Verslag gemeenteraad 22 juni 2021
Tekst van het document
TRANSCRIPT VAN DE RAADSAVOND VAN GEMEENTE HOOGEVEEN d.d. 22 juni 2021
1.
Informerende ronde (Raadzaal)
1.1 Opening De voorzitter: Dames en heren, van harte welkom op een, is het nu een extra raadsavond of is het een themabijeenkomst of is het een informerend blok? Het maakt allemaal niet uit hoe we het noemen. Heel belangrijk is dat we vanavond een agenda hebben waarin op staat dat wij het woonwagenbeleid, dat daar een voorstel voor komt en daar zullen we, in de volgorde, een toelichting op krijgen door een inleiding door de wethouder, mevrouw Tabak. Daarna toelichting door de ambtenaar, de heer Brouwer, volgens mij. En vervolgens hebben we een inspraak, ook van harte welkom vanavond, mevrouw De Weerd, heb ik doorgekregen voor de inspraak. Dan krijgt u daarna, na de presentaties, het woord. Als u dan even blijft staan kunnen de raadsleden u enkele verduidelijkende vragen stellen en vervolgens gaan wij over tot de vragenronde richting het college c.q. ambtelijke vragenronde. Dat is de planning in ieder geval en ik zou daarin ook graag deze avond dan een aftrap willen geven met de inleiding van mevrouw Tabak. Aan u het woord. Mevrouw Tabak: Dank u wel, voorzitter. Ja, om te beginnen is het denk ik belangrijk om het wettelijk kader even te schetsen waar het hier over gaat.
De afgelopen jaren, op zijn vroegst geloof ik zo in 2009, heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een aantal zaken behandeld en daarover geoordeeld dat de grondrechten van woonwagenbewoners beschermd moeten worden en dat gaat dan om de cultuur van de woonwagenbewoners en het woonwagenleven en daarbij wordt onder andere verwezen naar artikel 14 waarin het verbod op discriminatie is vastgelegd. In diverse internationale gerechtelijke uitspraken is geoordeeld dat het leven in een woonwagen essentieel is voor de culturele identiteit van de bewoners, maar het gaat ook over artikel 8 in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en dat gaat over de eerbiediging van het familieen gezinsleven van woonwagenbewoners en de woning. Dus dat betekent dat de overheid ervoor moet zorgen dat woonwagenbewoners, als zij dat willen, kans moeten maken op een standplaats. Nou, wij weten ondertussen dat er behoefte is aan woonwagenstandplaatsen en Kees Brouwer zal daar ook zo meteen nog alles over vertellen, maar die behoefte die sluit niet aan bij het beleid dat de gemeente tot op dat moment had, want het huidige beleid stelt dat het bestaande aantal woonwagenlocaties gehandhaafd blijft. Dat staat op gespannen voet met de vraag naar standplaatsen.
Daarnaast hadden we ook een beleid dat voorstond dat er een verdere verstening plaatsvond van de locaties, dus dat woonwagenbewoners in een soort van woonwagenhuizen zouden gaan wonen, maar ook daar is geen vraag vanuit de doelgroep voor die versteende woonwagenlocaties. Dus waar het om gaat is dat wij met het woonwagenbeleid, dat trouwens onderdeel wordt straks van de nieuwe Woonvisie en we lopen hiermee vooruit, maar dat was al in gang gezet, straks wordt dat samengepakt, dat wij met het woonwagenbeleid aansluiten bij het wettelijk kader, het Europees wettelijk kader en daar ook bij aansluitend het landelijke beleidskader van Binnenlandse Zaken. Dus dat is wat er moet gebeuren, daarvoor hebben we een behoeftenonderzoek gedaan, daarvoor hebben we een nieuw beleidsplan geschreven en ik wil zo meteen graag het woord geven aan Kees en daarna zijn er nog sprekers die ook graag wat willen vertellen, die hebben ook meegedacht in het hele proces om dit beleid tot stand te brengen en daarna is het aan u voor vragen en nadere informatie. Kees, kan je ‘…’ …. De heer Scheffers: Mag ik één …? De voorzitter: Dank u, mevrouw Tabak …
De heer Scheffers: Voorzitter. De voorzitter: Maar voordat we de heer Brouwer het woord geven is er toch een technisch probleem. We hadden aangekondigd dat deze avond wordt uitgezonden. Er is geen geluid, dus ik schors de vergadering voor nog een vijf, zes minuten. Dames en heren, de schorsing van 5 minuten is voorbij. Al redelijk snel is de techniek opgelost, dus wij kunnen toch verder. De heer Scheffers: Voorzitter. De voorzitter: Dan geef ik het … U wil eerst hier al een verduidelijkende vraag stellen dan, meneer Scheffers? De heer Scheffers: Precies, want ik snapte iets niet wat de wethouder zei en dus ik wil daar een stukje verduidelijking over hebben. Het ging namelijk over de verstening van locaties. Bij mij is de vraag bedoelt u daarmee dat er woningen, echt stenen woningen, gebouwd worden op locaties zoals hier gebeurd is bepaalde plekken? Of bedoelt u dat er een aantal woonwagens, noem ik het maar, bijna ook helemaal versteend zijn? Mevrouw Tabak: Nee, het gaat om het verstenen van de woonwagenlocaties, dus zeg maar bijvoorbeeld vanuit de corporatie een soort van woonwagenvorm neerzetten, maar eigenlijk praat je dan over een huis en daar is geen behoefte aan, want dat is geen woonwagen, dat is eigenlijk gewoon een huis dat lijkt op een woonwagen. De heer Scheffers: Dat is duidelijk nu, maar er zijn ook een aantal locaties waar gewoon een huis op gebouwd is.
Dat is me natuurlijk ook even het punt, dat is ook verstening. Mevrouw Tabak: Ja, soms lijkt het een huis, maar … De heer Scheffers: Nee, maar ook echt een huis op gebouwd. Mevrouw Tabak: Ja, ja. De heer Scheffers: Ja, precies. Ja. Mevrouw Tabak: Ja. Nee, dat wordt niet bedoeld met wat ik net zei. De voorzitter: Deze verduidelijking was prima. Voor de rest hebben we vanavond ruimte genoeg om allerlei vragen te stellen aan de wethouder of aan de ambtenaar en dan gaan we nu verder met de inleiding, presentatie van de heer Brouwer. 1.2 Woonwagenbeleid De heer Brouwer: Ja, ik heb ook een presentatie gestuurd. Ik neem aan dat die zo meteen op het grote scherm komt? Dan wacht ik dat eventjes af. Daar is ie. Ja, het woonwagen- en standplaatsenbeleid. Het is de bedoeling dat ik u vanavond bijpraat over het woonwagenstandplaatsenbeleid wat we de afgelopen periode hebben opgesteld. Ik neem u een stukje mee in de achtergrond. De juridische kaders zijn net ook al een beetje benoemd en de aanleiding van waarom we dit doen en vervolgens neem ik u mij in de belangrijkste beleidskeuzes die wij gemaakt hebben. De presentatie zal naar verwachting ik denk 20 minuten tot een halfuur duren.
De aanleiding, die is eigenlijk net al eventjes weergegeven, de diverse gerechtelijke uitspraken waren ook voor de ombudsman de aanleiding om een rapport te schrijven daarover en naar aanleiding van dat rapport heeft de landelijke overheid een beleidskader gesteld, waardoor eigenlijk die juridische kwesties worden benoemd en de manier
waarop de gemeente daarmee moet omgaan. De gemeenten moeten allereerst inventariseren of er behoefte is aan standplaatsen en als er behoefte is moeten ze daar beleid op maken. We hebben dat behoeftenonderzoek natuurlijk gedaan, daar bent u begin dit jaar over geïnformeerd, dat er een grote behoefte is in Hoogeveen en daarom hebben wij dat beleid ook opgesteld. Het doel van dit beleid is uiteraard voldoen aan de wet, wij moeten voorzien in de behoefte van woonwagenstandplaatsen en dit beleid biedt eigenlijk de kaders voor de ontwikkeling van de nieuwe standplaatsen en de kaders voor het maken van de prestatieafspraken met de woningcorporaties. Zoals u weet maken wij jaarlijks prestatieafspraken met de corporatie. Dat doen we op basis van de Woonvisie. De Woonvisie is op dit punt dus achterhaald, door dus een nieuw woonwagenstandplaatsbeleid op te stellen hebben bij een kader op basis waarvan wij nieuwe afspraken met de corporaties kunnen maken over de invulling van de woonwagens en standplaatsen. En zoals net al genoemd vervangt dit dus het deel van de Woonvisie en op het moment dat de Woonvisie wordt geactualiseerd, wordt dit deel daarin opgenomen. Het werd net al eventjes genoemd, de woonwagencultuur is een cultuur die beschermd wordt. Nou, wat houdt die woonwagencultuur nou in? De woonwagenbewoners, dat is eigenlijk verzamelterm voor Roma, Sinti en reizigers.
