BIjlage 1 1913022 20220831_t_NL.IMRO.0405.BPBOfase5azuid-ON01
Tekst van het document
bestemmingsplan
Bangert en Oosterpolder fase 5a zuid Gemeente Hoorn
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0405.BPBOfase5azuid-ON01
Datum:
31 augustus 2022
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. J. van Nuland | Dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210482
Opdrachtgever:
EWF
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldende bestemmingsplannen ......................................................................................................................... 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleid ..................................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 18 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 26 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 26 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 27 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 35 4.4 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 38 4.5 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 39 4.6 Duurzaamheid ................................................................................................................................................... 41 4.7 Kabels en leidingen ........................................................................................................................................... 41
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 42 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 42 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 42 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 42 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 43
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 45 7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid ......................................................................................................... 46 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 46 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 46 7.3 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 46 Bijlagen bij toelichting Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan ecologie Bijlage 4: Stikstofberekening Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Watertoets Bijlage 7: Participatieverslag
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om de planlocatie te herontwikkelen. De beoogde ontwikkeling voorziet in het realiseren van 94 woningen met ontsluitingen en parkeerplaatsen. Het bestemmingsplan dat ter plaatse geldt, is 'Bangert en Oosterpolder, herziening ex artikel 30 WRO', vastgesteld op 31 januari 2006 door de raad van Hoorn. Het plangebied heeft de bestemming 'Woondoeleinden (uit te werken)'. Binnen de uit te werken bestemming zijn woningen; maatschappelijke voorzieningen; detailhandel; verkeer- en verblijfsdoeleinden, inclusief parkeervoorzieningen; waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen en groen; en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Omdat op enkele plaatsen wordt afgeweken van de uit te werken bestemming kan niet met een uitwerkingsplan worden volstaan. Om de woningbouwontwikkeling mogelijk te maken, dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het voorliggende plan ligt in het noordoosten van Hoorn, ter plaatse van de woonwijk Bangert en Oosterpolder. Ten noorden van het plangebied ligt het deelgebied van fase 5 Noord. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door De Strip en aan de zuidzijde door de bebouwing aan de Westerblokker. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de bebouwing aan de Plantage. Het plan maakt deel uit van de grotere ontwikkeling van Bangert en Oosterpolder. De locatie ligt in stedelijk gebied met verschillende functies in de omgeving, zoals wonen, maatschappelijke voorzieningen en wat bedrijvigheid. De planlocatie is kadastraal bekend onder de gemeente Hoorn, sectie K, percelen 7301, 7320, 7573. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ca. 33.370 m². Daarnaast valt ook het perceel, kadastraal bekend onder de gemeente Hoorn, sectie K, perceel 7571 met een oppervlakte van 370 m² binnen het plangebied. De volgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimteijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldende bestemmingsplannen Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Bangert en Oosterpolder, herziening ex artikel 30 WRO'. De gemeenteraad van de gemeente Hoorn heeft dit bestemmingsplan vastgesteld op 31 januari 2006. De volgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingplan.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden van het plangebied zijn voorzien van de enkelbestemming 'Woondoeleinden (uit te werken)'. De gronden beschikken niet over dubbelbestemmingen. Woondoeleinden (uit te werken) Ter plaatse van de bestemming 'Woondoeleinden (uit te werken)' zijn de gronden bestemd voor woningen; maatschappelijke voorzieningen; detailhandel; verkeeren verblijfsdoeleinden, inclusief parkeervoorzieningen; waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen en groen; en bijbehorende voorzieningen. In het bestemmingsplan staan een aantal bepalingen die in acht genomen moeten worden. In het plan zijn ook uitwerkingsregels opgenomen waaraan een uitwerking van de bestemming moet voldoen. Dubbelbestemmingen Het geldende bestemmingsplan dubbelbestemmingen.
kent
ter
plaatse
van
de
te
ontwikkelen
locatie
geen
Voor het plangebied geldt ook het bestemmingsplan 'Bangert en Oosterpolder, herziening parkeernormering', vastgesteld op 10 september 2013 door de raad van Hoorn. Daarnaast gelden ook het paraplubestemmingsplan Archeologie (vastgesteld op 7 maart 2017) en het paraplubestemmingsplan parkeren & laden en lossen ( vastgesteld op 13 november 2018). Met laatstgenoemd bestemmingsplan is het parkeerbeleid van de gemeente Hoorn juridisch geborgd.
