Stadscentrum, deelplan Detailhandel- Toelichting.pdf
Tekst van het document
VERORDENING STIMULERING DETAILHANDEL STADSCENTRUM De genoemde acties zijn meestal een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, ondernemers en eigenaren. In onderhavig plan worden waar ruimtelijk mogelijk de nodige vastgoedacties uitgevoerd, zoals ze hierboven beschreven staan. Hiervoor is eveneens een Verordening stimulering detailhandel stadscentrum Hoogeveen 2020 (winkelgebied Hoogeveen) vastgesteld. Deze heeft als doelstelling de winkelstructuur in het centrum van Hoogeveen te versterken via onder meer het beschikbaar stellen van subsidie voor concentratie van detailhandel in het winkelgebied of het bieden van compensatie voor het wijzigen van de winkelen/of horecabestemming van leegstaand vastgoed. Waar pandeigenaren in het betreffende plangebied subsidie hebben gekregen worden ze voorzien van een passende bestemming, waarbij de detailhandelsfunctie is wegbestemd.
3.4.8
Bestemmingsplan
De vigerende regeling voor het plangebied is grotendeels vastgelegd in het bestemmingsplan 'Stadscentrum 2008', dat is vastgesteld op 12 januari 2011. De panden in de aanloopstraten die deel uitmaken van voorliggende bestemmingsplan, hebben in de huidige bestemmingsplan 'Stadscentrum 2008' de bestemmingen 'Gemengd 1, 2, 3, 4, 5 en 8' en 'Centrum'. Voor het plangebied gelden eveneens twee partiele herzieningen; de bestemmingsplannen 'Stadscentrum, deelplan Prins Mauritsplein 2013 en Stadscentrum, deelplan Grote Kerkstraat 15 (2014)'. In deze plannen heeft het gebied een gemengde bestemming.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 31
3.4.9
Nota Ruimtelijke Kwaliteit
De Nota Ruimtelijke kwaliteit (mei 2020) vervangt de gemeentelijke Welstandsnota uit 2007 met de oplegnotitie van de pilot 'welstandsvrij bouwen'. De pilot welstandsvrij bouwen is succesvol verlopen en krijgt nu vervolg in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. De nota wordt aangehaald als Nota Ruimtelijke Kwaliteit en niet meer als welstandsnota. Ruimtelijke kwaliteit is geen zaak van de eigenaren van gronden of gebouwen alleen. Een goede ruimtelijke kwaliteit levert een bijdrage aan de leefbaarheid, duurzaamheid en identiteit. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het plangebied ligt (deels) in het gebied dat is aangeduid als Stadscentrum.
Figuur 3.2: Welstandskaart Hoogeveen (bron: gemeente Hoogeveen)
Het Stadscentrum kent een grote dynamiek; er vinden continu ontwikkelingen en aanpassingen Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 32
plaats aan de bebouwing en het openbaar gebied. Winkels veranderen van eigenaar of krijgen een nieuwe gebruiker, wat leidt tot aanpassingen aan het pand. Daarnaast zijn ook grotere (nieuwbouw) ontwikkelingen gaande. Het openbaar gebied wordt regelmatig aangepast om het stadscentrum levendig en vitaal te houden. Zo zijn de Schutstraat en het westelijk deel van Het Haagje enkele jaren geleden heringericht. Het stadscentrum kent meerdere bebouwingssferen. Bij nieuwbouw of ingrijpende verbouw wordt hierbij getoetst aan de nota Ruimtelijke Kwaliteit.
3.4.10 Conclusie Visie op binnenstad Op basis van het voorgaande wordt duidelijk dat de gemeente toe werkt naar een vitaal en toekomstbestendig centrum, waar bezoekers graag komen én terugkomen. De gemeente is al enkele jaren hiermee bezig. Het stadscentrum blijft vitaal indien sprake is van een compacter en kleiner centrum. Het kernwinkelgebied wordt versterkt door winkels in de aanloopstraten te verplaatsen naar het kernwinkelgebied. Daarbij speelt ook mee dat de aanloopstraten kampen met leegstand. In alle onderliggende beleidsdocumenten is gemotiveerd waarom en hoe de gemeente is gekomen tot het punt waar we nu zijn. Hetgeen met onderhavig bestemmingsplan wordt gedaan is dan ook niets anders dan een logisch gevolg van het vastgestelde beleid dat noodzakelijk is om tot een leefbaar stadscentrum te komen.
