Bijlage 1.1 Toelichting ontwerp bestemmingsplan Huesmolen Zuid
Tekst van het document
36/104
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te toetsen, is het noodzakelijk dat verschillende onderzoeken worden uitgevoerd.
4.1
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer‐plichtig (bijlage C en D), projectmer‐plichtig (bijlage C) of mer‐beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: 1. de kenmerken van de projecten; 2. de plaats van de projecten; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Toetsing aan de drempelwaarden uit het Besluit mer In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer is een projectmer noodzakelijk. Met dit bestemmingsplan worden 30 woningen en enkele functies op de begane grond mogelijk gemaakt. De drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. wordt hiermee niet overschreden.
In het kader van het Besluit m.e.r. is voor de beoogde ontwikkeling dan ook geen sprake van een directe mer(beoordelings)‐plicht. Sinds 7 juli j.l. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije mer‐beoordeling. Derhalve is, gelet op de formele beoordelingsplicht, een vormvrije mer‐beoordeling opgesteld. Deze beoordeling is opgenomen in bijlage 5. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de impact van het plan op het milieu gering is. Het is op basis van de mer‐beoordeling niet nodig om een volledige mer‐procedure te doorlopen.
4.2
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000‐gebieden en aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang.
37/104
Natura 2000‐gebieden Met de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, gaat geen oppervlakte aan Natura 2000‐gebied of Beschermd Natuurmonument verloren. In de omgeving van het plangebied is geen sprake van Natura 2000‐gebieden. Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. De dichtstbijzijnde beschermde gebieden liggen op circa 13,1 kilometer afstand. Het gaat om de Eilandspolder. Gezien deze afstand en het relatief kleinschalige karakter. Van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000‐gebied. NNN en Weidevogelleefgebied De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten de begrenzing van NNN‐gebied. De ontwikkeling ligt ook niet binnen de begrenzing van het volgens de provincie aangewezen Bijzonder provinciaal landschap. In deze gebieden zijn onder andere leefgebieden voor weidevogels opgenomen. Nadere toetsing in de vorm van een ‘Nee, tenzij‐toets’ is dan ook niet aan de orde. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten. Stikstof Met betrekking tot de uitvoering van het ruimtelijk plan is het van belang om na te gaan of stikstofdepositie een knelpunt kan vormen voor het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura‐2000 gebied.
Om te kunnen bepalen of stikstofdepositie een knelpunt vormt zijn met AERIUS Calculator berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkelingen. Deze berekening met een motivering van de uitgangspunten zijn als bijlage 7 toegevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebieden niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000‐gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Een vergunning van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie is dan ook niet nodig. Soortenbescherming De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Tenslotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
38/104
Het plangebied betreft een braakliggend stuk grond dat reeds bouwrijp is gemaakt en op dit moment intensief gebruikt wordt voor parkeren. Voor de ontwikkeling is een quickscan flora & fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied over geen mogelijkheden voor vleermuizen of vogels om te verblijven beschikt en het voor overige soort(groep)en verder volledig ongeschikt is. Een (verkennend) veldonderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten is dan ook niet nodig. Effecten op beschermde planten‐ en diersoorten worden niet verwacht. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Vanuit ecologisch oogpunt zijn er dan ook geen beperkingen aan de ontwikkeling vanuit dit bestemmingsplan.
4.3
Milieuzonering
Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet‐ en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Uit de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en hinder‐gevoelige objecten, zoals woningen, om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Er dient te worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens dient te worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen functies. Dit plan maakt de herontwikkeling van een voormalig complex van dienstverlenende bedrijven en instellingen naar woningen in combinatie met commerciële functies op de begane grond mogelijk.
Het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Het gebied kent een afwisseling van woningen met detailhandel, horeca, lichte bedrijven, kantoren en dienstverlenende bedrijven. Op de verdiepingen van deze percelen zijn woningen toegestaan. De mogelijke geluidsbelasting van de aanwezige kapper in het gebouw aan de Huesmolen 3 in Hoorn is nader beschouwd. Het gebouw bevindt zich op een afstand van meer dan 10 meter tot de toekomstige gevels van het appartementencomplex. Een kapper valt volgens de VNG‐brochure onder milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in een rustig gebied en 0 meter in een gemengd gebied. Gezien de ligging van het plangebied kan hier gesproken worden over een gemengd gebied. Een afstand van 0 meter kan derhalve aangehouden worden.
