Transcript Gemeenteraad Hoogeveen 12.09.2024
Tekst van het document
Gemeentebelangen is van mening dat de GKB een belangrijke rol speelt in het bieden van financiële ondersteuning aan de inwoners die in financiële problemen verkeren. Gemeentebelangen pleit ervoor dat de GKB toegankelijk moet zijn voor mensen die tijdelijk in de problemen zitten, zodat ze weer op eigen benen kunnen staan. Het doel is om de mensen te helpen bij het oplossen van hun financiële problemen en hen te ondersteunen in hun weg naar financiële zelfstandigheid. Een belangrijke voorwaarde voor de succesvolle verzelfstandiging is dat zoveel mogelijk gemeenten deelnemen aan de stichting, zodat deze financieel gezond kan blijven en kan voldoen aan aanbestedingsregels. We hebben de volgende vragen aan de wethouder. Wat is de huidige stand van zaken van het aantal benodigde deelnemende gemeenten? En dat kan met een gesloten antwoord. Is dat voldoende of onvoldoende, voordat straks ik word teruggefloten door de voorzitter. De voorzitter: Heel goed. De heer Walda: En verder, acht het college of acht de wethouder in ieder geval voldoende tijd, resterend nog aan 1 januari 2022? Het is een complex proces. En het moet wel zorgvuldig worden afgehandeld. Dat zijn de enige twee vragen. Ons standpunt. Wij zijn van mening dat de huidige situatie niet eerlijk is voor alle inwoners en bedrijven binnen de gemeente, die indirect de geleden verliezen hebben betaald. En daarom
hebben wij behoefte aan een structurele oplossing, die recht doet aan de belangen van alle betrokkenen. Gemeentebelangen is van mening dat met de gekozen richting een structurele oplossing is gevonden. En uitstel is voor ons geen optie meer. De tijd voor actie is nu aangebroken. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. En dan heeft u ook geen debatpunten meer verder, heb ik vernomen. Helemaal goed. Dan mevrouw Schonewille. Mevrouw Schonewille: Dank u wel, voorzitter. Voor ligt vooralsnog het sluitstuk rondom de GKB. Voor de PvdA al jarenlang een zeer belangrijk onderwerp. Schuldhulpverlening moet wat ons betreft per definitie op juiste wijze georganiseerd worden. De mensen die hiermee te maken hebben, hebben dat immers niet voor niets. Zij zijn in grote problemen terechtgekomen, vaak althans. En hebben dan ook een stabiele factor nodig om deze problemen weer te helpen oplossen. De GKB is echter in de afgelopen jaren ook in grote problemen terechtgekomen. Jaar na jaar zagen we negatieve cijfers voorbijkomen. Het baarde de Partij van de Arbeid niet alleen zorgen dat de organisatie niet juist functioneerde, personeel daar onder leed en er steeds geld bij moest, wat negatieve effecten had op onze eigen begroting. De Partij van de Arbeid zag vooral een risico in het kunnen blijven bieden van consistente en adequate schuldhulpverlening.
Dat er iets moest veranderen, is wat ons betreft dan ook niet meer dan logisch. Dat kon gezien de juridische situatie natuurlijk ook niet anders. Maar dat maakt het voor ons meteen wel direct lastig. Gevoelsmatig ligt voor ons nu de beste van de slechtste opties voor. Ook een stichting brengt immers nog financiële risico's voor de gemeente met zich mee. En daarnaast, dat vinden we ook echt wel een belangrijk punt, is er weinig mogelijkheid op bijsturing wanneer zaken niet goed verlopen voor de gemeenteraad. Iets wat we echt wel graag anders zouden willen zien. We zouden hier dan ook iets kunnen noemen over dat dit voorstel dat eigenlijk ook al laat zien. Eigenlijk hebben we hier geen echte keuze over hoe de GKB er verder uit moet komen te zien. En dienen we in te stemmen met dat wat voorligt. Tevens zijn er wat ons betreft ook nog grote vraagtekens, en Gemeentebelangen haalde dat net ook al aan, over de haalbaarheid en het tijdspad en in hoeverre dat realistisch is. Daarnaast rijst bij ons ook nog wel de vraag, zijn de andere opties wel echt voldoende onderzocht en goed serieus genomen? Anderzijds, en dat is voor ons wel echt het allergrootste belang, op deze wijze verandert er mogelijk het minst aan het bieden van de hulp waar de cliënten al jaren grotendeels tevreden over zijn.
De zorg wordt niet uitbesteed aan commerciële partijen, die schuldhulpverlening ondertussen steeds meer als verdienmodel lijken te zien. Wat de Partij van de Arbeid betreft, alles behalve de intentie van schuldhulpverlening. Met het belang van de juiste zorg voor de mens voorop, denken we dan ook dat de kans aannemelijk is dat we geen zienswijzen zullen indienen. Wat ons betreft nemen we snel een besluit, zodat er duidelijkheid volgt voor iedereen die betrokken is. Echter, we zijn wel benieuwd naar wat de andere fracties hiervan vinden. En hebben ook nog niet een compleet vaststaand oordeel hierover geveld. Wat dat betreft gaan we het debat graag aan. Maar we hebben geen specifieke punten voor het debat zelf. De voorzitter: Dank u wel. Dat gaan we zo in het tweede gedeelte doen. Kan ik u dan wel de beurt geven om uw betoog te houden? De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Een Kredietbank, zoals de GKB, is gewoon nodig voor onze hulp in de schuldhulpverlening. Daar zijn we altijd al van overtuigd geweest. De hele misère dat dat telkens financieel, heeft ten dele te maken met dat niet genoeg DGO-gemeenten op een gegeven moment meededen of werk elders lieten uitvoeren. Maar één ding moet me toch wel even van het hart. Ze hebben ook hele verkeerde software aangeschaft. Dat heeft heel veel geld gekost en heel veel inspanning.
En dat geef ik wel even als aandachtspuntje hier op tafel, het is niet alleen maar doordat er te weinig werk was, maar ook mede daardoor. Wat mij echt een beetje verbaasde, maar het kan, dat een stichting ook een bankstatus kan
hebben. Ik denk, het staat erin, het kan. Maar dat verbaasde mij echt. Want ik kan me niet anders voorstellen dat er banken zijn die een stichting zijn. Maar het zal zo. Wat mij ook opviel dat er staat in die voorlopige akte, dat een stichting geen winstoogmerk heeft. En dan kom ik ook even op wat de PvdA zei, en dat vinden wij ook heel goed natuurlijk, want waarom zouden wij hier winst moeten maken? Maar als we dan gewoon even de voorlopige balans... En dan zie dat er toch eigenlijk wel een positief saldo openstaat. En dan zegt de wet dat als een stichting toch winst maakt, dan moet het aan goede doelen besteed worden. Maar daar heb ik eigenlijk helemaal niks in de stukken van de notaris of wat... Als er wel winst zou gemaakt worden, dat het aan goede doelen besteed is. Misschien kan dat even als aandachtspuntje voor het college zijn. En voorzitter, wij hadden het graag allemaal anders gezien met deze GKB. Maar het is nu voor en ik denk dat dit de beste optie is. De SGP zal toch uiteindelijk wel instemmen. Dank u wel. Ik heb ook geen punten voor het debat. De voorzitter: Helemaal goed. Dank u wel. Dan mevrouw Koekoek, CDA. Mevrouw Koekoek: Voorzitter, dank. Het leven van een raadslid kan soms heel simpel zijn, want dan weet je gewoon wat een standpunt is. En u kent mij een beetje, ik kan soms uitgesproken zijn in mijn standpunten.