En die laatste groep dat zijn mensen die van oudsher vanwege hun beroep rondtrokken, dan kun je denken aan circusartiesten, maar ook bijvoorbeeld mensen zoals scharenslijpers die vroeger rondtrokken. Inmiddels trekken die mensen natuurlijk niet meer rond, dat heeft er enerzijds mee te maken dat de beroepen zijn veranderd, maar ook met het landelijk beleid wat er is geweest waardoor het rondtrekken steeds minder mogelijk werd gemaakt. Wat die mensen overheen hebben is dat ze eigenlijk allemaal een mobiele woonvorm hebben. De laatste jaren is steeds meer aandacht voor die culturele identiteit. In 2014 is het ook opgenomen als cultureel immaterieel erfgoed. Wat het wonen betreft, wat onderdeel uitmaakt van die culturele identiteit, dat is onder andere de mobiele woonvorm, dus de woonwagen, om het zo te zeggen, het leven in familieverbanden en het rondtrekkende karakter van oudsher. Dat is dus inmiddels niet meer echt mogelijk en wordt minder gedaan, maar in juridische uitspraken is gezegd van ja het is eigenlijk nomadic in spirit, dus het leeft in de geest van de woonwagenbewoners nog wel voort dat zij kunnen rondtrekken. Dus vandaar ook die behoefte aan die mobiele woonvorm en dat zijn eigenlijke dingen die qua huisvesting beschermd zijn. Die cultuur is natuurlijk nog veel breder.
Ik heb een plaatje opgenomen ook uit het beleidskader van bijvoorbeeld de schoenen die voor de voordeur staan, heel typerend, geen schoenen binnen dragen. En daaronder een woonwagenbewoonster die haar stamboom laat zien. Dat is ook wel een belangrijk onderdeel natuurlijk, hè. Het is iets wat van generatie op generatie wordt overgedragen. Om ook maar weer te geven, het is niet een woonwens van alleen de huidige generatie, maar het is echt iets wat in de familie zit. Zonet al eventjes genoemd is dat dus op basis van internationale mensenrechtelijke verdragen deze cultuur beschermd is en dat de overheid eraan gehouden is om deze cultuur te beschermen en te behouden en dat volgt ook uit diverse uitspraken waarin wordt gezegd van de overheid is verplicht om beleid op te nemen om deze cultuur te faciliteren en te beschermen. Dat houdt onder andere in dat woonwagenbewoners binnen een afzienbare tijd een standplaats moeten kunnen krijgen als zij dat willen. Daar gaan wij zo meteen nog wat verder op in ook.
Daarbij moet rekening worden gehouden met het afstemmingsbeginsel, dus wat ik net noemde, dat het in familieverbanden is en dat het van generatie op generatie wordt doorgegeven en ook met de zogenaamde spijtoptanten, dat is in deze zin een, ik vind het eigenlijk een beetje een vervelend woord, het gaat eigenlijk erom dat er nu woonwagenbewoners zijn die inmiddels in een stenen huis wonen en dat is veelal ook omdat er te weinig standplaatsen zijn geweest altijd, waardoor ze min of meer gedwongen zijn om in woningen te wonen. Maar ook die woonwagenbewoners horen dus wel tot de doelgroep van woonwagenbewoners en ook die moet je faciliteren. Ik ga nu niet allemaal verder in op het mensenrechtelijke kader, op de juridische achtergrond, dat is net ook al eventjes genoemd. Wat ik nog wel eventjes wil benoemen is het gelijkheidsbeginsel in deze, het verbod op discriminatie en dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, maar wat vaak daarbij niet duidelijk is, is dat ook ongelijke gevallen ongelijk behandeld moeten worden naar mate van de ongelijkheid. Dat is een vaak wat onduidelijker begrip, maar dat houdt eigenlijk in dat op moment dat situaties niet te vergelijken
zijn, dat je daar ook niet standaard hetzelfde beleid voor mag voeren. Ik noem dat bewust eventjes omdat niet overal bekend is, maar ook omdat we daar zo meteen bij de beleidskeuzes nog eventjes op terug komen. In dit juridisch kader is dus eigenlijk allemaal samengevoegd in dat landelijke beleidskader. In Hoogeveen hebben we relatief veel woonwagenbewoners van oudsher. Er is een landelijk beleid geweest in de jaren zestig en zeventig om woonwagenbewoners te centraliseren. Er zijn in Nederland ongeveer 50 regionale kampen geweest, waarvan één in de gemeente Hoogeveen, dus daarom hebben we van oudsher veel woonwagenbewoners in onze gemeente. In de jaren zeventig is dat centralisatiebeleid losgelaten en is het gedecentraliseerd en op dit moment hebben we 15 locaties met 102 standplaatsen. Dat zijn over het algemeen wat kleinere locaties, dus tussen de 2 en de 11 standplaatsen per locatie. Bijna alle standplaatsen zijn huur in eigendom van de woningcorporaties Domesta en Woonconcept, maar vrij veel woonwagens zijn in eigendom van de bewoners zelf. En uit het behoeftenonderzoek wat we dus vorig jaar hebben gedaan blijkt dat er een aanvullende behoefte is, tot 2025 in ieder geval 30 standplaatsen en tot 2030 45 standplaatsen. En zoals net al genoemd, sluit dat niet aan bij de Woonvisie. Tot zover even de achtergrond. Dan de totstandkoming van dit beleid.
Dit beleid is tot stand gekomen in samenwerking met de woonwagenbewoners, met de woningcorporaties en met een aantal interne en externe deskundigen. In verband met de coronamaatregelen konden we dat helaas niet fysiek doen, dus daar hebben we een aantal digitale bijeenkomsten voor georganiseerd. Omdat het digitaal was konden we niet alle woonwagenbewoners uitnodigen. We hebben daarom van iedere locatie gevraagd, alle bewoners een brief gestuurd met de vraag of ze per locatie één of twee vertegenwoordigers konden sturen. Uiteindelijk hebben we 10 aanmeldingen gehad van de 15 locaties en per bijeenkomst zijn er 6 tot 8 personen aanwezig geweest. Waar de woonwagenbewoners zelf veel aandacht voor vroegen was de tijdsduur. Ze geven ook aan van het wachten op de woonwagens duurt nu al heel erg lang. De gemeente heeft heel lang geen plaatsen bijgebouwd, dus kom alsjeblieft zo snel mogelijk met nieuwe plaatsen. Ook een belangrijk aandachtspunt is de eigendomssituatie. Ik noemde dat net al eventjes, de huurstandplaatsen met koopwagens erop, dat zorgt vaak voor ongewenste situaties. Daar komen we zo meteen nog eventjes op terug. Er is veel behoefte aan maatwerk onder de woonwagenbewoners, die zeggen van ga gewoon per locatie kijken van wat is er nodig is en leg dat niet op voorhand vast.
En er zijn veel opmerkingen geweest over de handelswijze van de woningcorporaties en dan gaat het bijvoorbeeld over het wachtlijstbeheer en de manier van toewijzen. Dat laatste past natuurlijk niet in het gemeentelijk woonwagenbeleid, maar dat is wel iets wat we met de woningcorporaties hebben besproken. Voor de rest zijn uiteraard de corporaties betrokken en de interne en de externe deskundigen dus. Dan de belangrijkste kaders uit dit woonwagenbeleid. Allereerst de kwantitatieve opgave. De wet zegt dus eigenlijk je moet binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats en hoe lang dat dan is, dat is verder niet gespecificeerd en ook uit gerechtelijke uitspraken niet direct te halen. Het beleidskader heeft daarvan geprobeerd, het landelijke beleidskader heeft geprobeerd, om dat te vertalen naar een hanteerbare maatstaf en zij zeggen van ga als uitgangspunt nemen dat de wachttijd op een sociale woningbouw gelijk is aan die voor een woonwagenstandplaats. We hebben ernaar gekeken of dat mogelijk is en wij kwamen eigenlijk tot de conclusie dat dat in Hoogeveen niet mogelijk is dat op die manier te vergelijken en dit is waar ik dan net even op doelde, met dat je ongelijke gevallen ongelijk moet behandelen, want er is een groot verschil tussen woonwagenbewoners en andere woningzoekenden op dit punt.