39/104
Kappers zijn op basis van het Activiteitenbesluit bedrijven die vallen onder een inrichting 'type A'. Type A inrichtingen volgens het Activiteitenbesluit voeren 'lichte' milieubelastende activiteiten uit. Ze hoeven bij oprichting of wijziging niet te melden en er geldt geen vergunningplicht. Omdat de kapper een 'type A' inrichting is, hoeft het bedrijf ook niet te melden of er geluidproducerendende apparaten aanwezig zijn. Overigens kan gesteld worden dat kappers doorgaans niet over dergelijke geluidproducerende apparaten beschikken. Voor kappers gelden verder de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Hierin zijn ook voorschriften voor geluid opgenomen. Mocht de kapper derhalve toch geluidproducerendende apparaten nodig hebben, zoals bijvoorbeeld een airco, dan dient aan de geluidsvoorschriften vanuit het Activiteitenbesluit voldaan te worden. Voor toekomstige airco's en warmtepompen gelden de maximale normen vanuit het Bouwbesluit 2012. Hierin is geregeld dat het geluidniveau op de perceelgrens volgens de regelgeving maximaal 40 dB(A) mag zijn tussen 19.00 en 07.00 uur. En overdag tussen 07.00 en 19.00 uur maximaal 45 dB (A). Uitgaande van het feit dat het gebouw van de kapperszaak de contour van de perceelsgrens is, zal gezien de afstand van 10 meter tot de gevels van het appartementencomplex het geluidniveau nog circa 30 dB(A) lager zijn.
Verder geldt in algemene zin dat kleine airco's een bronsterkte hebben van circa 70 dB(A). Op 10 meter afstand blijft er dan ca. 40 dB(A) over, waarmee aan de grenswaarde voor de nachtperiode wordt voldaan (Activiteitenbesluit) en de VNG‐richtwaarde voor gemengd gebied. Daarnaast geldt dat kappers in het algemeen niet werken in de nachtperiode. Vanwege gasloze en energiezuinige bouw, zal de geluidwering van het toekomstige appartementengebouw tenminste 25 dB(A) bedragen. Gezien de afstand van de kapper en de maximale geluidswaarden voor airco's kan gesteld worden dat er in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau en dat de kapper eveneens niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmert. Een aanvullend geluidsonderzoek wordt in dit kader dan ook niet nodig geacht. Aanvullend geldt voor eventuele toekomstige bedrijven in de plint van het toekomstige appartementengebouw dat aan de eisen vanuit het Activiteitenbesluit en Bouwbesluit 2012 voldaan moeten worden. Verder zijn er op dit moment geen concrete plannen die voorzien in een horeca‐inrichting met bijbehorend terras. Hiermee wordt gewaarborgd dat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon –en leefklimaat. Vanuit de omgeving zijn geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
40/104
De ontwikkeling ligt binnen de zones van de wegen Zwaagmergouw, Poortwachter, Torenwachter en De Huesmolen. Volgens de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek nodig indien woningen worden mogelijk gemaakt binnen de zone van een weg. Daarom is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 10. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat geen van de wegen zorgt voor overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Water
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Watertoets Het plan is aangemeld op de website www.dewatertoets.nl. Voor het plan is advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens (zie bijlage 11) die zijn opgegeven, is bepaald dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners waterbeleid voor de lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016‐2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016‐2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing.
Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
41/104
Verharding en compenserende maatregelen Binnen het werkgebied van het hoogheemraadschap is de afgelopen decennia door verstedelijking het areaal aan open water afgenomen. Om onder andere dit verschijnsel tegen te gaan is in 2003 de watertoets geïntroduceerd die ervoor moet zorgen dat de waterbelangen beter in ruimtelijke plannen worden meegenomen en dat ontwikkelingen 'waterneutraal' worden gerealiseerd. Een van de onderdelen van de watertoets is het beoordelen van de verhardingstoename. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hanteert bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een verhardingstoename tot 2.000 m2 de vuistregel dat 10% van de toename aan verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door het inrichten van nieuwe waterberging. Er is geen sprake, of slechts in beperkte mate, van een toename van verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd. Ruimtelijke adaptatie Het hoogheemraadschap adviseert om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Zo zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit.
Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken. Bij de concrete uitwerking van het stedenbouwkundig plan is met bovenstaande rekening gehouden. Beheer en onderhoud waterlopen Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan‐ en afvoer, waterberging of het onderhoud. Bij de aanleg van nieuw water in het plangebied adviseert het hoogheemraadschap zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande waterstructuur en onderhoudssituatie. Bij aanleg of aanpassing van waterlopen is het belangrijk om rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud van zowel de nieuwe als bestaande waterlopen. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Hiertoe moeten de waterlopen wel aan de voorwaarden van het hoogheemraadschap voldoen. In stedelijk gebied is het uitgangspunt dat waterlopen varend onderhouden kunnen worden, en dus tenminste 6 meter breed en 1 meter diep ten opzichte van het laagst gevoerde waterpeil zijn.
Indien geen varend onderhoud (kan) worden uitgevoerd, dient in elk geval te worden voorkomen dat waterlopen niet meer bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), doordat deze worden 'ingesloten' door bebouwing. Geadviseerd wordt om een obstakelvrije zone langs de waterloop van tenminste 5 meter aan te houden. Om water van voldoende waterkwaliteit te kunnen handhaven, is het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Het waterschap streeft ernaar om waterlopen te realiseren die in goede verbinding staan met het overige watersysteem. Om te voorkomen dat er locaties ontstaan waar kroos en drijfvuil zich zou kunnen ophopen, dienen doodlopende watergangen te worden voorkomen. Met de uitwerking van dit bestemmingsplan is geen sprake van het realiseren van waterlopen.
42/104
Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Het hoogheemraadschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
4.6
Luchtkwaliteit
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Het voornemen gaat uit van de realisering van maximaal 30 woningen en enkele bedrijfsfuncties op de begaande grond. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit luchtkwaliteit gelden er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
43/104
In het geldende bestemmingsplan is een bestemming voor de bescherming van archeologische waarden opgenomen. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ is een aanvulling op de geldende enkelbestemming ‘Kantoor’. Op basis van deze bestemming is archeologisch onderzoek aan de orde bij ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 10.000 m². Na sloop van het postkantoor is de kans zeer gering dat er nog archeologisch waardevolle zaken aanwezig zijn. Vanuit archeologisch oogpunt heeft heeft Archeologie West Friesland het plangebied met betrekking tot het aspect archeologie dan ook vrijgegeven. Cultuurhistorie De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie is geen belemmerende factor voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit gebied. Conclusie Vanuit het omgevingsaspect archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het plangebied.
4.8
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek bodemkwaliteit Het plangebied was voorheen in gebruik voor kantoorfuncties. Er is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen besproken. In de mengmonsters van de boven‐ en ondergrond zijn maximaal lichte verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater is een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met arseen geconstateerd. Van de overige onderzochte stoffen zijn maximaal licht verhoogde concentraties aangetroffen. De hypothese dat geen bodemverontreiniging aanwezig is, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd.
44/104
In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. Door de provincie Noord‐Holland is het gebied van de gemeente Hoorn echter niet aangewezen als gebied waar verhoogde arseen gehaltes standaard als van natuurlijke oorsprong mogen worden gezien. In het onderzoek van 2018 (zie bijlage 9) is een lichte verhoging van arseen gemeten, wat de natuurlijke oorsprong wel onderschrijft; namelijk sterke verschillen in concentraties die afhankelijk zijn van fluctuerende grondwaterstanden. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek bij het beoogde gebruik "wonen", geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen.
Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. De uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Er worden geen belemmeringen met betrekking tot het bodemaspect verwacht. Het planvoornemen is daarmee uitvoerbaar.
4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10‐6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10‐6‐contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 30 woningen mogelijk.
Woningen zijn aan te merken als kwetsbaar object.