Maar als het gaat om het voorstel rondom de GKB, dan worstel ik. En ik merk dat ik nog nooit zo expliciet geworsteld heb met een voorstel als deze, in de periode dat ik in de raad zit van Hoogeveen. We zijn in het verleden kritisch geweest op dit proces, en ook op de GKB. Wij onderschrijven uiteraard dat de financiële problemen opgelost moeten worden. Daar is gewoon geen misverstand over. Maar wat ik ook weleens in het verleden heb gezegd van, we runnen geen bedrijf, als het gaat om de GKB. We runnen een samenleving. Zelfs dat kunnen we niet. Want wij geloven niet in de maakbaarheid van de samenleving. Het gaat tenslotte om kwetsbare inwoners. En dan is ook de vraag, hoe moet je je zorg gaan organiseren met elkaar? Moet je dat juist dichtbij houden of moet je dat aan de markt overlaten, et cetera? En daarmee kom ik ook een beetje bij mijn tweede dilemma. We hebben als raad eigenlijk nooit een principieel besluit genomen over de toekomst van de GKB. Het was eigenlijk al een voorgenomen besluit van, het moet gewoon afgestoten worden. Terwijl de vraag die eronder ligt, hoe zien wij die zorg rondom deze kwetsbare inwoners, is nooit fundamenteel beantwoord. En daar wringt het wat mij betreft nu echt richting het einde van dit proces. Want ik heb het gevoel, wij hebben het gevoel dat we moeten tekenen bij het kruisje.
En het CDA heeft in het verleden ook gepleit voor, principiële keuzes zijn aan de raad, ook als het gaat om de GKB. We hebben ook gepleit in zienswijzen, kom met een derde weg als het ware. Onderzoek de mogelijkheden om de zorg rondom schuldhulpverlening in eigen beheer te doen. Daar is ook een worsteling van. We kunnen heel bedrijfseconomisch kijken naar dit voorstel. We kunnen principieel kijken. Maar dat blijft een worsteling. Daarnaast is ook een worsteling van de sturing. De Partij van de Arbeid gaf het al aan, de rol en positie van de raad. In de huidige situatie is er sprake van een gemeenschappelijke regeling. Dat is gewoon ook een draak van een wetgeving. Maar een en ander is wel vastgelegd in de Wet gemeenschappelijke regeling. En nu gaan we over van het publiekrecht naar privaatrecht. En er is gewoon niks vastgelegd over de positie van de raad. Hoe kunnen wij controle uitoefenen? Hoe kunnen we bijsturen? We kunnen bijsturen door middel van beleid. Maar dat doen we eens in de zoveel tijd. Het lijkt erop dat we nog meer op afstand komen te staan. En het gaat wel om zorg voor zeer kwetsbare inwoners. En schulden raakt ons allemaal. We kunnen namelijk allemaal in de schulden komen. En schuldenproblematiek is ook een groot probleem in Hoogeveen. We hebben het wel ergens over. En op die drie punten worstelen we als CDA.
En dat betekent ook dat we nog geen definitief standpunt hebben ingenomen. En dat zal ook de komende twee weken nog wel een worsteling blijven hoe wij gaan stemmen. Ik sluit ook niet uit dat wij toch een zienswijze gaan indienen, om in ieder geval onze zorgen kenbaar te maken aan het bestuur van de huidige GKB. En de zorgen zit hem rondom de governance, de sturing, maar ook als het gaat om termen, zoals commerciële tarieven, commerciële activiteiten, in relatie tot winst, in relatie tot de doelstelling van de stichting. Kortom, we zijn er nog niet over
uit. En wat de Partij van de Arbeid ook al aangaf, het is de minst slechtst variant van de varianten die zijn voorgesteld. We zijn er nog niet uit. Daar wilde ik het bij laten. De voorzitter: Geen debatpunten dan? Mevrouw Koekoek: Ik denk dat er nog genoeg te debatteren is straks, maar geen specifieke debatpunten. Ik ben wel benieuwd hoe de rest van de raad staat tegen al dan niet een zienswijze in te dienen. De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Kleine, Forum voor Democratie. De heer Kleine: Dank u wel, voorzitter. Als het over schulden gaat, dan is er gauw de neiging natuurlijk om dat wat groter te trekken. En dan kom je een beetje uit op de werking van het fiatsysteem. Maar daar hebben we nu geen tijd voor. Dit is ook een zakelijke kant, in die zin een uitwerking van het systeem wat er nu eenmaal is. In principe, alles wat er over geld wordt gezegd, is natuurlijk een schuld aan de ene kant. Aan de andere kant hoor ik een paar keer zeggen van, de mensen die in de schulden zitten, dat zijn dan slachtoffers. En die moet je dan een beetje een soort... Alsof dat allemaal overkomen is en niemand kan er wat aan doen, en die kant. En ik hoop dat ik dat chargeer hoor. Ik bedoel, ik moet er wel voor waken, of we, bij dat soort dingen, het is ook een zakelijke aangelegenheid.
En op kosten van de samenleving dan maar zo iedereen helpen die in de schulden komt, met het gegeven dat nu wat voorligt, de afstand tot een toetsing op de werking van die stichting alleen maar groter wordt, dat roept bij ons nog wel vraagtekens op. Tot besluit, we hebben de stukken doorgenomen. We zijn er nog niet over uit. En we hebben geen punten voor debat. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Van der Meer, GroenLinks. De heer Van der Meer: Voorzitter, dank u wel. Wij zijn als raad, als fracties al heel lang meegenomen in de situatie rondom de GKB. En we weten allemaal hoe de historie van de GKB eruitziet. En die is weinig veelbelovend geweest. En misschien krijgen ook sprekers vanavond wel gelijk als ze zeggen dat dit de minst slechte oplossing is die nu voorligt. Ik durf het eerlijk gezegd niet te zeggen. Want ik ben wel heel blij dat we het pad van een commerciële aanbieding in een markt hebben losgelaten. En dat vind ik al pure winst. In die zin ben ik wel geneigd om de stichting vooral het voordeel van de twijfel te geven, hoe klein dat voordeel misschien ook is. En dat doen we, wat mij betreft, in het belang van onze inwoners van Hoogeveen. Ik zal niet zo ver gaan dat ik zeg dat schuldhulpverlening een recht is.
Maar het is wel een recht dat je als inwoner weet waar je terecht kunt en dat je in ieder geval weet dat de gemeente zijn verantwoordelijkheid neemt op het moment dat er sprake is van grote schuldenproblematiek. Want laten we hierbij ook niet vergeten dat op het moment dat je bij die GKB terechtkomt, de schulden vaak al torenhoog zijn en ook niet meer op een andere manier zijn op te lossen. Ik pleit er ook voor om vooral dat in het oog te houden. En natuurlijk is het een avontuur wat we opnieuw aangaan. Natuurlijk zijn er vragen, ook bij mij. Want hoe zit het precies als het gaat om de stichtingsvorm en de dienstverleningsovereenkomst? Zijn nu zo meteen de nemers van die dienstverleningsovereenkomst ook medeverantwoordelijk voor het resultaat van de stichting? En hebben we daarmee in ieder geval bereikt dat we niet langer als Hoogeveen, Meppel en Assen staan voor eventuele tekorten of wat er ook maar speelt? De OR is al even aangehaald. Die heeft vorige week volgens mij ook nog een artikel in de krant gezet, waar ze hun zorg hebben uitgesproken over het vervolg. Daar gaan we zeker als raad niet over. Maar ik zou de bestuurder wel op willen roepen om dat vooral heel serieus te nemen en met medewerkers in gesprek te blijven via die OR. En hoe sturen we bij? Een terechte vraag volgens mij, die ook in het kader van een GR niet heel eenvoudig is.
Want hoe stuur je dan? Je dient een zienswijze in. En vervolgens wacht je af wat het bestuur er wel of niet mee doet. Ook nu, en misschien is dat nog een punt voor debat of in ieder geval het gesprek daarover, zou het helpen om bijvoorbeeld toch een soort van evaluatieperiode met
elkaar af te spreken waarbij je zegt van, laten we de thermometer er nog eens insteken met elkaar. Dat wat GroenLinks betreft. Wel de vraag van, klopt wat ik denk overgehouden te hebben vanuit de toelichting die de notaris gaf tijdens de informatieronde, dat de dienstverleningsgemeenten of de gemeenten met een dienstverleningsovereenkomst medeverantwoordelijk zijn voor het resultaat zo meteen? En in dat licht ook van, we hebben in de bijlage een begroting gezien, een drietal begrotingen zelfs van 100 procent, 75 procent en met 10 procent korting. Hoe relevant is nu bijvoorbeeld zo'n begroting met 10 procent korting nog, als we weten dat DVO-gemeenten medeverantwoordelijk zijn voor het resultaat? Moet je dan nog gaan voor zo'n kortingsregeling? Dat zijn de vragen die ik heb. En de evaluatie hoor ik ook graag van de andere fracties. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik eerst naar de heer Baalman van de SP. De heer Baalman: Dank u wel, voorzitter. We zijn natuurlijk heel uitgebreid geïnformeerd. En dat er wat moet gebeuren, dat weten wij ook allemaal. Maar we maken ons nog best wel wat zorgen. We hebben een heel uitgebreid gesprek gehad met de OR. En daar hebben wij niks mee te maken. Maar de OR heeft wel de voelsprieten in het bedrijf waar ze mee werken nu en de stichting waar ze straks mee moeten gaan functioneren. En die maken zich grote zorgen.
