CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019_ontwerp_1.pdf

Raadsavond 9 december 2021, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 201929.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 28

6 april 2021

Voor een klimaatrobuuste inrichting adviseert het waterschap om na te denken hoe wateroverlast in woningen voorkomen kan worden. Welke hoogteverschillen je daarvoor nodig hebt is onder andere afhankelijk van de situatie, de beschikbare ruimte en de noodzaak om water op straat te brengen. De bovengrondse inrichting dient bij extreme neerslag in staat te zijn het deel van de neerslag, dat niet afgevoerd kan worden door het hemelwaterriool, af te voeren naar hiervoor aangewezen locaties. Voor extreme neerslag wordt als richtlijn een bui met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de impact van klimaatverandering. Dit is vertaald naar een bui van 60 mm in één uur. Peilen Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddeld hoogtegrondwaterstand en het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil. Riolering Het afvoeren van vuil- en hemelwater wordt zo ingericht dat de hydraulische belasting op de RWZI zo veel als mogelijk wordt verminderd. Daarnaast worden overstorten (van vuilwater) beperkt. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Gescheiden afvoer: Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het hemelwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt.

Bij het gescheiden afvoeren van hemelwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water. Rioolcapaciteit: De capaciteit van het huidige rioolstelsel vormt een aandachtspunt. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het waterschap heeft de voorkeur om daar waar mogelijk, het hemelwater oppervlakkig af te voeren en via een wadi te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, i s ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater.

Waterkwaliteit en ecologie Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. De uitgangspunten zijn: Microverontreiniging: Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink mogen niet worden gebruikt. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Doorspoeling oppervlaktewater: Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen worden vermeden. Het watersysteem wordt ontworpen met aandacht voor doorspoeling. Peilbeheersing: Het waterschap kan sturen in de waterkwaliteit door bijvoorbeeld water in te laten of juist af te voeren. Vooral in gebieden net droogvallende sloten i s het belangrijk hier rekening mee te houden.

Beheer en onderhoud Functiegericht beheer tegen de laagst mogelijke kosten. Eigendom van water: Alle wateren die een functie hebben in de waterhuishouding (afvoer, aanvoer of berging) liggen in openbaar gebied. Onder bepaalde voorwaarden neemt het waterschap het beheer en onderhoud van deze wateren over na realisatie in de bouwrijpfase. Uitgangspunt voor onderhoud vanaf de kant i s dat er rekening wordt gehouden met Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 29

6 april 2021

obstakelvrije zones. Dus er worden geen bomen of paaltjes of dergelijke geplaatst op de onderhoudsroutes van de greppels.

Plansituatie Voorgenomen inrichting Noordscheschut wordt een buurtschap van 33 woningen, waarvan 15 woningen in het noordelijke deel van het plangebied en 18 woningen in het zuidelijke deel van het plangebied worden gerealiseerd.

Figuur 5.2: Voorgenomen inrichting plangebied. Blauwe pijlen geven de indicatieve afstromingsrichting van hemelwater, hierbij is de stippellijn een hemelwaterriool en de doorgetrokken lijn een molgoot. De peilen geven de indicatieve weghoogte. Hemelwaterverwerking en watercompensatie In het plangebied zit voldoende ruimte voor de inpassing van de watercompensatie. Het hemelwater van de wegen wordt bovengronds afgevoerd. Figuur 5.2 toont de indicatieve afstromingsrichting van hemelwater. In het noordelijke deelgebied vindt waterberging plaats in een ondergrondse infiltratievoorziening. De benodigde berging (10% van het oppervlak aan verharding à 5.278 m2 ) is omgerekend 158,5 m3 . Een infiltratiekrat van het type Aquacell Eco heeft een netto waterbergend vermogen van 190 liter per krat. In totaal worden er in het noordelijk deelgebied 834 stuk kratten aangebracht ter compensatie van verhardingen. Op de kavels is voldoende ruimte voor de inpassing van de infiltratiekratten. De infiltratiekratten zijn 0,4 m hoog. Rondom de infiltratiekratten dient minimaal 0,3 m aanwezig te zijn (conform de uitgangspunten van de leverancier). Bij afwezigheid van zand is bodemverbetering nodig door middel van het toepassen van zand. Onder de infiltratiekratten (in het zandpakket) wordt drainage aangelegd om de infiltratiekratten voldoende snel te kunnen ledigen.

De drainage voert het hemelwater na bodempassage vertraagd af naar het Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 30

6 april 2021

hemelwaterriool. In figuur 5.2 is de ligging van het hemelwaterriool opgenomen. De infiltratiekrat wordt minimaal 0,2 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand aangelegd, dus de onderkant van de infiltratiekrat komt op NAP 11,70. Boven de infiltratiekrat adviseert de leverancier minimaal 0,40 m gronddekking, dus ter plaatse van de infiltratievoorziening is de terreinhoogte NAP 12,50 m. Bij de infiltratievoorziening wordt op de kavels een overstort gerealiseerd die in werking kan treden als de infiltratievoorziening volledig is gevuld en de neerslag aanhoudt. De bovengrondse inrichting dient bij extreme neerslag in staat te zijn, het deel van de neerslag dat niet afgevoerd kan worden door de infiltratiekratten, af te voeren naar hiervoor aangewezen locaties. Voor extreme neerslag wordt als richtlijn een bui met een herhalingstijd van 1x per 100 jaar gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de impact van klimaatverandering. Dit is vertaald naar een bui van 60 mm in één uur. Na de bestemmingsplanfase wordt het waterhuishoudkundig ontwerp nader uitgewerkt en getoetst voor de extreme bui. In het zuidelijke deelgebied worden in de wegen molgoten gerealiseerd waarmee het hemelwater bovengronds kan afstromen naar de waterbergingslocaties. Er wordt geen hemelwaterriool aangebracht onder de wegen.

