CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1.8 Toets in het kader van de ´Wet natuurbescherming 201019

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Bestemmingsplan Keern 391.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Herontwikkeling “De Egel” Keern 39 in Hoorn Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming

Opdrachtgever: HzA stedebouw & landschap b.v.

Groot Eco Advies 2020-085

Concept

19-10-2020

Definitief

2

Inhoudsopgave 1 2 3 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5 6

Inleiding Natuurwetgeving en -beleid Werkwijze Beschermde soorten en effectbeoordeling Flora Vogels Amfibieën, reptielen en vissen Zoogdieren Ongewervelden Gebiedsbescherming Conclusies

Literatuurlijst

4 5 9 10 10 10 12 12 13 14 16 17

3

1 Inleiding Aan Keern 39 in Hoorn wordt de locatie “De Egel” herontwikkeld tot een appartementencomplex met 28 woningen. In dit kader dienen eventuele effecten van de werkzaamheden getoetst te worden aan de natuurwetgeving.

Luchtfoto met daarop de ligging van de locatie (rood) Groot Eco Advies heeft in opdracht van HzA stedebouw & landschap b.v. op 18 september 2020 een veldbezoek afgelegd om de situatie ter plaatse te beoordelen. In deze rapportage worden de resultaten van het veldbezoek weergegeven en de eventuele effecten van de ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving.

Toetsing Wet natuurbescherming De toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming heeft concreet de volgende twee oogmerken: • Aannemelijk maken dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet worden aangetast. Het begrip ‘natuurlijke kenmerken’ moet worden gerelateerd aan de instandhoudings-doelstellingen voor het gebied: ze hebben te maken met de ecologische functies. • Aannemelijk maken dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten, niet optreedt. De Wet natuurbescherming beschermt ook een aantal aangewezen dier- en plantensoorten. Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden beoordeeld of er sprake is van negatieve effecten op beschermde dier- en plantensoorten. 4

Toetsing NNN en weidevogelleefgebied De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van (inter-) nationaal belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen. Voormalig staatssecretaris Dijksma introduceerde in 2014 de term NatuurNetwerk Nederland (NNN) om de term 'Ecologische Hoofdstructuur' (EHS) te vervangen. De NNN-toetsing dient om vast te stellen of de plannen het ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de ‘wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS’ in de weg staan. De toetsing heeft als oogmerk: • Aannemelijk te maken dat geen significant negatief effect optreedt op deze kenmerken. Belangrijke criteria waar deze toetsing op toespitst zijn ‘kwaliteit’, ‘areaal’ en ‘samenhang’ van het NNN-gebied.

5

2 Natuurwetgeving en -beleid Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de oude Boswet, Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet samengevoegd tot één Natuurwet. Uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan. In de praktijk betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit bekeken moet worden of er sprake is van effecten of beschermde dieren en planten (soortenbescherming) en in bepaalde gevallen op natuurgebieden (gebiedsbescherming). Gebiedsbescherming Ligt een locatie waar een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit plaats vindt in of in de buurt van een Natura 2000 gebied dan is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Afhankelijk van de aard van de activiteit en de te beschermen waarden van (het) betreffende Natura 2000-gebied(en) dient beoordeeld te worden of en welke effecten er (mogelijk) aanwezig zijn. Soortbescherming Om te bepalen of een ontheffing nodig is of dat er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstelling wordt het stappenschema op pagina 7 doorlopen. Met de Wet natuurbescherming is de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen in principe bij de provincie komen te liggen.

Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming. Is er sprake van een locatie gebonden activiteit met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan de activiteit apart een ontheffing aangevraagd. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager apart ontheffing heeft aangevraagd. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. Beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1. Soorten van de Vogelrichtlijn; 2. Soorten van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het verdrag van Bonn; 3. Andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels zijn beschermd. Daarnaast zijn ongeveer 230 andere soorten beschermd.

6

Stroomschema soortenbescherming

Om af te wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria te worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling; 2. Tegenover de afwijking van het verbod moet een in de wet genoemd belang staan; 3. De ingreep doet geen afbreuk aan de instandhouding van de soort.

7

Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. In de wet zijn vormen van vrijstelling opgenomen, zoals de gedragscode, een programmatische aanpak of via de provinciale verordening. Verbodsbepalingen

8

3 Werkwijze De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht door middel van een bronnenstudie en een veldbezoek.

Bureaustudie Voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en (waar mogelijk) regionale bronnen met betrekking tot de verspreiding van beschermde planten en diersoorten.

Veldonderzoek Het veldbezoek is op 18 september 2020 door J. Groot uitgevoerd. De weersomstandigheden tijdens het bezoek waren redelijk: zonnig, droog en 18 graden boven nul. Het veldbezoek was verkennend van aard, waarbij op basis van de summiere resultaten van de bureaustudie en de aanwezige terreintypen het voorkomen van beschermde planten en diersoorten is vastgesteld, of op basis van jarenlange velddeskundigheid is ingeschat.