Eén van de grote zorgen is van, de OR moet nog een uitspraak doen. Worden pas op advies gevraagd in oktober. Is dat niet een beetje laat? Hebben wij daarmee te maken? Misschien niet. Maar het is wel heel belangrijk in het proces, denk ik, dat het OR ook meegenomen moet worden. Verder maakt zij zich zorgen over het eigen vermogen. Het vermogen van een stichting is heel laag. Maar die hebben wel behoorlijk nieuwe kosten. Moeten nieuwe panden huren. Moet ingericht worden. Personeel moet betaald worden. En is dan de solvabiliteit van eind 2025 van 1,3 procent nog wel een levensvatbaar iets? Daar maakt zij zich grote zorgen over. En wij ook. Want als de OR zich al zorgen daarover maakt en wij ook, hoe gaat het straks met de cliënten die daar zijn en misschien wel weer eens een keer van het kastje naar de muur gestuurd worden? Terwijl er schulden zijn. Is sowieso al niet leuk. En het geeft heel veel stress. De OR en ook wij vinden dat het een trein is die met een grote vaart rijdt. We hebben maar een half jaartje meer. Nog niet eens. Maar lang nog niet alle lichten staan op groen.
Moeten niet eerst al die lichten op groen staan voordat we zeggen van, we gaan over naar een stichting? Want waar gooien we ons nu bij in? In het debat wil ik graag hebben van, vinden wij ook niet dat het te snel gaat? Vinden wij dat we moeten wachten op het advies van de OR? De solvabiliteit van 1,3 procent, is die niet veel te laag? Want als de stichting straks failliet gaat, en dan? Laten we dan onze cliënten donderen of moeten ze dan alsnog naar de commerciële? We zijn er nog niet helemaal over uit wat we moeten. Er moet wat gebeuren, maar of het op deze manier en zo snel moet gaan, dat is voor ons nog niet helemaal duidelijk. De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik nu naar de heer Klok van de VVD. De heer Klok: Dank u wel, voorzitter. Een lastig onderwerp, want de GKB is er voor inwoners die schulden hebben. Die moeten uiteindelijk de basis weer op orde krijgen. Maar eigenlijk de vraag is vanavond, hoe krijgen we die basis op orde voor de GKB? En daar worstelen wij nogal mee. Dat rijmpje was niet zo bedoeld, maar het kwam mooi uit. Er is al heel veel gezegd, maar ik zou graag nog op twee punten nader in willen gaan. En allereerst is dat bijvoorbeeld de begroting. Hoe realistisch is de begroting van de stichting die is geschetst? Want ik zou er graag drie uit willen lichten. Bijvoorbeeld de ziekte gaat in 1 jaar van 7,9 procent naar 4,76 procent.
De inhuur gaat van 10,44 na 3,34 fte. En de huisvestingskosten gaan van 332.000 euro per jaar naar 227.000 euro per jaar. Weet je, ik ken het fijne er niet van, maar wat ik zie, is dat er naar mijn idee heel positief wordt begroot. Mijn vraag aan het college is, wat is de reflectie van het college hierop? En daarna ook richting de raad. Hoe kijkt de raad hiernaar? Hoe moeten wij begroten? Moeten wij een reserve
bijvoorbeeld hiervoor opnemen, om eventuele tegenvallers op te vangen met betrekking tot die begroting van de GKB? En het tweede is, dat is ook wel vaker genoemd, stichting slash GR, wat is de beste manier om deze schuldhulpverlening te organiseren? Graag zou ik de vraag richting het college om willen draaien. En ik zou hem zo min mogelijk technisch willen vragen. En dat is eigenlijk van, reflectie van het college, wanneer zou het college een GR adviseren? Want in mijn ogen is deze GKB juist voor de schuldhulpverlening juist een voorbeeld die heel mooi GR zou passen. Alleen dan is het argument van het college dat het juridisch afgedicht is, maar met betrekking tot die 80 procent van de omzet. Alleen dan hebben we bijvoorbeeld ook andere GRen die daarmee worstelen, zoals Stark. Weet je, hoe reflecteert het college daar dan op? Dat zijn eigenlijk mijn 2 toevoegingen. En voor de rest sluit ik me aan bij de rest. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan sluiten we af met de heer Verstegen. Gaat uw gang. De heer Verstegen: Ik zal het wat kort doen en ook wat positief, om mee af te sluiten. De meeste vragen en kritische geluiden zijn nu wel genoemd. Die laat ik eruit. Dan is de ChristenUnie eigenlijk best positief over dit voorliggende plan. Het was duidelijk dat voorgaande en bestaande constructie niet meer mogelijk was.
We zijn blij met de nieuwe weg en nieuwe organisatievorm in de stichting. Een stichting waarin gemeenten lid zijn. Daarmee ook een grote zeggenschap hebben als lid zijnde. Bevestigd met een deelnemersovereenkomst voor drie jaar, geeft een zekere continuïteit. En wat ons betreft had die termijn best wel wat langer gemogen. Maar drie jaar zal voor iedereen acceptabel zijn. De jaarlijks vast te stellen uitvoeringsovereenkomst geeft houvast aan de organisatie. De verwachting is dat daardoor ook de financiële verrassingen voor de gemeente beperkt zullen blijven. Niet dat het direct goedkoper wordt, maar wel realistisch om op te nemen in een begroting. We vinden het belangrijk dat de belangen van de mensen met schulden, die nu door de GKB geholpen worden, voortgezet kunnen worden. En naar ons inzicht lijkt dat voldoende gewaarborgd. Daarmee is ons voorlopig standpunt positief. Wij gaan instemmen. De voorzitter: Dank u wel. U heeft uw microfoon nog aan. Kunt u die even uitzetten? De heer Verstegen: Ja. De voorzitter: Helemaal goed. Ik denk dat van tevoren de wethouders dachten naar het duidelijke verhaal van de notaris, naar het uitgebreide verhaal, dat er misschien niet zo heel veel reacties er nog op kwamen, maar blijkbaar is er nog wel veel onduidelijk. Ik wil eigenlijk het woord geven aan de heer Westendorp voor de beantwoording.
De heer Westendorp: Voorzitter, ik zal beginnen namens het college. En dan zal de heer Reneman ook een aantal vragen, die nog zijn gesteld door de raad, proberen te beantwoorden. Maar ik wilde ook een paar algemene opmerkingen maken en dan echt naar de vragen gaan. Die algemene opmerking zit hem eigenlijk in dat de hele raad wel de zorg voor onze kwetsbare inwoners deelt. En dat proef ik ook. We zien hier ook dat we de wet gewoon moeten uitvoeren, de Wet op de gemeentelijke schuldhulpverlening, zoals ook is vastgesteld in ons beleidsplan. En ons beleidsplan heeft u vorig jaar vastgesteld. Daar staan ook de principiële keuzes in over hoe we onze inwoners willen helpen. In die zin heeft u die keuzes ook daadwerkelijk hier samen met elkaar gemaakt. En daar staat ook in dat wij zoveel mogelijk zelf met het voorliggende veld willen oplossen, om uiteindelijk de tweedelijns schuldhulpverlening, die door een specialistische organisatie wordt uitgevoerd, willen voorkomen. Want je wil eigenlijk niet dat je uiteindelijk naar een saneringskrediet toe zou moeten. En daar hoort ook bij dat u de keuze heeft gemaakt om zoveel mogelijk in eigen beheer te doen. Dat hebben we ook onderzocht. Ik weet nog dat mevrouw Jansen ook nadrukkelijk heeft gevraagd bij een informatieavond van het college van, kunt u nog eens even nadere toelichting geven over die scenario 1 en
scenario 2, wat er wel kan en wat het niet kan? Dat hebben we ook uitgebreid beschreven, wat er wel kan en wat er niet kan. We leggen u niet een hoepeltje voor waar u door moet springen. Het is eigenlijk de uitkomst van een heel proces, dat we samen met u hebben doorlopen. En hopelijk ook met de juiste informatie. Feit blijft wel dat dit zo'n belangrijk besluit is dat we juist nu ook, vanuit onze Nota Samenwerkingsverbanden, u moeten vragen om uw wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Nu is ook het moment om u uit te spreken. En ik hoor ook verschillende fracties eigenlijk wel zeggen, we vinden dit de minst slechte keuze. Oftewel, we willen vooruit en we willen deze stap zetten. Dan ga ik in op de vragen die zijn gesteld. En dan zal de heer Reneman mij denk ik aanvullen. Op dit moment hebben negen van de elf DVO-gemeenten een zogenaamde intentieovereenkomst getekend. Twee nog niet. Maar ze zijn wel alle elf bezig met voorbereiding van de besluitvorming in hun colleges, om uiteindelijk een keuze te maken. Nogmaals, een intentie is geen besluit dat je uiteindelijk definitief mee kan doen. En dat werkt ook weer door natuurlijk. Die heeft u ook gezien in die begrotingen. Want we houden misschien wel rekening met het feit dat er één niet meedoet. En daar moet je op kunnen schakelen. En dat is denk ik ook precies wat het bestuur aan u voorlegt, met de verschillende begrotingen.