Dat zit er onder andere in dat de wachttijd wordt bepaald op basis van het gemiddelde van de mutaties, dus je kijkt hoe lang staat iemand ingeschreven voordat hij een sociale huurwoning krijgt. Of hoe lang is iemand actief op zoek naar een sociale huurwoning? En als het gaat om woonwagenbewoners, er zijn eigenlijk te weinig mutaties om een goed gemiddelde te bepalen. Het komt voor dat we maar één standplaats per jaar muteren, dan kan je geen goed gemiddelde daarop trekken en bovendien is de manier van toewijzen ook anders. Bij woonwagenbewoners wordt vaker rekening gehouden met de familieband, dus dan wordt er als er een plek vrij komt, wordt er eerst gekeken of er iemand uit de familie kans kan maken op die plek en zodra dat niet is, dan komt die pas voor anderen in aanmerking. Dat kan er dus voor zorgen dat iemand nog maar vrij kort staat ingeschreven en al wel een plek krijgt, terwijl iemand die
er al heel lang staat ingeschreven geen kans maakt op een plek en dat geeft ook een vertekend beeld van die wachttijd voor de woonwagenstandplaatsen. En tot slot is ook de manier waarop woonwagenbewoners zoeken dus heel anders. Dan heb je het bijvoorbeeld over de actieve zoekduur, dus dat mensen echt gaan reageren op woningen en dan gaan kijken hoelang duurt het dan voordat je een plek krijgt, maar bij woonwagenbewoners is het zo dat zij vaak alleen maar reageren op de locatie waar de familie al woont, dus dan bouwen ze ook geen actieve zoekduur op. Voor de gemeente Heerenveen kun je dat eigenlijk al … Sorry, Hoogeveen, kun je dat eigenlijk niet … Ja, pijnlijk. Ik werk hier nog maar een jaartje, sorry. Voor de gemeente Hoogeveen kun je die vergelijking dus eigenlijk niet trekken, dus daar hebben we gezocht naar een andere manier waarop we dat kunnen doen en daarom hebben we besloten om uit te gaan van de behoefte uit het behoeftenonderzoek en gewoon te zeggen oké tot 2025 is er een behoefte aan 30 standplaatsen, waarvan in ieder geval de helft huur. Laten we in ieder geval dan die opgave invullen, dus voor die tijd zo veel standplaatsen realiseren. Daarbij hebben de woonwagenbewoners wel opgemerkt dat zij de verwachting hebben dat de werkelijke behoefte groter is dan het onderzoek blijkt.
Het onderzoeksbureau dat het onderzoek heeft gedaan verwacht dat dat wel meevalt door de gehanteerde onderzoekswijze, maar dat weet je natuurlijk nooit zeker en zij zeggen daarom ook dat het belangrijk is om die behoefte te blijven monitoren en om bij te stellen indien dat nodig is. Dat monitoren kun je doen door regelmatig opnieuw dat onderzoek te doen, maar dat kan ook door het instellen van een wachtlijst en een wachtlijst lijkt ons in dit geval de meest logische optie. Dan de verdeling over huur en koop. Uit het onderzoek blijkt dat in ieder geval de helft van de behoefte sociale huurwoningen, of sociale huur plaatsen, zijn dan. Voor de sociale huur zijn de woningcorporaties verantwoordelijk, net als bij reguliere woningen en dan gaat het dus om het verhuren van een standplaats en een woonwagen. Mensen die in de doelgroep van de sociale huurwoningen vallen die hebben eigenlijk normaal gesproken niet de middelen om zelf een wagen te kopen, dus daarom zouden de plaatsen en de wagens allebei moeten worden aangeboden. De woningcorporaties zijn ook zelf verantwoordelijk voor het opstellen van een wachtlijst in het toewijzingsbeleid.
De woonwagenbewoners hebben hierover aangegeven dat zij graag willen dat daar meer duidelijkheid in komt en het liefst ook één wachtlijst voor alle corporaties en die aanbeveling hebben de woningcorporaties ook ter harte genomen, dus daar zijn ze ook al mee bezig om dat mogelijk te maken. Voor de koop is dat anders, de woningcorporaties zijn voor de koop eigenlijk niet verantwoordelijk, terwijl ongeveer de helft van de behoefte ook koopstandplaatsen en koopwagens is. Wat dat betreft sluiten we aan bij het reguliere beleid wat we al hebben in de gemeente, wat ook voor woningen geldt en dat is vastgelegd in de Nota Grondbeleid en daarin staat onder andere dat we natuurlijk een faciliterende rol kunnen hebben, maar dat kan ook bij woonwagenbewoners de mensen zelf met een initiatief komen en dat we in sommige instanties ook een actieve rol kunnen hebben en zelf kavels kunnen ontwikkelen. Dus daar sluiten we gewoon aan bij het beleid wat daarvoor vastligt. Hetzelfde geldt voor de Nota Grondprijzen, daarin hebben we de grondprijzen vastgelegd die we als gemeente hanteren als we grond uitgeven. Daarvoor is nog geen prijs voor woonwagens vastgelegd. We hebben in de Nota Grondprijzen vastgelegd dat we uitgaan van de marktwaarde of een gereduceerd tarief als het bijvoorbeeld voor sociale huurwoningen geldt.
Het ligt voor de hand om dat ook voor woonwagens te doen, waarbij wel wordt opgemerkt dat de marktwaarde van een woonwagenstandplaats doorgaans lager is dan bij een reguliere woning. Bij koop is er dan ook nog belangrijk dat die koopstandplaatsen ook in de toekomst beschikbaar blijven voor woonwagenbewoners. We willen eigenlijk voorkomen dat die standplaatsen daar uiteindelijk weer een woning op gebouwd wordt, waardoor we weer nieuwe standplaatsen moeten gaan realiseren. Dat kan onder andere door het bestemmingsplan zo in te richten. Dat is op dit moment ook al zo. Een plek waar een woonwagenstandplaats is, daar mag niet zomaar de woning worden gebouwd, dat is echt alleen voor woonwagens en verder kun je in de verkoopvoorwaarden ook aanvullende voorwaarden opnemen om te borgen dat het als eerste binnen de doelgroep weer wordt aangeboden als een woonwagenplek vrijkomt. Een alternatief daarvoor zou zijn een erfpachtconstructie. De woonwagenbewoners hebben zelf daarvoor aangegeven dat daar geen draagvlak voor is onder de woonwagenbewoners, dat ze liever reguliere koop
hebben. De wachtlijst voor koop. Ja, dat gaat de woningcorporatie natuurlijk ook niet te bijhouden, dus dat is iets wat wij als gemeente zijnde zelf zouden moeten gaan bijhouden, zelf een wachtlijst opstellen om de behoefte van de koopplekken in de gaten te houden. Dan de leefbaarheid. Over het algemeen genomen is de leefbaarheid van de woonwagenlocaties relatief goed in deze gemeente. Belangrijk aandachtspunt is wel die eigendomssituatie wat al eerder werd genoemd. Ik heb daarvoor als voorbeeld twee plaatjes opgenomen van een nieuwsitem wat is geweest, onder andere bij PowNews en bij RTV Drenthe, dit is een locatie aan de Sellestraat waar dat ook speelt. Zoals ik al zei zijn heel veel standplaatsen, of bijna alle standplaatsen, zijn van de woningcorporatie, maar heel veel woonwagens zelf die zijn gekocht, dat is eigendom van de bewoners zelf. In het algemeen kun je stellen dat de doelgroep van de woningcorporaties niet zomaar de middelen hebben om hun eigen woonwagen te kopen. Dus wat we ook zien is dat veel woonwagens die gekocht zijn wat ouder zijn, wat in slechte staat van onderhoud zijn en sommigen ook helemaal afgeschreven zijn. Een woonwagen die schrijf je over het algemeen veel sneller af dan een woning, zeker die oudere, die gaan eigenlijk maar een jaar of 25 mee en we hebben relatief veel oudere woonwagens staan.
