Bijlage 1.1 Ontwerp bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied - Toelichting
Tekst van het document
4.3.3
Regionale detailhandelsvisie
In de regionale detailhandelsvisie West-Friesland (2015) wordt ingezet op (versterking van) de hoofdstructuur. Er wordt geen medewerking verleend aan initiatieven tot nieuwe clusters van detailhandel buiten de hoofdstructuur (met uitzondering van Bangert en Oosterpolder). Kort samengevat is het credo: initiatieven dienen bij te dragen aan versterking van de gewenste structuur nieuwe clusters van detailhandel buiten de genoemde hoofdstructuur niet gewenst zijn initiatieven die voorzien in realisering of uitbreiding van verspreid gevestigde bewinkeling niet gewenst zijn Nieuwe detailhandelsinitiatieven buiten de winkelgebieden worden niet toegestaan. De in dit bestemmingsplan voorziene detailhandel is van geringe omvang en passend bij de functie van het gebied.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie Hoorn
Op 10 juli 2012 is de Structuurvisie Hoorn vastgesteld. De structuurvisie is een uitwerking van de Stadsvisie uit 2005. De Structuurvisie onderscheidt acht belangrijke maatschappelijke opgaven: Bouwen en transformeren voor de vergrijzing.
30
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Vasthouden van jonge gezinnen. Ontwikkelen van aantrekkelijke stad in een complete regio. Bestaande woningvoorraad aantrekkelijk houden. Balans wonen en werken. Economie verbreden. Compleet pakket aan voorzieningen bieden. Branding en profilering van Hoorn verbeteren. In de structuurvisie wordt aangegeven dat Hoorn een andere fase in gaat: van groeikern naar volwassen stad. De laatste uitbreidingsplannen worden afgerond en de aandacht verschuift naar de bestaande stad. De toekomstige behoeften moeten daarbij worden opgevangen via de herstructurering en de inbreiding in de bestaande stad. De transformatie van het deelgebied Stationsgebied past hier uitstekend in. In de structuurvisie is het plangebied van dit bestemmingsplan aangewezen als ontwikkellocatie (nr. 3).
4.4.2
Structuurvisie Poort van Hoorn
Op 5 maart 2013 is de Structuurvisie Poort van Hoorn vastgesteld. De Poort van Hoorn bestaat uit het gebied rondom het station van Hoorn en is onderverdeeld in zes deelgebieden. Pelmolenpad-Prisma is een van deze deelgebieden. Het deelgebied heeft de potentie een echte binnenstedelijke woon- en werkbuurt te worden in een hoge dichtheid. Die dichtheid kan bereikt worden door het realiseren van grondgebonden stadswoningen met gebouwde parkeervoorzieningen. Het reserveren van atelierachtige ruimten op de begane grond levert een sfeer op van bedrijvigheid die goed past in een stationsomgeving. Het planvoornemen past binnen de kaders van deze structuurvisie.
4.4.3
Woonvisie Hoorn 2020-2025 (2020)
De Hoornse woningmarkt en de ambitie om meer stad te worden vragen om een nieuwe koers. Door de enorme krapte op de woningmarkt is de urgentie groot. De gemeente Hoorn wil zich blijven ontwikkelen. De huidige vergrijzing en ontgroening (jongeren die de stad verlaten) heeft een negatief effect op de leefbaarheid en vitaliteit van de stad en daarmee een negatief economisch effect. Een divers aanbod van woningen, werkgelegenheid, zorg-, onderwijs- en recreatievoorzieningen is van groot belang voor een dynamische stad. Daarnaast zet de gemeente in op een samenleving waarin iedereen meedoet, met duurzame, toekomstbestendige en betaalbare woningen. De vraag naar woningen is groot. Daarom stimuleert de gemeente het bouwen van extra woningen. Met een nieuwbouwprogramma, zowel op nieuwe locaties als binnen bestaande buurten ('inbreiden’ en verdichten). In de woonvisie zijn voor de komende vijf jaar onderstaande vier kernpunten benoemd. 1. 2. 3. 4.
Versnelling en ontwikkeling Wonen, zorg en welzijn Duurzaam wonen Sociale huurmarkt, woonwagenbewoners en buitenlandse werknemers
Het planvoornemen voorziet in diverse woningen voor verschillende doelgroepen en levert een kwalitatieve aanvulling op de huidige woningvoorraad van Hoorn. Uitgangspunt bij nieuwbouw is dat projecten kwalitatief aansluiten bij de vraag van woningzoekenden. Het regionale kwalitatieve afwegingskader (zie paragraaf 4.3) is hierbij leidend.
31
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Doelgroepenverordening Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Hoorn de verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Hoorn vastgesteld zodat de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen kan sturen op categorieën woningbouw die ondervertegenwoordigd zijn in de gemeente Hoorn. In de verordening is een balans gezocht tussen de mogelijkheden van woningzoekenden die het moeilijk hebben op de woningmarkt en de aantrekkelijkheid voor ontwikkelaars om in Hoorn woningen te realiseren. De eisen uit de verordening gelden bij nieuwe ontwikkelingen. Met de doelgroepenverordening kan de gemeente in ruimtelijke plannen en exploitatieplannen eisen opnemen voor het realiseren van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middenhuurwoningen. Bij nieuwbouwplannen kan dit leiden tot gevarieerdere ontwikkelingen. Binnen een ontwikkeling zullen ook sociale woningen en middenhuurwoningen gerealiseerd moeten worden nadat de gemeente de eisen uit de verordening heeft opgenomen in een ruimtelijk plan. Het gebruik van de doelgroepenverordening maakt integraal onderdeel uit van de woonvisie. De Wro biedt gemeenten de mogelijkheid om in ruimtelijke plannen te eisen dat een bepaald percentage sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en/of middenhuurwoningen gerealiseerd moet worden, mits er een doelgroepenverordening is.
Op basis van de doelgroepenverordening dient binnen het plangebied te worden voldaan aan de volgende woningdifferentiatie: d.
e.
f.
minimaal 15% van het totaal aantal maximum toegestane wooneenheden in de categorie sociale koopwoningen conform het bepaalde in de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Hoorn d.d. 6 juni 2019; minimaal 5% van het totaal aantal maximum toegestane wooneenheden in de categorie geliberaliseerde woning voor middenhuur laag conform het bepaalde in de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Hoorn d.d. 6 juni 2019; minimaal 5% van het totaal aantal maximum toegestane wooneenheden in de categorie geliberaliseerde woning voor middenhuur hoog conform het bepaalde in de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Hoorn d.d. 6 juni 2019.
