheffingen maar van afwijkingen. De in het overgangsrecht opgenomen bouwvergunning is vervangen door een omgevingsvergunning voor het bouwen.

35

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

5.2

Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Ontwerpfase Na aankondiging in de Staatscourant en in één of meer plaatselijke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, wordt het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen. Vaststellingsfase Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Gedurende de periode van 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.3

Regeling voor bijbehorende bouwwerken

De invoering van het Besluit Quickwins (BQw) heeft onder andere tot aanpassing van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) geleid. In bijlage II van het Bor is het vergunningsvrij bouwen geregeld (artikel 2 en 3). Daarnaast is in artikel 4 van bijlage II de kruimellijst opgenomen. Met lid 9 van dit artikel kunnen functieveranderingen met een omgevingsvergunning op basis van de reguliere procedure (korte procedure) worden gerealiseerd. Met de invoering van het BQw zijn deze mogelijkheden verruimd. Hierna is aangegeven hoe met de aanpassing van het Bor wordt omgegaan en hoe het voorliggend bestemmingsplan hierop is afgestemd. Nieuwe aanvragen voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 4, bijlage II Bor worden vanaf 1 november 2014 individueel afgewogen. De aanvragen moeten in ieder geval zijn voorzien van: een omschrijving van het planvoornemen en kaart op schaal; een onderbouwing van nut en noodzaak; alle relevante omgevingsaspecten moeten zijn onderzocht. Hoewel het kan gaan om functieveranderingen binnen een bestaand gebouw, moet toch in alle gevallen aandacht worden besteed aan ruimtelijke kwaliteit omdat ook de uitstraling van het erf relevant is. een omschrijving van de maatschappelijke en economische haalbaarheid (indien van toepassing, afhankelijk van bouwplan).

Concreet in dit bestemmingsplan BEGRIPSBEPALINGEN EN BIJGEBOUWEN REGELING In de begripsbepalingen zijn de relevante begrippen overgenomen die in bijlage II van het Bor worden gebruikt, zoals achtererfgebied en bebouwingsgebied. Een eenduidig begrippenstelsel is belangrijk uit het oogpunt van helderheid richting de burger. Ook voor de toepassing door plantoetsers is een eenduidig begrippenkader van belang. Omdat in het Bor wordt verwezen naar de rooilijn, zoals deze in het bestemmingsplan is omschreven, is in

36

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

de regels van dit bestemmingsplan een begripsbepaling opgenomen van voorgevelrooilijn. De regeling voor bijbehorende bouwwerken in het bestemmingsplan ziet op een verwijzing naar de regeling voor vergunningsvrij bouwen zoals die is opgenomen in artikel 2, bijlage II Bor dan wel de geldende regeling op het moment van aanvraag omgevingsvergunning. REGELING ANDERE BOUWWERKEN Het vergunningsvrij bouwen voorziet in een gedifferentieerd aantal andere bouwwerken, bijvoorbeeld: tuinmeubilair: tot 2,5 m; sport- of speeltoestellen: tot 2,5 m; erf- of perceelafscheidingen: 1 of 2 m; vlaggenmasten: tot 6 m. In de woonbestemming van het bestemmingsplan zijn specifiek voor perceel- en erfafscheidingen bouwmogelijkheden tot 1 en 2 m opgenomen. AFWIJKINGSMOGELIJKHEDEN EN WIJZIGINGSBEVOEGDHEDEN TEN AANZIEN VAN GEBRUIK Gezien de tegenwoordige tijd waarin veel vastgoed van functie verandert, is een wens om onder voorwaarden afwijkend gebruik toe te staan (in vrijkomende gebouwen). Nu het Bor voorziet in vrij ruime mogelijkheden op dit punt, wil de gemeente geen binnenplanse afwijkingen of wijzigingsbevoegdheden meer mogelijk maken in het bestemmingsplan. Als er nieuwe invullingen komen die verder reiken dan de nieuwe kruimelgevallenregeling, is dat vaak ingrijpender voor de omgeving.

Een dergelijke aanvraag kan dan in de vorm van een buitenplanse afwijking (oftewel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 2 Wabo) of een postzegelbestemmingsplan worden vormgegeven. VERANDERINGEN IN VERBAND MET LIBERALISERING BELEID TEN AANZIEN VAN MANTELZORGWONINGEN Door de nieuwe wet- en regelgeving wordt het mogelijk om, vergunningsvrij, in een bijbehorend bouwwerk een mantelzorgwoning te hebben bij een hoofdgebouw. Dit is een tijdelijke situatie die voortduurt tot de noodzaak van mantelzorg eindigt. In geen geval wil de gemeente dat deze bijbehorende bouwwerken worden benut voor een zelfstandige permanente woning. Voor recreatief gebruik dient te worden voldaan aan de beleidsuitgangspunten voor een bed & breakfast (zie paragraaf 3.3). Dit betekent dat deze mogelijkheid bestaat voor de woningen binnen de woonbestemmingen voor grondgebonden woningen.