Misschien eens goed om dat bij de volgende vraag vast te pakken. Hoe zit dat met die verschillende begrotingen? Wij moeten u een begroting voorleggen als de GR nog gewoon blijft bestaan. Dat wil zeggen, als de stichting er niet komt. U leest ook daarin de lijn die we tot nu toe hebben gehanteerd in die begroting, namelijk tien procent korting. Maar we gaan ervan uit dat we met alle DVOgemeenten, met zijn veertienen, in de stichting op dezelfde manier behandeld willen worden. En dan ook gezamenlijk dezelfde afspraken hebben en geen korting meer hebben. Dat is ook de reden waarom er toch wel verschil zit in die begroting. En dat is ook de reden waarom wij denken nog, even ingaand op de vraag van de VVD, uiteindelijk uit gaan komen tot een financieel robuustere organisatie. De tarieven zijn verhoogd. De kosten van inhuur gaan door deze duidelijkheid omlaag. Want de directeur is nu in staat om vaste contracten te geven en niet alleen maar inhuur te doen met die zaken. En die korting gaat eraf. Dat zijn drie beheersmaatregelen die we treffen, om uiteindelijk tot een veel robuustere organisatie en een financieel gezondere organisatie te komen. Daarom vinden wij ook dat de begroting die voorligt een realistische begroting is.
U heeft verder nog gevraagd, hoe zit het precies met het eigen vermogen? Het eigen vermogen dat wordt voorgesteld ook aan u, of althans om daar nog wat van te vinden, om mee te geven aan de nieuwe stichting, is gebaseerd op de omzet. Het is namelijk tien procent van de omzet. In veel meer constructies zien we dezelfde constructie terug. Dat is de reden hoe we op dat bedrag zijn uitgekomen. En dan tot slot, en dan neemt de heer Reneman de andere vragen nog vast, wanneer zouden wij een GR adviseren? U draait hem eigenlijk om. Laat ik zo zeggen, en dat weet u, dat kunt u ook lezen uit de stukken, we hebben geprobeerd om de GR te behouden. Dat was geen begaanbaar scenario, want de andere gemeenten wilden niet instappen. Een heel proces doorlopen. Maar wanneer zou je wel een GR adviseren? Dat is als je een robuuste organisatie kunt bouwen, die goede dienstverlening aan je inwoners biedt, die specialistisch is, die je zelf niet kunt organiseren en die in gezamenlijkheid veel efficiënter te organiseren is dan alleen. Dat is hier ook aan de hand. We kunnen dat met veertien gemeenten beter organiseren dan met drie of met vijf gemeenten. Want je hebt een bepaalde specialistische kennis nodig en je hebt een robuuste organisatie nodig. Voorzitter, dat was mijn deel van de vragen. Ik geef het woord graag aan mijn collega. De voorzitter: Dan gaan we naar wethouder Reneman. Gaat uw gang.
De heer Reneman: Dank u wel, voorzitter. Ik wilde even ingaan op de vragen van de raad over de huidige verhouding tussen de gemeenteraad en de GR aan de ene kant en de toekomstige verhouding van de raad met de stichting. Een aantal van u worstelt ermee. Een aantal van u heeft daar bedenkingen bij. En de suggestie van de heer Van der Meer hadden wij eigenlijk ook al voorbereid. Het lijkt ons goed als we met de gemeenteraad van Hoogeveen, ik denk over een jaar of drie, het zou dan in een nieuwe raadsperiode moeten
zijn, als die nieuwe raad een tijdje heeft gewerkt met die stichting, ook een keertje de vraag stellen, vinden we dat de raadsinvloed nu voldoende is op dit terrein of niet? Ik denk dat we gewoon dat moeten doen met elkaar. Een goede evaluatie daarvan moeten maken. En dat zeg ik niet om u met een kluitje in het riet te sturen. Want we hebben in het traject hiernaartoe als bestuur, maar ook als college van Hoogeveen serieus gekeken of we de raad zouden kunnen helpen en heel veel duidelijkheid zouden kunnen verschaffen over, wat is de rol in de Wgr-constructie en wat wordt de rol straks in de stichting? We hebben die notaris gehad die hier informatie heeft gegeven. Er zit ook nog een memo bij de stukken, omdat nog een keer voor u uit te spellen. Ik denk dat voor een deel de zorgen die u daarover heeft ook gewoon is, omdat we met elkaar moeten ervaren wat het betekent om zo'n stichting te hebben. U kan in alle gevallen de leden van het bestuur die in het college zitten, aanspreken op de mate waarin u als raad u in positie voelt zijn. Dat kan u altijd doen. En we kunnen het ook nog expliciet met elkaar afspreken. En ik hoop dat dat een beetje de kou uit de lucht neemt en de worsteling die dat heeft. Er zijn nog wat vragen gesteld over de principiële keuzes die hieronder zitten.
Net ook al zei mijn collega van, een Wgr, wanneer zou je dat aanbevelen? De bottom line hier is echt, kunnen we met al die gemeenten samen iets verzinnen waardoor we nog steeds samen kunnen werken? En als dat een Wgr was geweest of een GR was geweest, dan hadden we dat gewoon gedaan. En als dat niet zo is dan... Nu is het een stichting. Voorzitter, dat was het. De voorzitter: Dan nog de vraag aan de heer Reneman, doet u dan ook een toezegging op die evaluatieperiode? Kunnen we dat zo noteren? De heer Reneman: Ik weet niet, misschien is het goed om even een ronde erover te maken. Maar wij vinden het een goed idee. Als de raad het ook een goed idee vindt straks en iedereen knikt, dan gaan we dat natuurlijk gewoon doen. En dan gaan we dat vormgeven. Dan wordt het een toezegging, voorzitter. De voorzitter: Helemaal goed. Dan wethouder Westendorp nog met een aanvulling. De heer Westendorp: Voorzitter, ik heb de zorg die de heer Walda heeft geuit over de planning niet goed vastgepakt. Excuus. En ik las het nog even na. Ik dacht, ik steek mijn hand nog even op. Fijn dat in deze planning van u in elk geval, dat ik hier nog even op kan acteren. Het klopt. En de heer Baalman geeft dat ook aan, dat er een strak tijdschema wordt voorgesteld. Het bestuur heeft vandaag nog opnieuw gesproken met de directeur over die planning en ook over de relatie met de OR. Eerst over die planning.