Deze woningdifferentiatie is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de ambities in de woonvisie.
4.4.4
Detailhandelsnota Gemeente Hoorn 2020 - 2025
De detailhandelssector ondergaat grote veranderingen. Veel fysieke winkels en winkelgebieden hebben het moeilijk. De veranderingen in het koopgedrag van mensen is gewijzigd. Zeker als gevolg van de coronacrisis en de daarbij horende maatregelen. Om de detailhandel toekomstbestendig te houden zijn beleidskeuzes nodig. De belangrijkste daarvan is het concentreren van winkelaanbod. Dit geldt zeker voor de binnenstad. De aantrekkelijkheid van de binnenstad wordt overigens niet alleen bepaald door detailhandel, maar ook door kunst, cultuur en andere publieksaantrekkende functies. Er moet sprake zijn van een samenhangende vertaling van deze nota in combinatie met het beleid op andere terreinen die van belang zijn voor het aantrekkelijk houden van de binnenstad. Om de ontwikkeling van de Poort van Hoorn mogelijk te maken, moet Albert Heijn uit de Van Dedemstraat verplaatst worden. Bij het opstellen van de detailhandelsvisie is met betrekking tot de ontwikkeling Poort van Hoorn rekening gehouden met onderstaande ambitiets en uitgangspunten.
32
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
De gemeente Hoorn wil 'meer stad' worden. Op grond van provinciaal en gemeentelijk beleid wordt minstens 50% van de nieuwe woningen gerealiseerd binnen 1.200 meter rond OV-knooppunten, waarvan een groot deel in de Poort van Hoorn. Om dit te realiseren is een verplaatsing van Albert Heijn noodzakelijk.* In stationsgebied-noord, stationsgebied-zuid en Pelmolenpad/Prismalocatie wordt uitgegaan van een beperkte omvang aan detailhandel, passend bij het functioneel profiel van deze gebieden.* Voorwaarde is daarnaast dat er geen onevenredige concurrentie mag zijn met de bestaande detailhandel in de binnenstad en dat de marktruimte kan worden aangetoond. In paragraaf 4.1.2 is hier nader op ingegaan. In stationsgebied noord wordt uitgegaan van een kleine binnenstadsupermarkt (500 a 700 m2 bvo), vooral gericht op lokale bewoners en bus- en treinreizigers*. * zie Raadsbesluit Uitgangspunten Gebiedsontwikkeling Poort van Hoorn - 24-09-2019
4.4.5
Beleid verblijfsruimte toeristen
De gemeente Hoorn richt zich op het stimuleren van toerisme. Een belangrijk onderdeel daarvan is de beschikbaarheid van voldoende verblijfsruimten voor toeristen om aan deze vraag te voldoen. Attracties, horeca en detailhandel zijn voor een deel afhankelijk van het verblijfstoerisme. Daarbij stimuleert toerisme het voorzieningenniveau en draagt het, zowel direct als indirect, bij aan werkgelegenheid. De gemeente wil ook consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten in woningen stimuleren. Onderdeel hiervan is het bieden van de mogelijkheid aan bewoners om verblijfsruimten aan toeristen te kunnen bieden. In de notitie worden de voorwaarden bepaald die gesteld worden aan pensions en bed & breakfasts om de belangen van bewoners te waarborgen. Ten aanzien van pensions kan geen algemeen geldend beleid worden ontwikkeld, omdat de situaties te veel verschillen en dit juist te beperkend zou werken. De beoordeling of een pension wel of niet passend is op een bepaalde locatie, wordt per geval afgewogen en waar nodig worden hier voorwaarden aan verbonden. In tegenstelling tot een pension, is de impact van een bed & breakfast beperkt. Een bed & breakfast is daarom aanvaardbaar binnen de woonbestemmingen. De impact van een bed & breakfast is relatief gering en ondergeschikt aan het wonen.
Mits de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft en eventuele overlast voor de omgeving wordt beperkt, kan medewerking worden verleend aan de vestiging van een bed & breakfast. De voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsnotitie zijn als uitgangspunt genomen in het voorliggende bestemmingsplan.
4.4.6
Bomenbeleidsplan
In 2009 is het Bodembeleidsplan opgesteld dat voor een deel steunt op het groenbeleidsplan. Het Bomenbeleidsplan draagt de titel “Ruimte voor bomen”, waarmee wordt benadrukt dat bomen in het toekomstige gemeentelijk beleid een meer prominente plaats krijgen in ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente wil dat Hoorn een groene stad is en blijft. Centraal in het bomenbeleidsplan staat het beschermen van het huidige en toekomstige bomenbestand en het scheppen van voorwaarden voor een optimale ontwikkeling en verzorging van bomen. Via het principe “niet kappen, tenzij…” wordt het gemeentelijke bomenbestand zoveel mogelijk beschermd.
33
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Figuur 14. Kaartfragment Bomenbeleidsplan
De bomenkaart vormt de onderlegger voor het bomenbeleidsplan. De belangrijke huidige en gewenste boomstructuren zijn vastgelegd op een kaart, onderverdeeld in hoofdstructuur, secundaire structuur en parkgroen. De hoofdstructuur valt grotendeels samen met de ontsluitingsstructuur vanuit de wijken en de stad. De secundaire structuur bestaat uit een aantal lange routes door de wijk langs wegen, fietspaden en watergangen. Langs deze routes staan beeldbepalende boomrijen. Hoorn zet zich in voor het handhaven en optimaliseren van deze boomstructuren. In bovenstaand figuur is de structuur ter plaatse van het plangebied weergegeven. Langs het Keern loopt de hoofdstructuur. Deze eindigt bij het spoor. De Van Dedemstraat is aangemerkt als een secundaire structuur. Ook de Spoorsingel aan de zuidzijde is als secundaire structuur aangemerkt. Het stedenbouwkundig plan heeft geen effect op de aanwezige boomstructuur en het plan biedt voldoende mogelijkheden om de bestaande groenstructuren te versterken. Nb. Voor extra bescherming van het huidige bomenbestand gebruikt Hoorn een aantal instrumenten. Bij bouw- en aanlegwerkzaamheden moet een Bomen Effect Analyse worden uitgevoerd voordat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Met de Bomen Effect Analyse wordt uitgezocht wat de gevolgen zijn van de werkzaamheden op de aanwezige bomen.