45/104
Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen met een externe werking op het plangebied zijn en dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt via het spoor. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via de A7 wegvak N81 en N307. Dit gebeurt op een afstand van respectievelijk circa 1,2 kilometer ten westen van het plangebied en circa 1,6 kilometer ten noorden van het plangebied. De maatgevende stof van deze wegen is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van deze weg waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Verder liggen ten zuiden van het plangebied (op een afstand van circa 900 meter) verschillende buisleidingen met een diameter van 8,6 inch en een werkdruk van 40 bar. Hierbij hoort een invloedsgebied van 95 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied heen. Conclusie Het plangebied ligt in de nabijheid van de A7 en de N307 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wat enkele risico's met zich meebrengt. Ook vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen via een buisleiding plaats. Het invloedsgebied van alle transporten reikt echter niet over het plangebied. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig.
Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas‐, water‐ en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. In en rond het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarmee met dit bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden. Wel kunnen er enkele kleinere huisaansluitingen voor bijvoorbeeld gas, water en riool zijn. Met de uitvoering van de plannen wordt met deze leidingen rekening gehouden. Voor het bestemmingsplan behoeven deze leidingen geen bescherming. Conclusie In en rondom het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die beperkingen opleggen voor het bestemmingsplan.
46/104
4.11 Duurzaamheid De gemeente Hoorn heeft een duurzame, toekomstbestendige ontwikkeling hoog in het vaandel. Het gemeentebestuur heeft uitgesproken in 2040 klimaatneutraal te willen zijn. Ten aanzien van bestaand gebied worden geen regels opgenomen met betrekking tot duurzaamheid. Er wordt vooral gestreefd naar een vrijwillige en gezamenlijke inzet. De bestaande bouw is verantwoordelijk voor een groot deel van het totale energiegebruik van Hoorn. De gemeente voert met allerlei belanghebbenden (huurders, particuliere bezitters van woningen en bedrijven en corporaties) gesprekken om te komen tot gezamenlijke oplossingen. Te denken valt hierbij aan ondersteuning in de vorm van subsidies (ook het eenvoudiger aanvragen daarvan), waar mogelijk het soepeler verkrijgen van vergunningen en gezamenlijke aanschaf van duurzame artikelen; denk aan isolatiemateriaal en dergelijke. Door de alsmaar stijgende prijzen van energie zijn de investeringen in duurzame oplossingen steeds sneller terugverdiend. Naast veel aandacht voor energiegebruik is er ook aandacht voor andere duurzame strategieën, zoals het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Daarnaast wordt voor zover mogelijk gestreefd naar gecombineerde ontwikkelingen. Bij dit ontwikkelingsplan heeft het streven naar duurzaamheid een hoge prioriteit. Uitgangspunt daarbij zijn de drie stappen van de Trias Energetica.
Deze drie stappen zijn: 1. Beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan; bijvoorbeeld een compacte gebouwvorm of door isolatie van gevels en daken. 2. Maak maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen, zoals wind‐, water‐, en zonneenergie. 3. Maak zo efficiënt mogelijk gebruik van fossiele brandstoffen om in de resterende energiebehoefte te voorzien. De ambitie is om de beste bouwkundige technieken en installatietechnieken toe te passen om het gebouw zo energiezuinig mogelijk te maken, waarbij minimaal voldaan moet worden aan de wetteljke eisen vanuit het BENG. De elektrische energie kan worden opgewekt met zonnepanelen. Voor de terreininrichting zal aandacht zijn voor een natuurvriendelijke inrichting. Met deze inrichting wordt gestreefd naar een grotere biodiversiteit, meer verschillende planten in de stad wat leidt tot meer verschillende insecten, waaronder bijen en meer vogels. Conclusie Het plan voorziet hiermee in een duurzame invulling van het gebied.
4.12 Bezonningsstudie Met dit project wordt hoogbouw mogelijk gemaakt. Er is daarom een bezonningsanalyse uitgevoerd. Deze is als bijlage 12 toegevoegd. Voor een aantal jaargetijden is een simulatie gemaakt van de schaduwwerking van de gebouwen in de omgeving en van het geprojecteerde ontwerp. Een bezonningstudie is uitgevoerd om vast te stellen in welke mate de implementatie van het gebouw de omgeving beïnvloedt. Uit de studie komt naar voren dat het effect van het nieuwe volume op de bezonning van de naastgelegen gebouwen overwegend beperkt blijft tot een aantal uren per dag in de wintermaanden, wanneer de schaduwen lang zijn. Het meest betroffen is de hoek van het naastgelegen gebouw, waar zich een vluchttrappenhuis bevindt, alsmede de buitenbergingen. De invloed op de bezonning van verblijfsruimtes is daarmee aanvaardbaar te noemen.