Dit bestemmingsplan reguleert de detailhandelfunctie. Bij de beantwoording van de vraag of een eis noodzakelijk is in het licht van de Dienstenrichtlijn, moet worden bezien of deze eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op onder meer de bescherming van het stedelijk milieu. Deze regulering is in onderhavige plan noodzakelijk vanwege de hierboven beschreven reden: om een vitaal, toekomstbestendig centrum zonder leegstand en overschot te creëren. Dit is ter bescherming van het stedelijke milieu. In de nieuwe situatie zal alleen sprake zijn van een functionele wisseling in bestaande panden. Gelet op de genoemde problemen en de lange weg aan voorbereiding ten behoeve van de herstructurering kan worden gesteld dat het doel waarmee de gemeente het opnemen van de uitsterfregeling rechtvaardigt, een dwingende reden van algemeen belang vormt. In het kader van de evenredigheid moet de regeling geschikt zijn en niet verder gaan dan nodig om het daarmee beoogde doel te bereiken. Dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. De maatregel is geschikt om het beoogde doel te bereiken. Om een toekomstbestendig centrum te creëren, is een compacter en kleiner centrum nodig.
Dit kan worden bereikt door de winkels uit de aanloopstraten te verplaatsen naar de kern, met in gedachten gehouden dat er al veel leegstand is in de aanloopstraten. De regulering is noodzakelijk, maar gaat niet verder dan nodig. Voor al het overige is dit bestemmingsplan conserverend en wordt niet in nieuwe ontwikkelingen of andere beperkingen voorzien. Alle overige functies blijven dus gelden zoals zij in het huidige bestemmingsplan zijn geregeld. Daar waar de detailhandelsfunctie wordt gereguleerd middels wegbestemmen dan wel een uitsterfregeling, zal dan ook een andere, passende gemengde functie resteren zoals die nu ook bij recht is toegestaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan een kantoorfunctie, een medische functie, een maatschappelijke functie of een woonfunctie. Daarnaast is van belang om in het kader van de evenredigheid op te merken dat voor de verplaatsing of beëindiging van de betreffende winkels een 'Verordening stimulering detailhandel stadscentrum Hoogeveen 2020' voor transformatie beschikbaar is/was. Een aantal betrokkenen heeft hiervan inmiddels gebruik gemaakt. Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 33
Wat betreft de uitsterfregeling kan in het kader van de evenredigheid het volgende worden opgemerkt. Wanneer een pand als zodanig is aangeduid, houdt dit in dat momenteel detailhandel in het pand wordt uitgeoefend. De huidige functie kan worden voortgezet, maar als deze detailhandelsfunctie meer dan één jaar niet in een pand aanwezig is, vervalt de mogelijkheid tot het exploiteren van detailhandel voor de pandlocatie. Eén jaar is een gerechtvaardigde, evenredige termijn. De gemeente is al gedurende een lange tijd bezig met de leegstand in de aanloopstraten van het centrum en het vitaliseren van het stadscentrum in zijn geheel. De detailhandelsregulering in de aanloopstraten is daarmee voorzienbaar en er is een goede communicatie vanuit de gemeente richting de ondernemers en pandeigenaren. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het plan geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken. Het plan gaat niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. Tot slot wordt in onderhavig plan nog een beperkt aantal vergunde ontwikkelingen meegenomen, om daarmee een actueel en eigentijds kader te bieden.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 34
Hoofdstuk 4 4.1
Gewenste ontwikkeling en uitgangspunten
Ruimtelijke structuur
De bestaande ruimtelijke hoofdstructuur van het stadscentrum wordt niet gewijzigd. Op onderstaande kaart is te zien dat de Hoofdstraat vanaf de kruising Het Haagje/ De Schutstraat tot aan de kruising met de Raadhuisstraat/ Grote Kerkstraat het kernwinkelgebied is en blijft. In de meeste andere straten, veelal haaks op de Hoofdstraat zal veel detailhandel verdwijnen.