Het hemelwater van de daken en particuliere verhardingen mag afvoeren naar de weg. Na de bestemmingsplanfase wordt het waterhuishoudkundig ontwerp nader uitgewerkt en getoetst voor de extreme bui. In het zuidelijke deelgebied is de benodigde berging (10% van het oppervlak aan verharding à 7.100 m2 ) omgerekend 213 m3 . De waterbergingslocaties hebben een waterbergend vermogen van 236 m3 . Dit betekent dat ruimschoots wordt voldoen aan de benodigde watercompensatie. Hieronder volgt een profiel van de waterbergingslocaties en inhoudsberekening. Waterberging aan de westzijde van het plangebied heeft een lengte van 115 m. Onderstaande figuur toont het profiel. Het waterbergend vermogen is 115 m lengte * 0,40 m = 46 m3 berging.

De tweede waterberging ligt op 5 m afstand van de Hoogeveense Vaart (buiten de beschermingszone). De waterberging heeft een lengte van 46 m. Onderstaande figuur toont het profiel. Het waterbergend vermogen is 46 m lengte * 4,13 m = 190 m3 berging.

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 31

6 april 2021

Beheer en onderhoud De gemeente heeft het waterschap geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Na het vaststellen van het bestemmingsplan wordt een waterhuishoudkundig ontwerp nader uitgewerkt t.b.v. het verkrijgen van de watervergunningen. Het ontwerp wordt opgesteld in afstemming met het waterschap en de gemeente. Bij het bouwrijp maken van het terrein dient de humeuze teelaardelaag te worden verwijderd voordat het terrein wordt opgehoogd. Daarnaast moet verdichting van de bodem ten gevolge van rijden met zware machines worden voorkomen of worden hersteld middels grondbewerkingen (diepspitten).

5.3.3

Conclusie

De gemeente heeft het waterschap geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het onderhavige plan heeft geringe invloed op de waterhuishouding. "De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies". Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.4

Natuur en Ecologie

5.4.1

Wettelijk kader

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft. Provinciale Staten hebben op 13 december 2019 de beleidsregels Wet Natuurbescherming Drenthe gewijzigd vastgesteld voor gebiedsbescherming, soorten- en faunabescherming en houtopstanden. In dit document zijn alle bestaande beleidsregels, die gebaseerd zijn op regelgeving die in de Wet Natuurbescherming samen komen, in één document samengevoegd. Daarnaast zijn voor de nieuwe taken enkele nieuwe bepalingen opgenomen. 5.4.2

Onderzoek

Het is noodzakelijk om op basis van de Wet natuurbescherming vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen en andere plannen en activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. Optredende negatieve effecten dienen zo veel mogelijk vermeden of geminimaliseerd te worden. Voor schade aan strikt beschermde soorten kan het noodzakelijk zijn om een ontheffing aan te vragen bij de Provincie Drenthe. In verband hiermee is in opdracht van de gemeente Hoogeveen een onderzoek uitgevoerd om de eventuele gevolgen van het plan op de beschermde natuurwaarden in kaart te brengen. Het onderzoeksrapport (Quickscan natuurtoets woningbouw Noordscheschut van 27 maart 2020 met kenmerk 19-263) dat in dit kader is opgesteld is als bijlage aan dit plan gevoegd. (zie bijlage 5). Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van zowel Natura 2000- gebied als het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS- gebieden). Er zijn op grond van de afstand en aard van de ingreep Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 32

6 april 2021

geen negatieve effecten op deze gebieden te verwachten, gezien de barrières die al aanwezig zijn tussen het plangebied en de natuurgebieden. Hierbij moet gedacht worden aan bebouwing, infrastructuur en open agrarisch gebied. Er vindt ook geen aantasting plaats van beschermde natuurmonumenten of belangrijke natuur buiten de Natura 2000-gebieden of het NNN. Stikstofdepositie De effecten ten aanzien van stikstofemissies die vrijkomen bij de aanleg- en gebruiksfase van de woningen zijn in beeld gebracht middels een modelberekening met AERIUS en getoetst volgens de huidige kaders van de Wet natuurbescherming. Middels de AERIUS-calculator is een berekening uitgevoerd om te bepalen of er al dan niet sprake zal zijn van een toename in stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/jaar) in het Mantingerzand of andere en verder weg gelegen gebieden. De aanlegfase en gebruiksfase zijn in één berekening uitgevoerd, waarbij het rekenjaar 2020 is gehanteerd. Uit de stikstofberekening (met kenmerk RkHJEFbthfSi op 15 februari 2020; zie bijlage 6) blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Zodoende zijn er geen negatieve effecten door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Bij uitvoering van het plan is geen sprake van vergunningsplicht.

Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000-gebieden is niet aan de orde. Soortenbescherming Ook voor de soortenbescherming is de Wnb van belang en eventueel het provinciaal soortenbeleid. In de Wnb is bepaald dat beschermde dieren die in de wet zijn aangewezen, niet gedood, gevangen of opzettelijk verontrust mogen worden. Planten mogen niet geplukt of verzameld worden. Verder is het niet toegestaan om nesten, holen of andere vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren te beschadigen, vernietigen of te verstoren. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden een ontheffing van de verbodsbepalingen verlenen. Uit de quickscan is gebleken dat in het plangebied geen beschermde plantensoorten zijn aangetroffen. Ook vaste verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. De watergang 'Calkoenswijk' binnen het plangebied wordt mogelijk gebruikt als vliegroute door vleermuizen. Ook aanwezige opgaande beplanting aan de rand van het plangebied vormt mogelijk een (onderdeel van een) vliegroute. Deze beplanting blijft grotendeels behouden als erfgrens en daarmee de potenties voor vleermuizen. Alternatieve vliegroutes zijn o.a. aanwezig in de vorm van bosgebied ten oosten van de Boogerdweg en watergangen de 'Tweede en Derde Wijk' ten zuiden van het plangebied. Van onmisbare foerageergebieden is binnen het plangebied dan ook geen sprake.

Vanwege het huidige agrarische gebruik en de openheid van het plangebied is er tevens geen sprake van belangrijk of onmisbaar foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is daarnaast ruim voldoende alternatief foerageergebied voorhanden. Realisatie van het plan leidt niet tot schade aan onmisbare vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen. Vervolgstappen voor vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde. De sparren rond Boogerdweg 4 zijn geschikt als verblijfplaats van eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn hier op sparrenkegels vraatsporen van eekhoorn aangetroffen. Door de dichte groeiwijze van de sparren was het gedurende het veldbezoek niet mogelijk om eventuele eekhoornnesten te lokaliseren. Voor de beschermde eekhoorn is het noodzakelijk om extra mitigerende maatregelen uit te voeren bij het kappen van de bomen rond Boogerdweg 4. Om negatieve effecten van de kap op eekhoorn tot een minimum te beperken en om een ontheffingsaanvraag te voorkomen moet worden gewerkt volgens de eisen uit een goedgekeurde gedragscode, zoals die van Stadswerk Ruimtelijke Ontwikkeling van de Vereniging Stadswerk Nederland.

Het werken conform eisen van een dergelijke gedragscode is overigens alleen toegestaan indien de gemeente Hoogeveen de gedragscode als uitgangspunt heeft opgenomen bij uitvoering van voorgenomen kapwerkzaamheden of de gedragscode geïmplementeerd heeft binnen de organisatie. De maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol waarna ecologische begeleiding plaatsvindt door een ter zake kundige. Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 33

6 april 2021

Uit de quickscan is ook gebleken dat in het plangebied grondgebonden zoogdieren te verwachten zijn. Dit zijn onder andere Mol, Haas, Huisspitsmuis, Bosspitsmuis spec., Bosmuis, Veldmuis en Rosse woelmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de provincie Drenthe automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is. Op de dakpannen van de bestaande woningen direct ten noorden van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek huismussen waargenomen. Deze broedgelegenheid van huismus zal niet verdwijnen als gevolg van de plannen. Tevens zal het belangrijkste leefgebied van huismus (erven) behouden blijven, waardoor geen negatieve effecten op leefgebied van de soort plaatsvinden. Het nemen van vervolgstappen voor huismus is niet aan de orde. In de groenstructuren en watergangen binnen en direct langs het plangebied is geschikt broedbiotoop aanwezig voor enkele algemene vogelsoorten zoals bijvoorbeeld merel, wilde eend, meerkoet, heggen-mus, zwartkop, gaai, houtduif en roodborst. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen uit te voeren. In voorliggende situatie kan voor de te verwachten soorten de periode tussen eind februari en eind november worden aangehouden als broedseizoen. Wanneer werkzaamheden binnen deze periode worden uit-gevoerd adviseren we om een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren of het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels om de vestiging van broedende vogels te voorkomen. Op circa 200 meter ten noordoosten van het plangebied zijn waarnemingen van alpenwatersalamander bekend (NDFF, 2020). Bij het veldbezoek zijn geen alpenwatersalamanders aangetroffen in de watergangen. Overigens zijn de watergangen ongunstig als leefgebied van alpenwatersalamander. Zo is de brede watergang nagenoeg volledig bekend met kroos wat voor extreem zuurstofarme onstandigheden zorgt in het watermilieu. Verder is het waterpeil in de andere watergang erg laag, waarschijnlijk valt deze in het vroege voorjaar al droog. Bovendien is het aantal geschikte locaties voor eiafzet (waterplanten of bladeren) beperkt.

Voortplanting of overwintering van de alpenwatersalamander wordt op basis van de habitateisen en terreinkenmerken dus ook niet verwacht binnen het plangebied. Vervolgstappen ten aanzien van de alpenwatersalamander zijn niet aan de orde. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens wordt voortplanting en overwintering van andere in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën (zoals kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en heikikker) uitgesloten. Wel is binnen het plangebied voortplanting en overwintering mogelijk van algemene amfibiesoorten als gewone pad en bruine kikker. Deze soorten zijn ook in de omgeving van het plangebied waargenomen (NDFF, 2019). Bij realisatie van de plannen kunnen enkele exemplaren van deze vrijgestelde amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Drenthe vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is. Van grote modderkruiper zijn waarnemingen bekend in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2019). Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren van grote modderkruiper gevangen. Op basis van terrein-kenmerken en bekende verspreidingsgegevens is het voorkomen van de soort wel mogelijk binnen het plangebied.