47/104
48/104
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische regeling
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij het bestaande bestemmingsplan 'Risdam, Nieuwe Steen‐West, Blauwe Berg en Missiehuis'. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks‐ en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. De wijze van bestemmen is afgestemd op het geldende Consolidatieplan Risdam, Nieuwe Steen‐West, Blauwe Berg en Missiehuis. Verkeer ‐ Verblijf De openbare gronden krijgen de bestemming Verkeer ‐ Verblijf. Deze gronden zijn onder ander bedoeld voor wegen en straten, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Wonen ‐ Woongebouw Binnen de bestemming 'Wonen ‐ Woongebouw' is een bouwvlak opgenomen waar het gebouw is toegestaan. Het maximum aantal woningen bedraagt 30. Binnen een bouwvlak is het maximum bebouwingspercentage opgenomen. In het bouwvlak zijn de maximum goot‐ en bouwhoogte aangegeven. In de plint is commerciële dienstverlening (inclusief kantoor), maatschappelijke doeleinden en detailhandel toegestaan. Voor detailhandel geldt een maximum van 260 m2 wvo. Binnen de regels is aangegeven dat van het aantal woningen in het plangebied minimaal 80% in het segment geliberaliseerde woning voor middenhuur laag dient te vallen en 20% in de categorie geliberaliseerde woning voor middenhuur hoog.
49/104
50/104
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting. Participatie Er zijn twee informatieavonden met de directe omgeving georganiseerd. Over de verschillende aspecten van de nieuwe ontwikkeling is gedurende deze avonden informatie verstrekt. Een verslag van beide avonden is opgenomen in bijlage 13 en 14. In deze verslagen is weergegeven hoe het proces van participatie is uitgevoerd, wat inhoudelijk aan input is opgehaald en hoe dat is verwerkt. Gelet hierop heeft geen afzonderlijke inspraak over het plan plaatsgevonden. Zienswijzen Overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Vaststellingsfase Na de behandeling van de ontvangen zienswijzen besluit de gemeenteraad tot het vaststellen van het bestemmingsplan. De bekendmaking van het vaststellingsbesluit vindt plaats door middel van een publicatie in het gemeentelijke huis‐aan‐huisblad en in het Gemeenteblad. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij een voorlopige voorziening bij de voorzitter van de ABRvS is aangevraagd.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro wordt aangegeven dat een bestemmingsplan vergezeld moet gaan van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. De kosten voor dit bestemmingsplan en de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen worden gedragen door de ontwikkelaar. Dat wordt contractueel in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar vastgelegd. De overeenkomst wordt vóór vaststelling van het bestemmingsplan in de raad door beide partijen getekend. In deze overeenkomst worden ook afspraken gemaakt over het aanbieden van woningen in het middenhuursegment.
51/104
Grondexploitatie Artikel 6.12 lid 1 van de Wro verplicht de gemeenteraad in een aantal, in art. 6.2.1 van het Bro aangewezen, gevallen tot het vaststellen van een exploitatieplan, tenzij de uitzondering van artikel 6.12 lid 2 van de Wro zich voordoet. Volgens die bepaling kan de gemeenteraad besluiten om van het vaststellen van een exploitatieplan af te zien als het verhaal van de exploitatiekosten anderszins is verzekerd, er geen noodzaak is de ontwikkeling te faseren en er geen noodzaak is om via een exploitatieplan eisen te stellen aan onder meer het bouwrijp maken van gronden of de inrichting van de openbare ruimte. Wat verhaalbare kosten zijn vloeit voort uit artikel 6.13 Wro. De kosten voor het voorliggende bestemmingsplan zijn anderszins verzekerd, namelijk via een anterieure overeenkomst. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk.
52/104