7
Een klein gedeelte van het noordoostelijk deel van het plangebied ligt tevens in het bestemmingsplan 'Bangert en Oosterpolder, fase 5 Noord - derde partiële herziening', vastgesteld op 1 december 2020. Het betreft hier de uitgewerkte enkelbestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Een klein deel van het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 1992'. Hier geldt de bestemming 'Agrarische Doeleinden II' met de aanduiding 'zone rondom LPGinstallatie'. Het is hier niet toegestaan om woningbouw te realiseren. Het realiseren van de in het voorgenomen woningbouwprogramma opgenomen rug-aan-rug woningen kan niet binnen de uit te werken bestemming. Om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren, moet een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische toelichting. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 en 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is het hele plangebied in gebruik als agrarisch grasland. Ook zijn er enkele watergangen. Aan de noordgrens is een watergang (de Kieftsloot) aanwezig. Er is binnen het plangebied geen bebouwing aanwezig. Wel bevindt zich ten westen van het plangebied een woonwijk en staan er woningen en een apotheek langs de westgrens van het plangebied. Aan de zuidgrens is bebouwing langs de Westerblokker gelegen. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied vinden ook woningbouwontwikkelingen plaats. Aan de oostgrens van het plangebied ligt De Strip. Deze weg functioneert als ontsluitingsweg voor de aangrenzende woningbouwontwikkelingen. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig zoals een apotheek, een bed & breakfast, een autodealer, een aannemer en een tankstation. De navolgende afbeelding toont de huidige situatie van het plangebied.
Huidige situatie plangebied vanaf De Strip richting het zuidwesten (bron: Google Streetview)
9
2.2 Toekomstige situatie Met het voorliggende plan wordt de planlocatie herontwikkeld. In totaal worden 94 woningen gerealiseerd. Er wordt ingezet op een rustige woonwijk geschikt voor gezinnen. Er wordt een verdeling gehanteerd van 30% goedkoop, 30% middelduur en 40% duur. Dit komt neer op 28 woningen in de sociale sector, bestaande uit 14 sociale huurwoningen en 14 sociale koopwoningen. Er worden 28 middeldure rijwoningen in de koopsector gerealiseerd. Daarnaast worden 8 rijwoningen, 6 vrijstaande woningen en 24 twee-onder-één-kapwoningen in de vrije koopsector gerealiseerd. De Strip Langs De Strip worden rijwoningen gerealiseerd. De gevels vormen geen aaneengesloten wand, maar hebben een ritmiek en korrelgrootte die aansluit op het bestaande. De gevellijn is recht en de voorgevels en entrees zijn georiënteerd op De Strip. Bij de rijwoningen zijn niet meer dan 10 woningen aaneengesloten. Kieftsloot Langs de Kieftsloot zijn voornamelijk woningen met een individueel en vrijstaand karakter, afgewisseld met hoogteaccenten op stedenbouwkundig logische plekken, zoals bij aansluitingen van wegen. De voorgevels en entrees zijn georiënteerd op de Kieftsloot. Woningen op de kruising van De Strip en de Kieftsloot zijn alzijdig, met de entree bij voorkeur aan De Strip. Binnen de wijk De bebouwing binnen de wijk bestaat uit maximaal twee lagen met kap.
De maximale bouwhoogte is 11 meter en de maximale goothoogte is 9 meter. Met de woningen wordt aangesloten op het dorpse karakter van de omgeving. Er zijn rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en rug-aanrugwoningen. De voorzijde van de woningen grenst aan de straten en aan openbare ruimten. Langs de centrale groenstructuur met wandelroute zijn grotendeels voorkanten van woningen gesitueerd.
Stedenbouwkundige schets (bron: Mulleners + Mulleners Architecten/Sweco )
10
Aansluiting omgeving De nieuwe ontwikkeling wordt door een watergang gescheiden van aangrenzende bebouwing. De achtertuinen van enkele kavels liggen daarbij aan het water. Langs deze watergang is een verlaagde rand langs de tuinen; er zijn geen hoge keerwanden op de waterlijn. Sommige delen langs de oevers, zoals tegenover het Rijksmonument 'de Barmhartige Samaritaan', zijn openbaar toegankelijk. Er wordt met fietsverbindingen naar eerdere fases van Bangert & Oosterblokker en de wijken Plantage en Blokker aangesloten op deze wijk. Ook wordt de groenstructuur aangesloten. Stedenbouwkundigplan Fase 5A Zuid hoort tot de laatste fasen van de ontwikkeling van de Bangert en Oosterpolder. Zij sluit aan bij karakter en opzet van fase 5B Noord. In het beeldkwaliteitsplan van beide fasen is het van toepassing zijnde woonmilieu Hoge Hemen: een suburbane wijk met een dorps karakter. Dit uit zich in de bebouwing: woningen met kappen, diversiteit door verschil in kaprichting, individualiteit en een architectuur die een eigentijdse benadering van lokale en traditionele stijlen toont. Ook de opzet van de wijk rondom hoven en groene straten volgt hieruit. Terwijl het oorspronkelijke bestemmingsplan 10% gestapelde bouw van drie lagen. Mogelijk maakte, is in het stedenbouwkundige plan ervoor gekozen om het programma in eengezinswoningen op te lossen.