Voor zover mensen daar wel geld voor zouden hebben om een hypotheek te kunnen krijgen, kan dat niet door de eigendomssituatie van de grond. Zolang de grond wordt verhuurd kun je daar geen hypotheek op krijgen. Zou dat erfpacht zijn of zou dat in eigendom van de woonwagenbewoners zelf zijn, dan kon dat wel en dat betekent dus dat je, als je een nieuwe woonwagen wil plaatsen, dat je dat volledig vanuit eigen middelen moet doen. Reken erop dat een woonwagen, als je een nieuwe woonwagen koopt, 150.000 euro kost, dan zullen we allemaal nagaan dat het niet voor veel mensen haalbaar is om dat zelf te doen. Dus die situatie van huurstandplaats en koopwagens is in heel veel situaties onwenselijk. Er zijn een aantal situaties waarvan de woonwagenbewoners er zelf wel tevreden mee zijn en waar het wel goed gaat. Maar daar waar dat niet goed gaat zal het beleid eigenlijk moeten zijn om dat terug te brengen. Dat is iets wat we in overleg moeten doen met de woningcorporaties, maar natuurlijk ook met de woonwagenbewoners zelf. Dan de realisatie van nieuwe standplaatsen. Nou, gelet op de familiebanden die belangrijk zijn voor de woonwagenbewoners ligt het voor de hand om eerst de bestaande locaties uit te breiden, dan maak je het wonen in familieverband ook mogelijk. We hebben een inventarisatie gedaan waaruit blijkt dat dat in ongeveer een derde van de gevallen zou kunnen.
Dat betekent dat er nog een groot deel is waar dat niet kan en waarvoor dus nieuwe locaties gevonden zullen moeten worden. We gaan ervan uit dat we daarvoor ongeveer drie nieuwe locaties nodig hebben, als je uitgaat van een vergelijkbare omgang die we nu ook hebben. De bestaande structuur en daar heb ik ook even een plaatje van opgenomen, dit is ook weer de Sellestraat, is dat de woonwagens eigenlijk de locaties meestal onderdeel uitmaken van het reguliere straatpatroon. Je ziet daar ook de woonwagens in dezelfde straat doorgaan als de gewone woningen en dat is de structuur die eigenlijk goed bevalt en wat we ook willen handhaven, ook bij de nieuwe locaties. Als het gaat om de nieuwe locaties moet er dus eerst maatwerk zijn, dus eigenlijk zou je eerst een plek moeten toewijzen om vervolgens pas te kijken van waar moet die locatie aan voldoen? Moet dat een huurlocatie worden, moet dat een kooplocatie worden, hoe groot moet dat zijn? En dat is anders dan bij gewone woningen, daar bepaal je vooraf er komt zoveel huur en er komt zoveel koop. Bij woonwagens zou je dus eigenlijk eerst moeten uitgaan van maatwerk en een wens daarbij is om ook rekening te houden met uitbreidingsmogelijkheden voor de toekomst. Dus als je een nieuwe locatie maakt, kijk dan ook naar de toekomst toe, komen er kinderen aan, zorg dan dat er in de toekomst eventueel nog een plek voor bij kan komen.
Dit alles hebben we samengevoegd in een uitvoeringsprogramma. Dat is eigenlijk een beetje een samenvatting met een planning erbij van wat er in het beleid staat. Het opstellen van een wachtlijst voor de koopstandplaats, dat is iets wat we natuurlijk heel snel kunnen doen en wat in september al gerealiseerd zou kunnen worden. De prestatieafspraken, dat doen we jaarlijks en er staat een wettelijke deadline voor, voor 15 december. De grondprijs nemen we op in de Nota Grondprijzen en dat wordt ook jaarlijks gedaan. Vervolgens zal er voor de uitbreiding van de standplaatsen een plan van aanpak moeten komen. We hebben bewust in dit beleidskader nog niet de locaties aangewezen, dat kan ook nog niet, want we hebben daarvoor de kaders nog niet, dus dit is echt bedoeld om eerst de kaders te
stellen omdat we kunnen doen. Bovendien moet je voor het aanwijzen van de locaties ook goed in contact staan met alle mensen die daar wonen en ook de omwonenden natuurlijk, daarom kan dat nog niet in dit beleidskader. Dus dit zijn eigenlijk de belangrijkste punten voor het woonwagen- en standplaatsenbeleid. De voorzitter: Dank u, heer Brouwer. Nu geef ik nog geen ruimte voor vragen, want we doen vanavond nog heel veel dingen anders dan anders. Anders is het normaal dat we beginnen met de inspraak, maar omdat we in het presidium ook vonden dat het goed is om eerst de informatie te verstrekken en op een speciale avond hebben we dat nu dus andersom gedaan. 1.3 Spreekrecht De voorzitter: Het volgende is dan de inspraak en daarvoor zal ik mevrouw De Weerd uitnodigen om in ongeveer 10 minuten ons van informatie te voorzien, ook dat is anders dan anders, maar dat is in overleg gebeurd. En ook is overlegd dat u dat vanaf uw plaats zult gaan doen. Mag ik u uitnodigen voor uw inspraak. Mevrouw De Weerd. Mevrouw De Weerd: Zo, nu ben ik te horen, denk ik. Oké. Mijn naam is Marian de Weerd. Ik ben één van de woordvoerders van Woonwagenbelangen Hoogeveen. Ik heb twee mensen meegenomen die niet inspreken. Om te beginnen wil ik natuurlijk Kees bedanken voor het beleidsplan opstellen, maken en opnieuw toelichten, dat zag er prima uit.
Daar zijn wij ook als Woonwagenbelangen Hoogeveen bij betrokken geweest. Ik wil graag een klein stukje voorlezen om te beginnen. Ik was zo slim om het voor te bereiden en een briefje op de keukentafel te laten liggen, maar mijn man heeft mij een foto gestuurd, dus als het goed is kan ik het van mijn telefoon lezen, vandaar ook mijn leesbril. Verdraaid, dacht Peter, of vanmorgen alles tegenzit. Hij stond in zijn schuurtje te morrelen aan het slot van zijn fiets om deze open te laten springen. Ach, misschien was het ook wel wat overdreven een fiets in je eigen schuur op slot te zetten, maar even buiten het dorp, een kilometer of twee bij hem vandaan, was een woonwagenkamp en dan kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Dit was een huiswerkopdracht van februari 2021 in groep acht en ik heb ook nog een foto meegenomen, doorgestuurd. Als het goed is kan die getoond worden? Deze heeft houdbaarheidsdatum tot 28/6/2021. Dan heeft u een beetje een idee hoe wij als woonwagenbewoners in de maatschappij staan. Nou, over artikel 1 van de grondwet hoef ik u denk ik verder niets uit te leggen, dat snapt u wel en nu kan ik wel deze 10 minuten vol gaan praten met hoe wij door de jaren heen gediscrimineerd zijn, maar dat ga ik niet doen. Het lijkt mij vrij zinloos, want ik denk dat de meeste mensen dat wel weten.
Je kunt discriminatie wel uit de wet halen, maar helaas niet uit de mensen en daar is in ons geval helaas vaak wel sprake van. Ik ga niet mijn 10 minuten daar dus mee volpraten, ik gebruik mijn tijd liever om iets over onze cultuur te vertellen en wat deze hele woonsituatie vanuit onze cultuur met ons doet. En onze cultuur is echt wel breder dan geen schoenen in de wagen, niet je handen onder de kraan wassen, je kinderen naar je ouders benoemen, bidprentjes bij begrafenissen, et cetera, et cetera. Onze cultuur is vooral het samenwonen, het met elkaar leven. Eigenlijk een beetje zoals misschien 50 jaar geleden in Nederland heel gebruikelijk was. Toen leefde je ook veel meer met elkaar dan naast elkaar. Wij leven nog steeds graag met elkaar. Voor een groot aantal families, Kees zei spijtoptanten en gelukkig stond dat tussen aanhalingstekens, want het is een heel vervelend woord, want de meeste families zijn geen spijtoptanten. Die zijn destijds met het opdoeken van het regionale kamp, ik denk 35 jaar geleden, ik was zelf één van die families, gedwongen in een huis gaan wonen en wat zie je met deze families die dat is gebeurd? Die wonen allemaal in bepaalde wijken, ik denk dat u zelf wel kunt bedenken welke wijken in en om het centrum bij elkaar. Een kenmerk van deze families is ook dat ze heel erg vaak verhuizen.
