CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1.1.8 - Ecologische beoordeling

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente HoornBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Stationsgebied (1889037)3.486 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische beoordeling voor het bestemmingsplan Poort van Hoorn Opdrachtgever Referentie

Gemeente Hoorn Kroezen, E. 2021. Ecologische beoordeling voor het bestemmingsplan Poort van Hoorn. A&W-notitie 21-022. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

Projectcode Status Datum Projectleider Kwaliteitscontrole Autorisatie

21-022 Definitief 6 april 2021 E. Kroezen E. van der Heijden E. van der Heijden

Inhoud 1. 2. 3. 4. 5.

Inleiding Situatieschets en plannen Gebiedsbescherming en beoordeling Soortbescherming en beoordeling Conclusies Literatuur

Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden tel. 0511 – 474764 email: info@altwym.nl website: www.altwym.nl

2

A&W-notitie 21-022

Foto's 1, 2 en 3: impressie het plangebied rondom het station in Hoorn. (foto's: A&W).

A&W-notitie 21-022

Figuur 1: ligging van de flat ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de omgeving.

3

4

A&W-notitie 21-022

1. Inleiding In verband met het opstellen van een bestemmingsplan voor de Poort van Hoorn is onderzoek in de vorm van een ecologische quickscan nodig om te bepalen hoe de geplande activiteiten zich verhouden tot de ecologische wet- en regelgeving. Dit betreft o.a. de Wet natuurbescherming en de regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland. Gemeente Hoorn heeft Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek (A&W) opdracht gegeven om dit ecologisch onderzoek uit te voeren. Indien van toepassing, worden aanbevelingen gedaan voor mitigatie en eventueel aanvullend onderzoek. In onderhavige notitie zijn de resultaten van het ecologisch onderzoek gepresenteerd. Het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van relevante natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen. Ten eerste zijn recente bronnen geraadpleegd (verspreidingsatlassen, overzichtswerken en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied. Er is daarbij onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast is op 3 maart 2021 een oriënterend veldbezoek uitgevoerd, waarbij is gelet op de (mogelijkheden voor de) aanwezigheid van beschermde en/of kritische soorten. Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek.

Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling. Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend.

2. Situatieschets en plannen De gemeenteraad heeft een stedenbouwkundigplan vastgesteld met daarin de volgende voornemens voor het station en de gebieden aan de noord- en zuidkant hiervan: - Het realiseren van een openbare parkeervoorziening geschikt voor 1.050 auto’s. - Het realiseren van fietsenstallingen ten noorden en ten zuiden van het station, samen geschikt voor 3.700 fietsen. - Het realiseren van een traverse welke de gebieden aan de noord- en zuidkant van het spoor zal verbinden. - Het realiseren van een busstation in het noordelijke gebied. - Het realiseren van 15.000m2 aan programma ten behoeve van maatschappelijke/culturele zaken die bijdragen aan de levendigheid van het gebied. - Het realiseren van 49.000m2 aan woonprogramma en bijbehorende voorzieningen in de stationsgebieden noord en zuid. - Het realiseren van 53.000m2 aan woonprogramma en bijbehorende voorzieningen op de Pelmolenpad en Prisma locatie.

A&W-notitie 21-022

5

3. Gebiedsbescherming en beoordeling In Nederland zijn de meeste beschermde gebieden beschermd volgens de Wet natuurbescherming (Natura 2000) of regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast kunnen gebieden ook worden beschermd vanwege hun natuurwaarden via verordeningen of het bestemmingsplan.

3.1. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Hoorn. De Natura 2000-gebieden die het dichtst bij het plangebied zijn gelegen, zijn Markermeer & IJmeer en Polder Zeevang. Deze gebieden zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 1 en 5 km van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op aanzienlijk grotere afstanden van het plangebied, waardoor kan worden aangenomen dat de plannen geen invloed hebben op de aangewezen natuurwaarden daarvan. Polder Zeevang is aangewezen voor een aantal niet-broedvogelsoorten, zoals ganzen, smienten en weidevogels. Markermeer & IJmeer is aangewezen voor niet-stikstofgevoelige habitattypen, broedvogels, niet-broedvogels en drie habitatrichtlijnsoorten: Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad en Meervleermuis. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden die voor het grootste deel binnen stedelijk gebied worden uitgevoerd, zullen de beoogde werkzaamheden geen invloed hebben op bijna alle natuurwaarden waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De enige soort waarvoor de Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn aangewezen en waarvoor er een relevante ecologische relatie kan bestaan met het plangebied is de Meervleermuis. Het Markermeer is als Natura 2000-gebied aangewezen ter bescherming van de Meervleermuis.