Als aanpassingen plaatsvinden aan de watergangen wordt mogelijk leefgebied van de grote modderkruiper aangetast. Om het voorkomen van de grote modderkruiper uit te sluiten of aan te tonen is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hiervoor is Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 34

6 april 2021

gekozen voor het bemonsteren van environmental-DNA (eDNA). Zie hiervoor bijlage 7. De aangeleverde monsters voor het eDNA onderzoek zijn negatief bevonden voor de aanwezigheid van Grote Modderkruiper DNA. Nader onderzoek en/of een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. 5.4.3 Conclusie Voor de ontwikkeling van woningbouw ten zuiden van Noordscheschut worden op voorhand geen beperkingen verwacht voor wat betreft de Wnb. Wel is het noodzakelijk om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met eventueel aanwezige broedvogels en vissen.

5.5

Geluid

5.5.1

Wettelijk kader

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Dit geldt alleen voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op geluidsbronnen. Er worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of industrielocaties mogelijk gemaakt. Bovendien vindt geen wijziging van het luchtvaartverkeer plaats op basis van het bestemmingsplan. In dat kader is dan ook geen onderzoek noodzakelijk. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.

Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder 'woning' wordt verstaan (art. 1 Wgh): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (art. 1.1)). In art. 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden.

Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. 5.5.2

Onderzoek

Voor het onderdeel wegverkeerslawaai is in 2010 ook een berekening uitgevoerd, met de een verwachtte verkeersintensiteit van 3000 motorvoertuigen per etmaal op het deel van de Coevorderstraatweg, dat in het kader van de Wet geluidhinder voorzien is van een zone. Binnen deze zone moet er een berekening worden uitgevoerd naar de geluidbelasting. Indien dit beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden is, is er geen belemmering. Er zijn verkeersgegevens verstrekt door de verkeerskundige van de gemeente Hoogeveen. Hieruit is blijkt de de 3000 motorvoertuigen die in 2010 voor 2020 was verwacht, bij lange na niet is Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 35

6 april 2021

gehaald. De etmaalintensiteit bedraagt nu circa 1700 motorvoertuigen. Hierdoor is de geluidbelasting op het gebied lager dan eerder voorzien en is de geluidbelasting op het gebied nu overal lager dan 48 dB Lden en is er geen belemmering voor deze ontwikkeling.

Figuur 5.3: Geluidcontouren tgv Coevorderstraatweg

5.5.3

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect geluid de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

5.6

Milieuzonering bedrijven

5.6.1

Wettelijk kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). 5.6.2

Onderzoek

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd. Wel is het industrieterrein ten noorden van het plangebied gelegen. De mogelijke effecten van deze bedrijven op de nieuwbouw zijn in een aantal milieuaspecten reeds aan bod gekomen. In dit geval hoeft geen aanvullende toetsing aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' plaats te vinden. 6.3

Conclusie

Het aspect milieuhinder staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 36

6 april 2021

5.7

Milieueffectrapportage (MER)

5.7.1

Normstelling en beleid

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt a l s bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

5.7.2

Toetsing en uitgangspunten voor het plan

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 28 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op ….. is bij besluit van …. vastgesteld dat geen MER nodig is (zie Bijlage 8). Ook is daar de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

5.8

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. Bij ieder besluit dat de kwaliteit van de lucht kan beïnvloeden moet worden gekeken naar de verwachte luchtkwaliteit en moet worden bepaald of kan worden voldaan aan de grenswaarden die in de Wet luchtkwaliteit zijn opgenomen. Bij bestemmingsplannen is het van belang om te beoordelen hoe de luchtkwaliteit zich gedraagt gedurende de planperiode. Hierbij worden de volgende stoffen beoordeeld: benzeen, kool(stof)monoxide (CO), lood, stikstofdioxide (NO2 ), zwaveldioxide (SO2 ) en zwevende deeltjes (PM1 0; ook wel fijn stof genoemd). De kritische parameters in Nederland zijn fijn stof (PM1 0) en stikstofdioxide (NO2 ). De overige Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 37

6 april 2021

verontreinigende stoffen waaronder benzeen, lood, zwaveldioxide en koolstofmonoxide bevinden zich in Nederland ruim onder de grenswaarden. De verwachting is dat dit ook in de toekomst zo zal blijven waardoor berekening van deze waarden niet relevant is. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van het Besluit en de Regeling dragen projecten met woningbouw waar minder dan 1500 woningen met 1 ontsluitingsweg of 3000 woningen met 2 ontsluitingswegen worden gerealiseerd niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het woningaantal in het plangebied bedraagt maximaal 33 woningen en ligt ruim beneden deze kwantitatieve grenzen. Een nader luchtkwaliteitsonderzoek is niet aan de orde

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de herontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet Luchtkwaliteit.

5.9

Externe veiligheid

Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied. Dit onderzoek bestaat uit het in beeld brengen van alle relevante risicofactoren met de bijbehorende risico's alsmede het vaststellen van de invloed hiervan op het plangebied. Stationaire bronnen In het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven. Het dichtstbijzijnde risicovolle bedrijf, een LPG-tankstation ligt op ruim 280 meter van het plangebied.

Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico (PR10-6)-contouren en buiten de invloedsgebieden van risicovolle bedrijven. Er hoeft dan ook geen toetsing plaats te vinden aan de veiligheidsafstanden op basis van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, zoals verwoord in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor en het water is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vanaf 1 april 2015 van kracht geworden. De dichtstbijzijnde transportroutes voor gevaarlijke stoffen, de A28 en de A37, liggen op ca. 1 km van het plangebied. De ruimtelijke ontwikkeling ligt niet binnen een plaatsgebonden risico (PR10-6)-contour van deze wegen. Daarnaast ligt het plangebied ook buiten het invloedsgebied van de A28 en de A37, waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden. Een toetsing aan veiligheidsafstanden op basis van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, zoals verwoord in het Bevt is dan ook niet nodig. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risico (PR10-6)-contour of in het invloedsgebied van hoge druk aardgasleidingen of andere buisleidingen voor transport van Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 38

6 april 2021

gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde hoge druk aardgasleidingen (N-520-14, 40 bar, Ø 60 mm en N-520-21, 40 bar, Ø 159 mm) liggen op respectievelijk ruim 800 en 900 meter van het plangebied. Een toetsing aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen is dan ook niet aan de orde. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.

5.10

Duurzaamheid

Hoogeveen streeft naar een duurzame ontwikkeling in haar gemeente. De gemeente heeft haar ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord in de Milieuvisie. Een van de speerpunten is energieneutraal bouwen. Er moet een stap worden gezet naar een duurzame leefomgeving. Belangrijk hierbij is het vergroten van de bewustwording. Duurzaam bouwen is niet alleen het ontwikkelen van een woning die zo lang mogelijk kan voldoen aan onze woonbehoefte. Het is vooral ook een bouwwijze die goed is voor mens en milieu. Het betekent verantwoord omgaan met water, energie, grondstoffen en ook de open ruimte. Duurzaam bouwen vraagt met andere woorden om een integrale aanpak waarbij je bewust vooraf keuzes maakt. Met betrekking tot milieukwaliteit (en daaraan de gezondheidskwaliteit gekoppeld) van woningen, gebouwen en andere bouwwerken kunnen drie belangrijke thema's worden onderscheiden: - energiebesparing en toepassing van opties van hernieuwbare energie met als doel de terugdringing van de CO2 -emissie door de gebouwde omgeving; - toepassing van verantwoord materiaalgebruik ten einde de condities voor het milieu te verbeteren; - maatregelen gericht op verbetering van het binnenklimaat met het oog op de gezondheid van bewoners en gebouwgebruikers. Er zijn verschillende strategieën voor het ontwerp van duurzame woningen en gebouwen.

In onderstaande afbeelding zijn nog andere verschillende mogelijkheden weergegeven die toegepast kunnen worden bij de bouw van een nieuwe woning.

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 39

6 april 2021

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 40

6 april 2021

Hoofdstuk 6 6.1

Planbeschrijving

Juridisch systeem

ls opzet voor de planologische regeling van dit gebied, is gekozen voor een verbeelding met flexibele bestemmings- en bouwregels, waarin het door de gemeente vastgestelde beleid wordt omschreven. Hiermee wordt een materiële rechtszekerheid beoogd; alleen activiteiten die in het karakter van het gebied passen zijn toegestaan. De in het plangebied voorkomende stedenbouwkundige kwaliteiten worden door de keuze van de bestemming en de daarin gegeven bouwregels zoveel mogelijk gewaarborgd. Hoewel deze kwaliteiten niet voor alle in het plangebied voorkomende gebieden even waardevol zijn, is gekozen voor een uniforme wijze van bestemmen voor het gehele gebied. Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Dit betekent dat het bestemmingsplan wordt opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2008. Deze standaard is per januari 2010 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan.

Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro. Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan.

6.2

Regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.3 nader uitgewerkt. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels . De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd, die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.

6.3

Verklaring van de bestemmingen

Artikel 3 Agrarisch Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn de bestaande agrarische percelen opgenomen. Binnen de bestemming zijn agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan in de vorm van een bedrijf dat is Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 41

6 april 2021

gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het weiden van dieren. De bestaande twee woningen zijn tevens toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - loods' is een agrarische loods toegestaan. Bebouwing binnen deze bestemming dient gesitueerd te worden binnen het bouwvlak.

Artikel 4 Groen Binnen de bestemming ´Groen´ zijn de openbare groenvoorzieningen opgenomen. Naast groenvoorzieningen zijn ook fiets- en voetgangerspaden toegestaan, alsmede water, speelvoorzieningen en zend-/ontvangsinstallaties ten behoeve van de openbare orde. Daarnaast is bebouwing ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan.

Artikel 5 Tuin De gedeelten van de percelen waar geen (bij)gebouwen mogen worden gebouwd, hebben deze bestemming gekregen. Meestal liggen deze gronden tussen de voorgevel van de gebouwen en de openbare weg. Ook kan aan de zijkant van de gebouwen deze bestemming gelegen zijn, om bepaalde doorzichten te kunnen houden naar het achterliggende buitengebied toe.

Artikel 6 Verkeer Binnen de bestemming ´Verkeer´ vallen alle wegen in het plangebied. Ook de parkeervoorzieningen, en ondergeschikte groenvoorzieningen zijn hierbij opgenomen.

Artikel 7 Water De bestemming ´Water´ is bedoeld voor de in het plangebied aanwezige waterpartijen ten behoeve de waterbergingsfunctie en de waterhuishouding.