Tot nu toe hebben we alle zaken in die planning gehaald. Twee, het bestuur wordt continu bevraagd over, hoever zijn we en is het een realistische planning? Wij hebben op dit moment geen reden om van de planning af te wijken, want we willen toe naar een deadline die uiteindelijk ook wordt gerealiseerd, om juist die duidelijkheid ook te bieden naar alle deelnemers, naar alle GR-gemeenten, maar ook juist naar de medewerkers. Daar gaat onze zorg ook echt naar uit. Daarom zijn we ook op dit scenario uitgekomen en niet op het scenario aanbesteden en iedereen moet zijn gang maar gaan. Want dat was helemaal niet meer zorgen voor de medewerkers. Er zijn bijna werkelijk bijeenkomsten tussen de directeur en de OR, waar ook af en toe leden van het bestuur bij aansluiten, om die zorgen echt te uiten. Tegelijkertijd moet ik zeggen, de sfeer is kritisch, want ik heb vandaag nog gevraagd naar de sfeer, maar is ook heel erg constructief. Zo hebben we vandaag nog een positief advies ontvangen van de OR op de oprichting van een stichting. Want je moet in de tussentijd ook nog een stichting inrichten. De zorgen begrijpen wij. En de OR is ook denk ik goed bezig om toch een heel aantal vragen te stellen die gaan over het belang van de medewerker. Tegelijkertijd hebben wij als bestuur niet het idee dat de WOR-bestuurder de zorgen niet goed kan invullen die er zijn.
Dat wilde ik nog even meegeven, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie nog de hand opgestoken worden door de heer Walda. Gaat uw gang.
De heer Walda: Dank u wel, voorzitter. Ik ben een beetje in verwarring gebracht door de woorden van de wethouder. Want in eerste instantie werd er gezegd negen van de elf doen mee. We kunnen allemaal tellen. Maar later zei de wethouder, veertien gemeenten. Is dat illustratief of is dat een aantal? Daar ben ik wat door in de war geraakt. En ik kan me ook herinneren dat een lange tijd terug ook al de score van negen van de elf werd gegeven. Zit daar geen voortgang in? De voorzitter: Wethouder Westendorp. De heer Westendorp: Excuus als de cijfers bij u tot verwarring hebben geleid. Laat me het proberen nog duidelijk uit te leggen. En als het dan nog niet duidelijk is, dan hoor ik het wel, denk ik, voorzitter. Negen van de elf gemeenten hebben een intentieovereenkomst gesloten. Daarvoor hebben ze een collegebesluit genomen. Alle elf DVO-gemeenten zijn op dit moment aan het voorbereiden om een keuze te maken, definitieve keuze, of ze wel of niet meedoen. Dat zou ook nog betekenen dat die twee gewoon die keuze wel gaan maken. Ze hebben alleen niet een besluit genomen om een intentieovereenkomst te sluiten. Hadden ze trouwens hun redenen voor, maar dat kunnen we na de vergadering nog wel even toelichten. En plus de drie bestaande GR-gemeenten maakt veertien gemeenten die samen de stichting willen vormen. Ik hoop dat mijn rekensom klopt en duidelijk genoeg was.
De voorzitter: In ieder geval voor mij was het wel duidelijk. De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Voorzitter, ik had nog een vraag gesteld. Als er winst gemaakt wordt in een stichting, moet het volgens de wet aan goede doelen besteed worden. Maar ik kon er nergens iets voor opgenomen vinden in de akte of zo. Ik denk, is dat overgeslagen of gaan we gewoon van tevoren ervan uit dat we echt nooit geen winst gaan maken? Dat was even mijn vraag. De voorzitter: De heer Reneman. De heer Reneman: Voorzitter, dank u wel. Een positief bedrijfsresultaat van de stichting wordt te allen tijde gebruikt voor de stichting, aan een goed doel, dan wel valt terug aan ons. En dat is ook een heel goed doel. De voorzitter: De heer Baalman. De heer Baalman: Dank u wel, voorzitter. Ik vind het verhaal van het college heel mooi positief. En ik snap het ook wel. We moeten ook een beetje positief erin blijven staan. Ik verbaas me er dan wel over van... Ik hoor van de wethouder van, het gaat allemaal heel goed met de OR. Overal goede overleggen. Maar dan zie ik toch wel brieven van de OR naar de raadsleden toe. Stukken bij RTV Drenthe. En ook wij hebben best wel wat andere berichten binnengekregen over de samenwerking en de vragen die bij de OR liggen. Hoe rijmt u dat verschil? De voorzitter: De heer Westendorp. De heer Westendorp: Voorzitter, volgens mij bent u per één brief erover geïnformeerd.
U zei brieven, maar er is één brief gestuurd. De heer Baalman: Klopt. Eén brief en één stuk bij RTV Drenthe. De heer Westendorp: Heel goed.
De voorzitter: De heer Westendorp. De heer Westendorp: Volgens mij is de OR al jaren bezig met dit proces. En op dit moment zeggen zij terecht, we hebben nog een heel aantal vragen. En dat zijn ook zorgen die wij serieus nemen, die het bestuur serieus neemt, maar die vooral ook het WOR-bestuur moet serieus nemen. Wat ik zeg, is niet dat die zorgen er niet zijn. Wat ik zeg, is dat de overleggen tussen de WOR-bestuurder en de OR kritisch, maar constructief verlopen. Dat zegt niet dat de OR geen discussiepunten heeft met de WOR-bestuurder. Dat zegt niet dat zij nog steeds niet vragen hebben over hoe dat definitief wordt ingevuld. Zegt ook niet dat hij alle vragen al heeft beantwoord die zij hebben. Dat probeer ik te duiden, dat de sfeer nog steeds gericht is op... Ook naar aanleiding van het eerdere advies wat zij hebben afgegeven. Want in het principiële besluit wat er in december is genomen, hebben zij gezegd, wij kunnen de route die het bestuur voorstaat ook volgen. Ze hebben eigenlijk al een tweede advies. Er wordt ze nu gevraagd om een definitief advies te geven. Maar ze hebben ook al een advies afgegeven op de route die op het principiële besluit toen is voorgesteld. En toen hebben ze gezegd, we hebben meer informatie nodig om uiteindelijk de hele adviesaanvraag in te vullen. En dat is volgens mij nu aan de hand.
Er wordt gewoon netjes op alle informatie gewacht, zodat een officiële adviesaanvraag kan worden geduid. Moeten we daarop wachten, was uw vraag. Dat is dan aan u natuurlijk om daar wat van te vinden. Maar u wordt nu gevraagd, samen met ons, om richting te geven aan die beweging. Het OR advies gaat over de inkleding van de organisatie, die uiteindelijk volgt uit uw richtingskeuze. Onze gedachte is dat u juist nu moet uitspreken, zodat de OR haar adviesaanvraag goed kan doen. De voorzitter: Dank u wel. Ik denk dat alle vragen dan beantwoord zijn. Dan gaan we nu door naar de tweede ronde met het debat. Ik stel voor dat we eerst het punt over de evaluatie aanpakken, omdat de wethouder daar ook al wat over heeft gezegd. Dat was het punt van de heer Van der Meer. Ik stel voor dat de heer Van der Meer de aftrap doet en dat andere partijen daarop kunnen reageren, als ze willen. De heer Van der Meer: Er valt volgens mij niet zo heel veel meer op af te trappen dan het pleidooi om het vooral te doen, wat bevestigd wordt door het college. Ik ben vooral benieuwd naar het antwoord van mijn medefracties, want dan is het volgens mij een gelopen race, als ik het goed begrepen heb. De voorzitter: Mevrouw Schonewille. Mevrouw Schonewille: Dank u wel, voorzitter. Het idee van een evaluatie vinden wij een heel goed idee.
Het is fijn dat mijnheer Van der Meer dat aandraagt en dat het college daar ook positief in staat. Maar we zouden voor zover dat kan dat eigenlijk wel graag vastgelegd willen hebben in één van de bijgevoegde stukken. En eigenlijk willen we hem misschien wel breder trekken dan alleen hoe de positie van de raad van Hoogeveen ten opzichte van het GKB stuk of de nieuw te vormen GKB stichting dan is. Ik weet niet wat de mogelijkheden daarvoor zijn, maar ik zou dat eigenlijk wel breder willen trekken dan alleen dat kleine stukje. De voorzitter: Mevrouw Koekoek. Mevrouw Koekoek: Voorzitter, daar sluit ik me helemaal bij aan. Mevrouw Schonewille heeft de woorden uit mijn mond genomen. En daarmee namelijk ook inderdaad op governance, op inhoud bereiken we de maatschappelijke doelen die we met elkaar hebben afgesproken. En over de termijn, moet het om de drie jaar zijn, moet het om de vijf jaar zijn, dat kunnen we nader met elkaar bespreken. En ik zou het inderdaad graag vast willen leggen. Ik denk dat het dan in statuut of iets dergelijks zou moeten. Dat zou dan een mooi onderdeel kunnen zijn van een zienswijze.