Gewoon hun draai niet kunnen vinden, omdat ze nu eenmaal niet in een huis horen. Zo horen daar helemaal niet te wonen en ze waren geen standplaatsen meteen met het opdoeken van het regionale centrum al niet, de laatste standplaatsen zijn verloot aan mensen die alsnog op een plaats hoopten en de rest ging dus gedwongen wonen. Dus spijtoptanten is niet een juist woord, denk ik. Dat blijven
verhuizen, dat niet de draai kunnen vinden, dat is een deel van onze cultuur. Dat dit hele grote problemen geeft op woongebied daar zal ik u een paar voorbeelden van noemen. Een moeder die in de schuur woont of op een kleine caravan op de standplaats bij haar kinderen, zodat ze haar kinderen de grote wagen, tussen aanhalingstekens, kon geven. Is een voorbeeld. Drie volwassen kinderen in de leeftijd van 32 tot 24 jaar die nog thuis wonen, wel op een wachtlijst staan voor een standplaats die er dus niet is en hopelijk nu wel komt, maar daar was jaren geen uitzicht op. Kinderen blijven dus extra jong lang thuis wonen. Wat je vaak ziet is dat de wagens bijgeplaatst worden op de huidige standplaatsen. Nou, standplaatsen zijn al niet ruim en als je daar twee wagens neerzet is er weinig leefruimte om je wagen bij. En dan wil ik nog een voorbeeld geven van een jonge moeder, moeder van een zoontje van vier jaar, die woont, wonen betekent voor ons in een stenen huis wonen, die woont en haar ouders die staan. Alleen op het centrum waar haar ouders staan is geen plaats en daar komt ook geen plaats bij. Haar kindje is naar school gegaan bij haar ouders in de buurt, niet in de woonwijk waar ze zelf woont, maar bij haar ouders in de buurt.
Het ritueel wat zich iedere dag herhaald is dat zij ‘s morgens haar kindje eten geeft, samen met hem ontbijt, naar school brengt tegenover haar ouders, vervolgens naar haar ouders gaat, daar blijft tot het kindje uit school komt, eventueel met vriendjes gaat spelen en dat vindt zich allemaal rond de locatie plaats. Dan eet ze vaak bij haar ouders, maar soms gaat ze ook naar huis om te eten. Kindje gaat in bad, op bed en zij wacht tot de avond voorbij is, zij ook weer naar bed kan en ‘s morgens herhaalt zich hetzelfde ritueel. En dat puur en alleen omdat er geen standplaatsen beschikbaar zijn. Ik hoop dat u met deze voorbeelden een beetje beeld heeft van onze cultuur, van het samenwonen, het samenzijn, het met elkaar leven. Hoe belangrijk dat voor ons is en hoe dat ons ontnomen is. Niet vrijwillig, maar gewoon ontnomen. Bij het verdwijnen van het regionale centrum hier in Noordscheschut waren er al geen standplaatsen genoeg. Wij hebben ook kinderen gekregen, wij hebben ook kleinkinderen gekregen. Die hebben geen uitzicht op een standplaats terwijl de behoefte en de wens er wel is. Dan zal ik nog even iets van mijzelf vertellen. Voor velen van u woon ik op een droomlocatie. Ik woon in een vrijstaande brugwachterswoning met 2 hectare grond aan het water. We hebben een boomgaard, een moestuin en alles wat je maar kunt bedenken.
Bed and breakfast hebben we bij huis en eigenlijk wil ik maar één ding. Ik wil graag een standplaats, zodat ik met mijn kinderen samen op een locatie kan worden. Dank u wel voor uw aandacht. De voorzitter: Dank u, mevrouw De Weerd. Ook een heel persoonlijk verhaal erbij en even wat achtergrondinformatie vanuit de woonwagenbewoners. Ik vind het wel een, wat dat betreft, een heel duidelijke inspraak in ieder geval. Heeft iemand van de raadsleden verduidelijkende vragen voor mevrouw De Weerd? Mevrouw Blenkers. Mevrouw Blenkers: Nou, u zei dat mensen die in een gewoon huis wonen, woonwagenbewoners die in een gewoon huis wonen, die verhuizen veel, die kunnen hun draai niet vinden. Is dat als je op een kamp staat anders? Blijven mensen dan wel meer bij elkaar, of verhuizen ze dan ook nog heel veel naar andere kampen? Mevrouw De Weerd: Als u even, ik denk dat er wel één van de computerprogramma’s daarop losgelaten kan worden, dan ziet u dat ondanks dat wij onszelf reizigers noemen wij echt niet meer reislustig zijn en heel erg lang op dezelfde plaats of locatie wonen. Het is puur niet je draai kunnen vinden, niet kunnen wonen waar je eigenlijk wil wonen. De voorzitter: De heer Meesters. De heer Meesters: Ja, aan de Coevorderstraatweg heeft natuurlijk de voormalige woonwagenlocatie gestaan.
Dat is nu verspreid over verschillende woonwagenkampen, dus ook heel veel families zijn verspreid geraakt. Je krijgt het niet meer voor elkaar om alles natuurlijk op één locatie te krijgen, maar werkt het voldoende om straks op al die kleinere locaties extra woonplaatsen te realiseren voor woonwagenbewoners?
Mevrouw De Weerd: Ik denk dat huidige kleinere locaties vaak bezet worden door één of twee families. Met wat u zegt, de grote locatie zal er niet meer inzitten, dus dat is echt wel iets waar serieus in de toekomst naar gekeken moet worden hoe je dat handen en voeten geeft. Ik weet van een locatie hier in Hoogeveen waar twee families wonen die ook alle twee graag uitbreiding willen, waarvan één deel van één familie wel zegt als ik met een deel van mijn eigen familie naar een andere locatie kan, is dat oké en dan komt er op onze eigen locatie weer ruimte zodat de andere familie ook kan uitbreiden. De voorzitter: De heer Scheffers. De heer Scheffers: Het is al een paar keer gezegd, ik ben even nieuwsgierig. U heeft gezegd over familieverbanden. Voor mij is eigenlijk de vraag hoe breed ziet u dat, een familieverband? Is dat vader, moeder, kinderen? Nou, verderop, broers, neven, nichten. Dat is denk ik op zich interessant om dat te weten. Mevrouw De Weerd: Ja, dat klopt. De familie is voor ons breder dan voor mensen in de burgermaatschappij. Daar horen ook zusters bij, kinderen, kleinkinderen. Kleinkinderen van je zus of van je broer. Een familie kan voor ons heel veel mensen omvatten. De voorzitter: Mevrouw Hooijer.
Mevrouw Hooijer: Ja, ik zag net in een presentatie dat we het hadden over eventueel drie nieuwe locaties, maar ik kan me uit het verleden herinneren dat er ook wel locaties geweest zijn, ik zeg maar wat, in Zuidwolde, Ruinen, waar eigenlijk niemand naartoe wou. Dus als je dan toch een locatie hebt, zeg maar, ik noem maar wat, ik weet niet hoe groot die locaties gaan worden, met 10 standplaatsen, dan kun je daar toch met een redelijke familie naar toe. Maakt dat dan ook nog uit waar ze komen of is het dan weer dat dat leeg blijft? Of zou kunnen blijven. Mevrouw De Weerd: Absoluut. Het maakt heel veel uit waar je komt, want de locatie in Pesse is niet voor niks opgedoekt, daar wilden gewoon geen mensen wonen. Die hebben verder ook niets met Pesse en die willen gewoon in en om Hoogeveen wonen. Dat is ook iets waar je verder ook in het beleid goed naar moet kijken. Van, kijk, je kan op, ik noem maar iets, Nijstad, een prachtige, mooie, nieuwe locatie neerzetten, maar als ik de gemeente was zou ik eerst onderzoek doen of daar überhaupt wel mensen willen wonen. De voorzitter: Aanvullende vraag mevrouw Hooijer.