Artikel 8 Wonen De bestemming ´Wonen´ heeft betrekking op de te realiseren woningen in het plangebied. In het plangebied worden vrijstaande, twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde woningen mogelijk gemaakt. Voor de verschillende woningtypen zijn door middel van specifieke bouwaanduidingen passende maxima voor de goot- en bouwhoogte, dakhelling en kapvorm aangegeven. Bijgebouwen zijn toegestaan met een maximale goothoogte van 3 meter en maximale bouwhoogte van 8 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw. V In het algemeen mogen woningen en de daarbij behorende bijgebouwen gedeeltelijk worden gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of voor een aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. Dit betekent dat slechts maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen tot niet meer dan 75 m² gebruikt mag worden voor het aan-huis-verbonden beroep of voor een aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit. Door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan mantelzorg worden toegestaan in een al dan niet vrijstaand bijgebouw. Hieraan wordt de voorwaarde verbonden dat de vergunning vervalt op het moment dat de mantelzorg wordt beëindigd.

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 42

6 april 2021

Hoofdstuk 7 7.1

Handhaving

Algemeen

Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat zonder of in afwijking van de regels activiteiten danwel gebruik plaatsvinden en de afwijking niet op enige wijze kan worden gelegaliseerd en niet past binnen het gemeentelijk beleid, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.

7.2

Beleidskeuzen

Door de gemeente Hoogeveen is een kadernota integrale handhaving vastgesteld. Deze nota is de start van programmatisch handhaven in de gemeente Hoogeveen. Programmatisch handhaven is een structurele en integrale aanpak van de handhaving, waarbij de uitvoering onder andere is gebaseerd op een handhavingsprogramma. Daarbij worden door het bestuur de prioriteiten bepaald en worden handhavingsactiviteiten zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. In deze aanpak worden beleid en uitvoering opgevolgd door evaluatie en bijsturing. Programmatisch handhaven is daarmee een cyclisch, democratisch, integraal en transparant proces.

7.3

Inzet gemeentelijk apparaat

Aan de controle van het onderhavige plan wordt binnen de gemeente inhoud gegeven door een aantal ambtenaren die zich continu met handhaving bezighoudt.

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 43

6 april 2021

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 44

6 april 2021

Hoofdstuk 8 8.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het conceptbestemmingsplan is ingestuurd voor vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro. Hierop is door de provincie Drenthe en Stichting Woon advies commissie Hoogeveen een inhoudelijke reactie gegeven. De vooroverlegreacties zijn puntsgewijs samengevat weergegeven, alsmede het gemeentelijk standpunt in de nota vooroverleg bestemmingsplan 'Noordscheschut, deelplan uitbreiding woningbouw 2019' die als bijlage 9 is opgenomen. De reacties zijn per aangehaald punt beantwoord. Waar de reacties tot aanpassingen hebben geleid wordt dit vermeld.

Vervolgprocedure Het ontwerpbestemmingsplan zal vervolgens ter inzage worden gelegd gedurende een periode van 6 weken. Gedurende deze inzagetermijn kan een ieder een zienswijze kenbaar maken. De bekendmaking hiervan zal plaatsvinden in de Hoogeveensche Courant alsmede in de Staatscourant en via elektronische weg. Het vervolg daarop bestaat, kort samengevat, uit de volgende stappen in de procedure: vaststelling (al dan niet gewijzigd) door de gemeenteraad; beroepsmogelijkheid bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.2

Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten en de risico's voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om het voornemen te bekostigen. Hiermee is aan de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.

Grondexploitatie Doel van de grondexploitatieregeling is het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal door de gemeente. De gemeente heeft hierdoor meer sturingsmogelijkheden. Daarnaast kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen is de grondexploitatie regeling van toepassing, tenzij het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Hiervoor is tussen de gemeente en de initiatiefnemers een (anterieure) overeenkomst gesloten. Hier zijn onder andere het verhalen van eventuele planschade- en het verhalen van de kosten met betrekking tot het opstellen van het bestemmingsplan in geregeld. Hiermee is het voor het plan relevante kostenverhaal anderszins verzekerd. De gemeenteraad besluit daarom bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen grondexploitatieplan vast te stellen.

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 45

6 april 2021

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 46

6 april 2021

Bijlagen bij de toelichting

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 47

6 april 2021

Bijlage 1

Verkennend (water)bodemonderzoek

Noordscheschut , deelplan uitbreiding woningbouw 2019 ontwerp

NL.IMRO.0118.2019BP8015003-ON01 48

6 april 2021

Verkennend (water)bodemonderzoek Nieuwbouwplan Noordscheschut

Opdrachtgever: Kenmerk: Datum:

Gemeente Hoogeveen 009355 2 juli 2020

Projectleider: G.D.F. Klein Teeselink

Auteur: G.D.F. Klein Teeselink

Collegiale toets: W. Hoitzing

Datum:

Datum:

Datum:

30 juli 2020

Akkoord:

Akkoord:

30 juli 2020

30 juli 2020

Akkoord:

Buro Hollema Asserstraat 12 9451 AC Rolde Tel: (0592) 24 13 13 info@burohollema.nl www.burohollema.nl

STD_R090_v005_201801103

Buro Hollema streeft naar een optimale verhouding tussen kwaliteit en prijs. Periodiek wordt ons kwaliteitssysteem gecontroleerd door Normec Certification. Buro Hollema is in het bezit van de volgende certificaten: ▪ ISO 9001:2015; ▪ BRL 6000 (6001). Op basis van de bovenstaande certificaten is Buro Hollema erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Tenzij anders vermeld zal Buro Hollema al haar werkzaamheden conform de bovenstaande normen en richtlijnen uitvoeren. Er bestaat geen (functionele) relatie tussen de opdrachtgever en Buro Hollema.