Figuur 4.1: Voorzieningenclusters en sfeer en straatbeeld cluster
De bestaande clustering van voorzieningen zoals weergegeven in de Ontwikkelingsvise Stadscentrum zal scherper en herkenbaarder worden. Het aanzien en de sfeer van deze straten zal mee veranderen. De verwachting is dat met het verdwijnen van de winkelfunctie de mogelijkheid, die het bestaande bestemmingsplan al biedt, om op de begane grond te wonen meer gebruikt zal worden. Deze functieverandering zal de grootste verandering zijn in het straatbeeld. De functiewijzigingen zullen zich vaak voltrekken in de bestaande gebouwen en panden.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 35
4.2
Functionele structuur
Een belangrijke doelstelling uit de Ontwikkelingsvisie Stadscentrum is het winkelgebied te verkleinen zodat de kwaliteit van het verkleinde winkelgebied goed blijft. De locaties en gebouwen waar detailhandel mogelijk is wordt daarom in het voorliggende bestemmingsplan ingeperkt. De winkelfunctie blijft in De Hoofdstraat vanaf de kruising Het Haagje/Schutstraat tot aan de Raadhuisstraat. En van veel panden in aanliggende aanloopstraten wordt de detailhandelsfunctie en daarmee bestemming verwijderd. De krimp van het winkelbestand wordt zo gestuurd en winkelleegstand zoveel als mogelijk voorkomen. De doelstelling uit de Ontwikkelingsvisie Stadscentrum wordt met dit bestemmingsplan ruimschoots gehaald. In de nieuwe, gewenste situatie zal sprake zijn van alleen een functionele wisseling in bestaande panden. De winkelfunctie zal in sommige gebouwen verdwijnen, en daarvoor in de plaats zullen andere, passende functies komen. Deze andere functies zijn in het huidige bestemmingsplan vastgelegd en worden voor alle panden in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld een kantoorfunctie, een medische functie, horeca, een maatschappelijke functie of wonen. De bestaande ruimtelijke structuur wordt niet gewijzigd.
In dit voorliggende bestemmingsplan wordt van meer panden dan voorzien in de Ontwikkelingsvisie Stadscentrum de detailhandelsfunctie verwijderd, samenhangend met ofwel de Verordening Stimuleringsregeling detailhandel stadscentrum, recentelijk vergunde en daarmee gewenste situaties ofwel de meest actuele retailontwikkelingen (versnelde leegloop van panden als gevolg van coronacrisis). Voor sommige panden zal deze functie pas verdwijnen als de bestaande winkel verdwijnt, via een zogenaamde 'sterfhuisconstructie'. In de Tamboerpassage houden meer panden dan gewenst in de Ontwikkelingsvisie de bestaande detailhandelsfunctie. In het zuiden van het stadscentrum, langs het Haagje en de Schutstraat, én ten noorden van de Dekkers passage, langs de Hoofdstraat, is in het vigerende bestemmingsplan -en dus ook in het voorliggende bestemmingplan- wonen op de begane grond mogelijk. Voor drie gebouwen in het stadscentrum ( Van Echtenstraat 5,7,9,10,11,12, en 14 en Nicolaasbeestplein 107,109 en 111) biedt het voorliggende bestemmingsplan ook de mogelijkheid voor wonen op de begane grond. Dat is omdat deze mogelijkheid in het verleden al is vergund. Op de verbeelding behorend bij dit plan wordt duidelijk voor welke panden de winkelfunctie zal verdwijnen. Waar wonen op de begane grond is toegestaan, is eveneens met een aanduiding op de verbeelding weergegeven.
Dit is omdat wonen op de begane grond een grote invloed heeft op de sfeer en het aanzien in een straat of gebied.
4.3
Ontwikkelingslocaties
In het voorliggende bestemmingsplan zijn geen ontwikkellocaties opgenomen.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 36
4.4
Beeldkwaliteit
Als functiewijzigingen in het Stadscentrum leiden tot aanpassingen van de gevels of tot nieuwe gevelfronten dan zullen deze wijzigingen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning getoetst worden aan de criteria uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit mei 2020. Het stadscentrum is in deze nota onderverdeeld in bebouwingssferen ( zie hiervoor ook 2.3 ruimtelijke structuur plangebied) Zo wordt bijvoorbeeld in het noordelijk deel van de Hoofdstraat ingezet op herstel en conservering van het straatbeeld en in de Schutstraat en het Haagje wordt ingezet op een dynamische ontwikkeling met meer ruimte voor moderne en eigentijdse architectuur. De toetsingscriteria zijn voor alle bebouwingssferen dezelfde. Ze zijn gericht op het respectvol omgaan met de aanwezige bouwmassa, perceelsbreedte, gevelopbouw en stijlkenmerken. Ook is er veel aandacht voor de relatie onder en bovenverdieping, het is een ruimtelijk aspect wat bij invulling met winkel- en dienstverlenende functies op de begane grond vaak verontachtzaamd wordt. Bestaande voorbeelden in het stadscentrum waar op de begane grond juist woonfuncties zijn gekomen -dit kan een woonvertrek of berging en parkeren zijn- laten zien dat het architectonische ontwerp van de begane grond bij deze gebouwen van groot belang is voor de uitstraling en beleving van het centrumgebied.
En dat er bij deze functie invulling op de begane grond ook veel ontwerp en toetsing aandacht nodig is.