Mevrouw Hooijer: Ja, dan gaat het daar eigenlijk niet om met meer dan met de familie bij elkaar staan, maar is ook de plaats, want stel dat er dan wel die plek is, want ik weet natuurlijk best wel veel van de woonwagen, vanuit mijn eigen geschiedenis, vanuit het dorp, enzovoort. Dus ik heb daar wel begrip voor, alleen aan de ene kant denk ik van er zijn natuurlijk ook veel, werd net genoemd over sociale huurwoningen, dat moet dan vergelijkbaar zijn, want bij ons is natuurlijk ook wel jeugd die dan eerst tijdelijk in een flat gaat wonen of ook wacht tot er weer een plekje in Noordscheschut is. Nou, we zijn er ook wel achteraan geweest, Noordscheschut is al jaren niet gebouwd, dus ergens moeten we elkaar ook zoeken, dat je dan misschien wel tijdelijk op zo’n plek kunt of is dat dan ook niet een optie? Mevrouw De Weerd: Ja, ik zal u iets uitleggen van de huidige woonwagens, die zijn nagenoeg niet meer te verplaatsen. Dus een tijdelijke locatie is niet te vergelijken met het tijdelijk even op een flat gaan wonen en zeker als het om de koopstandplaatsen gaat, als u een andere woning wil kopen, koopt u hem ook niet op een plaats waar u niet wil wonen, denk ik. En dat gaat voor ons natuurlijk net zo op. De wagens van tegenwoordig
zijn vaak zeven, acht meter breed en kunnen echt niet achter een trekker gehangen worden om even verplaatst te worden. Dus een tijdelijke locatie is in deze geen goede optie. De voorzitter: Dank u, mevrouw Hooijer. Ik had al begrepen dat er op de nieuwe locaties, daar ga je niet wonen, maar daar ga je staan, had ik ondertussen geleerd. De heer Oosterlaak. De heer Oosterlaak: Ja, dank u wel, meneer de voorzitter. Nog even over het aantal plaatsen wat nog nodig is. Er was een onderzoek naar gedaan en er zijn schattingen en er moet nader naar gekeken worden. Wat is uw idee daarover, hoeveel plaatsen er nodig zijn op dit moment? Mevrouw De Weerd: Ik denk dat wat in het beleidskader is verwerkt een goede aanzet is, maar ik denk dat het wel een on going concern proces is. Dat je wel moet blijven monitoren waar en op welke momenten nieuwe standplaatsen nodig zijn. De voorzitter: Voldoende? De heer Meesters. De heer Meesters: Ja, ik was zelf eigenlijk even benieuwd hoe heeft u het proces met de gemeente ervaren? Er zijn gesprekken gevoerd met de bewoners en ook de familie eromheen die ook noodgedwongen in een stenen huis wonen.
Is dat voor uw gevoel op een goede manier verlopen? Heeft u het idee dat hetgeen dat hier gepresenteerd is dat dat ook echt overeenkomt met hetgeen wat door de woonwagenbewoners eigenlijk verwoord is? Mevrouw De Weerd: Ik denk dat het een hele goede poging is geweest. Nadat de gemeente eerst afwachtend was, het beleidskader is al van 2018 en uiteindelijk is een eind 2019 daar een start mee gemaakt en ik denk dat het goede poging is en dat we elkaar daar zeker wel in zullen vinden en hopelijk in verder kunnen blijven samenwerken. De voorzitter: Dank u. De heer Bertels. De heer Bertels: Ja, dank u wel. Ik had even een vraagje, want in de presentatie werd ook iets gezegd over de mobiele woonvorm en zoals u zelf al aangaf, bij een aantal is de woonwagen groter dan mijn eigen woning. Wilt u dan dat het de mobiele woonvorm is of dat er wel weer mogelijkheden worden dat er van die grotere, wat u net zei van zes, zeven meter, dat zulke wagens daar geplaatst moeten worden? Mevrouw De Weerd: Ik denk dat dat heel individueel is. Persoonlijk zou ik niet om een grote wagen geven, omdat we nog maar met zijn tweeën zijn, maar ik kan me voorstellen dat jonge mensen een iets meer ruimere wagen zouden willen hebben en ik denk dat je dat niet allemaal onder één noemer kunt vangen. Ik denk dat dat heel persoonlijk is voor wie welke ruimte wil. De voorzitter: Voldoende? Mevrouw Bouius.
Mevrouw Bouius: Ja, ik heb ook, niet uit uw presentatie, maar uit die andere presentatie, gehoord dat als je een hypotheek wil hebben, je die niet kunt krijgen als je de grond huurt. Maar dat je wel een hypotheek kunnen krijgen als je de grond in de erfpacht neemt. Heb ik dat goed begrepen? Mevrouw De Weerd: Dat klopt, als je …
Mevrouw Bouius: En … Ja? En daarachter hoorde ik zeggen maar de erfpacht daar was geen interesse voor of dat had u liever niet. Kunt u ook uitleggen waarom of u wel grond zou willen huren, maar niet in erfpacht nemen? Heeft dat ook nog weer andere consequenties? Mevrouw De Weerd: Ja, voor mij persoonlijk is huren ook onwenselijk, maar voor veel mensen is dat wel wenselijk. Het liefst natuurlijk wel met een wagen erop, maar erfpacht wordt afgegeven aan de persoon. Dat betekent als ik grond in erfpacht neem en daar kan ik een hypotheek op krijgen, daar zou ik mijn eigen wagen op kunnen zetten. Op het moment dat mij iets gebeurt of ik kom te overlijden of ik zou de grond door willen geven aan mijn kinderen of kleinkinderen, dan is dat niet mogelijk. Dan ben je op dat moment afhankelijk van hoe een woningstichting, gemeente daarin staat, daarom geven we de voorkeur aan kopen of huren. De voorzitter: Voldoende of nog een extra verduidelijkende vraag? Mevrouw Bouius. Mevrouw Bouius: Daar is geen andere clausule op te bedenken op die erfpacht? Dat hoort gewoon bij erfpacht, want we hebben ooit voor één van onze kinderen een keer een flat gekocht in Amsterdam, ook met erfpacht, maar konden we wel mee over verkopen en dat kon dan misschien omdat het een flat is, maar deze constructie kende ik dus niet.
Mevrouw De Weerd: Nou, dan zal ik u nog even een klein stukje van onze cultuur uitleggen. Als ik een wagen heb en die staat op erfpachtgrond en ik zou hem over willen doen aan mijn kinderen of kleinkinderen, dan blijft de portemonnee gesloten. Dus vandaar dat overdracht dan uitsluitend over de grond zal gaan en dan ben je op dat moment afhankelijk van wat degene waar jij die grond van in erfpacht hebt, wat die daarmee wil. De voorzitter: Voldoende? Ik kijk even rond, zijn er nog meer vragen voor … De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Over de presentatie, ik heb er een stuk of vier, moeten ze achter elkaar door of gewoon één voor één? De voorzitter: Ik was in de ronde om te vragen of er nog meer vragen voor mevrouw De Weerd waren, voor onze inspreker. De heer Van Rijn: Nee, had ik geen vragen voor. De voorzitter: Dan dank ik u, mevrouw De Weerd, voor de inspraak en voor de reactie op de vragen en kunnen we nu verder met eventuele vragen voor het college of voor de ambtenaar, de heer Brouwer. De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Dank u wel, voorzitter. Er is groei. Ik heb van die mevrouw De Weerd gehoord dus dat er ook groei is, of groei, er is eigenlijk al achterstand van mensen die graag in een woonwagen willen wonen, maar die er nog niet in kunnen wonen.
Want mijn vraag was daar ook nog bij, is de groei alleen maar van de populatie uit Hoogeveen of kunnen er ook mensen van elders naar Hoogeveen komen en is dan ook de plicht om hen daar een standplaats voor te geven? Dat is de vraag over de standplaatsen. De voorzitter: Ik stel voor om één op één maar te beantwoorden. Mevrouw Tabak: Ja, het onderzoek dat we hebben gedaan is echt voor Hoogeveen. We hebben het weliswaar in de regio gedaan, maar als het gaat om die 30 tot 45 standplaatsen dan is het een uitbreiding op de bewoners in Hoogeveen en zoals u gezien hebt is het de bedoeling om te gaan werken met wachtlijsten, zowel voor de
koop als voor de huur en in theorie ga je dan natuurlijk uit van de mensen die hier wonen en ja, iemand van buitenaf staat niet op zo’n wachtlijst, dus die komt dan niet in aanmerking voor een plek hier. De voorzitter: U had een volgende vraag, de heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Ja, ‘…’. U zegt in 2025 15 huur, 15 koop. In 2030 23, 22. Ik neem aan dat het dan vanaf 2025 tot in 5 jaar tijd dan nog 23 huur en 22 koop erbij moeten, dat we niet die 15 daar nog vanaf moeten halen, maar mijn vraag gaat ook eigenlijk een beetje over die verhouding, want we hebben natuurlijk een gelijkheidsbeginsel. Is dit ook de verhouding zo’n beetje wat er straks voor de sociale huurwoningen en de sociale koopwoningen voor de gemeente Hoogeveen geldt, deze verhouding? De voorzitter: Vraag aan het college, of aan de heer Brouwer. De heer Brouwer: Met betrekking tot die aantallen, dat aantal tot 2030 is vanaf nu tot aan 2030, dus dat aantal tot 2025 moet u daarvan af halen. Het gaat om een totaal van 30 de eerste 5 jaar en daarna nog 15 er extra bij in totaal. En die verdeling tussen huur en koop, dat is moeilijk een inschatting te maken, want dan moet je weten hoeveel mensen verdienen en bij het onderzoek wilde niet iedereen dat opgeven, dus daar is een inschatting gemaakt op basis van ervaring ook van het onderzoeksbureau wat ze in andere locaties zien, hoeveel procent daarvoor huur en koop is.