De voorzitter: De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Dank u wel. Altijd goed om te evalueren, maar ik zou dat toch iets eerder willen doen. Ik snap natuurlijk dat zo'n stichting eerst op gang moet komen. Dat alles even zijn plek moet hebben. Maar als er hiaten zijn en je laat dat drie jaar lang gaan, dan vis je wel vaak een beetje achter het net. Dan zeg je, hadden we nog maar even iets eerder ingegrepen. Misschien een overweging om dat toch op een eerder moment te doen. En verder sluiten ik me bij mevrouw Schonewille en mevrouw Koekoek aan, wat die daar verder al over gezegd hebben. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. De heer Walda, Gemeentebelangen. De heer Walda: Dank u wel, voorzitter. Evalueren, goed punt dat de heer Van der Meer dat aandraagt. En of het met drie jaar is of eerder, ik denk dat we ons zelf niet al te veel werk op de hals moeten halen. Dat we moeten oppassen dat er niet te veel geëvalueerd wordt. Het moet ook een doel hebben. En ook de evaluatie, hoe die eruit gaat zien. Ik denk dat het wel goed is dat we vanuit het college dan een helder beeld krijgen hoe die evaluatie eruit gaat zien, voordat we daar iets over kunnen gaan zeggen natuurlijk. We moeten er iets over kunnen zeggen. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Mevrouw Koekoek met een reactie.
Mevrouw Koekoek: Zou ik daarop mogen aanvullen? Want in de huidige Wet gemeenschappelijke regeling is nu ook de mogelijkheid opgenomen dat je als gemeenteraad een bepaalde GR zou kunnen evalueren, bijvoorbeeld na tien jaar. En daarin staan ook een aantal aspecten. Daarmee handelen we wel heel mooi in de geest van de Wet gemeenschappelijke regeling. Niet dat dat een doel op zichzelf is. Maar het is niet ongebruikelijk om een regeling of een samenwerking te evalueren. Daarmee kun je ook kijken, moet je bijsturen of niet? En daarmee kom je ook beter in positie. De voorzitter: De heer Baalman. De heer Baalman: Ik denk dat evalueren na drie jaar een heel mooi idee is. Ik denk dat het ook heel goed is om dat te gaan doen. Maar ik denk dat we vooral in deze periode van oprichting van een nieuwe stichting, wat best wel wat gevolgen kan hebben voor onze kwetsbare inwoners, ook tussentijds geïnformeerd kunnen gaan worden. De voorzitter: De heer Verstegen. De heer Verstegen: We krijgen allemaal een deelnemingsovereenkomst, geldig voor drie jaar. Ik neem aan dat we iedere drie jaar zo'n evaluatie hebben, alleen al om vast te kunnen stellen of we een deelneming voortzetten of niet. Die komt er wel.
Bij iedere begroting overigens komt ook weer de vraag naar voren van, hoeveel gaan wij uitgeven en opnemen bij iedere Kadernota aan stichting GBK? Ook daar lijkt mij dat we die vragen weer kunnen stellen. Net zo goed als bij een GR. De voorzitter: Dank u wel. Zijn er nog andere partijen die de behoefte hebben om hierop te reageren? Nee. Dan gaan we naar wethouder Reneman. De heer Reneman: Voorzitter, ik vind het van mevrouw Koekoek een hele goede suggestie om deze stichting te behandelen alsof het een GR is. En daar hebben we een evaluatieschema voor in de Nota verbonden
partijen. Ik stel voor dat we dat op die manier ook opnemen in de evaluatie. Wat mij wel voor ogen stond net, omdat de zorg over de relatie tussen de gemeenteraad en het GKB zo nadrukkelijk werd genoemd door een aantal partijen, om vrij specifiek op dit punt met elkaar gewoon een keer om tafel te zitten. Als het gaat om de schuldhulpverlening, u heeft het driejaarlijks programma, u heeft de P&C-cyclus, u heeft een nota die wordt vastgesteld. Er zijn nog genoeg momenten om op de inhoud te evalueren. Maar op specifiek dit punt, wat je de governance zou kunnen noemen... Wat ik zou willen voorstellen, is dat we vanuit het college de komende weken even aan u een voorstel doen over hoe wij zo'n evaluatie voor ons zien. En dat we die bij de stukken voegen. Dan ligt het ook vast dat we vanuit dit college dat graag willen doen. En deze stichting gaat natuurlijk gewoon van start. En daar zullen wij ook op gezette tijden op de hoogte houden van hoe het loopt met die stichting. En ook specifiek gewoon op de kwestie van, voelen we elkaar nog goed aangesloten? Want we gaan ook van een situatie van drie naar meerdere partijen. Allerlei bewegingen zitten erin. En ik wil u er nog even aan herinneren dat u ook nog elke maand de mogelijkheid heeft om het college te bevragen op hoe de dingen gaan. De voorzitter: Dank u wel. Dan mevrouw Koekoek nog zag ik haar hand opsteken.
Mevrouw Koekoek: Dank voor de opmerking van de heer Reneman over die evaluatie. Hij sprak ook over de governance met de raad. In de beantwoording van de technische vragen van het CDA heeft het college ook een zinsnede opgenomen. Ik zal eerst even de zinsnede oplezen, dan is het duidelijk. Het college vindt het belangrijk dat de betrokkenheid van de raad op dit onderdeel in stand wordt gehouden en wil met de raad afspraken maken om in gezamenlijkheid te bepalen wat daarvoor nodig is. Zou het college ook voor de definitieve besluitvorming over twee weken daar zijn gedachtes op papier kunnen zetten en dat mee laten nemen in de besluitvorming, zodat we dat vooraf doen in plaats van achteraf. De voorzitter: Wethouder Reneman. De voorzitter: Voorzitter, dat moeten we samen doen, maar dat zullen we dan ook samen doen. Er komt een overeenstemming tussen het college en de raad over hoe we dat voor ons zien. Maar misschien is het wel goed om een voorstel te doen. Ik kijk heel even naar mijn buurman, want we hadden even een klein conclaafje. Misschien is het wel een idee om een voorstel te doen over wat wij voor een ideeën hebben daarover, zodat u daar alvast over kan nadenken, zonder dat we ze dan vastleggen. Dan later moeten we het met elkaar erover hebben, over hoe we dat dan doen. En u moet er zelf ook nog wat van vinden. Dat is een startpunt van het gesprek.
De voorzitter: Dan staat de toezegging genoteerd. Ik zie ook andere partijen allemaal knikken. Die zijn het er helemaal mee eens. Dan de heer Van Rijn nog. De heer Van Rijn: Niet op dit onderwerp. De voorzitter: Een ander punt. De heer Van Rijn: Maar ik had nog twee vragen over inbreng. En dan zeg je, dat mocht toen niet. Ik vraag me alleen af wanneer er dan wel de gelegenheid voor is. De voorzitter: Dat houden we voor een... Wil de heer Reneman nog reageren?
De heer Reneman: Sorry, ik heb het even gemist. Mijn overbuurman was helemaal in de stress, omdat hij wat moest doen. Kunt u het nog even herhalen? Excuses. Ik heb niet opgelet. De heer Van Rijn: Het heeft niks met het college te maken. Andere fracties hadden een bijdrage. En ik had een vraag over die bijdrage van hen. Maar dan zegt hij, dat parkeren we even. We gaan eerst de hele ronde doen. Ik vraag alleen, wanneer is dan de mogelijkheid om vragen te stellen? De voorzitter: Dan gaan we dat nu doen. Ga uw gang. De heer Van Rijn: Dank u wel voorzitter. Want mevrouw Schonewille had in haar bijdrage zorgen over om het niet goed bij te sturen voor de raad als het fout zou gaan. En ik zou toch graag willen weten van, wat zijn die zorgen en waar ziet ze dan die zorgen en waarom zou de raad niet bij kunnen sturen? Ik kon even niet zo goed de volgorde daarin ontdekken. De voorzitter: Mevrouw Schonewille. Mevrouw Schonewille: Dank u wel, voorzitter. Volgens mij gaat het precies over het punt waar we het net eigenlijk al over hadden. Als je puur en alleen de stichting zou hebben, waarbij je geen evaluaties bijvoorbeeld vaststelt, dan zijn je mogelijkheden best beperkt, vanuit de raad gezien, om daar invloed op uit te oefenen. Los van dat je natuurlijk je invloed hebt op je beleid, wat je één keer in drie jaar in dit geval vaststelt en dat doet.