Figuur 4.3: Bebouwing Bentinckslaan
In het nieuwe gebouw aan de Bentinckslaan zijn op de begane grond de bergingen en het parkeren van de bovengelegen woningen ondergebracht. Dit is zo vormgegeven dat het niet leidt tot een doodse aanblik in de straat.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 37
Figuur 4.4: Bebouwing Brederoweg
De gebouwen op bovenstaande foto's staan allebei aan een parkeerplein. De massaopbouw is overeenkomstig, maar het linkergebouw aan de Brederoweg geeft door de meerdere relaties en entree deuren op de begane grond meer beleving op het maaiveld.
Figuur 4.5: Bebouwing Nicolaas Beetsplein
Bovenstaand winkel en bedrijfspand aan het Nicolaas Beetsplein is verbouwd voor woningen. Het verbouwde gebouw heeft een utilitaire uitstraling.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 38
Hoofdstuk 5 5.1
Bodem
5.1.1
Normstelling
Omgevingsaspecten
Het Besluit Bodemkwaliteit streeft naar duurzaam bodembeheer waarbij een balans gezocht wordt tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu enerzijds en het gebruiken van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen anderzijds. Het Besluit bevat regels voor kwaliteitsborging (Kwalibo), bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij het mogelijk maken van ruimtelijke initiatieven moet de vraag worden gesteld of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
5.1.2
Onderzoek en conclusie
Het bestemmingsplan betreft slechts een functionele wijziging, waarbij detailhandel in de bestaande bestemmingen gereguleerd wordt. Daarnaast is een aantal vergunde en gerealiseerde situaties passend bestemd. Voor het overige is dit bestemmingsplan conserverend. Alle overige toegestane functies blijven met dit plan mogelijk. Het plan zal niet leiden tot extra ingrepen in de bodem ten opzichte van het vigerende plan. Bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het project kan voor dit aspect als uitvoerbaar worden geacht.
5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1
Normstelling
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend hierop zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De overige cultuurhistorische waarden moeten, naast de archeologische waarden, worden betrokken in het onderzoek.
Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 39
5.2.2
Onderzoek en conclusie
Aangezien in dit plan geen sprake is van het roeren van de bodem, worden geen archeologische waarden aangetast en is archeologisch onderzoek niet nodig. Het plan betreft slechts een functionele wijziging, waarbij detailhandel wordt gereguleerd. Daarom is het plan uitvoerbaar wat betreft het aspect archeologie. Hetzelfde geldt voor het aspect cultuurhistorie. Cultuurhistorische waarden zullen door de functiewisseling niet in het geding komen. De waarden worden eveneens beschermd door de aanduiding karakteristiek op de verbeelding, waarvoor een specifieke regeling tot behoud van de panden is opgenomen. Het plan is uitvoerbaar wat betreft archeologie en cultuurhistorie.
5.3
Water
5.3.1
Normstelling
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin moet worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water.
5.3.2
Onderzoek en conclusie
Het plangebied van het bestemmingsplan ligt binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta. Via de Digitale Watertoets is het waterschap Drents Overijsselse Delta van onderhavig initiatief op de hoogte gebracht. Op 29 maart 2021 is de Digitale Watertoets doorlopen. Het watertoetsdocument is als Bijlage 1 opgenomen. Op basis van deze digitale toets wordt geconcludeerd dat met het plan geen waterschapsbelang wordt geraakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan. Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond)wateroverlast in de omgeving van het plan. Er is geen waterschapsbelang. Vanuit het aspect water is het planvoornemen uitvoerbaar.
5.4
Natuur en Ecologie
5.4.1
Normstelling
WET NATUURBESCHERMING Onderdeel van de Wet natuurbescherming is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 40
Ook de bescherming van specifieke natuurgebieden is in de Wet natuurbescherming geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
5.4.2
Onderzoek en conclusie
Het plan voorziet enkel in de regulering van detailhandel. Het plan voorziet niet in extra planologische (bouw)mogelijkheden. Omdat dit bestemmingsplan niet voorziet in ruimtelijke ingrepen en er dus niet wordt gebouwd en/of gesloopt, kan ecologisch onderzoek achterwege blijven en vormt het aspect geen belemmering voor het onderhavige plan. Het plan is uitvoerbaar wat betreft het aspect ecologie.
5.5
Geluid
5.5.1
Normstelling
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Volgens de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform artikel 74, tweede lid, van de Wgh zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hiervan uitgezonderd, evenals wegen die deel uitmaken van een woonerf.