Daarnaast zijn de verschillende segmenten over de wijk verspreid. Hierdoor ontstaat een inclusieve wijk die qua bebouwingstypologie het dorpse karakter ondersteunt. Qua types worden rug-aan-rug- en rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen toegepast. Ze worden gesitueerd rondom een groene, autovrije noord-zuid as die naast ecologie en recreatie ook het bijelkaar-komenvan bewoners en de buurt faciliteert. Beeldkwaliteitsplan Het beeldkwaliteitsplan voor fase 5A is een uitwerking van het moederbeeldkwaliteitsplan. Fase 5A-Zuid ligt ten zuiden van Fase 5A-Noord en vormt hier als het ware een verlengstuk van. Het streven voor heel fase 5 is een samenhangende buurt tussen de Bangert en de Westerblokker. Dat betekent dat er een herkenbare eenheid is in opzet, architectuur en openbare ruimte van de verschillende buurten. Daarbinnen mogen de buurten wel hun eigen identiteit hebben. Daarbij is er aansluiting op het suburbane, dorpse karakter van de eerdere plandelen binnen fase 5. Verkeer en parkeren Het plangebied wordt voor het autoverkeer ontsloten door twee aansluitingen op de buiten het plangebied gelegen ontsluitingsweg. Deze sluit vervolgens aan op De Strip. Er wordt voldaan aan de geldende parkeernormen. In toelichting paragraaf 4.5.2 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren.
11
3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.
Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
•
Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
•
Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 94 woningen en is daarmee aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Om die reden wordt de ladder voor duurzame verstedelijking nader getoetst. Wel dient benadrukt te worden dat het programma nog steeds past binnen de uitwerkingsregels zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied ligt in het bebouwd gebied van Hoorn.
In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende functies, zoals wonen, sport en bedrijvigheid aanwezig. Daarnaast wordt ten noorden en oosten van het plangebied een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Behoefte aan de ontwikkeling Het geldende bestemmingsplan maakt de realisatie van 3.400 woningen mogelijk middels een nader uit te werken woonbestemming. Uit de Woonagenda blijkt een behoefte aan woningen, zie toelichting paragraaf 3.2.3. Tevens wordt er in het 'Woonakkoord 2020-2025 regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland' gesteld dat er behoefte is aan nieuwe woningen in de regio West-Friesland en in de gemeente Hoorn. Daarnaast is met het geldende bestemmingsplan, 'Bangert en Oosterpolder, herziening ex artikel 30 WRO' (31 januari 2006), aangetoond dat er een behoefte is aan de beoogde ontwikkeling.
13
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen herontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4 Crisis- en herstelwet De Crisis- en herstelwet (Chw) is op 31 maart 2010 in werking getreden en is gericht op versnelling van infrastructurele projecten. Hieronder vallen grote bouwprojecten en projecten op het gebied van duurzaamheid, energie en innovatie. Tevens beoogt de wet een economische impuls te geven aan de bouwsector ten tijde van de kredietcrisis. De Chw versnelt enerzijds de procedures voor deze grote projecten, maar handhaaft anderzijds de noodzakelijke waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. De wet bevat een groot aantal wetswijzigingen, waarmee procedures worden ingekort, het aantal benodigde vergunningen wordt teruggedrongen en meer duidelijkheid wordt geschapen in bestuurlijke verantwoordelijkheden waarbij Europese en internationale regelgeving wel volledig van kracht blijft. In december 2011 heeft de ministerraad ingestemd met een voorstel om de wet voor onbepaalde tijd te verlengen. Sinds 25 april 2013 heeft de Chw een permanent karakter gekregen. In deze wet zijn categorieën projecten aangewezen waarvoor de procedurele aspecten van deze wet van toepassing zijn.
In bijlage 1 van de wet is als besluit opgenomen het bestemmingsplan waarmee de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden wordt mogelijk gemaakt. Voor een dergelijk bestemmingsplan zijn de procedurele bepalingen van afdeling 2 van de Chw van toepassing. De bedoeling daarvan is om de bouwnijverheid als economisch vitale sector een stimulans te geven. Deze stimulans is gevonden in een vergaande stroomlijning en vereenvoudiging van besluitvormingsprocessen. Planspecifiek Dit plan maakt de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk. De Chw is op het onderhavige bestemmingplan van toepassing.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. Bij voorgenoemde doelen zijn de volgende ambities opgesteld: Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
In de Omgevingsvisie NH2050 wordt uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek In de Omgevingsvisie wordt gesteld dat wonen en werken zoveel als mogelijk binnenstedelijk wordt gerealiseerd en geconcentreerd. Met de beoogde ontwikkeling worden in totaal 94 woningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling vindt plaats in het stedelijk gebied van Hoorn. Om de ontwikkeling mogelijk te maken hoeft geen bestaande bebouwing gesloopt te worden. Met de ontwikkeling van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van de kern Hoorn. Hierbij wordt het gebruik van bestaand stedelijk gebied geoptimaliseerd.
15
Er zijn verder geen bijzondere bepalingen van toepassing vanuit de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie vorm te geven. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Het merendeel van de regels in deze verordening is vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
•
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
• •
het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 wordt gesteld dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakt schriftelijke afspraken. In toelichting paragraaf 3.1.3 is ingegaan op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hieruit blijkt dat het plangebied zich binnen het stedelijk gebied bevindt en wordt de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan past binnen de behoefte van de regio. De voor dit bestemmingsplan relevante regionale afspraken zijn in paragraaf 3.3 toegelicht. Gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid. 3.2.3 Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 Op 31 maart 2020 is de Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 vastgesteld door Provinciale Staten. De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’.
Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De Woonagenda bestaat uit drie delen die samen de uitvoeringsagenda voor de komende vijf jaar bevat: 1. 2. 3.
Actieagenda 2020-2025; De ambitie, doelstelling, rol en ruimtelijke uitgangspunten; Speerpunten provincie en richtinggevende principes voor het woonbeleid.
16
De actiepunten die uit deze drie onderdelen volgen, zijn: a. b. c. d. e. f. g. h.
Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden; We bieden kennis, meedenkkracht en hulp; Versnellen woningbouwproductie; Samenwerking stimuleren; Verduurzaming wonen; Meer flexibiliteit in de woningmarkt; Stimuleren circulair bouwen; Leveren van informatie en monitoring.
Planspecifiek Binnen Noord-Holland Noord groeit de bevolking nog steeds. De groei is vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde. Hierdoor zijn er meer woningen benodigd. De beoogde ontwikkeling zal dan ook bijdragen aan het actiepunt c: versnellen woningbouwproductie. Het realiseren van woningbouw is niet in strijd met de Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025.
17
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie West-Friesland 2017-2021 De regio heeft tot doel om de inwoners van Westfriesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. Zo kan Westfriesland tot de 10 beste woonregio’s van Nederland behoren en ook huishoudens uit andere regio’s aantrekken. De regio zet hiertoe in op:
• • • • • •
versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woonaanbod voor iedere doelgroep; het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad; leefbaar en bereikbaar Westfriesland tot in de kern; onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten; langer zelfstandig wonen bevorderen; werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.
Het doel van Westfriesland sluit ook aan bij de ambities in Noord-Holland Noord (NHN). NHN wil zich verder ontwikkelen als krachtige regio met aantrekkelijke steden, hoogwaardige ov-knooppunten, goede verbindingen, unieke landschappen, fijne woondorpen en een sterke economische structuur. De ambitie, zoals onder andere verwoord in de propositie “Wonen in Noord-Holland Noord” en in de Woondeal NoordHolland Noord, is mede gericht op het vasthouden van huidige bewoners en het verleiden van huidige inwoners van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) om naar de regio NHN te gaan verhuizen. De kwalitatieve aanpak waar Westfriesland aan werkt, sluit hier goed op aan. Nieuwbouw Opgave 1: Ontwikkelingen in de kwantitatieve vraag volgen/opvoeren van de woningbouwproductie De toenemende populariteit van Westfriesland, de inhaalvraag van de afgelopen jaren (+300) en het groeiende positieve saldo in de migratie maken het aannemelijk dat de behoefteprognoses in de nabije toekomst naar boven dienen te worden bijgesteld. Zeker als de samenstelling van de instroom in aanmerking wordt genomen (jongeren en jonge stellen). Op dit moment is er een verhuisstroom vanuit de MRA naar de regio. Mede door in te zetten op woonkwaliteit en bereikbaarheid verwacht Westfriesland meer nieuwe inwoners aan te trekken dan de verwachte groei van de woningbehoefte.
Bovendien maakt de toenemende druk op de woningmarkt binnen de MRA het noodzakelijk om ook naar bredere woonoplossingen te zoeken binnen het daily urban system van de metropoolregio Amsterdam. De regio en de provincie zetten in op versnelling, zodat de gewenste productie gehaald kan worden. De provinciale bevolkingsprognose stelt als indicatieve woningbehoefte 7.150 woningen voor de periode 2019-2030. Hiervoor dienen de komende 5 jaar jaarlijks 800-900 woningen te worden gebouwd. De regio gaat jaarlijks minimaal 900 woningen opleveren. In de onderstaande tabel is weergegeven hoeveel woningen er in de plancapaciteit zitten. Aantal woningen 4.300 3.700 9.000
Harde plannen tot 2030 Zachte plannen tot 2030 (afwegingskader WF 2018) Zachte plannen tot 2040 (monitor plancapaciteit)
De regio heeft 8.000 woningen (hard en zacht) aan plannen tot 2030. Op papier is voldoende plancapaciteit aanwezig om te voldoen aan de woningbehoefte van 7.150 woningen en de jaarlijkse doelstelling van 900 woningen. Hierbij wordt rekening gehouden met vertraging en mogelijk planuitval. Harde plannen zijn plannen waarvan het bestemmingsplan is vastgesteld. Onduidelijk is wanneer zachte plannen hard gemaakt kunnen worden. Het is daarom belangrijk om een relatief grote hoeveelheid zachte plannen in de voorraad te hebben, voldoende zachte plannen op korte termijn tijd hard te maken en de
18
plannen voortvarend tot uitvoer te brengen. Een deel van de woningen zijn in buitenstedelijk gebied gepland. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de hiervoor aangetoonde woningbehoefte. Het planvoornemen wordt nog regionaal afgestemd. 3.3.2 Afwegingskader wonen Westfriesland 2021 Het Woonakkoord is grotendeels een procesdocument. Naast concrete afspraken over de ambities en nieuwbouwprogrammering 2020-2025 is een afwegingskader vastgelegd. In het regionaal 'Afwegingskader wonen Westfriesland 2021' is vastgelegd dat nieuwe plannen worden getoetst aan het afwegingskader. Daarin zijn de minimumvereisten vastgelegd waaraan elk plan moet voldoen (Westfriese basis). Aan de hand van de stappen in deze basis kan worden beoordeeld of een nieuwbouwplan wel of niet kan worden gerealiseerd. Hierin is onder meer van belang dat een plan moet passen in de vastgelegde woningbouwbehoefte. Daarnaast zijn er een aantal vereisten waar minstens voor de helft aan voldaan moet worden (Westfries vooruitdenken). Planspecifiek Het programma past binnen de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte en wordt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Het planvoornemen voldoet aan het afwegingskader en past daarmee in de provinciale omgevingsverordening.