Maar je hebt eigenlijk weinig mogelijkheden om bij te sturen. Stel dat je ziet dat de financiën toch weer de verkeerde kant opgaan van de stichting, om tijdig aan de rem te trekken. Er zijn wel wat mogelijkheden, maar er zijn minder mogelijkheden dan je zou hebben binnen een gemeenschappelijke regeling. Daar zit mijn punt in dat ik denk, daar voorzie ik wat zorgen. En ik vermoed dat die uiteindelijk misschien best wel mee zouden kunnen gaan vallen, maar dat kan ik op voorhand niet zeggen. Daar zit mijn frictie een beetje in dat je zegt, moet je wel of geen stichting doen? En nogmaals, we denken bij de PvdA dat dit echt wel de beste van de slechtste opties is. En dan moeten we hier maar genoegen mee nemen. Maar dat was het voordeel geweest van een GR, dat je iets meer mogelijkheden hebt vanwege de Wet gemeenschappelijke regelingen om bij te sturen op punten, zoals financiële tegenvallers. De voorzitter: Mevrouw koekoek. Mevrouw Koekoek: Aanvullend ook op wat mevrouw Schonewille zegt. Het voordeel als je dingen in huis organiseert beleidsmatig dan wel qua uitvoering, is dat je een wethouder rechtstreeks kunt aanspreken. En als een meerderheid van de raad dat ook vindt, dan wordt de wethouder geacht om dat uit te voeren.
Op het moment dat wij iets over een gemeenschappelijke regeling zeggen en als het ware een opdracht geven aan de wethouder, wordt hij op pad gestuurd naar die gemeenschappelijke regeling. Moet hij daar gaan onderhandelen of hij het standpunt van de raad kan realiseren. Maar dat is nog een keertje in de Wet gemeenschappelijke regeling. En hier is nog niks vastgelegd over... Chargeer ik nu, mijnheer... De voorzitter: De heer Reneman. Mevrouw Koekoek: Ik probeer even te schetsen dat de invloed veel beperkter is. De heer Reneman: Dit gaat volkomen langs het Burgerlijk Wetboek en stichtingen. Mevrouw Koekoek: Maar dan zou ik graag de beantwoording weten.
De heer Reneman: De notaris heeft echt de... Er is een scheidslijn tussen de bevoegdheden van de gemeenteraad in relatie tot een stichting ten opzichte van een Wgr. Maar die scheidslijn is niet zo groot als u nu zegt. En die is echt vele malen kleiner dan u nu zegt. U kunt nog steeds het lid van de... Raad van Publiek Belang, wordt het hier genoemd, wat eigenlijk gewoon het algemeen bestuur is van een Wgr. Dat is een wethouder in dit geval. Kan ook een raadslid zijn overigens. Maar dat is een wethouder in dit geval. Die kan u gewoon op pad sturen met dezelfde boodschap, in dezelfde constructie en met nagenoeg dezelfde bevoegdheden als die van een lid van het algemeen bestuur. Dit wordt te groot gemaakt. Mevrouw Koekoek: Helder. De voorzitter: Mevrouw Koekoek nog een reactie? Mevrouw Koekoek: Dank voor de aanvulling. Maar dat is ook het punt, dat het in mijn optiek onduidelijk in de stukken ook staat. Tenminste, dat is mijn afdronk en mijn interpretatie van de stukken. En als dat niet correct is geweest, dan ben ik blij met de aanvulling. Maar het blijft een worsteling met hoe je sturing geeft op afstand. En dat is gewoon het hele dilemma. En daar zouden we graag meer afspraken over maken. Dan zijn we on speaking terms. De voorzitter: De heer van Rijn. De heer Van Rijn: Dank u wel, voorzitter. Want ik had ook nog een vraag aan mevrouw Koekoek bij haar bijdrage.
Ze was nog eigenlijk, ik gebruik een beetje te overdreven woord, iebelig dat wij vooraf geen besluit hadden genomen wat we uiteindelijk met de GKB gaan doen, met de huidige GKB GR. Maar mijn vraag daarbij is, als we niks gedaan hadden, dan was hij gewoon ter ziele gegaan natuurlijk. Waarom bent u eigenlijk een beetje ontevreden over, over welk besluit hadden we dan wel moeten nemen? Daar zou graag wat toelichting bij willen hebben. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Mevrouw Koekoek. Mevrouw Koekoek: De financiële zorgen delen we. En dat er een oplossing moest komen voor de GKB als zodanig en de dienstverlening door de GKB, dat stond buiten kijf. En daar is ook geen misverstand over. Maar in welke vorm? Dat was het punt vanuit het CDA van, hebben we daar als raad een expliciet besluit over genomen? Dat is in de optiek van... Daarvoor hebben we destijds in het verleden bij een begroting of bij een jaarrekening van de GKB ook een zienswijze ingediend met meerdere partijen. En volgens mij stond de naam van de SGP ook onder dat amendement. Is van, onderzoek ook de andere mogelijkheden dan puur en alleen verzelfstandiging. Maar kijk ook of door de gemeente gedaan kan worden. En leg die keuzes die er zijn... Want er moet een oplossing komen voor de GKB. Daar was geen misverstand over.
Maar over de vorm en de toekomst als zodanig, daar hadden wij graag een besluit over genomen als raad. De voorzitter: Dank u wel. De heer Van Rijn, zou u uw microfoon uit kunnen zetten? De heer Van Rijn: Excuus. De voorzitter: Helemaal goed hoor. Top. Dat brengt ons denk ik wel bij het grotere punt nog even van het CDA over de zienswijzen, of daar nog algemeen behoefte ook vanuit het CDA... Ik denk het nog wel. Ik zie mevrouw Koekoek.
Mevrouw Koekoek: Ik moet zeggen dat deze debatronde in ieder geval verhelderend heeft gewerkt. Dat wil nog niet zeggen dat we een definitief standpunt hebben ingenomen. Daar gaan we nog wel over in gesprek als fractie. Ik wacht ook de stukken vanuit het college nog even af. En mocht dat aanleiding zijn tot een zienswijze, dan zal ik dat tijdig delen ook met de woordvoerders. De zorgen zijn er. En die worden door meerdere partijen ook wel gedeeld. En we moeten kijken hoe we daar vorm en inhoud aan kunnen geven. En ik denk dat de meest geëigende weg in deze dan ook een zienswijze is, om de zorgen ook echt op die manier mee te geven aan het bestuur. De voorzitter: Dank u wel. Dan als ervoor de rest geen andere... De heer Klok nog. De heer Klok: Dank u wel, voorzitter. Ik had toch nog een debatpunt met betrekking tot de begroting, over hoe realistisch die is? En daar wilde ik graag nog wel even bij stilstaan. En die vraag had ik ook gesteld aan het college. Het college antwoordde daar eigenlijk op, omdat we naar stichting gaan, kunnen wij meer zekerheid bieden aan de mensen. Daardoor zou de inhuur omlaag gaan en vaste mensen mogen. En daardoor de kosten omlaag. Alleen mijn vraag ging niet enkel om personeelskosten. Maar die kan ik in dit geval ook wel even uitlichten. Wat wellicht mijn zorgen een beetje toelicht.
Bijvoorbeeld als we het over die inhuur hebben, waar de wethouder op refereert, dan is de prognose van 2024 1,4 miljoen euro. En de begroting 2025 nog maar slechts 300.000 euro. Dat is een megagroot gat. En ik vind het wel belangrijk dat we als raad daarbij stilstaan. En dat is een risico wat we nemen met zijn allen, als we overgaan op dit besluit. Maar daar hebben we natuurlijk wel een keuze hoe we daarmee omgaan. Gaan we daar bijvoorbeeld... Willen wij daarvoor een reserve vaststellen in onze begroting? Want dat is iets wat ons vanuit de VVD... Als we hier niks op doen, zou ons dat een verstandig besluit lijken. En wellicht kan het college dit nog meenemen van, hoe realistisch is die begroting? En kunnen ze wat ons betreft daar nog een keer een schriftelijke toelichting op geven van, hoe realistisch dit is en hoe dit eventueel is begroot. Dank u wel. De voorzitter: Ik zag dat de heer Reneman met zijn hand omhoog zat. Het loopt nu natuurlijk een beetje door elkaar heen, het debat met het college. Dat weet ik. Maar ik wil dit toch wel even toelaten, omdat dit denk ik voor de inhoud wel belangrijk is, zodat alle partijen goed hun standpunt kunnen uiten. Gaat uw gang. De heer Reneman: Het is goed dat heer Klok ook nog even iets vroeg van een reflectie van het college op het idee van een reserve. Dat is echt niet noodzakelijk.