5.5.2
Onderzoek en conclusie
Onderzoek wegverkeer Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat in de gevallen dat er geen sprake is nieuwe bewoning, dat geluidsonderzoek niet nodig is. Er zal in de meeste gevallen sprake zijn van niet-geluidsgevoelige functies. Indien er wel sprake is van nieuwe bewoning, en daarmee geluidsgevoelige bebouwing, dient bij de omgevingsvergunningsaanvraag ofwel bij de functiewisseling naar wonen een geluidsonderzoek overlegd te worden waarin is aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbare geluidsbelasting op de gevel (maximaal 48 dB) of een aanvaardbare binnenwaarde (maximaal 33 dB). Onderzoek industrielawaai Indien zich een nieuwe woonfunctie voordoet binnen de aanduiding 'zone-industrielawaai', dient een ontheffing te worden aangevraagd. Dit zal buiten de kaders van onderhavig plan geregeld worden. Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid treden geen voorzienbare belemmeringen op. Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 41
5.6
Milieuzonering bedrijven
5.6.1
Normstelling
Milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Het doel hiervan is om reeds in ruimtelijke plannen milieuhinder bij woningen te voorkomen en tegelijkertijd aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun bedrijfsactiviteiten. Regels voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009). Hierin wordt, onderscheiden naar omgevingstypen waarvoor een bepaalde mate van milieuhinder aanvaardbaar wordt geacht, een richtafstand tot woningen per bedrijfstype aangegeven. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige wijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kan gemotiveerd een kleinere afstandrichtlijn worden aangehouden, omdat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting aanwezig is. Goed beschouwd gaat het om twee vragen: 1. 2.
Zijn er bedrijven in de omgeving aanwezig die een beperkend effect kunnen hebben op de mogelijkheden waarin dit bestemmingsplan voorziet? Leiden de planologische mogelijkheden van deze partiële herziening tot beperkingen in de omgeving?
5.6.2
Onderzoek en conclusie
In het bestemmingsplan zijn in de omgeving alleen bedrijven uit de lichtere categorieen 1 en 2 toegestaan danwel aanwezig. Waar dit niet het geval is, is vooralsnog geen sprake van onevenredige hinder bekend. Echter, indien in incidentele gevallen een nieuwe woonfunctie aan een pand wordt toegevoegd moet worden bezien of dit niet leidt tot belemmering van de naastgelegen functies. Vooralsnog wordt gezien de zwaarte van de categorieen en de ervaring tot nu toe ervan uitgegaan dat dit niet leidt tot onevenredige belemmeringen en overlast over en weer. Ten aanzien van het aspect milieu treden daarom vooralsnog geen voorzienbare belemmeringen op.
5.7
Milieueffectrapportage (MER)
5.7.1
Normstelling
Milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. M.e.r. is altijd gekoppefld aan een besluit, bijvoorbeeld aan de vaststelling van een structuurvisie, aan een bestemmingsplan of aan het verlenen van een vergunning. In het Besluit m.e.r. zijn in de bijlage onderdeel C en D activiteiten opgenomen, waarbij op grond van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer besloten moet worden of bij de voorbereiding van het plan of besluit voor die activiteiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. In overeenstemming met het gewijzigde Besluit m.e.r. moet voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de daar genoemde drempelwaarden voldoen, een toets aan 'Bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' worden uitgevoerd, een zogenaamde Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 42
vormvrije m.e.r.-beoordeling. De drempelwaarden zijn met andere woorden indicatief. Ook wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Aard, omvang en ligging zijn begrippen die bij deze beoordeling centraal staan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet in de meeste gevallen worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie (artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r.). Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordelig blijkt of er al dan niet een m.e.r. noodzakelijk is.
5.7.2
Onderzoek en conclusie
De functiewijziging die dit bestemmingsplan beoogt, valt niet onder de activiteiten die zijn opgenomen in de C- en D-lijst. Er hoeft dus geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden. Het plan is op dit punt uitvoerbaar. De conclusie is dat geen m.e.r.-beoordeling hoeft plaats te vinden. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ontbreken.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Normstelling
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geimplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben'. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
5.8.2
Onderzoek en conclusie
Aangezien er sprake is van een vooral functionele wijziging in het gebruik, zal dit niet leiden tot een grote, onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen, waardoor de luchtkwaliteit in negatieve zin wordt beïnvloed. Immers, enkel detailhandel wordt gereguleerd (wegbestemd). Al het overige dat bij recht mogelijk is, blijft bij recht mogelijk. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool 2020 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Op grond van de nibm-tool (versie 2020) is een project in 2020 pas in betekende mate bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met circa 1.050 per dag (met 5 procent aandeel Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 43
vrachtverkeer). Geconcludeerd mag worden dat door de voorgenomen functionele wijziging geen toename van aantal verkeersbewegingen plaatsvindt die dat aantal zal overstijgen. Het project leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit met drie procent en kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het planvoornemen is op dit punt uitvoerbaar.