9

4 Beschermde soorten en effectbeoordeling Voorgenomen werkzaamheden op de locatie • Sloop van bedrijfspanden. • Nieuwbouw van een appartementencomplex met 28 woningen.

Gebouw met pannendak. Links een gebouw met plat dak

4.1 Flora Op de locatie zijn geen beschermde plantensoorten of muurplanten waargenomen. Voor beschermde plantensoorten en muurplanten zijn geen geschikte groeiplaatsen aangetroffen.

4.2 Vogels Het gebouw met het pannendak is geschikt voor jaarrond beschermde broedvogels als Huismus en Gierzwaluw. Het gebouw met het platte dak is niet geschikt voor deze soorten. De gebouwen zijn niet geschikt voor uilen. Inde beplating zijn geen nesten van roofvogels aangetroffen. De beplanting is ook voor deze soorten ongeschikt door de beperkte omvang en ligging.

10

4.3 Amfibieën, reptielen en vissen Wateren ontbreken in het plangebied. Effecten op amfibieën, reptielen en vissen zijn uitgesloten.

4.4 Zoogdieren De gebouwen zijn geschikt voor vleermuizen. Door hun staat zijn diverse invliegopeningen ontstaan. Effecten van sloop op de vleermuizen valt niet uit te sluiten.

11

12

Voor andere beschermde zoogdieren als Egel, Wezel en Hermelijn en beschermde muizensoorten zijn geen potenties aanwezig. De verharding van het terrein en de ligging in het verstedelijkte gebied van Hoorn maken de locatie ongeschikt voor kleine marters. Deze soorten zullen ontbreken. Effecten op deze soorten zijn dan ook niet aan de orde.

4.5 Ongewervelden Voor ongewervelden als beschermde vlinders en libellen ontbreekt geschikt leefgebied.

13

5 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op minder dan 850 meter van het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer en 12 kilometer van het Natura 2000-gebied Eilandspolder. NNN-gebied en weidevogelleefgebied liggen op respectievelijk 2.300 en 800 meter. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging in het stedelijke gebied van Hoorn en de nabijheid van de A7 en de ligging ten opzichte van de betrokken Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten als verstoring, geluid en licht op voorhand uit te sluiten. In het kader van de stikstofproblematiek is wel nadere toetsing met betrekking tot stikstofdepositie noodzakelijk. Deze wordt in een afzonderlijke rapportage uitgevoerd. Stikstofdepositie Van de genoemde Natura-2000-gebieden is Eilandspolder een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen. In dit kader is een stikstofberekening nodig, welke ten grondslag dient te liggen aan een eventuele vergunningsaanvraag Wet natuurbescherming.

Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden

14

Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van NNN-gebieden

Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van weidevogelleefgebied

15

6 Conclusies Beschermde soorten Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat de locatie potenties heeft voor beschermde soorten als Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen. Onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk.

Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming in het kader van Natura 2000, weidevogelleefgebied en NNN is niet aan de orde. Een voortoets is daarom niet nodig. In het kader van de stikstofproblematiek is wel nadere toetsing met betrekking tot stikstofdepositie noodzakelijk. Deze wordt in een afzonderlijke rapportage uitgevoerd.

Aanbevelingen • • •

Onderzoek naar vleermuizen uitvoeren (5 bezoeken in periode half mei- 1 oktober conform het vleermuisprotocol 2017). Onderzoek naar de Huismus uitvoeren (twee bezoeken in de periode 1 april-15 mei). Onderzoek uitvoeren naar de Gierzwaluw (drie bezoeken in de periode 1 juni-15 juli, waarvan 1x tussen 20 juni en 7 juli).

16

Literatuurlijst BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HOOGENBOOM, D., W. RUITENBEEK, F. VISBEEN & JAN WONDERGEM, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014. Landschap Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdier Studiegroep. HERDER, J., J. KRANENBARG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS &K. DEKKER, 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Landschap Noord-Holland, Stichting RAVON. JANSSEN, J.A.M., J.H.J SCHAMINÉE, 2004. Europese Natuur in Nederland, Soorten van de habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KAAG, K., K. VELING, F. VISBEEN EN K. SCHARRINGA, 2012. Vlinders van Duin tot Dijk : De dagvlinders van Noord-Holland 2000-2009. Landschap Noord-Holland, De Vlinderstichting. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997.

Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LIBELLENSTUDIE 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). – Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. NIE, H.W. DE, 1997. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. 2e herziene druk. Media Publishing Int. bv, Doetinchem. RIET, B. VAN DE, H. VAN DER GOES, T. BAAS, C. VAN DEN TEMPEL, W. MENKVELD & F. VISBEEN, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON, 2018. Vogelatlas van Nederland. SOVON, Nijmegen.

17

STUMPEL, TON, STRIJBOSCH, HENK. 2006. Veldgids Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING (2017). Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=dcc13838-fb82-4ff2-b770-53add1407e05