Wij gaan van een situatie waarin de risico's van de GKB worden gedragen door drie partijen, wordt gedragen door veel meer partijen. Dat betekent dat de risico's voor de begroting aanzienlijk naar beneden gaan. De besluitvorming die hierover is, is gewoon fijn voor de Hoogeveense begroting. En de bedragen die hierom gaan, die maken echt gewoon geen enkele noodzaak tot een reservering. De voorzitter: De heer klok. De heer Klok: Dank u wel, voorzitter. Dan ben ik ook zeer benieuwd hoe de rest van de raad hierin staat. En het is ook wellicht wat principieels bij mij. Wij als VVD zijn kritisch op een begroting. Wij vinden, aan het eind van het liedje moet er geld overblijven, dan kun je zo weer door. Alleen zeker in het geval van de GKB, in het geval van schuldhulpverlening is dat wellicht nog iets meer principieels, waarin wij vinden dat dit zeker goed begroot moet worden. En wij zijn ook zeer benieuwd hoe de rest van de raad hiernaar kijkt. De voorzitter: De heer Van Rijn.
De heer Van Rijn: Dank u wel, voorzitter. Ik heb die begroting ook bekeken en dacht, waar heb ik dat vaker zo gezien? Ik ga er geen kwalificatie aan geven nu. Maar er is zowat geen andere keus, zoals die begroting nu ligt. Je moet ergens starten. Je weet uit het verleden, dit is de huidige GKB. En dat gaat over in een stichting. En daar moet je toch een beetje realistisch begroten. Maar ik schat dat als het van start gaat, dat de volgende begroting wel meer recht doet aan de situatie. Maar dit lijkt mij helemaal niet een startpunt dat je zegt van, daar gaan we heel veel risico mee lopen of wat ook. En het zou ook heel dom zijn om een begroting te maken voor een stichting die net op gang is en die zou na een jaar ter ziele zijn, want je hele begroting heeft niet gedeugd. Dat kan ik niet geloven dat er zoiets aan de hand zal zijn. Wij denken, laten we dit als startpunt maar gewoon aanhouden. En laten we gewoon eens naar een jaartje kijken hoe het gegaan is, hoe het verloop is. En dan kun je een beetje meer realistisch op de dan werkende stichting je begroting maken. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: De heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Voorzitter, dank u wel. Het is een behoorlijk gat wat ertussen zit, tussen inhuur personeel van 1,3 naar dan die 3 ton. De andere kant is dat je je percentages natuurlijk ook aanpast en je externe inhuur vermindert.
Het zou ook heel raar zijn als dat niet in lijn met elkaar zou zijn en je niet een afname ziet op je begroting, terwijl je wel het percentage naar beneden brengt van je extern inhuur. Ik maak me daar eerlijk gezegd wat minder zorgen over. Sterker nog, ik zou er ook voor willen pleiten om niet alle externe inhuur weg te saneren, omdat je daarmee ook een soort van flexibele schil kunt creëren op basis van werkaanbod of benodigde capaciteit. De voorzitter: Wil de heer Klok hierop reageren? De heer Klok: Ja, graag. Dank u wel, voorzitter. Dat laatste komt niet overeen met het eerste. Want dat laatste zegt eigenlijk, je moet een groter bedrag maken in die begroting voor externe inhuur. En dat is eigenlijk een beetje de worsteling die wij hebben. De voorzitter: De heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Voorzitter, dat is niet de kern van mijn pleidooi. Ik ga er niet vanuit dat je dan juist meer moet begroten, maar je moet in je begroting, als je hem reëel wilt houden, hou dan ook rekening met een soort van flexibele schil. En als die minder is dan wat hij nu is door je extern inhuur naar beneden toe bij te stellen in een behoorlijk percentage, daarbij ook nog een inspanning levert op de vermindering van je ziekteverzuim, dan moet de begroting daarmee in lijn zijn.
En dat is hij volgens mij, als je uitgaat van de vergelijking tussen het bedrag en de percentuele vermindering van je inhuur. De voorzitter: De heer Verstegen. De heer Verstegen: Dank u wel, voorzitter. Het lijkt me eigenlijk dat de discussie over de begroting ondergeschikt is aan de eerste keuze die nu voorligt, willen wij deze stichting? Dat is de vraag. Daar zouden we over debatteren. De begroting, of die helemaal klopt of niet is eigenlijk van tweede orde. Die is inderdaad zoals Van Rijn zegt, van de SGP zegt, voor volgend jaar Dan ga je kijken van, hoe erg zijn we afgeweken van de begroting. En zoals de Reneman al aangeeft, het risico voor ons is niet zo heel groot. Kleiner als in de vorige situatie. Ik zou zeggen, laten we die discussie later doen. De voorzitter: Mevrouw Schonewille.
Mevrouw Schonewille: Dank u wel. In zijn algemeenheid over begroting, in dit geval dan specifiek, we hebben in dit huis ervaringen met begrotingen die eerder misschien ons in problemen hebben gebracht. Dat hebben we bij de GKB ook gezien. We zijn toen pessimistisch realistisch gaan begroten. Dat heeft best wel wat gebracht uiteindelijk. Ik kan me voorstellen dat je dat het liefst bij zoiets dergelijks ook zou willen doen. Dat je van een probleembegroting van de afgelopen jaren, begrotingen die we niet rond kregen, nu eigenlijk zou willen gaan naar een realistische begroting met een iets wat pessimistische inslag, zodat je ergens ruimte overhoudt voor echt het realistische stuk. Ik hoor de heer Van der Meer zeggen, ze gaan werken aan het ziekteverzuim. Dat gaat inderdaad naar beneden. Mijnheer Van der Meer zegt terecht dat hij daar niet aan gaat werken. Dat klopt inderdaad, voor zover ik weet. Het is fijn dat ze daaraan gaan werken, maar de vraag is nog maar, gaan ze dat vervolgens ook daadwerkelijk bereiken? Dat zouden we allemaal graag willen. Maar ik kan me ergens voorstellen dat we zeggen, het liefst zouden we een begroting ergens pessimistisch realistisch willen zien, zodat je zeker weet dat de begroting ook daadwerkelijk op deze wijze volgend jaar zo behaald wordt. Dat even in zijn algemeenheid.
Daarnaast inderdaad, ik heb de heer Reneman horen zeggen, we delen dit risico met meerdere gemeenten dan we hiervoor deden. Dat is ook waar. In dat opzicht vermoed ik dat je daar niet een hele enorme reserve hoeft aan te leggen. Maar ik had die begroting wel graag anders ingeslagen gezien worden, wat dat betreft. De voorzitter: Mevrouw Koekoek. Mevrouw Koekoek: Voorzitter, ik vind het een wat technische discussie worden. Ik heb eigenlijk nog, vergeef me, een technische vraag aan de wethouder. Maar ik heb veel vertrouwen in de heer Reneman dat hij het misschien wel kan beantwoorden. Maar ik ga ervan uit dat in de voorliggende conceptbegroting rekening is gehouden met de transitieperiode. Dat er ook al geanticipeerd wordt op zaken die wat minder soepel lopen. Klopt dat? Daarmee denk ik dat ik de vraag van de VVD kan beantwoorden. De voorzitter: Dan laat ik het nog één keer toe. De heer Reneman, ga uw gang. De heer Reneman: Jazeker. Er wordt ook een risicoreservering meegegeven aan de stichting. En misschien is het ook wel goed om de raad nog even iets in herinnering te brengen over de minnen die op Hoogeveen af zijn gekomen vanuit het GKB. Die komen omdat niet alle partijen evenveel bijdroegen aan het GKB. Wij betaalden eigenlijk voor gemeenten die wel afnamen. En het een grote stap voorwaarts is.