3.3.3 Woonakkoord 2020-2025 regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland Tussen de regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland is ee nwoonakkoord gesloten. Het woonakkoord vervangt het Regionaal Actie Programma Wonen 2017-2020 en loopt tot 1 januari 2026. In het woonakkoord worden 10 opgaven onderscheiden: 1. 2. 3. 4.
Ontwikkelingen in de kwantitatieve vraag volgen/opvoeren van de woningbouwproductie Ruimte voor nieuwe, duurzame en betaalbare plannen Diversiteit vergroten o.a. door complementair bouwen Bestaande woningvoorraad verduurzamen en voorbereid laten zijn op een aardgasvrije gebouwde omgeving 5. Stedelijke vernieuwing inzetten 6. Langer zelfstandig thuiswonen bevorderen 7. Klimaatadaptieve beheersmaatregelen treffen 8. Niet-vitale recreatieparken transformeren 9. Voldoende woonvoorzieningen voor buitenlandse werknemers, in balans met de omgeving 10. Innovatie stimuleren Per opgave zijn samenwerkingsafspraken en acties opgesteld. Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling sluit met name aan bij opgave 1, 2 en 5. Het betreft een ontwikkeling die bijdraagt aan de kwantitatieve vraag aan woningen in de regio. Daarnaast worden er duurzame en betaalbare woningen gerealiseerd. Omdat het een binnenstedelijke locatie betreft is er sprake van stedelijke vernieuwing. De ontwikkeling is in lijn met de afspraken die gemaakt zijn in het Woonakkoord 2020-2025.
19
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Hoorn Op 8 februari 2022 is de Omgevingsvisie Hoorn vastgesteld. De Omgevingsvisie beschrijft de gewenste toekomst van de fysieke leefomgeving in Hoorn. Dat is de omgeving waarin de inwoners van Hoorn wonen, werken en de vrije tijd doorbrengen. De Omgevingsvisie is de zogenoemde ‘stip op de horizon’ bij het uitwerken van plannen en ideeën in Hoorn. De Omgevingsvisie beschrijft vijf ambities:
• • • • •
het aantrekkelijk maken van bestaande en nieuwe wijken het voortbouwen op economische en toeristische kansen het verbeteren van bereikbaarheid via weg, spoor en water het werken aan een socialere, gezondere en veiligere omgeving het verder verduurzamen en vergroenen
Hoorn wil ‘Meer stad worden’. Dat is een keuze voor groei. Het is een keuze om nieuwe ontwikkelingen te starten om de gemeente nog aantrekkelijker te maken. Dat is nodig om mensen van alle leeftijden aan de gemeente te binden. De woningbouwopgave is dan ook groot. Hoorn wenst tot 2025 minimaal 500 woningen per jaar te realiseren. Binnen het gebied Bangert en Oosterpolder wordt de nieuwbouw van 900 à 1.000 woningen voorzien. Planspecifiek In de omgevingsvisie wordt stevig ingezet op woningbouw. Voorliggend plan geeft hier invulling aan. De ontwikkeling van Bangert en Oosterpolder wordt specifiek in de omgevingsvisie benoemt als één van de locaties waar de gemeente Hoorn reeds aan de slag is met de bouw van nieuwe woningen. Met de herstructurering van het plangebied wordt aangesloten op de ambities van de gemeente. Door de verschillende typen woningen met verschillende prijsklassen zijn de woningen geschikt voor diverse doelgroepen. Daarnaast krijgt het gebied een groene uitstraling en wordt de kwaliteit van de leefomgeving verbeterd. Tevens wordt met de ontwikkeling duurzaamheid niet uit het oog verloren. Gelet op het bovenstaande kan gesteld worden dat het voorliggende initiatief in lijn is met de Omgevingsvisie Hoorn.