INHOUDSOPGAVE 1 2

3

4

5

6

Inleiding ..................................................................................................................................................................... 1 Vooronderzoek .......................................................................................................................................................... 2 Bronnen .................................................................................................................................................................... 2 Algemene gegevens .................................................................................................................................................. 2 Bodemgebruik ........................................................................................................................................................... 3 Uitgevoerde bodemonderzoeken ............................................................................................................................. 4 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................................................. 5 Hypothese en onderzoeksstrategie ............................................................................................................................

6 Hypothese ................................................................................................................................................................. 6 Onderzoeksstrategie ................................................................................................................................................. 6 Veldwerkzaamheden.................................................................................................................................................. 8 Opzet......................................................................................................................................................................... 8 Resultaten ................................................................................................................................................................. 9 Laboratoriumonderzoek ........................................................................................................................................... 12 Analyseprogramma ................................................................................................................................................. 12 Analyseresultaten ...................................................................................................................................................

13 5.2.1 Chemische parameters ....................................................................................................................................... 14 5.2.2 Asbest ................................................................................................................................................................. 16 5.2.3 Interpretatie ....................................................................................................................................................... 16 Toetsing aan de gestelde hypothesen .................................................................................................................... 18 Toetsing aan de noodzaak tot aanvullend onderzoek ............................................................................................ 18 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................. 19

BIJLAGEN 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7)

Regionale ligging onderzoekslocatie Situatietekening met onderzoekspunten Bodemprofielbeschrijvingen Analysecertificaten Overschrijdingstabellen Fotoreportage Gegevens vooronderzoek

APPENDIX Verantwoording

009355

1

INLEIDING

In opdracht van Gemeente Hoogeveen is door Buro Hollema B.V. in collegiale samenwerking met Ortageo Noordoost B.V. een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd voor het nieuwbouwplan Noordscheschut in de gemeente Hoogeveen. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het gebied. Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of er door een eventuele bodemverontreiniging consequenties zijn voor het voorgenomen grondwerk en/of toekomstig gebruik van de locatie. Onderdeel van het bodemonderzoek betreft een nader bodemonderzoek om inzicht te krijgen in de actuele mate en omvang van een tijdens eerder uitgevoerd onderzoek vastgestelde sterke verontreiniging met zware metalen ter plaatse van een dam (inrit) nabij de Modderwijk. In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek weergegeven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 zijn de hypothese en de onderzoekstrategie beschreven. De veldwerkzaamheden zijn in hoofdstuk 4 en het laboratoriumonderzoek is in hoofdstuk 5 beschreven. Het rapport wordt besloten met een samenvatting, de conclusies en de aanbevelingen (hoofdstuk 6). In de appendix zijn de verschillende kaders van het onderzoek beschreven (waaronder wet-/regelgeving en toetsingskader) en is de verantwoording opgenomen.

009355

Pagina 1 van 21

2

VOORONDERZOEK

Voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd. Doel van het vooronderzoek is het achterhalen van (potentieel) bodemverontreinigende activiteiten die nu plaatsvinden of in het verleden hebben plaatsgevonden op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Bronnen In onderstaande tabel zijn de in het kader van het vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergeven. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Nr.

Bron

Verwijzing/toelichting

1

Topografische kaart, kadastrale gegevens

Kadaster, opgenomen in bijlage 1

2

Mondelinge / schriftelijke informatie van opdrachtgever

Verwerkt in dit hoofdstuk

3

Gemeente Hoogeveen en RUD Drenthe

Verwerkt in dit hoofdstuk

Internetbronnen:

4

5

•

Actuele luchtfoto’s en straatoverzichten

www.google.nl/maps en pdokviewer.pdok.nl

•

Historische topografische kaarten

www.topotijdreis.nl

•

TNO-NITG (gegevens bodemopbouw / grondwater)

www.dinoloket.nl

•

Bodemloket (dossiervermelding onderzoek / sanering)

www.bodemloket.nl

•

Ligging kabels en leidingen

www.klic-online.nl

•

Informatie hoogteligging

www.ahn.nl

•

Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)

bagviewer.kadaster.nl

Locatiebezoek, foto's onderzoekslocatie

Gecombineerd met uitvoering veldwerk en verwerkt in dit hoofdstuk. Foto’s opgenomen als bijlage 6

Algemene gegevens De algemene gegevens over de locatie zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2: Algemene locatiegegevens Adres

Omgeving Coevorderstraatweg, Modderwijk en Boogerdweg in Noordscheschut (gemeente Hoogeveen)

Kadastrale aanduiding

Hoogeveen, sectie K, nummers 2158, 3705, 4556 en 5562

Oppervlakte

Circa 20.400 m²

Algemene omschrijving

Agrarisch gebied bestemd voor woningbouw (uitbreiding Noordscheschut)

Bebouwing

Onbebouwd

Terreinverharding

De locatie wordt doorsneden door de Modderwijk welke met puin is verhard. Het overige deel van de locatie is onverhard

009355

Pagina 2 van 21

De situering van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven op onderstaande afbeelding. Afbeelding 1: Situering onderzoekslocatie (bron PDOK Viewer)

Boogerdweg

Calkoenswijk

Modderwijk

Coevorderstraatweg

Bodemgebruik In onderstaande tabel zijn de beschikbare gegevens weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Tabel 3: Beschrijving bodemgebruik Omschrijving

Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties

Gebruik

Onderzoekslocatie

Historisch

Agrarisch gebied doorsneden met (kavel)sloten. De locatie wordt doorsneden door de weg (en gelijknamige watergang) Modderwijk. Ten zuiden van de locatie bevindt zich de Coevorderstraatweg, ten noorden van de locatie bevindt zich de Boogerdweg. Deze wegen zijn al zichtbaar op kaartmateriaal uit de 19e eeuw.