Van daaruit kan men nagaan of het zin heeft om deze bomen op die locatie te handhaven, en zo ja, hoe ze in stand kunnen worden gehouden. De Bomen Effect Analyse moet worden uitgevoerd bij ieder bouw- of aanlegplan in Hoorn waarbij bomen betrokken zijn.
4.4.7
Groenvisie Hoorn 2019 - 2029
Meer groene verbindingen door de stad, een beter gebruik van groen en grotere biodiversiteit. Dat zijn de speerpunten van de Groenvisie die inwoners samen met de gemeente Hoorn hebben opgesteld. Onder de titel ‘Verbindend groen’ is een visie voor het Hoornse groen in 2030 gemaakt. In de Groenvisie maakt de stad voor de komende tien jaar keuzes voor het beheer, inrichting en gebruik van het groen. Groen kleedt de openbare ruimte in Hoorn aan. Parken, plantsoenen en bermen zorgen voor sfeer en beleving. Ook dragen de groene gebieden bij aan klimaatbestendigheid en een gezonde leefomgeving. Daarnaast brengt groen inwoners bij elkaar. Onderstaande vijf pijlers dragen de Groenvisie.
34
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
1. Samen met de stad Het groen in Hoorn is van ons allemaal. De gemeente wil de samenwerking met de stad versterken door communicatie, educatie en participatie. Voor inwoners moet duidelijk zijn waar en waarom grote werkzaamheden plaatsvinden. 2. Biodiversiteit Dankzij de verschillende soorten leven blijft de natuur in evenwicht. We gaan het beheer en onderhoud waar mogelijk natuurlijk uitvoeren, zodat dieren en planten de ruimte krijgen. Biodiversiteit bevorderen we door meer gevarieerde planten in de groene verbindingen, bermen, oevers en bosplantsoenen. Bomen die in de toekomst waardevol kunnen zijn, beschermen we. 3. Gebruik van groen Groen is van groot belang voor recreatie. Je kunt er spelen, sporten, wandelen, de hond uitlaten of luieren. We gaan functies toekennen aan de grote groengebieden om daarmee de kwaliteit te vergroten en het gebruik te spreiden. Ook geven we aan waar plek is voor eetbaar groen en stimuleren we stadslandbouw. Er komen (natuurlijke) verbindingen tussen groengebieden, zodat er een groen netwerk ontstaat door de gemeente. 4. Identiteit en beleving Groen geeft identiteit aan plekken en gebieden. De gemeente Hoorn wil de beleving en identiteit van de openbare ruimte vergroten. Het groen wordt diverser: we voegen kleur en fleur toe aan de stad. Per wijk dragen planten en hun kleuren bij aan een positieve uitstraling.
Planten als heesters en bomen krijgen de kans zich te ontwikkelen doordat ze op de juiste plek staan. 5. Klimaatbestendig en duurzaam Hoorn wil binnen tien jaar een duurzamere gemeente zijn die beter bestand is tegen klimaatverandering. We gebruiken duurzame materialen en brandstoffen in het groen. In aansluiting op het groene netwerk komen in plantsoenen, parken en pleinen plekken waar mensen prettig kunnen verblijven als het warm is. De gemeente Hoorn zet zich in voor minder verstening in de openbare ruimte en tuinen. Bomen worden gekoesterd op de plaatsen waar ze tot hun recht komen en een optimale bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen. Dit betekent ook dat bomen in de openbare ruimte in principe niet weggehaald worden voor zonnepanelen. Als een grote meerderheid van de direct omwonenden overlast van bomen ervaart, wordt gezocht naar maatwerkoplossingen. Ook kan het college ervoor kiezen om de mening van de gemeenteraad te vragen. In het stedenbouwkundig plan is ingegaan op de inrichting van de openbare ruimte, waarbij ook groenvoorzieningen een belangrijke rol spelen (zie paragraaf 3.2 en Bijlage 2). Het planvoornemen is in lijn met de Groenvisie.
4.4.8
Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (2020)
De overheid laat steeds meer activiteiten aan de markt over. Bij nieuwe ontwikkelingen in de gemeente ontwikkelt een initiatiefnemer niet alleen privaat terrein, maar vaak ook de openbare ruimte zoals dat ook in het onderhavige plangebied het geval zou kunnen zijn. Bij deze werkwijze neemt de gemeente de openbare ruimte over in beheer en eigendom nadat deze gereed is. In dergelijke gevallen is het belangrijk dat de gemeente vooraf kan aangeven welk kwaliteitsniveau zij wenst. Om tijdens de contractvorming al inzicht te hebben in de wensen van de gemeente ten aanzien van de te ontwikkelen openbare ruimte, is een Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) opgesteld.
35
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Naast voornoemde werkwijze bestaat de mogelijkheid dat de gemeente direct opdrachtgever kan zijn voor de realisatie van het openbaar gebied waarbij ook de eisen uit de LIOR gevolgd moeten worden. Voor het stationsgebied ligt het voor de hand om deze werkwijze toe te passen.
4.4.9
Archeologiebeleid
In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een nieuwe Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn. Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2 , maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd.
De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Het bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologie 1: archeologisch belang betrekken bij alle bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm –Mv; Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden.
4.4.10
Kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie
Intensivering en hoogbouw hebben langdurig en in grote mate invloed op de uitstraling van de stad. Om een kader te hebben waaraan getoetst kan worden, zodat iedere situatie in de stad volgens dezelfde kwalitatieve standaard wordt bekeken heeft de gemeenteraad op 20 april 2021 ingestemd met de kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie. Op basis van deze kadernotitie wordt de uiteindelijke hoogbouwvisie opgesteld. In de notitie wordt voorgesteld een wijze van intensiveren te kiezen die past bij Hoorn. Dat betekent dat nieuwe hoogbouw moet passen bij de directe omgeving, maar ook dat die geïnspireerd is op het leefmilieu in de binnenstad. Een gevarieerde programmatische invulling en bouwhoogte. En intensief betekent ook veel ruimte voor water of groen. Intensiveren van stedelijke gebieden is een kans om de gewenste woningen en voorzieningen toe te voegen om de stad leefbaar en vitaal te houden. Door die nieuwe woningen in een meer stedelijke omgeving te maken, zijn ze aantrekkelijk voor bijvoorbeeld de jongere woningzoekers, of ouderen die op zoek zijn naar
36
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
een levendige woonomgeving. Door iets meer dan nu de hoogte op te zoeken, kunnen woningen toegevoegd worden aan de stad, zonder dat dat ten koste gaat van openbare ruimte. Het is niet het doel om de stad vol te bouwen, maar juist om woningen toe te voegen en ook meer bruikbare groene ruimte. Definitie hoogbouw De definitie van hoogbouw is voor velen verschillend, dat hangt ook af van verhoudingen tot andere gebouwen en het standpunt waarvandaan je die hoogbouw beleeft. Gemeenten in Nederland hanteren dus ook verschillende definities voor de grens waarboven een gebouw hoogbouw genoemd wordt. Hoorn ligt aan het water en in een plat landschap, waardoor het silhouet van met name de oude stad en de omliggende dorpen (met nog mooie monumentale kerkjes) met relatief lage hoogbouw behoorlijk kan veranderen. Daarom wordt uitgegaan van een hoogbouwdefinitie die per gebied verschilt. In Hoorn worden drie definities van de basishoogte, met bijbehorende accenten en uitschieters gehanteerd.