Meervleermuizen foerageren in Natura 2000-gebieden en hebben verblijfplaatsen daarbuiten. Het is mogelijk dat er vleermuisverblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig zijn nabij het plangebied. Een negatief effect kan ontstaan wanneer verblijfplaatsen hun functie verliezen of wanneer vliegroutes onderbroken worden (zie paragraaf 4.5. voor meer details). Conclusie Natura 2000-gebiedsbescherming Indien er verblijfplaatsen of vliegroutes worden aangetast kan er een negatief effect optreden op het instandhoudingsdoel van de Meervleermuis in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. In dat geval is er een knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Om te bepalen of dit het geval is, dienen bij werkzaamheden waarbij watergangen worden geblokkeerd of verlicht nader onderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of er een vliegroute van Meervleermuis aanwezig is. Ook wanneer gebouwen worden gesloopt of extra lichtbronnen worden gerealiseerd die schijnen op bomen en gebouwen zal nader onderzoek nodig zijn. 3.2. Overige vormen van gebiedsbescherming Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Hoorn. Het maakt geen onderdeel uit van de NNN of een door de provincie Noord-Holland aangewezen weidevogelgebied. Dergelijke gebieden bevinden zich op relatief grote afstand van het plangebied (zie figuur 1).

Vanwege de grote afstand en het gegeven dat het voornemen wordt uitgevoerd in de bebouwde kom zijn er geen negatieve effecten op overige beschermde gebieden. Om deze redenen veroorzaken de plannen geen conflict met de betreffende regelgevingen ten aanzien van overige vormen van gebiedsbescherming.

6

A&W-notitie 21-022

3.3. Conclusie gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Indien vliegroutes of verblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig zijn, kan een negatief effect optreden op het instandhoudingsdoel van de Meervleermuis in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer. Om te bepalen of dit het geval is, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd wanneer werkzaamheden plaatsvinden waarbij gebouwen gesloopt worden of wanneer er lichtbronnen nabij bomen, bestaande gebouwen of watergangen worden gerealiseerd. Overige gebiedsbescherming Op overige beschermde gebieden (NNN, Weidevogelgebieden) zijn door uitvoering van de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten te verwachten.

4. Soortbescherming en beoordeling Soortbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Aan de Wet natuurbescherming zijn drie lijsten met soorten gekoppeld. Het gaat om artikel 3.1 waar soorten van de Vogelrichtlijn onder vallen, artikel 3.5 waar soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn onder vallen en artikel 3.10 voor overige soorten. Soorten uit de eerste twee artikelen zijn daarmee Europees beschermd, terwijl soorten van artikel 3.10 nationaal beschermd zijn. Provincies hebben de mogelijkheid om voor soorten uit artikel 3.10 een vrijstelling te verlenen van enkele verbodsbepalingen. De Provincie Noord-Holland hanteert vanaf 1 januari 2017 een dergelijke lijst met (dier)soorten die een vrijstelling genieten bij o.a. ruimtelijke ontwikkeling. Gezien de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom van Hoorn, zijn er beperkte mogelijkheden voor soorten die beschermd zijn volgens de Wnb. Hieronder is beschreven welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen en wat de consequenties daarvan zijn voor de beoogde ingrepen.

4.1 Algemeen Het plangebied is gelegen in een stedelijke omgeving met een relatief hoge mate van menselijke verstoring. Onder dergelijke omstandigheden zijn er beperkte mogelijkheden voor natuurwaarden aanwezig. Het is onwaarschijnlijk dat in het plangebied wettelijk beschermde soorten uit de volgende soortgroepen voorkomen en/of worden beïnvloed door uitvoering van de plannen: • • •

Ongewervelde diersoorten Reptielen Planten

De redenen die aan deze conclusie ten grondslag liggen, zijn één of meer van de volgende: • • •

Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. In het plangebied is geen geschikt biotoop voor deze soorten aanwezig, de watergangen vallen net buiten het plangebied. Uitstralende effecten van de ingreep reiken niet dermate ver buiten de begrenzing van de locatie dat daardoor (mogelijk) leefgebied van deze soorten wordt beïnvloed.

A&W-notitie 21-022

7

De werkzaamheden veroorzaken om deze redenen geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van bovengenoemde soortgroepen.