Huidig

Agrarisch gebied met enkele watergangen (Calkoenswijk, Modderwijk en kavelsloten). Mogelijk zijn enkele sloten gedempt. De locatie wordt doorsneden c.q. begrenst door bovengenoemde wegen. Het gebied tussen de Modderwijk en Coevorderstraatweg is sterk begroeid met struiken en bomen. Ter plaatse is ook een depot zand en puin aanwezig: volgens een aanwonende zou het materiaal bij graafwerkzaamheden nabij de locatie zijn vrijgekomen.

Toekomstig

Woningbouw met openbaar terrein

Geen

Historisch

Tot medio 20e eeuw: agrarisch gebruik

Huidig

• Noordelijk en westelijk: bebouwde kom Noorscheschut en ijsbaan. • Oostelijk en zuidelijk: voornamelijk agrarisch gebruik.

Diffuus verspreid lichte verontreinigingen als gevolg van langdurig (agrarisch) gebruik.

Aanwezigheid van een (lokale) bodemverontreiniging als gevolg van bodemvreemd (dempings)materiaal ter plaatse van: • Dammen (inritten) • Voormalige sloten • Puinweg Modderwijk Diffuus verspreid lichte verontreinigingen als gevolg van langdurig (agrarisch) gebruik.

Directe omgeving

009355

Pagina 3 van 21

Uitgevoerde bodemonderzoeken In 2003 is door De Straat een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het gebied tussen de Modderwijk en de Coevorderstraatweg. De resultaten van dat onderzoek zijn volgens het bodemloket beschreven in het rapport met kenmerk B03K0286 d.d. 19 september 2003 en samengevat in het hierna genoemd rapport van Royal Haskoning. Uit die samenvatting blijkt dat in de grond sprake is van lichte tot uiterst sterke bijmengingen met puin. Analytisch is in de grond een matig verhoogd gehalte aan zink en zijn licht verhoogde gehalten aan overige zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond. Ook het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan zware metalen. Volgens Royal Haskoning is in 2009 is voorgenoemd gebied nogmaals onderzoek uitgevoerd door Outline Consultancy. De resultaten van dat onderzoek zijn beschreven in het rapport met kenmerk B09K0234 d .d. 18 december 2009 en samengevat in het hierna genoemd rapport van Royal Haskoning. Uit die samenvatting blijkt dat het slib in de Modderwijk is onderzocht en is beoordeeld als verspreidbaar op aangrenzend perceel (klasse A). In 2011-2012 is door Royal Haskoning een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd waarbij een gebied is onderzocht waarvan de huidige onderzoekslocatie volledig onderdeel uitmaakte. De resultaten van dat onderzoek zijn beschreven in het rapport met kenmerk 9W8676 d.d.

1 februari 2012. Een situatietekening uit dat onderzoek is opgenomen als bijlage 7 van dit rapport. Uit dat onderzoek blijkt voor de huidige onderzoekslocatie het volgende: • er is sprake van twee dammen (101 en 102). Bij deze dammen is in de grond een bijmenging met puin waargenomen maar er is geen onderzoek naar asbest uitgevoerd. Dam 101 bevindt zich bij de Modderwijk: hier is in de puin- en kolengruishoudende grond tot 0,7 m -mv een sterk verhoogd gehalte aan barium en zink aangetoond. De omvang van deze verontreiniging is niet vastgesteld; • nabij dam 101 is lokaal in het slib van de sloot een lichte bijmenging met puin waargenomen; het monster is niet onderzocht op asbest; • ook elders nabij c.q. langs de Modderwijk is in de geroerde grond een bijmenging met puin waargenomen (b42); ook deze grond is niet onderzocht op asbest. In het mengmonster waarin deze grond is opgenomen zijn diverse chemische parameters in een licht verhoogd gehalte aangetoond; • behoudens licht verhoogde concentraties in het grondwater, zijn verder geen verontreinigingen vastgesteld; • het slib van de watergangen (zover onderzocht en aanwezig binnen de huidige onderzoekslocatie) is beoordeeld als verspreidbaar en voldoet voor toepassing op land aan de achtergrondwaarde. De situatie zoals beschreven in het voorgenoemde rapport is vergeleken met historisch kaartmateriaal op de website topotijdreis.

Op basis daarvan is het volgende geconcludeerd: • door Royal Haskoning is een tracé van een gedempte sloot aangegeven waar de boringen dm01 t/m dm03 zijn verricht. Dit tracé ligt ten oosten van de huidige onderzoekslocatie (zie onderstaande afbeelding). Op historisch kaartmateriaal vanaf 1962 is de sloot meer in westelijk richting zichtbaar, nabij de oostelijke grens van de huidige onderzoekslocatie; • ook parallel daaraan, tussen boring b30 en b31 zou een sloot aanwezig zijn geweest. De historische situatie van de onderzoekslocatie en (mogelijk) gedempte sloten, zijn op onderstaande afbeelding aangegeven. Afbeelding 2: Historische kaart 1962 (bron: topotijdreis)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10854021/1