Figuur 15. Drie definities van basishoogte zoals opgenomen in de kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie
De gebieden waar dynamisch stedelijk gebied wordt voorzien, zijn gelegen binnen een cirkel van 1200 meter vanaf een station. Het stedenbouwkundig plan Poort van Hoorn is het eerste intensiveringsgebied met uitgangspunten voor de hoogte van 5 tot 6 lagen voor de basishoogte, met enkele hogere delen tot 8 lagen. Daarbij is aangegeven dat een aantal hoogteaccenten mogelijk zijn. In het gebied Pelmolenpad past een kleinstedelijke intensivering: Iets lagere bebouwing, voornamelijk met een woonbestemming. Poort van Hoorn geeft een goed beeld van de kansen van intensivering, en daar is breed draagvlak voor, hoewel er in de nadere verdieping van het stedenbouwkundig plan over de plaatsing van de hoogteaccenten nader overleg heeft plaatsgevonden met onder andere de omgeving (zie ook paragraaf 7.1 waarin is ingegaan op het participatietraject). Mede naar aanleiding van het participatietraject is de plaatsing van de hogere gebouwen aangepast ten opzichte van het in 2020 vastgestelde stedenbouwkundige plan. In paragraaf 3.4 is ingegaan op de stedenbouwkundige motivering van de hoogteaccenten in het plangebied. Er wordt gekozen voor een wijze van intensiveren die past bij Hoorn. Dat betekent dat nieuwe hoogbouw moet passen bij de directe omgeving, maar ook dat die geinspireerd is op het leefmilieu in de binnenstad: Met een gevarieerde programmatische invulling en bouwhoogte.
En intensief betekent ook veel ruimte voor water of groen.
37
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
4.4.11
Welstandsnota 2020
Op 4 februari 2020 is de Welstandsnota 2020 van de gemeente Hoorn vastgesteld. De welstandsnota is het toetsingsinstrument voor nieuwe ontwikkelingen in Hoorn. Het planvoornemen ligt in plangebied 5c Buitenstad. Hiervoor geldt een regulier welstandsregime. In de reguliere gebieden ligt de focus bij de beoordeling vooral op het bewaren van de eenheid in complexmatige bebouwing. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. In sommige gevallen kan dan worden volstaan met het verwijzen naar criteria van naastgelegen of andere vergelijkbare gebieden in de gemeente. In andere gevallen wordt bij de beoordeling teruggegrepen op de algemene criteria. Ook kan de gemeenteraad besluiten in het kader van de planvorming nieuwe welstandscriteria vast te stellen als aanvulling op de welstandsnota. Voor het plangebied wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie paragraaf 3.7). In het beeldkwaliteitskader staan de criteria met betrekking tot de plaatsing, massa, aanzichten/detaillering, opmaak en diverse andere zaken voor het op te richten programma. Het beeldkwaliteitskader vormt, samen met het voorliggende bestemmingsplan, na de uiteindelijke vaststelling door de gemeenteraad, de basis voor de aan te vragen (eventueel collectieve) omgevingsvergunning(en) voor het bouwen.
Het beeldkwaliteitskader doorloopt een eigen procedure en wordt apart van het bestemmingsplan vastgesteld.
38
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Hoofdstuk 5
Omgevingstoets
Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te toetsen, is het noodzakelijk dat verschillende onderzoeken worden uitgevoerd.
5.1
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of er voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of er beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen.
Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen. Onderzoek In 2017 en 2018 zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd voor zowel de noord- en zuidzijde van het stationsgebied. Door de gemeente Hoorn zijn de verontreinigingssituaties naar aanleiding van deze onderzoeken in kaart gebracht (Bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat op diverse vlekken ernstige, maar niet spoedeisende, vormen van bodemverontreining aanwezig is. De onderzoeksresultaten vormen milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de toekomstige bestemming van de locatie. Door middel van een sanering kunnen deze gronden gebruikt worden voor de beoogde functies. Er kan op basis van de beschikbare informatie niet worden gegarandeerd dat plaatselijk de bodem altijd geschikt is voor de huidige en/of gewenste functie. Bij bouwactivteiten/ontwikkelingen binnen het gebied moet daarom altijd een extra toets op bodemgeschiktheid worden gedaan. Voor de geplande saneringswerkzaamheden (inclusief de werkzaamheden in het stationsgebied) wordt overwogen om te werken met een raamsaneringsplan.
Dit geeft de mogelijkheid om gefaseerd te saneren en om eenvoudiger om te gaan met onverwachte lokale verontreinigingsspots in het dempingmateriaal op terreindelen waar geen sterke verontreinigingen in de diverse bodemonderzoeken naar voren zijn gekomen. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.
39
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
5.2
Ecologie
In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb), de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Voor het totale plangebied Poort van Hoorn is een ecologische beoordeling uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Indien vliegroutes of verblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig zijn, kan een negatief effect optreden op het instandhoudingsdoel van de Meervleermuis in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer. Om te bepalen of dit het geval is, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd wanneer werkzaamheden plaatsvinden waarbij gebouwen gesloopt worden of wanneer er lichtbronnen nabij bomen, bestaande gebouwen of watergangen worden gerealiseerd. Overige gebiedsbescherming Op overige beschermde gebieden (NNN, Weidevogelgebieden) zijn door uitvoering van de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten te verwachten.