4.2 Vissen De waterlopen binnen en nabij het plangebied zijn niet geschikt voor beschermde vissensoorten als Grote modderkruiper en Kwabaal door het ontbreken van geschikt habitat. Er kunnen wel algemene soorten vissen als 10-doornige stekelbaars voorkomen. Deze soorten zijn beschermd onder de Zorgplicht. Zorgplicht Ten aanzien van algemene vissensoorten dient rekening te worden gehouden met de Zorgplicht. Bij werkzaamheden dienen vissensoorten de gelegenheid te krijgen om zich te verplaatsen naar onverstoord leefgebied. In dat geval wordt voldaan aan de Zorgplicht en is er geen conflict met de Wet natuurbescherming.

4.3 Amfibieën Uit verspreidingsgegevens van amfibieën blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied enkele algemeen voorkomende soorten voorkomen, zoals Gewone pad, Bruine kikker en/of Kleine watersalamander (van Delft et al. 2017). Deze soorten zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De watergangen binnen en nabij het plangebied worden mogelijk door deze algemene soorten gebruikt als voortplantingswater en de graslanden en bosschages worden mogelijk gebruikt als foerageer- en wintergebied. Voor deze algemeen voorkomende amfibieënsoorten heeft Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland echter vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming verleend voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn niet geschikt voor de amfibieënsoorten die zijn beschermd volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming of zijn beschermd volgens artikel 3.10, maar geen vrijstelling genieten. Dergelijke soorten worden hier dan ook niet verwacht. Zorgplicht Ten aanzien van alle amfibieënsoorten dient rekening te worden gehouden met de Zorgplicht. Bij werkzaamheden dienen amfibieënsoorten de gelegenheid te krijgen om zich te verplaatsen naar onverstoord leefgebied. In dat geval wordt voldaan aan de Zorgplicht en is er geen conflict met de Wet natuurbescherming.

4.4 Vogels Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten vallen onder artikel 3.1 Wnb. Bij werkzaamheden moet volgens de Wet natuurbescherming rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is dat verstoord kan worden. Aantasting van nesten is niet toegestaan. Broedende vogels algemeen De bomen, struiken en bosschages bieden mogelijkheden voor soorten als Winterkoning en Merel om in te broeden. De watergangen binnen het plangebied bieden mogelijkheden voor soorten als

8

A&W-notitie 21-022

Meerkoet, Waterhoen en Wilde eend om tot broeden te komen. Ter hoogte van de fietsenstalling aan de zuidzijde van het station zijn tijdens het veldbezoek vier nesten van Zwarte kraai waargenomen. Er waren tevens al zwarte kraaien aanwezig die binding toonden met deze nesten. Er zijn aan de zuidkant van het station meerdere bomen met holtes aangetroffen, waarin soorten als Koolmees, Boomkruiper en Pimpelmees tot broeden kunnen komen. Deze soorten vallen onder categorie 5 van jaarrond beschermde nestplaatsen. Echter zijn er geen zwaarwegende ecologische omstandigheden van toepassing en daarom worden ze in deze toetsing niet behandeld als jaarrond beschermd. Er zijn in dit geval goede mogelijkheden om de beoogde werkzaamheden uit te voeren zonder een conflict met de Wet natuurbescherming te veroorzaken ten aanzien van broedende vogels. De meest zekere aanpak is werken buiten het broedseizoen van vogels. Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor vogelnesten. Indien het werkterrein niet vooraf ongeschikt gemaakt is voor vogelnesten, kunnen werkzaamheden eventueel tijdens de broedperiode worden uitgevoerd, maar dan alleen wanneer de bomen en struiken door een deskundige op het gebied van vogels zijn gecontroleerd op aanwezigheid van nesten.

Bij aanwezigheid van een in gebruik zijnd nest kunnen verstorende werkzaamheden pas plaatsvinden na het einde van de broedperiode van de betreffende soort. Bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient te worden voorkomen dat alsnog nesten ontstaan die kunnen worden verstoord. Dit is uitvoerbaar door te voorkomen dat geschikte nestlocaties ontstaan, door bijvoorbeeld bouwmateriaal goed af te dekken en kap- en snoeiafval tijdig te verwijderen. Mochten er toch vogels tot broeden komen en door de werkzaamheden worden verstoord, dan ontstaat er een conflict met de Wet natuurbescherming en moeten de verstorende werkzaamheden gestaakt worden tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). Jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming, maar een aantal vogelsoorten maakt gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert bijvoorbeeld jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. In augustus 2009 is onder de Flora- en faunawet een indicatieve lijst opgesteld van soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen. Deze lijst is per 1 januari 2017 onveranderd overgenomen bij de Wet natuurbescherming. Hieronder wordt op een aantal relevante soorten ingegaan.