Dat is wel een groter aandeel dat in aanmerking komt voor sociale woningbouw dan bij andere woningen. De voorzitter: Vindt u het goed, de heer Van Rijn, dat ik nu even naar een andere? Kom ik later weer even bij u terug. De heer Sieders. De heer Sieders: Ja, dank u, voorzitter. Ik had ook een vraag voor de heer Brouwer. In de presentatie kwam naar voren dat er 10 van de 15 vertegenwoordigers bereid zijn, omdat de rest, iedereen had een brief gestuurd en iedereen kon dan iemand naar voren schuiven. Mijn vraag is, is nog achter de andere vijf aangegaan of is het gewoon klaar en we gaan door? De heer Brouwer: Ja, we hebben iedere woonwagenbewoner een brief gestuurd dat ze zelf mensen konden aanwijzen. Daarnaast hebben de belangenbehartigers, waarvan mevrouw De Weerd er ook eentje van is, daar hebben we onderling heel veel contact. Dus we hebben ook via hen gevraagd van goh moedig mensen aan om ook aan te melden, maar er zijn ook locaties waar maar twee woonwagens staan bijvoorbeeld en ook locaties waar mensen eigenlijk zelf geen behoefte aan uitbreiding hebben, dus die hebben vanzelfsprekend ook minder behoefte om deel te nemen. In die zin ligt het ook wel voor de hand dat niet iedereen daaraan deelneemt. Gelet op de tijd, de woonwagenbewoners zelf die gaven ook aan van wij willen graag dat het redelijk snel tot stand komt. Dus we hebben het in een behoorlijk korte tijd gedaan.
We hadden natuurlijk meer tijd kunnen nemen en proberen nog meer mensen te bereiken, maar dat was de wens van de woonwagenbewoners om dat ook snel te doen. Ik heb nog wel aangeven ook dat tijdens die gesprekken met de woonwagenbewoners waren eigenlijk alle woonwagenbewoners het grotendeels wel met elkaar eens, dus we hebben ook wel het gevoel dat we een goede vertegenwoordiging van woonwagenbewoners hebben gehad in die zin. De voorzitter: Voldoende? Nog een vraag? De heer Sieders. De heer Sieders: Ja, aanvullende vraag. De mensen die nu, de vijf standplaatsen die dan niet vertegenwoordigd waren, hebben die wel eerder al terugkoppeling gehad over wat er besproken is?
De heer Brouwer: Ja, de mensen die zich hebben aangemeld als vertegenwoordiger die hebben wel een terugkoppeling gehad en die hebben ook de kans gehad om het conceptstuk te lezen van tevoren en daarop te reageren en daarover bijgepraat. Van de andere woonwagen is die hebben nog geen stuk toegestuurd, nee. De voorzitter: Voldoende? Gaan we nu even naar een andere vraagsteller, de heer Bertels. De heer Bertels: Ja, dank u wel. Ik hoorde net van over de aanpak van een groot deel van de standplaatsen dat gaat via de woningcorporaties. Jullie hebben aangegeven van de corporaties zijn met elkaar in gesprek om daar één lijst van te maken. Mijn vraag was dan, want er werd ook gesproken over dat familiebeginsel, wordt dat dan ook toegepast bij die ene lijst? Dat familiebeginsel dat bij ons in de buurt ook, ik heb een buurjongen die komt bij ons van kun je een handtekening zetten want ik wil graag bij mijn ouders blijven wonen en zo hoopt hij dat de woningcorporatie te overtuigen. Maar mijn vraag was gewoon dat ook dan dat familiebeginsel ook één van de criteria is die voor die wachtlijst zal gelden. Mevrouw Tabak: Ja, dat is wel de bedoeling. Wij denken het principe van de wachtlijst is degene die bovenaan staat, die is het eerst aan de beurt, maar in dit geval is dat niet zo.
Je moet echt maatwerk gaan toepassen en kijken naar de locatie en wie staat er dan van die familie het hoogst op de wachtlijst? Zo moet je dat eigenlijk gaan zien. Dus eigenlijk dit beleid staat voor maatwerk en dat is de ongelijkheid van het gelijkheidsbeginsel wat Kees ook al even aangaf in zijn presentatie. Zo moeten we het gaan doen, dus het wordt gewoon maatwerk, overleggen, samen kijken naar hoe we het het beste kunnen invullen. De voorzitter: Voldoende? Gaan we naar mevrouw Van Hien. Mevrouw Van Hien: Ja, dank je wel. Ja, ik denk dat deze vraag aansluit bij de vraag van de heer Bertels, want ik lees in de presentatie dat we het hebben over dat er binnen afzienbare tijd een standplaats komt, hè, voor de mensen, maar wat houdt afzienbare tijd in? Of is dat ook weer maatwerk? Mevrouw Tabak: Die is heel lastig, daar worstelen wij ook mee. Vanmorgen ook mee geworsteld in het college en daar hebben wij ook al eerder over gesproken. Binnen afzienbare tijd dat is het juridisch kader, dus echt de tekst van de wet, maar je moet het woonwagenbeleid, wat we nu doen is we zien het woonwagenbeleid in het totale woonbeleid. Dat was voorheen niet zo. Maar nu zeggen we hebben woonbeleid, daaronder valt woonwagen. Dus net zoals dat we in woningen voorzien, in kavels, in huurwoningen, in nieuwbouwwoningen, gaan we ook voorzien in standplaatsen huur en koop.
Op dit moment weten we ook dat die woningmarkt hopeloos is. Er zit echt ook in Hoogeveen enorme druk op de woningmarkt. Daarom komen we ook met een herziening van de Woonvisie, dus binnen afzienbare tijd moet je zien in zijn totaliteit, binnen de gehele woningmarkt en dan weten wij al dat we het dan niet hebben over dat wij in een jaar tijd, bij wijze van spreken, 15 standplaatsen hebben gerealiseerd. Dat gaat gewoon niet lukken. Ook omdat die hele woningmarkt die staat onder druk en we moeten dus, vooral ook straks in het woonbeleid gaan kijken naar nieuwe locaties voor woningen, maar dus ook voor woonwagens. De voorzitter: Dank u. De heer Meesters. De heer Meesters: Ja, dank u wel, voorzitter. Is er naast de woonbehoefte ook gekeken naar de locatiebehoefte, dus daarmee bedoel ik eigenlijk is er gekeken welke locaties uitgebreid moeten worden, hoeveel op die locaties uitgebreid worden om familie ook bij elkaar te kunnen laten wonen?
De heer Brouwer: Uit het behoeftenonderzoek is daar ook naar gekeken, daar konden mensen aangeven op welke locatie ze het liefste wilden wonen. Daaruit kwam niet een heel duidelijk beeld van welke locatie het om ging. Woonwagenbewoners hebben daar als reactie ook op aangeven van ja, voor een deel komt dat ook omdat sommige mensen denken als ik überhaupt maar een plek krijg, of dat ze er van tevoren al van uitgaan oh op deze locatie is het toch niet mogelijk dus. Dus dat geeft niet echt een heel erg goed beeld. Voor de rest zou je in de verdere uitwerking echt moeten gaan kijken per locatie hoeveel plekken kan ik hier dan bij en wat willen die families dan? Dus dat is eigenlijk een vervolgstap hierop om dat per locatie te gaan bekijken inderdaad. De voorzitter: Tweede vraag? De heer Meesters. De heer Meesters: En een volgende vraag, we hebben nu het inderdaad gehad over de woonwagenbewoners, maar hoe worden over de omwonenden van zo’n woonwagenkamp, we zien in Hollandscheveld, Noordscheschut, diverse locaties waar ook gewoon gewone huizen omheen staan, zeg maar. Zijn die ook betrokken of hoe worden die betrokken bij het draagvlak voor uitbreiding van de locaties? De heer Brouwer: Ja, dat is iets wat waarom we bewust ook in dit beleid nog geen locaties aanwijzen.