Stikstof Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of er negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Op 7 juni 2021 is de berekening stikstofdepositie voor de bestemmingsplannen 'Poort van Hoorn - Stationsgebied' en 'Pelmolenpad' uitgevoerd. Omdat de plangebieden aan elkaar grenzen en de realisatie deels tegelijk plaats vindt is er voor gekozen om voor de twee bestemmingsplannen een gezamenlijke AERIUS-berekening uit te voeren. De berekeningen met AERIUS genereren een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. De berekening met bijlagen is als Bijlage 9 bijgevoegd. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Soortenbescherming Vogels Door uitvoering van de plannen ontstaat mogelijk een conflict met de Wnb indien broedende vogels en hun nesten worden verstoord.
Vleermuizen Wanneer men gebouwen sloopt of bomen met holtes kapt kunnen er verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Er dient dan aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen te worden uitgevoerd. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen bestaat uit meerdere onderzoeksrondes, die verspreid over de periode mei tot en met oktober plaatsvinden. Vanwege de nabijheid van het Markermeer zal er extra aandacht besteed moeten worden aan de Meervleermuis tijdens dit onderzoek. Steenmarter
40
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Wanneer gebouwen gesloopt worden kunnen verblijfplaatsen van Steenmarter verloren gaan. Mochten gebouwen gesloopt worden dan dient eerst onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van Steenmarter in de betreffende gebouwen. Overige beschermde soorten Door uitvoering van de plannen zal geen conflict met de Wnb ontstaan ten aanzien van overige beschermde soorten. Wel dient ten aanzien van vrijgestelde amfibieën en zoogdiersoorten de zorgplicht in acht genomen te worden, door de dieren de gelegenheid te geven het plangebied te verlaten. Conclusie Het nader onderzoek naar de vleermuizen en meervleermuis en de steenmarter wordt uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zullen te zijner tijd worden verwerkt. Omdat de verwachting is deze onderzoeken nog niet (volledig) zijn uitgevoerd ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan is er voor gekozen om de verplichting tot een onderzoek vast te leggen in de regels door middels van een voorwaardelijke verplichting. Voor het overige wordt rekening gehouden met de zorgplicht en is het planvoornemen niet in strijd met het gestelde binnen de Wnb.
5.3
Erfgoed
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. 2. 3.
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten
Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen.
41
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
5.3.1
Cultuurhistorie
Ten behoeve van de ontwikkeling van Stationsgebied Noord is in 2018 een herziene versie van het cultuurhistorisch advies opgesteld1 . In juni 2020 is door Bureau Erfgoed een cultuurhistorische inspiratiekaart aangeleverd (Bijlage 10). Deze kaart is gebaseerd op een cultuurhistorisch advies voor het Stationsgebied Zuid (conceptversie) dat in juni 2018 is aangeleverd2 (Bijlage 11). Het plangebied wordt in het westen begrensd door het Keern, in het noorden door de van Dedemstraat, in het oosten door een waterpartij die de bebouwing langs de Koepoortweg begrensd. De zuidelijke begrenzing wordt gevormd door de Stationsweg en de Noorderveemarkt. Het plangebied ligt deels binnen en deels buiten de historische stadskern van Hoorn. Het is een gebied waarin vanaf de 12de eeuw is ontwikkeld. In de 12de en 13de eeuw was dit weideland met een binnendijkje, het Keern. Het Keern vormde de scheiding tussen de Westerpolder en Oosterpolder (figuur 16). Rond 1426 werd een stadsomwalling met stadsgracht aangelegd rondom het Kleine Noord. De wal en gracht volgden de Veemarkt, Noorderveemarkt, Scharloo en Vale Hen. Het water dat ter plekke van het huidige parkeerterrein Vale Hen aanwezig was, was een restant van de stadsgracht. Ergens ter hoogte van het kruispunt van het Keern, Noorderveemarkt, De Weel en Hoge Vest stond de eerste Noorderpoort, die toen nog van hout was.
De precieze locatie is onbekend. In 1508 vond een stadsuitbreiding plaats, waarbij een nieuwe stadsgracht met poorten en torens werd aangelegd. In plaats van de oude houten Noorderpoort verscheen een stenen Noorderpoort. Deze ligt in de huidige situatie onder de locatie waar het Keern aansluit op het kruispunt met de Noorderveemarkt, De Weel en Hoge Vest. In 1513 werden twee stadstorens gebouwd. Vervolgens werd gefaseerd een stadsmuur opgetrokken en in 1552 rondom de Noorderpoort een rondeel gebouwd. Hiernaast werd een nieuwe Noorderpoort gebouwd en het Keern werd in een bocht hierheen verlegd. Bij een deel van de stadswal is nooit een stadsmuur gerealiseerd. Op de oudste stadsplattegrond van de stad uit 1560 is de situatie goed te zien.
Figuur 16. Stadsplattegrond van Van Deventer uit 1560 (noorden boven)
42
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
In de 17de eeuw werd het gebied verder ontwikkeld. Vanaf 1594 werden buiten de stadsgrachten fraaie met bomen beplante singels gemaakt (figuur 17). Hier kon men rondom de stad wandelen. Vanaf 1618 werd een rij huizen aan de Hoge Vest gebouwd. Hier ligt nu de rijweg Hoge Vest en parkeerterrein Vale Hen. In 1624 werd onder het volledige Nieuwe Noord een bakstenen overkluizing gemaakt, die aansloot op het water rondom het rondeel. Als scheidingen tussen zoet en zout water werden bakstenen beren in de stadsgracht gemaakt. De situatie in de 17de eeuw is goed te zien op de stadsplattegrond van Blaeu, die werd uitgegeven in 1649 (figuur 17).
Figuur 17. Stadsplattegrond van Blaeu uit 1649
In de 18de eeuw vonden weinig wijzigingen plaats in de inrichting van het gebied. Wel vernemen we in de historische bronnen van herstelwerkzaamheden aan bijvoorbeeld de muur rondom het rondeel.
43
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Figuur 18. Stadsplattegrond van Doesjan uit 1794
In de loop van de 18de eeuw zette een economische en demografische neergang van de stad in wat resulteerde in de afbraak van veel huizen. Op de oudste kadastrale kaart uit 1823 zijn de meeste structuren en gebouwen nog aanwezig. Duidelijk te zien zijn bijvoorbeeld het rondeel, de loop van de stadsgracht en de stadstorens. In de 19de eeuw volgde een grootschalige afbraak van de stadspoorten, torens, omwallingen en ook huizen. De volledige bebouwing aan de Hoge Vest is uiteindelijk verdwenen. Een deel van de stadsgracht werd bovendien gedempt. Vanaf het einde van de 19de eeuw werd het gebied nieuw ingericht. Vooral de aanleg van de spoorlijn en bouw van het station veroorzaakten een ingrijpende verandering (figuur 19).