5.4

Toelichting op de bestemmingen

Dit plan is er op gericht om een planologisch kader te geven voor het gewijzigde planonderdeel. Hieronder worden de bestemmingen die in het plan zijn opgenomen kort besproken. 'Tuin' De bestemming 'Tuin' is opgenomen bij Koewijzend 7. Dit perceel mag uitsluitend worden gebruikt als tuin. Dit houdt onder meer in dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd, passend bij de functie tuin. 'Water' Het water in het plangebied is als zodanig bestemd. Dit water heeft een structurele betekenis voor berging en afvoer van hemelwater. Ook in deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. 'Wonen'

37

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

De bestemming 'Wonen' geldt voor het grootste deel van het plangebied en vindt aansluiting bij het bestemmingsplan 'Bangert en Oosterpolder fase 3-west en 4a'. Binnen de bouwvlakken is het bestaand aantal woningen toegestaan. Als er nog geen woning is gebouwd, dan is er een aanduiding "maximum aantal wooneenheden" opgenomen zodat er alsnog een woning gebouwd mag worden. Voor de bouw van bijbehorende bouwwerken wordt verwezen naar de regeling voor het omgevingsvergunningvrije bouwen zoals toegestaan in bijlage II, artikel 2 van het Besluit omgevingsrecht. Naast de woonfunctie is ook kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep of een consumentverzorgende bedrijfsactiviteit toegestaan. Voor de hoofdgebouwen zijn de bouwmogelijkheden op de verbeelding per bouwvlak aangegeven. 'Waarde - Archeologie 5' De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ voorziet in een invulling van het archeologiebeleid. Deze bestemming is een aanvulling op de andere bestemmingen. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte die de van de bestemming afhankelijke drempelwaarde van 10.000 m2 overschrijdt, moet een omgevingsvergunning voor het bouwen worden gevraagd. Hierbij moet een rapport over de archeologische waarde van de gronden worden overlegd. Op grond van dat rapport kan het bevoegd gezag voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden.

Een rapport over de archeologische waarde van de gronden moet worden overlegd voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.

Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is een omgevingsvergunning vereist. De vergunning is niet vereist voor het normale onderhoud, gebruik en beheer. Onder voorwaarden kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden verleend. 'Waarde - Cultuurhistorie' Deze bestemming is gericht op de cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied. Die elementen zijn beschreven in paragraaf 4.3 van deze plantoelichting. Deze bestemming is een aanvulling op de andere bestemmingen. Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is een omgevingsvergunning vereist. De vergunning is niet vereist voor het normale onderhoud, gebruik en beheer. Onder voorwaarden kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden verleend. In het plangebied hebben de aanwezige karakteristieke waterlopen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' toegekend gekregen. Overig In hoofdstuk 3 van de regels zijn de algemene regels van het plan opgenomen. Hierin staat de anti-dubbeltelregel vermeld. De anti-dubbeltelregel voorziet in het tegengaan van oneigenlijk gebruik van de bestemmingsregels. De Algemene bouwregels regelen het feit dat de bestaande situatie, ziende op afwijkende maatvoering van bouwwerken, is toegestaan.

De algemene gebruiksregels bevatten algemene bepalingen voor het gebruik. Ook de Algemene afwijkingsregels zijn in dit hoofdstuk ondergebracht. De Algemene afwijkingsregels hebben betrekking op alle in het plan opgenomen bestemmingen. In de Overige regels is het parkeerbeleid van de gemeente Hoorn opgenomen. In hoofdstuk 4 van de regels zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze zijn opgenomen in overeenstemming met de in het Bro voorgeschreven tekst.

38

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f, Bro bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Tevens is een paragraaf over handhaving van het plan toegevoegd.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg Het planvoornemen is in het kader van het wettelijk vooroverleg (3.1.1 Bro) voorgelegd aan de provincie Noord-Holland. Daarnaast heeft de initiatiefnemer omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en hen de gelegenheid gegeven om gedurende 6 weken een reactie te geven. Zowel de provincie als omwonenden hebben tijdens deze periode geen bezwaren geuit op het planvoornemen. In Bijlage 8 zijn beide documenten opgenomen. Ter inzage legging In het kader van de te voeren planologische procedure wordt het voornemen om het bestemmingsplan te herzien, gepubliceerd in het 'Hoorns nieuwsblad'. Aansluitend wordt het ontwerp van het bestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd in het stadhuis van Hoorn. Het plan is dan ook raadpleegbaar op de website van de gemeente Hoorn (www.hoorn.nl) en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens genoemde periode kan iedereen een zienswijze indienen over het bestemmingsplan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Met de in hoofdstuk twee beschreven ontwikkelingen zijn kosten gemoeid. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen de gemeente en belanghebbenden.