Binnen het plangebied zijn geen huizen aanwezig met dakgoten in combinatie met dakpannen die geschikt zijn als broedlocatie voor Huismus en Gierzwaluw. In de directe omgeving van het plangebied zijn wel veel geschikte woningen aanwezig voor deze soorten. De nesten van Zwarte kraai kunnen in theorie in de toekomst gebruikt gaan worden door Ransuil. Deze soort is niet schuw en kan tot broeden komen nabij het station. Vooralsnog zijn daar geen aanwijzingen voor. Nestplaatsen van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of mogelijkheden daarvoor werden binnen het plangebied niet aangetroffen.

A&W-notitie 21-022

9

Conclusie vogels Door uitvoering van de plannen ontstaat mogelijk een conflict met de Wet natuurbescherming indien broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Maatregelen om dit te voorkomen worden hierboven beschreven. Wanneer men buiten het broedseizoen werkt veroorzaken de werkzaamheden geen conflict met de Wet natuurbescherming ten opzichte van vogels. Ecologische plus Bij de realisatie van nieuwe woningen en gebouwen kan men een ecologische plus realiseren door daken toegankelijk te maken voor soorten als Gierzwaluw en Huismus. Ook kan men voor Gierzwaluw inbouwstenen plaatsen in de toekomstige gebouwen.

4.5 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten. Om deze reden worden de vleermuizen in een aparte paragraaf besproken en worden de 'overige zoogdiersoorten' in §4.6 behandeld. In de omgeving van het plangebied komt een aantal vleermuissoorten voor (NDFF), waaronder Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Watervleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Tweekleurige vleermuis en Rosse vleermuis. Een deel van de bovengenoemde soorten kan in potentie gebruik maken van het plangebied. Voor vleermuizen zijn drie elementen van het leefgebied te onderscheiden die van belang zijn voor de functionaliteit ervan. Deze zijn: verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Hieronder worden deze drie elementen besproken. Verblijfplaatsen In zowel de zomerperiode als de baltsperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. Binnen het plangebied zijn gebouwen aanwezig waarin mogelijk vleermuizen verblijven. Ook zijn er meerdere bomen met holtes aanwezig waarin vleermuisverblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn.

Wanneer deze gebouwen gesloopt of gerenoveerd worden en wanneer er bomenkap plaatsvindt gaan er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Ook door het plaatsen van nieuwe lichtbronnen welke gericht zijn op gebouwen en bomen kunnen verblijfplaatsen verloren gaan doordat deze door het extra licht hun functie verliezen. In dat geval is er een knelpunt met de Wet natuurbescherming. Indien er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van het slopen van gebouwen en/of kappen van bomen, dan is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek te doen naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen. Foerageergebied en vliegroutes Bij verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebied maken vleermuizen gebruik van lijnvormige landschapselementen om zich te oriënteren. Daarbij gaat het om bomenlanen, watergangen en stratenpatronen. De watergang ten zuiden van het plangebied loopt door richting het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer. Dit gebied is als Natura 2000-gebied aangewezen voor Meervleermuis. Het is mogelijk dat deze watergang als vliegroutes wordt gebruikt door

10

A&W-notitie 21-022

Meervleermuis om te foerageren in het Natura 2000-gebied. de Hoge Vest valt buiten het plangebied. Er zijn geen plannen om deze gebied te wijzigen. Er komen naast de watergang geen lichtbronnen. Foeragerende vleermuizen worden voornamelijk verwacht langs de bomen. Ook boven grasland kunnen vleermuizen in principe foerageren, hoewel grasland geen optimaal geschikt foerageergebied vormt. In de omgeving van het plangebied is veel van hetzelfde habitat aanwezig. Mochten er bomen en kleine stukken grasland verloren gaan dan kunnen de vleermuizen uitwijken naar geschikt alternatief foerageergebied in de directe omgeving.

Conclusie Wanneer men gebouwen sloopt of bomen met holtes kapt kunnen er verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Er dient dan aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen te worden uitgevoerd. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen bestaat uit meerdere onderzoeksrondes, die verspreid over de periode mei tot en met oktober plaatsvinden. Vanwege de nabijheid van het Markermeer zal er extra aandacht besteed moeten worden aan de Meervleermuis tijdens dit onderzoek. Ecologische plus Bij de realisatie van nieuwe woningen kan men een ecologische plus realiseren door daken en spouwmuren toegankelijk te maken voor vleermuizen. Ook kan men inmetselkasten plaatsen in nieuwe gebouwen.