44
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Figuur 19. Ligging plangebied op landgebruik van de kadastrale Minuut uit 1823 (bron: HISGIS).
Figuur 20. Ligging plangebied stationsgebied Noord en Zuid (rode stippellijn) en plangebied Pelmolenpad-Prismalocatie (zwarte stippellijn) op een topografische kaart uit 1935.
45
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Figuur 21. Plangebied op de cultuurhistorische inventarisatiekaart.
Aan de oostkant grenst het plan deels aan De Tocht, de ten westen van en evenwijdig aan de Koepoortsweg gelegen waterloop die in het noorden uitmondt in De Groene Wijzend. De Tocht is waarschijnlijk een gegraven afwatering uit de tijd van de ontginning van dit gebied in de late twaalfde eeuw. De Tocht is voor Hoorn van groot historisch belang, omdat de stad ontstaan is rond de monding van deze waterloop, waar deze via een sluis uitmondde in de Zuiderzee (deze sluis lag volgens Velius aan de oostkant van de Roode Steen). De Tocht zorgde niet alleen voor de ontwatering van het veenontginningsgebied, maar was ook een belangrijke aan- en afvoerroute voor producten uit het achterland. Voor de ontwatering van de perceelsloten van het veengebied waren zowel de Tocht als de sloot langs de Holenweg in gebruik. Vanuit het Westfriese achterland werden goederen per boot via De Tocht aangevoerd om in Hoorn verkocht te worden. Mede hierdoor werd Hoorn een belangrijke marktplaats. De Tocht vormde eeuwenlang een van de belangrijkste verbindingen tussen de stad en het achterland; tot in de twintigste eeuw maakten tuinders tot Andijk aan toe gebruik van deze vaarroute om hun producten per schuit aan te voeren naar de groente- en fruitmarkt op het Nieuwland en, later, het stationsemplacement. Op de westoever van De Tocht bevond zich een beklinkerd paadje voor de schuitentrekkers.
De opkomst van de veilingen in Zwaag en Blokker betekende het einde voor de Hoornse groente- en fruitmarkt en daarmee verloor De Tocht zijn functie als aanvoerweg voor agrarische producten. Hoewel aan het eind van de 19e eeuw water is aangelegd, is dit nu niet meer in het plangebied aanwezig, met uitzondering van een kleine watergang aan de oostzijde van het plangebied die in contact staat met de (oorspronkelijke loop van de) Tocht (figuur 21). Op bovenstaande afbeelding (figuur 21) is te zien dat het plangebied deels ligt in het beschermd stadsgezicht van Hoorn. Dat betekent dat het gehele gebied binnen de begrenzing van het beschermd stadsgezicht de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie moet krijgen. De volgende elementen in het plangebied dienen ook de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie te krijgen.
46
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
In 1839 werd de eerste spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem geopend door de Hollandsche IJzeren Spoorweg - Maatschappij (HIJSM). Daarna ontwikkelde het railvervoer in Nederland zich snel. In 1884 werd de spoorlijn Amsterdam- Zaandam-Hoorn geopend. Deze werd in 1885 doorgetrokken naar Enkhuizen, waarna men verder naar het noorden kon door een bootdienst over de Zuiderzee. Ook Medemblik wilde een spoorverbinding. Dit leidde in 1887 tot een tramverbinding. De lijn kende de volgende stations: Medemblik, Opperdoes, Twisk, Midwoud-Oostwoud, Abbekerk-Lambertschaag, Benningbroek-Sijbekarspel, Wognum-Nibbixwoud, Zwaagdijk, Zwaag, Westerblokker en Hoorn. Begin jaren '20 kreeg de lokaaltrein naar Medemblik concurrentie van de autobus die de dorpen beter kon bereiken en goedkoper was. Dit was meteen het begin van het einde van de stoomtram. In 1935 werden de stoomtrams ten behoeve van het personenvervoer gestaakt. Uitzondering hierop waren de treinen die tijdens de Tweede Wereldoorlog nog even naar Medemblik reden omdat door de brandstofschaarste de bussen niet meer reden. In 1968 werd de Museumstoomtram in het leven geroepen. De rijtuigenloods aan de Van Dedemstraat 8 is gemeentelijk monument. Aan de zuidzijde van het spoor bevinden zich het station, rijksmonument, en de bussengarage, gemeentelijk monument. Het station uit 1884 is opgetrokken in neo-renaissance.
Hoewel in die tijd er een standaardisering van stations was, was geen enkel station hetzelfde en werd station Hoorn in opdracht van de Staat door ingenieur Jan Dionijs Evers ontworpen. De bussengarage staat naast het monumentale stationsgebouw van Hoorn. Het Stationsplein is in opzet tot stand gekomen na de demping van de Noorderpoortsgracht en de aanleg van het Noorderplantsoen in 1885. Het spoorwegemplacement, gelegen ten oosten van het stationsgebouw en het Stationsplein, was destijds ingericht voor opslag en onderhoud van treinmaterieel. Op het emplacement stonden onder andere een locomotievenloods, een waterreservoir, een draaischijf voor het keren van de locomotieven en er was plek voor kolenopslag. Nadat het gebruik voor stoomlocomotieven in 1939 eindigde werd de locomotievenloods vanaf 1941 als garage, werkplaats en kantoor gebruikt door WACO, de Westfriese Autocar Onderneming uit Hoorn. Op 27 juni 1953 werd door N.V. Naco, de Nederlandse Auto Car Onderneming uit Alkmaar, vergunning aangevraagd voor het slopen van de bestaande locomotievenloods en de bouw van een nieuwe bussengarage met kantoor en woonhuis naar ontwerp van Ringers Bouwbureau N.V. uit Alkmaar. Aan de zuidwest zijde van het station ligt de Noorderveemarkt. Dit gebied bleef vanaf het midden van de 16de eeuw onbebouwd.
In 1656 werd een stalling voor de nieuwe paardenmarkt gemaakt tussen de Noorderpoort en de St. Janssluis. In 1772 werd de markt van stenen palen voorzien en werd het terrein vergroot door het slechten van de vestingwal tussen de Noorderpoort en de huidige Veemarkt. Het terrein werd gebruikt als koeien- en paardenmarkt. De gracht werd omstreeks 1880 gedempt. Aan het eind van de 19de eeuw werd een deel van het terrein voorzien van gietijzeren palen ten behoeve van de Veemarkt. Het gebied van de Noorderveemarkt vormt een open ruimte tussen de binnenstedelijke bebouwing en de bebouwing langs de spoorlijn. Door deze ruimte blijft de historische structuur van de omgrachting van de stad afleesbaar. Behoud van een open en ruimtelijke zone is dan ook wenselijk. Op de Noorderveemarkt bevinden zich tevens diverse monumentale bomen.