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Normstelling
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Verschillende wet- en regelgeving is van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.
5.9.2
Onderzoek en conclusie
Er is een risicoinventarisatie uitgevoerd met behulp van de professionele risicokaart (risicokaart.nl) om te bezien of er in en/of de nabije omgeving van het plangebied risicovolle objecten- en/of transportaders (inclusief gasleidingen) zijn gelegen. Volgens de risicokaart ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van spoor-, water- en wegtransportroutes voor gevaarlijke stoffen, risicovolle inrichtingen of buisleidingen, met uitzondering van een aantal tankstations en de kaasfabriek. In de meeste gevallen bedraagt de minimale afstand tussen het plangebied en de inrichting minimaal 100 m. Bovendien betreft voorliggend plan slechts een functionele wijziging, waarbij detailhandel in de bestaande bestemmingen gereguleerd wordt. Alle overige toegestane functies blijven met dit plan mogelijk. Er worden dus geen extra functies toegevoegd, die al dan niet gevoelig of milieubelastend zijn. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het centrum van Hoogeveen is globaal blauw omcirkeld. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid treden er geen belemmeringen op. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 44
Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart; plangebied globaal blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
5.10
Verkeer en parkeren
Het onderhavige plan leidt voorzover nu bekend niet tot extra verkeer of parkeerbewegingen die een onevenredige toename met zich mee brengen. Bovendien is het parkeren geregeld conform de geldende parkeerverordening van de gemeente.
5.11
Molenbiotoop
Molens worden als landschapsverfraaiende en cultuurhistorisch belangrijke elementen in onze omgeving gezien. De molens die er nog over zijn worden daarom beschermd. Of ze ook daadwerkelijk nog in bedrijf kunnen zijn hangt af van de ruimte rond de molen. Voor windmolens is het behoud van een vrije ruimte voor onbelemmerde windvang van groot belang. De voor de windvang van belang zijnde ruimte rond de molen wordt het molenbiotoop genoemd. Naast bepalingen over de hoogte en de massa van gebouwen in de omgeving van de molen is ook het groenbeheer van groot belang. Ook hoge bomen kunnen veel wind wegvangen. Aan de van Echtenstraat 47 bevindt zich de stellingmolen De Zwaluw. De molen stamt uit 1834 en is draaivaardig. In het geldende bestemmingsplan 'Oost/Oranjebuurt 2009' (vastgesteld op 4 juli 2012) heeft de molen een eigen bestemming, maar er is geen beschermingszone rond de molen bestemd. Tot 250 meter rond de molen mogen de obstakels niet hoger zijn dan 9.10 meter. Met een grotere afstand vanaf de molen mogen de obstakels ook hoger zijn, op 300 meter tot circa 10 meter hoog, op 400 meter circa 12 meter, etc.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 45
Afbeelding 5.2: Molenbiotoop (bron: vigerende bestemmingsplan 'Stadscentrum 2008')
Binnen de beschermingszone van De Zwaluw ligt het stadscentrum, waarin hoge gebouwen als De Tamboer, de Tamboerpassage, de kerk en de nieuwe bibliotheek zijn gelegen. Omdat rondom de molen al hogere bebouwing aanwezig is dan de beschermingszone, is ervoor gekozen om geen beschermingszone op te nemen in het huidige plan 'Stadscentrum 2008'. Wel is binnen de bestemming Groen opgenomen dat de toe te voegen beplanting dient te voldoen aan de molenbiotoop. Daarnaast is de bouwhoogte van de bestaande bebouwing in het plan als zodanig bestemd. Dit is in onderhavig plan soortgelijk overgenomen.
5.12
Duurzaamheid
Aangezien er sprake is van een met name juridisch-administratieve wijziging in onderhavig bestemmingsplan is het aspect duurzaamheid minder van belang. In het kader van daadwerkelijke bouwontwikkelingen wordt dit aspect wel als uitgangspunt in de planvorming meegenomen.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 46
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving
Juridisch systeem
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied, zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen van een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt en wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.
6.2
Regels
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.
6.2.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming met de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen zijn in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 47
6.2.2
Bestemmingsregels
De volgende bestemmingen zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de regels: Artikel 3 Centrum; Artikel 4 Gemengd; Artikel 5 Gemengd - 1; Artikel 6 Gemengd - 2; Artikel 7 Gemengd - 3; Artikel 8 Gemengd - 4; Artikel 9 Gemengd - 5; Artikel 10 Gemengd - 8.