6.3

Exploitatieplan

De Grondexploitatiewet stelt als onderdeel van de Wro een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan bestemmingsplannen. Een zogenaamd exploitatieplan maakt verplicht deel uit van het bestemmingsplanproces, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. De kosten voor het voorliggende bestemmingsplan zijn anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk.

6.4

Handhaving

Het beleid en de doelstellingen van het bestemmingsplan kunnen alleen worden gerealiseerd wanneer het bestemmingsplan ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt. Dit houdt in ieder geval in dat het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op illegale bouwwerken en gebruiksvormen en er tijdens bouwwerkzaamheden gecontroleerd wordt dat er gebouwd wordt overeenkomstig de verleende vergunning(en). De gemeente zal hiervoor zorg dragen. Deze werkzaamheden passen binnen het handhavingsbeleid van de gemeente en kunnen binnen de bestaande structuren worden uitgevoerd. De handhaving is gediend met een goed en duidelijk bestemmingsplan. Dit voorkomt immers misverstanden en interpretatiekwesties. Om deze reden is in dit plan gekozen voor gerichte bestemmingen én een duidelijke formulering van de regels. Bovendien bevat de toelichting een heldere beschrijving van het plan en van de regels. De regelingen in het bestemmingsplan zijn mede met het oog op een goede handhaving gemaakt. De regelingen sluiten aan op andere nieuwe bestemmingsplannen in de gemeente. Gemeente, bouwbedrijven en opdrachtgevers hebben in het kader van de handhaving ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Zo heeft de gemeente, naast de toezichthoudende taak, eveneens de taak om alle betrokken partijen van

39

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

de juiste bestemmingsplaninformatie te voorzien en om een ieder aan te sporen het bestemmingsplan op een juiste manier uit te voeren. Particulieren en bouwbedrijven dienen de gemaakte afspraken en omgevingsvergunningen voor het bouwen na te komen en ook de opdrachtgevers dienen zich aan de spelregels te houden. Wat betreft het toezicht en de controle op de regelingen en vergunningen in relatie tot waterstaatkundige zaken, zoals de schouw op sloten, geldt dat hier de verantwoordelijkheid primair bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ligt.

40

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Bijlagen bij de toelichting

41

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

42

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Bijlage 1 Bodemonderzoek Koewijzend 3

43

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Bijlage 2 Bodemonderzoek Koewijzend 7

59

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

76

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Bijlage 3 Advies Erfgoed

77

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

Document

Cultuurhistorisch Advies

Plangebied

Bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7, Zwaag, gemeente Hoorn

Adviesnummer

19162

Opsteller(s)

B.E.R. Bex & C.M. Soonius (regio-archeoloog)

Datum 12-09-2019 Cultuurhistorisch Advies 1.

Aanleiding

Op verzoek van de gemeente Hoorn (mevr. C. Plat) is gekeken naar het archeologische en cultuurhistorische aspect met betrekking tot het Bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 in Zwaag, gemeente Hoorn. In onderstaande tekst worden allereerst stukken met betrekking tot de paragraaf Archeologie en Cultuurhistorie uiteengezet. Daarna volgen de stukken die kunnen worden ingepast in het hoofdstuk Beleidskader. Aan het eind van dit document staan de regels Waarde-Archeologie en Waarde-Cultuurhistorie verwoord. 2.

Plangebied

Het bestemmingsplangebied Koewijzend 3 en 7 liggen aan de Koewijzend.1

Afbeelding 1. Plangebied Koewijzend 3 en 7 op topografische kaart (bron: PDOK).

1

NL.IMRO.0405.BPKoewijzend3en7-co01 (www.ruimtelijkeplannen.nl). Pagina 1 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

Afbeelding 2. Ligging plangebied Koewijzend 3 en 7 op Kadastrale minuut uit 1823.

Afbeelding 3. Ligging plangebied Koewijzend 3 en 7 op landgebruik van de kadastrale Minuut uit 1823 (bron: HISGIS). Pagina 2 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

Afbeelding 4. Plangebied Koewijzend 3 en 7 op de cultuurhistorische informatiekaart. Alle elementen moeten op de verbeelding als Waarde-cultuurhistorie worden ingetekend.

3.