3.4.2 Woonvisie Hoorn 2020-2025 'Een nieuwe koers' Op 20 oktober 2020 heeft de raad van de gemeente Hoorn de Woonvisie Hoorn 2020-2025 'Een nieuwe koers' vastgesteld. De woningmarkt van Hoorn vraagt om een nieuwe koers. Er is een tekort aan woningen. Tegelijkertijd wil de gemeente 'meer stad' worden. Deze opgave is urgent en noodzakelijk, om in de toekomst ook een aantrekkelijke woonstad te blijven. Deze woonvisie geeft richting aan de opgave voor de gemeente. In de woonvisie staan drie ambities centraal:
• • •
Stedelijk centrum in West-Friesland Inclusieve samenleving Duurzaam, toekomstbestendig en betaalbaar
20
Uit de drie ambities zijn vier woonopgaven naar voren gekomen. 1. 2. 3. 4.
Versnelling en ontwikkeling Wonen, zorg en welzijn Duurzaam wonen Sociale huurmarkt, woonwagenbewoners en buitenlandse werknemers
De gemeente Hoorn wil zich blijven ontwikkelen om een ook in de toekomst een levendige en aantrekkelijke stad te blijven. Kansen voor groei liggen voornamelijk in de stedelijke rand rondom de binnenstad. Deze rand wordt ook wel de 'gouden rand' genoemd. De gemeente gaat voor een samenleving waarin iedereen meedoet, met duurzame, toekomstbestendige en betaalbare woningen. Planspecifiek De gemeente streeft naar 12.000 extra woningen in Hoorn. Daarbij komt dat Hoorn weinig ruimte heeft voor ontwikkelingen. Een groot deel van de woningen dient met name in de binnenstad en nabij de stations gebouwd te worden. Daarnaast worden ook nieuwe locaties en bestaande buurten onder handen genomen. Op de monitor Plancapaciteit Noord-Holland is te zien dat het gebied Bangert & Oosterpolder een onherroepelijke planstatus heeft als uitleggebied voor woningbouw. Tussen 2020 en 2024 bedraagt de harde plancapaciteit 995 woningen en tussen 2025 en 2029 bedraagt de harde plancapaciteit 115 woningen. In totaal zullen er tot aan 2029 1.110 woningen worden gerealiseerd binnen Bangert & Oosterpolder. Met de realisatie van de 94 woningen wordt er een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte in de gemeente. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Woonvisie Hoorn 2020-2025 'Een nieuwe Koers'.
3.4.3 Doelgroepenverordening Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Hoorn de verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Hoorn vastgesteld zodat de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen kan sturen op categorieën woningbouw die ondervertegenwoordigd zijn in de gemeente Hoorn. In de verordening is een balans gezocht tussen de mogelijkheden van woningzoekenden die het moeilijk hebben op de woningmarkt en de aantrekkelijkheid voor ontwikkelaars om in Hoorn woningen te realiseren. De eisen uit de verordening gelden bij nieuwe ontwikkelingen. Met de doelgroepenverordening kan de gemeente in ruimtelijke plannen en exploitatieplannen eisen opnemen voor het realiseren van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middenhuurwoningen. Bij nieuwbouwplannen kan dit leiden tot gevarieerdere ontwikkelingen. Binnen een ontwikkeling zullen ook sociale woningen en middenhuurwoningen gerealiseerd moeten worden nadat de gemeente de eisen uit de verordening heeft opgenomen in een ruimtelijk plan. Het gebruik van de doelgroepenverordening maakt integraal onderdeel uit van de woonvisie. De Wro biedt gemeenten de mogelijkheid om in ruimtelijke plannen te eisen dat een bepaald percentage sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en/of middenhuurwoningen gerealiseerd moet worden, mits er een doelgroepenverordening is.
Planspecifiek Tussen de gemeente Hoorn en de initiatiefnemer is in de anterieure overeenkomst het beoogde woningprogramma vastgelegd. Via deze 'route' is de woningverdeling juridisch geborgd. Om ook de instandhouding van de gerealiseerde sociale huur- of koopwoningen voor bepaalde doelgroepen voor meerdere jaren te borgen kan de doelgroepen verordening van toepassing verklaard worden. Daarmee kan, overeenkomstig artikel 6 van de Verordening, gedurende een termijn van ten minste 10 jaar de beschikbaarheid geborgd worden.
21
3.4.4 Beleid verblijfsruimte toeristen De gemeente Hoorn richt zich op het stimuleren van toerisme. Een belangrijk onderdeel daarvan is de beschikbaarheid van voldoende verblijfsruimten voor toeristen om aan deze vraag te voldoen. Attracties, horeca en detailhandel zijn voor een deel afhankelijk van het verblijfstoerisme. Daarbij stimuleert toerisme het voorzieningenniveau en draagt het, zowel direct als indirect, bij aan werkgelegenheid. De gemeente wil ook consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten in woningen stimuleren. Onderdeel hiervan is het bieden van de mogelijkheid aan bewoners om verblijfsruimten aan toeristen te kunnen bieden. In de notitie worden de voorwaarden bepaald die gesteld worden aan pensions en bed & breakfast's om de belangen van bewoners te waarborgen. Ten aanzien van pensions kan geen algemeen geldend beleid worden ontwikkeld, omdat de situaties te veel verschillen en dit juist te beperkend zou werken. De beoordeling of een pension wel of niet passend is op een bepaalde locatie, wordt per geval afgewogen en waar nodig worden hier voorwaarden aan verbonden. In tegenstelling tot een pension, is de impact van een bed & breakfast beperkt. Een bed & breakfast is daarom aanvaardbaar binnen de woonbestemmingen. De impact van een bed & breakfast is relatief gering en ondergeschikt aan het wonen.