Deze bestemmingen zijn gebaseerd op de vigerende plannen 'Stadscentrum 2008' en 'Stadscentrum, deelplan Grote Kerkstraat 15, 2014'. In de hierboven opgesomde bestemmingen is enkel de detailhandelfunctie gereguleerd. Voor al het overige is dit bestemmingsplan conserverend en wordt niet in nieuwe ontwikkelingen voorzien. Voor de panden in de aanloopstraten van het centrum is de detailhandelfunctie onder een uitsterfconstructie gebracht, daar waar nog feitelijk detailhandel wordt geëxploiteerd. Dat betekent dat de huidige functie kan worden voortgezet, maar dat als deze detailhandelfunctie meer dan één jaar niet in een pand aanwezig is, de mogelijkheid tot het exploiteren van detailhandel vervalt voor de pandlocatie. Deze panden zijn op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van centrum - uitsterfconstructie' danwel 'specifieke vorm van gemengd - uitsterfconstructie'. Eén jaar is een gerechtvaardigde, evenredige termijn. In de toelichting, vooral in het beschreven beleidskader in Hoofdstuk 3, is onderbouwd dat de gemeente al gedurende een lange tijd bezig is met de leegstand in de aanloopstraten van het centrum en het vitaliseren van het stadscentrum in zijn geheel. De detailhandelregulering in de aanloopstraten is daarmee in een bepaalde mate voorzienbaar en er is een goede communicatie vanuit de gemeente richting de ondernemers en pandeigenaren.
Pandeigenaren en ondernemers kunnen bovendien aanspraak maken op de 'Verordening stimulering detailhandel stadscentrum Hoogeveen 2020' voor verplaatsing en transformatie. Daar waar momenteel leegstand is, een andere functie dan detailhandel wordt geëxploiteerd (bijvoorbeeld een kantoor) of de pandeigenaar en/of ondernemer aanspraak heeft gemaakt op de 'Verordening stimulering detailhandel stadscentrum Hoogeveen 2020', wordt de detailhandelfunctie per direct wegbestemd. Vanaf inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is detailhandel voor die pandlocaties niet meer toegestaan. Tot slot is voor een aantal gebouwen de aanduiding 'specifieke vorm van centrum - wonen op de begane grond' opgenomen. Hier ligt een eerder verleende omgevingsvergunning ten grondslag die dit wonen mogelijk maakt. Deze aanduiding is uit praktisch oogpunt opgenomen, zodat de huidige juridisch-planologische situatie goed zichtbaar is op een bepaalde locatie.
6.2.3
Algemene regels
In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Deze worden hieronder kort toegelicht.
Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel (Artikel 11) is om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 48
Algemene bouwregels De algemene bouwregels (Artikel 12) bevatten regels omtrent archeologische waarden. Voor het oprichten van bebouwing is archeologisch onderzoek noodzakelijk, indien de bebouwing meer bedraagt dan 500 m² en de bodemingreep dieper is dan 30 cm. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels (Artikel 13) is aangegeven welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn met de bestemmingen.
Algemene aanduidingsregels Artikel 14 bevat een algemene aanduidingsregel. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone industrie' zijn de gronden mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege een industrieterrein op geluidsgevoelige objecten. Het gebruik van niet-geluidsgevoelige objecten als geluidgevoelig object is ter plaatse van deze aanduiding verboden. Daarnaast geldt de regel dat het bouwen van gebouwen welke aangemerkt kunnen worden als een geluidgevoelig object, slechts is toegestaan indien de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van deze gebouwen niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels (Artikel 15) is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing. Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn. Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd.
6.2.4
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen in Artikel 16 en Artikel 17. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. In de slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven onder welke titel het bestemmingsplan wordt vastgelegd.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 49
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 50
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Algemeen
Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het stadscentrum. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen voorschriften worden voorgenomen activiteiten (bouwactiviteiten en gebruik van gronden en gebouwen) getoetst. Middels het stelsel van vergunningverlening worden de voorschriften toegepast. Als blijkt dat zonder of in afwijking va de voorschriften activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen. Handhaving heeft echter alleen zin wanneer de noodzaak en het nut hiervan kunnen worden aangetoond, een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) heeft plaatsgevonden en draagvlak onder betrokkenen kan worden verkregen voor het beleid.
7.2
Inventarisatie
Er heeft een inventarisatie van het plangebied plaatsgevonden. Hierbij is gekeken naar het grondgebruik, de verschillende functies en de bebouwing. Daarnaast wordt door middel van de inspraakmogelijkheden eenieder in de gelegenheid gesteld de plankaart te controleren op onjuistheden. Hiermee is een zo correct mogelijke plankaart de procedure ingegaan. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat in het plangebied en haar omgeving zich vrij snel nieuwe ontwikkelingen kunnen voordoen. Een inventarisatie is daarmee een momentopname.