5.3.2
Archeologie
Voor grote delen van het plangebied zijn al archeologische bureauonderzoeken of quickscans vervaardigd. Hierin is een gespecificeerde verwachting opgesteld en aangegeven hoe om te gaan met de aanwezige archeologische waarden3 . Op de beleidskaart archeologie (figuur 22) staan verschillende vrijstellingsgrenzen aangegeven. De historische stadskern is in paars aangegeven. De overige historische bebouwing staat in oranje weergegeven.
47
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Voor het plangebied geldt dat de meest zuidelijke begrenzing binnen het rijksbeschermd stadsgezicht van Hoorn ligt. De overige historische bebouwing geldt een hoge archeologische waarde. Het noordelijke deel (ingeklemd tussen de historische bebouwing) is in een advies uit het verleden al vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie vanwege de aanleg van de spoorlijn en de grote waterpartij.
Figuur 22. Ligging plangebied op de beleidskaart archeologie
Het bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologie 1: archeologisch belang betrekken bij alle bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm –Mv; Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. Conclusie Het archeologisch onderzoek voor stationsgebied Zuid wordt uitgevoerd en de uitkomsten worden te zijner tijd verwerkt in het bestemmingsplan. Stationsgebied Noord is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Wat betreft het aspect cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar.
5.4
Externe veiligheid
De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat de afwegingen, ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden.
48
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Onderzoek Landelijk is de zogenoemde professionele risicokaart ontwikkeld. Hierop is onder andere informatie over risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de Risicokaart geraadpleegd. In de hiernavolgende figuur is een fragment van deze risicokaart weergegeven.
Figuur 23. Fragment risicokaart.
Over het aanwezige spoor vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Over de Provincialeweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg heeft geen 10-6/j en 10-7/j contour voor het plaatgebonden risico (PR). Het plan voldoet aan de normen voor het PR. De 10-8/j contour ligt circa 52 meter van het hart van de weg. Dit heeft geen effect op de voorgenomen ontwikkeling. Uit de risicokaart blijkt dat er in het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Direct buiten het plangebied is tankstation Keern gesitueerd. De veiligheidsafstanden met betrekking tot het aanwezige tankstation Keern liggen buiten het plangebied. Voor het overige zijn er geen risicobronnen aanwezig die van invloed zijn op het planvoornemen. Het planvoornemen zelf maakt geen risicovolle inrichtingen mogelijk die van invloed zijn op de omgeving. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.
5.5
Milieuhinder geluid weg- en railverkeer
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidshinder. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidshinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. De Wgh bepaalt dat de geluidsbelasting op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Voor wegverkeer bedraagt deze waarde 48 dB, voor het spoor 55 dB. Overschrijdingen, in binnenstedelijk gebied tot een maximale ontheffingswaarde van 63 dB bij wegverkeerslawaai en 68 dB voor spoorweglawaai, zijn middels het doorlopen van een procedure hogere waarde mogelijk waarbij - voor zover mogelijk - maatregelen (bron, overdracht, ontvanger) dienen te worden getroffen. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is het van belang dat de binnenwaarde als
49
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
gevolg van de te verwachten geluidshinder acceptabel is. In het Bouwbesluit is opgenomen dat nieuwe woningen geïsoleerd moeten worden tot een binnenwaarde van 33 dB. Onderzoek De ligging van het plangebied is geluidsbelast vanwege wegverkeer door een aantal (drukke) wegen en vanwege railverkeer door de ligging aan een doorgaand spoor en het treinstation Hoorn. Voor dit bestemmingsplan is akoestisch onderzoek naar geluidshinder als gevolg (spoor)weginfrastructuur relevant. In het kader van het voorliggende planvoornemen is de te verwachten geluidshinder vanwege wegverkeerslawaai en spoorweglawaai door bureau Peutz onderzocht. De onderzoeksrapportage is als Bijlage 12 bijgevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van zowel het weg- als het railverkeer niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Daarentegen wordt voor beide bronnen voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Om deze reden dienen er hogere waarden te worden aangevraagd. De exacte hoogte en aantallen aan te vragen hogere waarden is afhankelijk van de locaties van de te realiseren geluidgevoelige bestemmingen. Een procedure om hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan te worden doorlopen. Alvorens dit bestemmingsplan vast te stellen, moet de hogere waarde zijn vastgelegd. Daarnaast blijkt dat voor een deel van de geluidgevoelige bestemmingen de geluidbelasting meer dan 53 dB bedraagt.
Met een standaard gevel met een geluidwering van 20 dB wordt voor deze geluidgevoelige bestemmingen niet voldaan aan de eis uit het Bouwbesluit van een maximaal binnengeluidniveau van 33 dB. Om deze reden zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een onderzoek naar de geluidwering van de gevel uitgevoerd moeten worden. Dit onderzoek moet aantonen dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Bouwbesluit voor het binnengeluidniveau. Indien voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Bouwbesluit is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat binnen. Conclusie Door het vaststellen van een hogere grenswaarde en het uitvoeren van een onderzoek naar de geluidwering ten tijde van de aanvragen omgevingsvergunningen kan worden geconcludeerd dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan Pelmolenpad te Hoorn.