Mits de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft en eventuele overlast voor de omgeving wordt beperkt, kan medewerking worden verleend aan de vestiging van een bed & breakfast. Planspecifiek De voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsnotitie zijn als uitgangspunt genomen in het voorliggende bestemmingsplan. 3.4.5 Bomenbeleidsplan In december 2009 is het Bomenbeleidsplan Hoorn 'Ruimte voor Bomen' vastgesteld door de gemeente Hoorn. Op dit moment staan er in Hoorn 1,3 bomen per woning (40.000 bomen en 30.500 woningen). Conform het gemeentelijk bomenbeleidsplan moet voor elke extra nieuwbouw woning 1,3 boom worden geplant. Het vaststellen van een bomennorm garandeert voldoende aanplant van bomen bij nieuwbouw en een evenwichtige spreiding van bomen over de stad. Dit kan zowel binnen het plangebied worden opgelost, maar ook daar buiten. Wanneer het niet (geheel) binnen het plangebied mogelijk is kan "vergroening" op een andere passende wijze worden ingevuld in het plangebied (waarbij goedkeuring nodig is van de gemeente) en indien dit niet mogelijk is kan door een financiële bijdrage deze verplichting worden geregeld door de gemeente door buiten het plangebied hieraan uitvoering te geven. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling realiseert maximaal 94 woningen en bijbehorend groen. Het bomenbeleidsplan wordt in acht genomen bij onderhavige ontwikkeling.
22
3.4.6 Groenvisie 2019-2029 De gemeente Hoorn heeft op 15 augustus 2019 de Groenvisie 2019-2029 vastgesteld. In de Groenvisie is het beleid op het gebied van groen en natuur vastgelegd. In de Groenvisie maakt de stad voor de komende 10 jaar keuzes voor het beheer, inrichting en gebruik van het groen. Groen is één van de belangrijkste stofferingen in de openbare ruimte. Een groene aankleding zorgt voor sfeer en beleving. Ook is groen van belang voor klimaatbestendigheid en een gezond leefklimaat in een steeds meer dichtbevolkte gemeente. Door inbreiding van woningen ontstaat meer druk op de groengebieden. De kwaliteit en kwantiteit van het groen wordt zo nog belangrijker voor de stedelijke leefbaarheid. Het groen in de openbare ruimte kan tenslotte bijdragen aan andere maatschappelijke doelen, zoals het verbeteren van de sociale cohesie. Binnen vijf pijlers zijn ambities gevormd:
• • • • •
Samen met de stad Biodiversiteit Gebruik openbaar groen Identiteit & beleving Klimaatbestendig & duurzaam
Planspecifiek Het beleid is om in nieuwbouwwijken de kwaliteit en kwantiteit van het toekomstige groen te borgen. Het plangebied ligt in een te versterken gebied en ten zuiden van het plangebied ligt een verbinding die versterkt moet worden. Ten oosten van het plangebied is reeds een groene verbinding aanwezig. Met voorgenomen ontwikkeling worden twee groene assen gerealiseerd. Eén groene as langs de Kieftsloot van west naar oost. De ander van noord naar zuid als doorlopende groenstructuur van lint naar lint. Daarmee wordt de groenstructuur van de verschillende deelgebieden in Bangert en Oosterpolder op elkaar aangesloten. Tevens wordt een nieuwe watergang aangelegd op de zuidelijke grens van het plangebied. Deze watergang sluit eveneens aan op de overige watergangen in het gebied en vormt dankzij de groene oevers daarmee een groenblauwe verbinding.
Groenstructuur (Gemeente Hoorn, oktober 2021)
23
3.4.7 Leidraad Inrichting Openbare Ruimte 2020 De overheid laat steeds meer activiteiten aan de markt over. Bij nieuwe ontwikkelingen in de gemeente ontwikkelt een initiatiefnemer niet alleen privaat terrein, maar ook de openbare ruimte, zoals dat ook in het onderhavige plangebied het geval is. Nadat de openbare ruimte gereed is, neemt de gemeente deze over in beheer en eigendom. Daarom is het belangrijk dat de gemeente vooraf kan aangeven welk kwaliteitsniveau zij wenst. Om tijdens de contractvorming al inzicht te hebben in de wensen van de gemeente ten aanzien van de te ontwikkelen openbare ruimte, is een Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) opgesteld. Planspecifiek De inrichting van de openbare ruimte in het bestemmingsplangebied geschiedt conform de in de LIOR gestelde eisen. Eventuele afwijkingen zullen uitsluitend na goedkeuring van de gemeente mogelijk zijn. 3.4.8 Archeologiebeleid In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn. Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007.