7.3
Beleidskeuzen
Door de gemeente Hoogeveen is de kadernota integrale handhaving vastgesteld. Deze nota is de start van programmatisch handhaven in de gemeente Hoogeveen. Programmatisch handhaven is een structurele en integrale aanpak van de handhaving, waarbij de uitvoering onder andere is gebaseerd op een handhavingsprogramma. Daarbij worden door het bestuur de prioriteiten bepaald en worden handhavingsactiviteiten zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. In deze aanpak worden beleid en uitvoering opgevolgd door evaluatie en bijsturing. Programmatisch handhaven is daarmee een cyclisch, democratisch, integraal en transparant proces.
7.4
Inzet gemeentelijk apparaat
Aan de controle van het onderhavige plan wordt binnen de gemeente inhoud gegeven door een aantal ambtenaren die zich continu met handhaving bezighouden.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 51
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 52
Hoofdstuk 8
Uitvoerbaarheid
8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1.1
Overleg en communicatie betrokken winkeliers en pandeigenaren
In de afgelopen maanden is zowel in ondernemersverband (onder meer via centrummanagement) als persoonlijk met winkeliers en pandeigenaren meerdere keren over de plannen voor het verkleinen van het centrumgebied gesproken. De basis voor de gesprekken was oorspronkelijk de Ontwikkelingsvisie binnenstad uit 2017, waarin de verkleining van het centrumgebied al was voorzien en gemotiveerd op basis van de retailtrends en ontwikkelingen die toen voorzien werden. Deze visie is openbaar en is indertijd met betrokkenen gedeeld. Ondernemers hebben en kunnen nog gebruik maken van de subsidieregeling op basis van de Verordening Stimulering Detailhandel Stadscentrum die hiervoor in het leven is geroepen. Tot slot zullen binnenkort de betrokken ondernemers en pandeigenaren in een persoonlijke brief nader worden geinformeerd, zo ook zal in openbaar verband het concept-plan in de werkgroep centrumontwikkeling inzichtelijk worden gemaakt voordat het de formele procedure in gaat.
8.1.2
Inspraak en vooroverleg
Dit bestemmingsplan is een administratief- en juridisch voortvloeisel uit de afspraken die tussen gemeente en provincie zijn gemaakt over het revitaliseren van de binnenstad. Hierover is meermalen met de provincie overleg geweest. Provincie Drenthe heeft in haar vooroverlegreactie laten weten akkoord te gaan met het bestemmingsplan (Bijlage 2). Daarnaast is er in de aanloop van dit bestemmingsplan uitvoerig overlegd met en gecommuniceerd naar de winkeliers en pandeigenaren. Om deze reden is besloten de fase van voorontwerp over te slaan. Het bestemmingsplan is direct als ontwerp ter inzage gelegd.
8.1.3
Zienswijzen
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft gedurende zes weken van 17 juni 2021 tot en met 28 juli 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Tijdens de terinzagetermijn zijn twee zienswijzen ingediend. De Nota zienswijzen is opgenomen in Bijlage 3. In de Nota zienswijzen is puntsgewijs een samenvatting gegeven van de zienswijzen. Vervolgens is een reactie geformuleerd en is aangegeven of op basis van de ingediende zienswijze (een onderdeel van) het bestemmingsplan is gewijzigd. Naar aanleiding van één van de zienswijzen wordt het plan op een onderdeel aangepast. In het pand aan de Schutstraat 100 is in de huidige situatie een supermarkt gevestigd. Bestaande supermarkten worden niet wegbestemd in het bestemmingsplan. Per abuis was de supermarkt meegenomen op de verbeelding. Het pand aan Schutsplein 100 zal buiten het plangebied worden gelaten. Voorts is in paragraaf 3.4.10 de motivering aan de hand van de Dienstenrichtlijn aangevuld naar aanleiding van de beantwoording in de Nota zienswijzen.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 53
8.2
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan maakt functionele wisseling in en transformatie van panden mogelijk. Dit kan leiden tot planschade of overige kosten voortvloeiend uit deze transformaties. Deze kosten zijn inzichtelijk gemaakt en zijn door provinciale gelden gedekt. Voor de transformatie is een verordening opgesteld die de financiele afwikkeling mogelijk maakt. Daarmee is het bestemmingsplan uitvoerbaar.
Stadscentrum, deelplan Detailhandel ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8017020-ON01 54