Het is belangrijk om die mensen er ook bij te gaan betrekken en dat zal per locatie heel verschillend zijn hoe daar tegenaan wordt gekeken en daarom moet je ook echt eigenlijk net als bij iedere planologische procedure moet je ook omwonenden erbij gaan betrekken en op diezelfde manier zal dat ook hier worden gedaan en dat moet je echt per locatie los gaan bekijken. De voorzitter: Dank u. De heer Oosterlaak en daarna heb ik vragen gezien van de heer Dekker en dan komen we weer terug bij de heren Sieders en Van Rijn. De heer Oosterlaak: Ja, de bestaande woonwagens, daar is de kwaliteit niet altijd even florissant van. Sterker nog, het onderhoud laat nog wel eens te wensen over hadden we begrepen. En daar gaat u over in gesprek met de woningcorporaties en met iedereen, maar kunt u ook iets zeggen over wat daarbij de procedure is van hoe snel dat u verwacht dat daar resultaten bereikt kunnen worden, want het is natuurlijk al een jaar of 10 dat er feitelijk niks aan de bestaande woningen gedaan is door de woningstichting in veel gevallen. Dus het is denk ik wel nodig dat daar een beetje vaart achter komt, maar gaat dat lukken? Mevrouw Tabak: Dat is echt een hele ingewikkelde vraag, omdat de situatie is dat het hier gaat om huurstandplaatsen met koopwoningen.
Die woonwagens zijn destijds overgekocht door de bewoners voor een kleine prijs en daar zie je dus nu dat het onderhoud te wensen overlaat en dat de bewoners geen geld hebben om te investeren. De woningcorporatie zegt ja wij gaan niet investeren in wagens die niet van ons zijn. Dus daar zijn ook al diverse processen over gevoerd, dus dat is een hele ingewikkelde situatie en wij hebben in ieder geval gezegd wij moeten ervoor zorgen dat we die ongelijkheid van die eigen wagen op een huurstandplaats, daar moeten we vanaf. Dat zal ook weer maatwerk worden om te kijken per plek waar je dan bijvoorbeeld, waarbij bewoners dan bijvoorbeeld een standplaats kunnen kopen. Nou, die moeten die mogelijkheid geboden krijgen, maar ook daarvan zien wij dat corporaties daar soms wat anders in staan dan de gemeente, dus die gesprekken die moeten wij voeren en wij moeten daarvan zoveel mogelijk vastleggen in de prestatie-overeenkomsten, in de prestatieafspraken met die corporaties, dus ik vind het heel moeilijk om daar nu concreet een antwoord op geven we zijn erover in gesprek, maar als het gaat om achterstallig onderhoud, het is geen achterstallig onderhoud als het gaat om de huurwagens. Het gaat dan dus om de koopwagens van de mensen, die dus eigenlijk zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen wagen en dit niet kunnen dragen.
De standplaatsen zijn dan wel van de woningcorporaties, dus dat maakt de situatie complex.
De voorzitter: Voldoende? De heer Dekker. De heer Dekker: Ja, dank u wel, voorzitter. Allereerst blij dat er aandacht is voor het woonwagenbeleid. Ik kan mij herinneren, het is niet eens zo lang geleden dat er een Woonvisie in concept aangeleverd werd waar helemaal niet aandacht voor opgenomen was, dus wat dat betreft is het goed dat we het er nu over hebben. Ja, de gemeente, die staan er toe ‘…’, die moeten allemaal diezelfde wet uitvoeren. Wat ik mij afvroeg, ook gelet op de vele familieverbanden is, is er ook contact geweest met andere gemeenten? Ik zeg maar wat, Emmen, ja, gemeenten in de buurt, om eens te kijken hoe die dit vorm gaan geven. En straks ook als je met dat wachtlijstprincipe zit, zeg maar, hoe je dat soort dingen concreet in de praktijk gaat vormgeven. De voorzitter: Mevrouw Tabak. De heer Brouwer. De heer Brouwer: Ja, dat is tweeledig. Ja, er is contact ook met andere gemeenten. We hebben dat behoeftenonderzoek regionaal gedaan. Daaruit kwam wel heel erg duidelijk naar voren dat er niet veel verhuisbewegingen tussen de gemeentes zijn, dus in die zin is daar geen sprake van. We hebben wel gekeken of we natuurlijk van elkaars beleid kunnen leren en dan zien we eigenlijk dat er nog vrij weinig gemeentes zijn die beleid hebben naar aanleiding van dit beleidskader. Dat viel echt tegen.
Er is ook een handreiking gekomen over hoe je hier nou echt praktische handvaten aan moet geven en dat is ook pas, ik geloof een maandje nu beschikbaar, dus er zijn veel gemeentes die daarmee worstelen om te kijken hoe ze daar mee om moeten gaan. Wat er daarbij wel meespeelt is natuurlijk dat wij in de gemeente Hoogeveen veel woonwagenbewoners hebben relatief, er zijn ook gemeentes waar maar vijf standplaatsen zijn bijvoorbeeld. Voor hen is het wat minder complex en wat minder urgent. De voorzitter: Voldoende, heer Dekker? De heer Sieders. De heer Sieders: Ja, dank u wel. Ik had nog vragen over het stukje over de woningmarkt, er was net al gezegd wachtlijsten zijn daar ook lang. De vraag is een beetje ziet de gemeente ook wel het verband dat er dus nu ook heel veel mensen zijn die een woning willen of wonen, die een standplaats zullen krijgen, dat er dus ergens een tekort wordt opgelost? Misschien een druppel op een gloeiende plaat, maar je zet wel iets door. En de andere vraag is wat is het tijdsbestek wat eigenlijk voor uitbreiding staat, voor standplaatsen, ten opzichte van nieuwbouw voor woningen en dergelijke, want het lijkt mij dat dat iets sneller zou kunnen dan normaal gesproken dan dat er nieuwe woningen uit de grond gestampt worden. Maar ik weet dat niet.
Mevrouw Tabak: Ik beantwoord even het eerste deel van de vraag en het tweede deel zal Kees even doen, of tijdsbestek, want ik merk dat ik daar op haak. Volgens mij zijn de procedures hetzelfde, dus dat zou niet heel veel versnelling kunnen inhouden. Help mij even het eerste deel van uw vraag, want dat ben ik nu kwijt. De heer Sieders: Nou, als de gemeente ook ziet dat als mensen die een standplaats willen, die nu nog in een stenen woning wonen, dat dat ook ergens anders een probleem kan oplossen. Mevrouw Tabak: Dat is helemaal wat u zegt, dus daarom is het ook goed dat de woonwagens nu worden ingebed in het woonbeleid, want daar waar je inderdaad de standplaats creëert en de mensen die, zoals mevrouw Van de Weerd beschreef nu gedwongen wonen, naar een standplaats kunnen, dan heb je dus ook een woning vrij en brengt dat weer beweging in die gehele woonmarkt. Dus je moet het echt bezien in zijn totaliteit. Die hele woningmarkt, ook woonwagenbewoners maken deel uit van de woningmarkt. De voorzitter: Voldoende, heer Sieders? En nu komt de heer Brouwer.
De heer Brouwer: Over het tijdsbestek, in principe geldt een planologische procedure, je moet de bestemmingsplanprocedure volgen en dat duurt in principe net zo lang als bij een reguliere woning. Nu biedt de wet wel mogelijkheid om tijdelijk een bestemming te wijzigen, heb je een kruimelprocedure waar acht weken de tijd voor staat en dan mag je 10 jaar lang afwijken van de oorspronkelijke bestemming. Dat zou je bij uitstek ook kunnen gebruiken voor woonwagens, omdat ze in die zin niet verbonden zijn met de grond, maar daarvoor geven de woonwagenbewoners dus zelf grotendeels aan dat een tijdelijke locatie lang niet altijd gewenst is omdat de woonwagens in de praktijk toch wel moeilijk te verplaatsen zijn, dus dan zit je vast aan dezelfde procedure die even lang duurt. En dan de bouw van een woning duurt natuurlijk wel lang, maar op woonwagens zit ook een lange levertijd. Eén van de grootste woonwagenbouwers geeft aan dat het over het algemeen wel een jaar duurt voordat een woonwagen ook daadwerkelijk klaar is, dus in die zin duren die procedures allebei lang. De voorzitter: Extra vraag, heer Sieders? De heer Sieders: Ja. Nee, extra vraag is even op de kruimelprocedure. Ja, ongewenst inderdaad dat uiteindelijk de wagens weer verplaatst moeten worden, maar het is toch ook zo met kruimelprocedures dat je ze ook kunt omzetten in de gewone procedure in de tijd dat dat loopt.