Cultuurhistorie en Archeologie

Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen in het dorp Zwaag. De bewoningsgeschiedenis van Zwaag gaat terug tot de tweede helft van de twaalfde eeuw toen het gebied werd ontgonnen. Voor die tijd was het veengebied nat en daarom ontoegankelijk. Omdat er geen historische bronnen over het dorp uit deze periode zijn is de datering van de bewoning gebaseerd op archeologisch onderzoek. De verkaveling van het gebied ten noorden van de stad Hoorn is ontstaan vanuit de kreekruggen, die na inklinking van het getijdengebied, als de hogere delen in het landschap achterbleven. De wegen werden loodrecht op de (oost-west gelegen) kreekruggen aangelegd en zouden leiden tot de zo voor de gemeente Hoorn zo kenmerkende linten. Het dorp Zwaag was aan alle zijden voorzien van een dijk: de Zwaagdijk in het noorden, de Rijsdam (nu het Keern) in het westen, een kade langs de Wijzend in het zuiden en een kade langs de Dracht in het oosten De eerste inwoners van Zwaag vestigden zich op kleine terpjes aan weerszijden van het lint, de huidige Dorpsstraat. Het gebied werd gefaseerd in cultuur gebracht. Hiertoe werd een “blok” land voorzien van kades waarna vanuit een ontginningsas sloten werden gegraven naar een waterloop, waardoor het gebied was ingedeeld in de kenmerkende lange smalle stroken die in noordwestzuidoost richting liepen haaks op de Dorpsstraat.

Afvoer van het water vond plaats aan de oostkant van het gebied via de Drecht in de Zuiderzee. In het lager gelegen, natte zeekleigebied werden de gronden werden extensiever gebruikt. De bewoners van Zwaag hielden zich daar vooral bezig met veeteelt en het gebied werd vooral gebruikt als weidegebied. Dit blijkt ook uit de naam Zwaag, wat in het Oudfries betrekking had op de omheining van een weide. Aan het eind van de vijftiende eeuw was de hoeveelheid vee per Pagina 3 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

huishouden erg laag en konden de inwoners van Zwaag waarschijnlijk niet uitsluitend van de veehouderij rondkomen. Vanaf de vijftiende eeuw veranderden daarom sommige weilanden in boomgaarden, zoals ook hier het geval was. Het lint Koewijzend-Bangert was oorspronkelijk tussen een dubbele watergang gelegen, die zorgde voor de afwatering van het gebied tussen de Dorpsstraat en Westerblokker. Tegenwoordig is de bebouwing van Koewijzend-Bangert grotendeels omgeven door uitbreidingswijken van Zwaag en Blokker en is slechts de wetering (de Wijzend) aan de noordzijde overgebleven. Het profiel van het lint is over de gehele lengte vrij eenduidig (een brede wetering aan de noordzijde, waarachter de bebouwing recht op de kavel staat). Perceel Koewijzend 3 Het pand aan de Koewijzend 3 is gemeentelijk monument en is in 1915 gebouwd als personeelswoning door de heer Balk (wonende aan de Koewijzend 5) voor de huisvesting van zijn werknemer. Het vermoeden bestaat dat er voor de bouw van de woning geen pand op deze locatie stond. Op de kadastrale minuut van 1824 is het hele gebied nog leeg. Het pand heeft architectuuren cultuurhistorische waarden en stedenbouwkundige waarde als beeldbepalend onderdeel van het dorpslint van Zwaag met zijn karakteristieke lintbebouwing van stolpen en tuinderswoningen.

Er is vooral sprake van vrijstaande (historische) bebouwing en er nog een duidelijke verwijzing is naar het oorspronkelijke agrarische karakter. De bebouwing is terug gelegen gepositioneerd op ruime kavels omgeven door erfbeplanting. Dat is hier ook aan de orde. Het vrijstaande pand is gelegen op een lange smalle maar ruime kavel, omgeven door kavelsloten. De kavelsloten hebben hoge cultuurhistorische waarden. Het achtererf is groen van karakter. In dit geval wordt het perceel gesplitst en wordt een tweede bouwkavel gepositioneerd aan de achterzijde van de kavel. Met het splitsen van de kavel mogen de cultuurhistorische- en monumentale waarden niet worden aangetast. Dit betekent dat de beleving van het pand dat vrij op een ruime kavel in stand moet worden gelaten. Koewijzend 7 Daarnaast is er het plan om een bouwvlak toe te voegen aan de linkerzijde van de woning Koewijzend 7. De kavel behoort als zij-erf bij de woning en is groen van karakter. Waarschijnlijk is het perceel nooit bebouwd. Op de kadastrale minuut van 1824 is het hele gebied van de Koewijzend nog leeg. Hoewel de kavels steeds meer worden ingevuld is het lint van de Koewijzend op deze plek nog steeds landelijk en ruim van opzet. Er is vooral sprake is van vrijstaande (historische) bebouwing en er nog een duidelijke verwijzing is naar het oorspronkelijke agrarische karakter.

