Beantwoording technische vragen CDA - Raadsbrief Nota van Uitgangspunten Koopvaarder 1
Tekst van het document
Technische vragen CDAHoorn Agendapunt 5.4 – Raadsbrief Nota van Uitgangspunten Koopvaarder 1 Algemene raadscommissie 11 oktober 2022
Beste raadsleden, De heer Brandhoff van CDAHoorn heeft op 10 oktober technische vragen gesteld over agendapunt 5.4 – Raadsbrief Nota van Uitgangspunten Koopvaarder 1. Onderstaand treft u de vragen en beantwoording aan. In de bijlage over de zonnestudie lezen wij: “Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind. Om te voldoen aan de strenge norm moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Ook hierbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind.” 1. Wat is het verschil tussen de lichte en zware norm? En wanneer is welke van toepassing? Zoals uit bovenstaande tekst blijkt is de ‘lichte norm’ vooral een norm voor voldoende zonlicht in het voorjaar, zomer en herfst. De strenge norm ziet toe op voldoende bezonning in het begin en einde van de wintermaanden en betreft meer zonlicht per etmaal (3 ipv 2 zonuren). De TNO normen zijn opgesteld als richtlijnen. De gemeente Hoorn heeft als beleidsuitgangspunt dat een nieuw bouwplan in ieder geval moet voldoen aan de lichte norm.
Met andere woorden: vanaf eind februari tot en met eind oktober moet er minimaal twee uur per etmaal bezonning zijn (in het midden van elke vensterbank aan de binnenkant van een raam bij belendende percelen). 2. Onder welke norm valt de periode van 21 oktober tot 21 januari? In de wintermaanden schijnt de zon minder, is de zon gedurende kortere periode op en staat deze erg laag. Voor de maanden 22 november tot en met 21 januari is er daarom geen richtlijn. Een aantal maanden geleden heeft de raad gesproken over de locatie Boedijnhof 153. Hier heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd. Hierbij ging het onder andere over de schaarste in de kantorenmarkt, waarbij werd vermeldt: “Bovendien is de frictieleegstand met 1%, beneden het gezonde frictieniveau van 6% (frictieleegstand is de leegstand die noodzakelijk is om de markt naar behoren te doen functioneren)” 3. Is hier op deze locatie ook sprake van? Al eerder is besloten dat voor een paar gebieden wordt ingezet op transformatie van kantoren naar woningen. Dat betreft sinds een aantal jaren in ieder geval de randen van de Nieuwe Steen (Nieuwe Steen 2 t/m 10) en het gebied Koopvaarder. Voor het
eerste gebied was Nieuwe Steen 2 het eerste voorbeeld, voor het tweede gebied het gebouw De Kluis. In diezelfde lijn wordt medewerking verleend aan onder meer transformatie van Nieuwe Steen 6, 8 en 10 en dus ook Koopvaarder 1. Dat is een consistent bestuurlijke lijn. Dat deze beide gebieden in aanmerking komen voor transformatie is opgenomen in de Structuurvisie en in de Omgevingsvisie. 4. Wat is de impact op de frictieleegstand en de kantorenmarkt door het wegnemen van dit punt uit de kantorenvoorraad? Voor andere gebieden betekent dit, dat we voorzichtig c.q. terughoudend moeten zijn met transformatie. Er moet immers wel voldoende kantoorruimte beschikbaar zijn en blijven. Onder het vorige college gold dat ook voor het gebied (Verlengde) Lageweg. Daarom stond het college aanvankelijk op de lijn om de omgevingsvergunning voor Boedijnhof 153 te weigeren. In het nieuwe coalitieakkoord is echter vastgelegd dat ook voor dit gebied gestreefd wordt naar een (geleidelijke) transformatie, gelet op de aanhoudende krapte op de woningmarkt. Gelet daarop wordt nu toch ingezet op transformatie van Boedijnhof 153 van kantoren naar wonen. Bij al deze ontwikkelingen is de lage frictieleegstand van kantoren natuurlijk wel een aandachtspunt.