4.6 Overige zoogdiersoorten Zoogdiersoorten artikel 3.5 Wnb (exclusief vleermuizen) In de wijde omgeving van het plangebied komen geen zoogdiersoorten voor beschermd volgens artikel 3.5 Wnb. De beoogde werkzaamheden veroorzaken daarom geen conflict met artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming ten aanzien van overige zoogdiersoorten. Overige zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (vrijgesteld) Uit verspreidingsgegevens van zoogdieren blijkt dat in de omgeving van het plangebied een aantal (redelijk) algemeen voorkomende zoogdiersoorten voorkomt die zijn beschermd volgens artikel 3.10 Wnb. Het betreft soorten zoals Egel, verschillende (spits)muizensoorten (NDFF). Voor enkele van deze soorten kan het plangebied en de directe omgeving deel uitmaken van het leefgebied. Provinciale Staten van Noord-Holland heeft vrijstelling van de Wnb verleend voor bovenstaande soorten bij projecten in het kader van ruimtelijk ontwikkeling. Overige zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (niet vrijgesteld) De te slopen gebouwen in het plangebied zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor Steenmarter. Als er een gebouw gesloopt wordt kunnen er verblijfplaatsen van deze soort verloren gaan waardoor er een knelpunt ontstaat met de Wet natuurbescherming. Wanneer er gebouwen gesloopt worden dient er eerst onderzoek naar de aanwezigheid van Steenmarter plaats te vinden.

Conclusie overige zoogdiersoorten Door de sloop van gebouwen kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van Steenmarter verloren gaan. Wanneer er gebouwen gesloopt worden dient er eerst onderzoek gedaan te worden naar de aanwezigheid van Steenmarter. De beoogde werkzaamheden veroorzaken verder geen conflict met de Wet natuurbescherming ten opzichte van overige zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen).

A&W-notitie 21-022

11

5. Conclusies Op basis van de voorgaande hoofdstukken kunnen voor het plangebied de onderstaande conclusies ten aanzien van de ecologische wet- en regelgeving (Wet natuurbescherming, EHS en overige gebiedsbescherming) worden getrokken: Gebiedsbescherming Natura 2000 Indien er verblijfplaatsen of vliegroutes van Meervleermuis aanwezig zijn welke door de werkzaamheden hun functie verliezen, kan een negatief effect optreden op het instandhoudingsdoel van de Meervleermuis in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Om te bepalen of dit het geval is, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of er vliegroutes of verblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig zijn in het plangebied. Overige gebiedsbescherming Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op overige beschermde gebieden in de omgeving van Hoorn. Soortbescherming Vogels Door uitvoering van de plannen ontstaat mogelijk een conflict met de Wet natuurbescherming indien broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Maatregelen om dit te voorkomen worden in paragraaf 4.4 beschreven. Vleermuizen Wanneer men gebouwen sloopt of bomen met holtes kapt kunnen er verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Er dient dan aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen te worden uitgevoerd.

Aanvullend onderzoek naar vleermuizen bestaat uit meerdere onderzoeksrondes, die verspreid over de periode mei tot en met oktober plaatsvinden. Vanwege de nabijheid van het Markermeer zal er extra aandacht besteed moeten worden aan de Meervleermuis tijdens dit onderzoek. Steenmarter Wanneer er gebouwen gesloopt gaan worden kunnen er verblijfplaatsen van Steenmarter verloren gaan. Mochten er gebouwen gesloopt worden dan dient er eerst onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van Steenmarter in de betreffende gebouwen. Overige beschermde soorten Door uitvoering van de plannen zal geen conflict met de Wet natuurbescherming ontstaan ten aanzien van overige beschermde soorten. Wel dient ten aanzien van vrijgestelde amfibieën en zoogdiersoorten de zorgplicht in acht genomen te worden, door de dieren de gelegenheid te geven het plangebied te verlaten.

12

A&W-notitie 21-022

Literatuur Hoogeboom, D. 2011. Verspreidingsatlas van de Zoogdieren van Noord-Holland. Werkatlas. Projectnummer 11-52507B. Landschap Noord-Holland, Castricum. Van Delft, J., J. Kranenbarg & P. Frigge 2019. Waarnemingenoverzicht 2017-2018. Bijlage bij RAVON 73, jaargang 21 (2). Websites NDFF Natura2000.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=a7c18283-0138-4da5-9557-903bb1cfa6de