De bebouwing is terug gelegen gepositioneerd op ruime kavels omgeven door erfbeplanting. Dat is hier ook aan de orde. Een eventuele woning op deze kavel zou kunnen, vooral omdat de Koewijzend een jong lint is waar steeds meer kavels werden opgevuld. De kavel dient dan wel ontsloten te worden vanuit de Koewijzend middels een toegangsbrug. Historische waterwegen Binnen het plangebied zijn nog duidelijk de sporen zichtbaar van de geschiedenis en de oorspronkelijke functie van het gebied. De sloten die dwars op de Koewijzend liggen en de oorspronkelijke grenzen van de oude perceelindelingen markeerden, laten nog steeds de eenheid van het gebied zien en de herleidbaarheid naar het verleden. Zij vertegenwoordigen dan ook hoge cultuurhistorische waarden. Behoud van het patroon van de sloten is van belang voor het aanzicht van het lint en moet als vorm herkenbaar blijven en versterkt worden in het landschap en moeten op verbeelding en in regels dan ook tevens de Waarde-Cultuurhistorie krijgen. Voor wat betreft de Koewijzend 7 zou de oorspronkelijke waterweg weer terug moeten worden gebracht om de historische context weer te versterken. Hierbij zou er een talud moeten worden aangebracht en geen beschoeiing.

Pagina 4 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

Afbeelding 5. Plangebied Koewijzend 3 en 7 op de beleidskaart archeologie

Archeologie Het plangebied Koewijzend 3 en 7 ligt buiten de historische lintbebouwing langs de Bangert. Op de beleidskaart archeologie (afbeelding 5) staat aangegeven vanaf welke omvang het aspect archeologie dient te worden meegewogen. Voor onderhavig plangebied geldt een vrijstellingsgrens 10.000 m2. Het gaat hierbij dus om het graven van wegcunetten, sloten en waterpartijen. De bouw van woningen op de kavels levert naar verwachting geen aanvullende informatie op over de bewoningsgeschiedenis van het plangebied. 4.

Tekst voor hoofdstuk Beleidskader

Rijksbeleid archeologie en cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande weten regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2020 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Pagina 5 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo’n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen.

Provinciaal beleid archeologie en cultuurhistorie Structuurvisie 2040 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de ‘Structuurvisie 2040 Noord-Holland 2040 –Kwaliteit door veelzijdigheid’. Archeologie is daarin aangewezen als één van de kernkwaliteiten van het landschap. Daarnaast gaat de provincie Noord-Holland uit van een ontwikkelingsgerichte benadering, omdat ook tegenwoordige ruimtelijke ontwikkelingen het landschap vormen, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met de bestaande (historische) kenmerken van het landschap. In de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie heeft de provincie regels geformuleerd omtrent de inhoud van en de toelichting in bestemmingsplannen als er sprake is van provinciaal belang. In een bestemmingsplan moet bijvoorbeeld duidelijk omschreven worden hoe er omgegaan wordt met de cultuurhistorische objecten (waaronder archeologische waarden). De provincie speelt een belangrijke rol op het gebied van ruimtelijke ordening. Door haar ruimtelijk beleid bepaalt de provincie in belangrijke mate hoe de ruimte in Noord-Holland wordt ingericht.

In het licht van de WRO spitst de provinciale rol vanuit cultuur en cultuurhistorie in de ruimtelijke inrichting zich toe op drie terreinen, daar waar de provincie: Haar cultuurhistorische provinciaal belang heeft gedefinieerd in de Structuurvisie; Wettelijk bevoegd gezag is bij ingrepen die een relatie hebben met cultuurhistorie, bijvoorbeeld bij ontgrondingen of de aanleg van provinciale wegen; Initiatiefnemer is bij projecten van het Rijk een (beschermende) taak hebben verkregen, zoals bij de nationale landschappen en Unesco-gebieden. Op provinciaal niveau is het beleidskader en de leidraad Landschap en Cultuurhistorie van belang voor onderhavig bestemmingsplangebied. Beleidskader en Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland. Deze vernieuwde leidraad is een uitwerking van het in 2006 vastgestelde Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie, dat werd gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen. Daarnaast bood het handreikingen aan gemeenten om landschap en cultuurhistorie als uitgangspunt te gebruiken bij planvorming. De provincie Noord-Holland heeft 10 archeologische gebieden van provinciaal belang gedefinieerd. Het plangebied ligt in een dergelijk gebied: West-Friesland.