De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Planspecifiek In toelichting paragraaf 4.4.1 is uitgebreid ingegaan op het aspect archeologie.
bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen:
Het
Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden; Waarde-Archeologie 4: Voor de gebieden met deze dubbelbestemming geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 40 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden; Waarde-Archeologie 5: Voor de gebieden met deze dubbelbestemming geldt dat het archeologisch belang betrokken dient te worden bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 40 cm –Mv. In deze gebieden heeft nog geen uitgebreid archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Alleen bij grotere bodemingrepen is het van belang dat er een Quickscan wordt vervaardigd.
24
3.4.9 Welstandsnota Op 4 februari 2020 is de 'Welstandsnota gemeente Hoorn 2020' vastgesteld ter vervanging van de 'Welstandsnota 2017'. Om te voorkomen dat bouwwerken de openbare ruimte zouden ontsieren, zijn er ‘redelijke eisen van welstand’ opgesteld. Een vergunningaanvraag voor een bouwplan of renovatie wordt getoetst aan deze eisen. Dit welstandstoezicht wordt uitgevoerd door de gemeente en door een onafhankelijke Commissie voor Monumenten en Welstand. Planspecifiek Het plangebied valt binnen een gebied dat is aangewezen om planmatig uit te breiden (4f): Bangert & Oosterpolder. Het welstandsniveau betreft hier een regulier welstandsniveau. Dit zijn gebieden waar de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd. Voor deze gebieden wordt een regulier welstandsregime gehanteerd, waarbij de beoordeling vooral gericht is op het bewaren van de eenheid in complexmatige bebouwing. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. In sommige gevallen kan dan worden volstaan met het verwijzen naar criteria van naastgelegen of andere vergelijkbare gebieden in de gemeente. In andere gevallen wordt bij de beoordeling teruggegrepen op de algemene criteria.
Ook kan de gemeenteraad besluiten in het kader van de planvorming nieuwe welstandscriteria vast te stellen als aanvulling op de welstandsnota. Voor het plangebied wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie toelichting paragraaf 2.2). In het beeldkwaliteitskader staan de criteria met betrekking tot de plaatsing, massa, aanzichten/detaillering, opmaak en diverse andere zaken voor het op te richten programma. Het beeldkwaliteitskader vormt, samen met het voorliggende bestemmingsplan, na de uiteindelijke vaststelling door de gemeenteraad, de basis voor de aan te vragen (eventueel collectieve) omgevingsvergunning(en) voor het bouwen. Het beeldkwaliteitskader doorloopt een eigen procedure en wordt apart van het bestemmingsplan vastgesteld.
25
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Met het voorliggende plan worden in totaal 94 woningen gerealiseerd. Daarmee valt voorliggend plan onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Tevens is voor Bangert en Oosterpolder reeds een m.e.r.-procedure doorlopen. Aan het bevoegd gezag is een zogenaamde Aanmeldnotitie voorgelegd. Deze aanmeldnotitie geeft inzage in de te verwachten milieueffecten als gevolg van het plan.
Op basis van de Aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag vervolgens besluiten of ja/nee een vormvrije m.e.r. opgesteld dient te worden. Gezien de beperkte milieueffecten draagt een vormvrije m.e.r. niet bij aan een verder milieukundig inzicht en is er afgezien van het opstellen van een vormvrije m.e.r.
26
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende initiatief maakt woningen mogelijk. Daarmee wordt een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik mogelijk gemaakt. Om die reden is, met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater te bepalen, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (SWECO, 30 maart 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).
Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen: Op basis van het vooronderzoek is de bodem ter plaatse van de voormalige glastuinbouw onderzocht op de aanwezigheid van asbest met de onderzoekshypothese ‘verdacht op het voorkomen van heterogene bodemverontreiniging’. De bovengrond ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie is verder onderzocht op organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) met de hypothese ‘verdacht op het voorkomen van homogene bodemverontreiniging’. Tot slot is de gehele onderzoekslocatie onderzocht op PFAS in de bovengrond en overige chemische parameters in boven- en ondergrond op basis van de hypothese ‘onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging’. Er is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de bovengrond zijn plaatselijk sporen van baksteen waargenomen. In de ondergrond zijn geen antropogene bijmengingen waargenomen die mogelijk zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van dempingen met bodemvreemde bijmengingen. Tevens is analytisch geen asbest aangetoond. Omdat zintuiglijk en analytisch geen asbest is aangetoond, wordt voor het verkennend asbestonderzoek conform de NEN5707 geconcludeerd dat de voor de deellocaties ‘voormalige glastuinbouw fase 5A’ en ‘voormalige glastuinbouw fase 5B’ opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’, niet juist is. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.