5.6
Milieuhinder trilling
Door te bouwen naast het spoor bestaat de mogelijkheid van hinderoverlast vanwege trillingen door treinverkeer. In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Het bestaande wet- en regelgevende kader biedt verschillende handvatten voor de omgang met trillingshinder bij nieuwbouw. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. Ondanks dat geen sprake is van wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen dient dit aspect wel te worden beoordeeld vanuit het wettelijke criterium van een 'goede ruimtelijke ordening'. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Onder meer in de "Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen (mei 2019, Ministerie van Waterstaat en Infrastructuur, hierna "Handreiking") wordt in hoofdstuk 5 aangegeven hoe omgegaan dient te worden met trillingen langs het spoor bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Hierin wordt gesteld dat bij een plangebied gelegen op een afstand < 100 meter van het spoor aandacht aan het aspect trillingen dient te worden geschonken. Toetsing
50
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
Het plangebied wordt centraal doorsneden door de spoorlijn en het station Hoorn. Op dit spoortraject rijden uitsluitend reizigerstreinen. De beoogde woonbestemmingen en gemengde functies zijn tot op circa 5 meter van het spoor beoogd. Deze afstand is zodanig dat trillinghinder niet op voorhand uitgesloten is en valt tevens binnen de 100 meter als genoemd in de Handreiking, derhalve is door Peutz onderzoek uitgevoerd (Bijlage 13). Doel van het onderzoek is om aan te geven of trillingen veroorzaakt door treinpassages een hinderlijke situatie kunnen veroorzaken en op welke afstand van het spoor dit te verwachten is. Metingen zijn op diverse posities op 5 tot 30 meter naast het doorgaande spoor verricht op maaiveldniveau. Daarnaast zijn ter controle van de trillingafname over afstand ter hoogte van twee van de meetposities metingen verricht op een grotere afstand van het spoor. De trillingniveaus zijn getoetst aan de grenswaarden uit de "Trillingen: meet- en beoordelingsrichtlijn, hinder voor personen in gebouwen" (Hierna: SBR-B). Getoetst is aan de grenswaarden voor nieuwe situaties en de grenswaarden voor bestaande situaties. Daarbij is getoetst aan de grenswaarden voor verschillende gebruiksfuncties en voor herhaald voorkomende trillingen gedurende langere tijd, waar bij treinpassages sprake van is.
Onderzoek Uit het onderzoek is het volgende gebleken: Op maaiveldniveau op de bouwgrens worden de grenswaarden voor een deel van de woningen in nieuwe situaties aan de noordzijde nabij de spoorwegovergang overschreden; Op maaiveldniveau op de bouwgrens worden de grenswaarden voor een deel van woningen in nieuwe situaties aan de zuidzijde overschreden; De grenswaarden voor hetzij woningen in bestaande situaties, hetzij kantoorfuncties in nieuwe situaties, worden uitsluitend overschreden aan de zuidzijde nabij het station; De grenswaarden voor kantoren in bestaande situaties worden in zijn geheel niet overschreden; Op grotere afstand (60 meter aan de noordzijde en 45 meter aan de zuidzijde) wordt op maaiveldniveau voldaan aan de grenswaarden voor nieuwe situaties en alle functies; De trillingniveaus kort op het spoor aan de zuidzijde van het gebied en dicht nabij de spoorwegovergang aan de noordzijde van het gebied zijn relatief hoog te noemen, echter is de afname in trillingniveaus over afstand in voorliggende situatie groot, waarbij op 45 meter afstand ten zuiden van het spoor geen sprake meer is van overschrijding van de grenswaarde voor nieuwe situaties. Dit geldt eveneens op 60 meter afstand aan de noordzijde van het spoor.
Aldus kan worden gesteld dat woningen en gezondheidszorg in nieuwe situaties vanaf 45 meter afstand ten zuiden van de spoorbaan en vanaf 60 meter afstand ten noorden van de spoorbaan nabij de spoorwegovergang kunnen worden gerealiseerd zonder additionele maatregelen. Voor bestaande situaties en/of kantoorfuncties in nieuwe situaties is slechts sprake van overschrijding van grenswaarden aan de zuidzijde nabij het station op korte afstand van het spoor. In het bestemmingsplan wordt een aandachtsgebied trillingen opgenomen. Een aandachtsgebied is een gebied langs het spoor waar trillingen op basis van de metingen nadere aandacht vragen. Dit wordt ook zo benoemd in de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen. Dit zijn feitelijk de gebieden waar op maaiveld een overschrijding is te constateren. Deze zone wordt opgenomen op de verbeelding en krijgt zijn doorwerking in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting trillingen overeenkomstig de handreiking. Deze voorwaardelijke verplichting bepaald dat het bouwen van bouwwerken binnen de zone alleen is toegestaan mits uit berekeningen blijkt
51
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
dat voldaan wordt aan de richtwaarden. Conclusie Met het opnemen van een aandachtsgebied trillingen en daarbij behorende voorwaardelijke verplichting wordt voldaan aan de Handreiking. Bij afdoende trillingreducerend vermogen van bebouwing binnen de aandachtsgebieden wordt eveneens voldaan aan de richtlijn SBR-B. Hiermee is het aspect trillingen geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
5.7
Milieuhinder bedrijven
Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Uit de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en hinder-gevoelige objecten, zoals woningen, om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Er dient te worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens dient te worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen functies. Onderzoek Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit.
Dit zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen en dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De beoogde ontwikkeling omvat onder andere de realisatie van woningen, welke als milieugevoelig kunnen worden aangemerkt. In de omgeving van de beoogde ontwikkeling is daarnaast sprake van de aanwezigheid van een aantal bedrijven. Daarnaast biedt het nieuwe bestemmingsplan ook mogelijkheden voor de realisatie van overige functies, zoals OV-gerelateerde bedrijvigheid, een parkeergarage en dienstverlening. Er zal zorg voor gedragen moeten worden dat daarbij sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door bureau Peutz is beoordeeld of sprake is van een inpasbare situatie ten aanzien van milieugevoelige functies en bedrijvigheid. Conclusie Uit het uitgevoerde onderzoek (Bijlage 14) volgt dat een aantal bedrijfsactiviteiten om nadere aandacht vragen. Met name het spoorwegemplacement en de Museumstoomtram leiden tot hoge geluidbelastingen ter plaatse van de gevels van de beoogde milieugevoelige functies. Hier zullen maatwerkvoorschriften en/of maatregelen benodigd zijn. Mogelijk zullen er daarnaast randvoorwaarden in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden om te komen tot een inpasbare situatie. Dit zal daarom nader onderzocht moeten worden.
Ook het Dijklander Ziekenhuis en de parkeergarage vragen in voorliggende situatie om aandacht. Ter plaatse van zowel bestaande als beoogde milieugevoelige functies – al dan niet rekening houdend met
52
bestemmingsplan Poort van Hoorn - Stationsgebied
aanvullende maatregelen – zal echter naar verwachting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Bij de verdere uitwerking van het plan dient rekening gehouden te worden met het op een passende afstand situeren van nieuwe milieubelastende en milieugevoelige functies. Indien nodig zullen hier eveneens maatwerkvoorschriften en/of (bouwkundige) maatregelen aan de orde zijn. De benodigde aanvullende onderzoeken worden thans uitgevoerd. De uitkomsten en eventuele maatwerkvoorschriften en/of maatregelen zullen worden verwerkt in het bestemmingsplan.