Als in gebieden van provinciaal belang het maatschappelijk belang dusdanig groot is dat waardevolle archeologische vindplaatsen aangetast moeten worden, vraagt de provincie aan te geven op welke wijze archeologische Pagina 6 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

waarden door compenserende maatregelen in het plan zijn ondergebracht. Bovendien vraagt de provincie de aanwezige waarden te benutten bij de inrichting van een gebied. Het archeologiebeleid van de provincie Noord-Holland is primair gericht op het behouden van de archeologische waarden in de bodem. Dit is geheel in de ‘geest’ van het Verdrag van Malta. Gemeentelijk archeologiebeleid In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een nieuwe Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn (Corsaregistratienummer: 12.49690). Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om ‘rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden’. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving.

De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Het bestemmingsplangebied Koewijzend 3 en 7 kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemming: -

Waarde-Archeologie 5: archeologisch belang betrekken bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm –Mv. In deze gebieden heeft nog geen uitgebreid archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Alleen bij grotere bodemingrepen is het van belang dat er een Quickscan wordt vervaardigd;

Pagina 7 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

Regels Waarde – Archeologie en Waarde – Cultuurhistorie Artikel ** Waarde – Archeologie 5 **.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

 het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. **.2 Bouwregels **.2.1 Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m², moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. **.2.2 Indien uit het in lid **.2.1, genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

**.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden **.3.1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het uitvoeren van overige grondbewerkingen; c. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; d. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen. **.3.2 Het bepaalde in lid **.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 0,40 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1000 m² beslaan.

Pagina 8 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

**.3.3 De in lid **.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. **.3.4 Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. **.3.5 Indien uit het in lid **.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel X Waarde - Cultuurhistorie X.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn, naast de andere aangewezen bestemming, bestemd voor: het behoud, herstel en de uitbouw van de in dit bestemmingsplan aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. X.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden X.2.1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: a. het aanleggen, verbreden, verleggen of verharden van wegen en paden; b. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het wijzigen van de profielindeling van wegen en paden; d. het dempen of wijzigen van watergangen; e. het wijzigen van de aanleg van de begraafplaats of wijzigen of verwijderen van cultuurhistorisch waardevolle grafstenen; f. het verwijderen c.q. wijzigen van karakteristieke hekwerken en hekpijlers, gevelstoepen en stoeppalen en aan de gevel bevestigde luiken en/of ornamenten/versieringen. X.2.2 Het in lid X.2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. X.2.3 De in lid X.2.1 genoemde vergunning zal uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de in lid X.1 bedoelde waarden.

Pagina 9 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

X.2.4 Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel X.2.1 wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de Commissie voor monumenten en welstand. X.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk X.3.1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de in dit bestemmingsplan cultuurhistorisch waardevol aangemerkte bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen. X.2.2 Het in lid X.2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; c. ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het bevoegd gezag moeten worden uitgevoerd; d. ingevolge het bepaalde in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 vergunningplichtig zijn; e. ingevolge de Erfgoedverordening van de gemeente Hoorn vergunningplichtig zijn.

X.3.3 De in lid X.3.1 genoemde vergunning zal uitsluitend worden verleend indien:  de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; of  het delen van een pand betreft, die op zichzelf niet als waardevol zijn aan te merken, en door het verwijderen daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke waarden plaatsvindt.  de aanvrager informatie overlegt waaruit, naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord;  omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend voor: 1. een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk of 2. voor het verbouwen van het bouwwerk. X.3.4 Het bevoegd gezag kan, vanuit bouwhistorisch of cultureel-historisch belang, een bouwhistorisch- en/of een cultuurhistorisch rapport eisen waarin bouwhistorische- en/of cultuurhistorische waarden worden gedocumenteerd. X.3.5 Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel X.2.1 wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de Commissie voor monumenten en welstand.

Opnemen in begrippenlijst: Cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.

Pagina 10 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

Team Erfgoed, Gemeente Hoorn

5.

Bronnen

Gemeente Hoorn, 2012. Beleidskaart Archeologie (vastgesteld door de gemeenteraad op 12 maart 2013). HISGIS (digitaal aanwezig bij gemeente Hoorn) Kadastraal Minuutplan 1823, Gemeente Zwaag c.a., Sectie A, genaamd Oosterblokker-Oosteind, Eerste en tweede Blad (beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Soonius, C.M. & M.H. Bartels, 2012. Toelichting Beleidskaart Archeologie Gemeente Hoorn, Archeologie Erfgoed VVH, Hoorn. Westfries Archief.

Pagina 11 van 11 Team Erfgoed

|

Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn

|

Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Carla Soonius: 06-25272867 / c.soonius@hoorn.nl | Bernice Bex: 06-52846178 / b.bex@hoorn.nl www.hoorn.nl/erfgoed

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

90

bestemmingsplan Koewijzend 7 en perceel achter Koewijzend 3

Bijlage 4 Onderzoek geluidhinder

91

Ak oes tis ch onde r zoek be s tem min gspl an Koew ij ze nd 3 en 7 te Zw aa g, geme en te H oorn

Ak oes tis ch onde r zoek be s tem min gspl an Koew ij ze nd 3 en 7 te Zw aa g, geme en te H oorn

Inhoud

rapport met bijlagen

30 september 2019 Projectnummer 801.10.50.00.00

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Situatie

4

3

Wet geluidhinder

5

3.1

Wegverkeerslawaai

5

3.1.1

Zones

5

3.1.2

Normstelling en ontheffing

6

3.1.3

Binnenwaarde

7

3.1.4

Dove gevels

7

3.1.5

Aftrek artikel 110g

7

3.2

Cumulatie

7

4

Rekenmethode

8

5

Uitgangspunten

9

5.1

Fysieke gegevens

9

5.2

Verkeersgegevens

9

6

Berekening en toetsing

10

6.1

Berekening geluidscontouren

10

6.2

Berekening woning gelegen binnen de 48 dB geluidscontouren

10

6.3

Toetsing

11

6.4

Cumulatie

12

7

Hogere waarde

13

8

Conclusie en samenvatting

14

Bijlagen

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag - 30 september 2019

1

Inleiding BügelHajema Adviseurs B.V. heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar geluidsbelasting op de te realiseren woningen in het kader van het bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag in de gemeente Hoorn. De Wet geluidhinder beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig object gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. De nieuw te realiseren woningen bevinden zich binnen de geluidzones van de Koewijzend en Kolenbergstraat. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de gevel van de te realiseren woningen en deze te toetsen aan de Wet geluidhinder. Toetsing van de karakteristieke geluidwering voor het vaststellen van de binnenwaarde van de woningen valt buiten het kader van dit onderzoek. Het akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden overeenkomstig het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” (RMG 2012). De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in de voorliggende rapportage.

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag - 30 september 2019

3

2

Situatie Het initiatief heeft betrekking op de locatie gelegen op de percelen gelegen ten noorden van Koewijzend 3 en ten westen van Koewijzend 7. Voor deze locaties worden plannen voorbereid waarbij de realisatie van een tweetal woningen mogelijk wordt gemaakt. De volgende afbeelding geeft de voorgenomen situering van de te realiseren woningbouwlocaties.

Figuur 1. Locaties in rood weergegeven

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag - 30 september 2019

4

3

Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder dient met betrekking tot de geluidbelasting van een (spoor)weg de LAeq over alle perioden van 07.00-19.00 uur, van 19.00-23.00 uur en van 23.00-07.00 uur te worden bepaald. De Lden is de logaritmisch gemiddelde waarde van de berekende geluidbelasting in genoemde dag-, avond- en nachtperiode, waarbij gebruik wordt gemaakt van een ‘energetische’ middeling. Een en ander volgens de formule:

De Wet geluidhinder geeft uitsluitend grenswaarden ten aanzien van de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De definitie van een gevel luidt: ‘De bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of onderwijsgebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak, met uitzondering van een constructie zonder te openen delen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB’. De berekende geluidsniveaus worden afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal zoals aangegeven in artikel 1.3.1 van het RMG 2012.

3.1

Wegverkeerslawaai

3.1.1 Zones De Wet geluidhinder (Wgh) richt zich wat betreft wegverkeerslawaai op de zogenaamde zoneringsplichtige wegen. In principe zijn alle wegen zoneringsplichtig behalve: -

wegen die deel uitmaken van een woonerf (art. 74.2a);

-

wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art. 74. 2b).

Langs zoneringsplichtige wegen is een geluidszone gelegen waarvan de breedte wordt bepaald door het aantal rijstroken alsmede de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied conform artikel 74 van de Wet geluidhinder. Indien wordt gebouwd binnen de geluidszone, verplicht de Wet geluidhinder door middel van akoestisch onderzoek aandacht te besteden aan de geluidssituatie. Het stedelijk gebied wordt gedefinieerd als: ‘Het gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van hoofdstukken VI (zones langs wegen) en VII (zones langs spoorwegen) voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag - 30 september 2019

5

verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.’

Het buitenstedelijk gebied wordt gedefinieerd als: ‘Het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van hoofdstukken VI (zones langs wegen) en VII (zones langs spoorwegen) voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.’

In onderstaande tabel zijn de zonebreedtes opgenomen. Tabel 1. Zonebreedtes wegverkeer Aard gebied

Aantal rijstroken

Zonebreedte ter weerszijden van de weg

1 of 2

200 m

3 of meer

350 m

1 of 2

250 m

3 of 4

400 m

5 of meer

600 m

stedelijk buitenstedelijk

De situatie is binnenstedelijk gelegen. Alle in de nabijheid van de locatie gelegen wegen kennen een maximum snelheid van 50 km/uur. De wegen kennen derhalve een zone van respectievelijk 200 m. De te realiseren geluidsgevoelige bebouwing ligt binnen de zones van deze wegen en er dient daarom akoestisch onderzoek plaats te vinden. 3.1.2 Normstelling en ontheffing Behoudens situaties waarbij door Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor geluidsgevoelige objecten binnen een zone een ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB als geluidsbelasting op de gevel. Bij het voorbereiden van een plan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op grond behorende bij een zone, dienen burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek in te stellen. Indien nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden blootgesteld aan een geluidsbelasting hoger dan 48 dB, is het noodzakelijk dat een verzoek tot het mogen toestaan van een hogere waarde wordt ingediend. De maximale ontheffingsgrenswaarde voor nog te realiseren geluidsgevoelige bebouwing gelegen in buitenstedelijk gebied bedraagt 53 dB. In binnenstedelijk gebied bedraagt deze waarde 63 dB. De locatie is binnenstedelijk gelegen. Bij een eventuele ontheffing moeten de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen worden onderzocht en afgewogen.

Bij de afweging van de te treffen maatregelen moet rekening worden gehouden met de noodzaak van een veilige verkeersafwikkeling. Ook moet rekening worden gehouden met de inpasbaarheid van de maatregelen in het landschap en de kosten van de maatregelen. Bovendien moeten te plaatsen geluidsbeperkende voorzieningen voldoende doelmatig zijn (art. 110a lid 5 Wgh).

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag - 30 september 2019

6

3.1.3 Binnenwaarde Indien geen of onvoldoende maatregelen ter beperking van de gevelbelasting (kunnen) worden getroffen, dient het binnenklimaat te worden beschermd. De geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie dient hierop te zijn afgestemd. Voor geluidgevoelige bebouwing is dit geregeld in het Bouwbesluit. De karakteristieke geluidswering van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht moet, ter beperking van geluidshinder in het verblijfsgebied, ten minste gelijk zijn aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die uitwendige scheidingsconstructie en 33 dB. 3.1.4 Dove gevels Gevels die geen te openen delen bevatten, zijn niet geluidsgevoelig en worden dove gevels genoemd. Voor dergelijke gevels hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld. Wel moet bij de bouw de geluidwering van de gevels zodanig zijn dat de wettelijke maximale binnenwaarden worden gerespecteerd. 3.1.5 Aftrek artikel 110g Met het oog op de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst zal afnemen door technische ontwikkelingen en aanscherping van typekeuringen, mag een aftrek worden gehanteerd op de berekende geluidsbelastingen alvorens deze aan de wettelijke grenswaarden worden getoetst (art. 110g Wgh). De aftrek bedraagt: -

Voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of hoger is geldt een aftrek van:

-

-

4 dB voor situaties met een geluidsbelasting van 57 dB zonder aftrek volgens art. 110g Wgh;

-

3 dB voor situaties met een geluidsbelasting van 56 dB zonder aftrek volgens art. 110g Wgh;

-

2 dB voor andere waarden van de geluidsbelasting.

Voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen lager is dan 70 km/uur geldt een aftrek van 5 dB.

Bij toetsing van het binnenniveau van geluidgevoelige bebouwing moet worden gerekend met een gevelbelasting zonder aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder.

3.2

Cumulatie

De beoordeling van de geluidssituatie vindt afzonderlijk plaats voor de onderscheidbare zoneringsplichtige wegen. Cumulatie van meerdere geluidsbronnen mag echter niet leiden tot een onaanvaardbare situatie (art 110f Wgh). Het RMG 2012 geeft in hoofdstuk 2 van bijlage 1 aan dat er alleen sprake kan zijn van cumulatie indien de ten hoogste toelaatbare waarde van meerdere bronnen wordt overschreden. Voorgeschreven wordt verder dat moet worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met samenloop bij de te treffen maatregelen. Hiermee wordt rekening gehouden in die zin dat de cumulatie wordt betrokken bij het beoordelen van de gevelwering van de geluidgevoelige bebouwing.

Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Koewijzend 3 en 7 te Zwaag - 30 september 2019

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=d3f0796e-6f19-4e12-a344-78ed51db8670